RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 23/7624 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2025 in de zaak tussen [eisers] , uit [plaats] , eisers (gemachtigde: mr. N.J. Loekemeijer), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem (gemachtigde: mr. A. Kamphuis). Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: [derde-partij 1] uit [plaats] , [derde-partij 2] uit [plaats] (gemachtigde: mr. L.M. van Rooij), [derde-partij 3] uit [plaats] , [derde-partij 4] uit [plaats] , [derde-partij 5] uit [plaats] , [derde-partij 6] uit [plaats] , [derde-partij 7] uit [plaats] , [derde-partij 8] uit [plaats] , [derde-partij 9] uit [plaats] , [derde-partij 10] uit [plaats] , [derde-partij 11] uit [plaats] en [derde-partij 12] uit [plaats] .(allen omwonenden) Procesverloop In het besluit van 17 januari 2023 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag om een woningvormingsvergunning afgewezen. In het besluit van 21 november 2023 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Derde-partij [derde-partij 2] heeft ook schriftelijk gereageerd. De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser [eiser] , vergezeld door [naam 1] en [naam 2] , de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 3] en derde-partijen [derde-partij 12] , [derde-partij 2] met zijn gemachtigde, [derde-partij 3] , [derde-partij 4] , [derde-partij 5] , [derde-partij 7] , en [derde-partij 11] . Na afloop van de behandeling van de zaak heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Gronden van de beslissing
- Het college weigert de woningvormingsvergunning omdat een aantal weigeringsgronden uit artikel 3.15 van de Huisvestingsverordening Zuid-Kennemerland/IJmond: Haarlem 2022 (de Huisvestingsverordening) van toepassing zijn. Het GBO van de oorspronkelijke woning is kleiner dan 140 m2 (artikel 3.1.5., tweede lid, onder a, van de Huisvestingsverordening). Naar het oordeel van het college is het belang van behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad groter dan het met woningvorming gediende belang (artikel 3.1.5., eerste lid, onder a). Het verlenen van de vergunning zou kunnen leiden tot een onaanvaardbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van het betreffende pand (artikel 3.1.5., eerste lid, onder b). De woning ligt in het gebied waar conform bijlage 1 woningvormen of omzetten niet is toegestaan (artikel 3.1.5., eerste lid, onder d).
- Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de gevraagde woningvormingsvergunning in redelijkheid kunnen weigeren. Artikel 3.1.5 van de Huisvestingsverordening is geformuleerd als een kan-bepaling. Dit betekent dat het college beoordelingsruimte heeft. De rechtbank kan alleen terughoudend toetsen of het college in redelijkheid tot zijn beoordeling is gekomen.
- Ongeacht alle overige voorwaarden uit de Huisvestingsverordening, en ongeacht of daaraan wordt voldaan, dient het college het belang het behoud van het schaarse aanbod van eengezinswoningen af te zetten tegen het belang van de aanvragers.
- Daarbij heeft het college geoordeeld dat het belang van de leefbaarheid van de buurt niet opweegt tegen het persoonlijke belang van eisers. Door het verlenen van een woningvormingsvergunning ontstaan er permanent twee extra woningen in de buurt, waarbij eisers de mogelijkheid hebben deze te verhuren. Daardoor ontstaat een permanent grotere druk op de openbare ruimte, terwijl die druk al hoog is. Er ontstaat bijvoorbeeld extra parkeerbehoefte en er is extra afvalafvoer. Het belang van de aanvragers is dat hun beide zoons in de woning kunnen wonen en zo mantelzorg kunnen verlenen aan hun ouders die in de woning erachter wonen. Ter zitting hebben zij toegelicht dat hun belang bij woningvorming voornamelijk is gelegen in privacy. Door woningvorming krijgen de beide zoons een eigen adres waardoor zij met hun gezinnen gescheiden van elkaar kunnen leven.
- Omdat dit echter niet het directe belang is van de aanvragers, is dit slechts een afgeleid belang. Het belang van aanvragers is gelegen in het dichtbij huisvesten van hun zoons, zodat zij mantelzorg kunnen ontvangen. Dit belang is ook te bereiken zonder woningsplitsing. Immers kan de woning ook zonder woningvormingsvergunning bouwkundig gesplitst worden in twee zelfstandige woonruimten. Het hebben van een eigen adres is voor het huisvesten van twee gezinnen geen vereiste.
- Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de aanvraag in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Maarleveld, rechter, in aanwezigheid van mr. N.L. Pruntel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 mei
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.