← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2025:9376

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, zittingsplaats Haarlem Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/112685-25 (P) Uitspraakdatum: 22 juli 2025 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 juli 2025 in de zaak tegen: [naam verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in Justitieel Complex Schiphol. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. I. Hermans, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. B. Wernik, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 13 april 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. 2Voorvragen De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 3Beoordeling van het bewijs 3.

  1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. 3.
  2. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft ten aanzien van het bewijs geen verweer gevoerd. 3.
  3. Oordeel van de rechtbank 3.3.
  4. Redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank komt op grond van de inhoud van de hierna te noemen bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Aangezien de verdachte het bewezen verklaarde feit heeft bekend en namens hem geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan zij tot een bewezenverklaring is gekomen, namelijk: de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 22 juli 2025 afgelegd; een proces-verbaal van bevinding en aanhouding van 13 april 2025 (dossierpagina 17 e.v.); een proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen van 13 april 2025 (dossierpagina 49 e.v.); een geschrift, zijnde een verslag van een deskundige als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 4° van het Wetboek van Strafvordering, van het Nederlands Forensisch Instituut van 11 juni 2025 (losse bijlage). 3.
  5. Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat hij op 13 april 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne. Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit Het bewezen verklaarde levert op: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is dan ook strafbaar. 5Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar. 6Motivering van de sanctie 6.
  6. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden, met aftrek van het voorarrest. 6.
  7. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht om een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest. 6.
  8. Oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Ernst van het feit De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van ongeveer 330 gram cocaïne door op een vlucht van Curaçao naar Nederland kledingstukken te vervoeren die geïmpregneerd waren met cocaïne. Cocaïne is schadelijk voor de gezondheid. De ingevoerde hoeveelheid moet bestemd zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan vaak samen met andere vormen van criminaliteit, waaronder levens- en geweldsdelicten, bedreigingen en daarnaast de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze drugs. Dit maakt dat in de regel forse straffen worden opgelegd voor de invoer van harddrugs. Persoon van de verdachte Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 10 juni 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder wegens een strafbaar feit is veroordeeld. Op te leggen straf De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het onderhavige feit geen andere straf dan een vrijheidsbenemende straf rechtvaardigt. De rechtbank gaat bij de strafoplegging uit van de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en houdt rekening met straffen die rechters in vergelijkbare zaken hebben opgelegd. Voor het invoeren van 200 tot 500 gram harddrugs heeft het LOVS een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie tot zes maanden als uitgangspunt geformuleerd. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 102 dagen passend en geboden is, met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd. 7Toepasselijke wettelijke voorschriften De volgende wetsartikelen zijn van toepassing: 2 en 10 van de Opiumwet. 8Beslissing De rechtbank: Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven. Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij. Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder
  9. vermelde strafbare feit oplevert. Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 102 (honderdtwee) dagen. Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van die voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van de opgelegde gevangenisstraf, zijnde 23 juli
  10. Deze beslissing is afzonderlijk geminuteerd. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. N. Mook, voorzitter, mr. G.D. Kleijne en mr. P.A. Hesselink, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.I. Hoedjes, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 juli 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.