RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Alkmaar Bestuursrecht zaaknummers: HAA 23/7635 en HAA 24/5592 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2025 in de zaken tussen
(2019)is aan die locatie, die een bedrijfsbestemming had, een woonbestemming toegekend. Net als aan de [adres A] , werd hier ook al een lange tijd zelfstandig gewoond. Voor [adres F] is onderzoek gedaan naar de milieucirkel en eventuele milieuoverlast van het aanwezige [bedrijf] van derde-partij aan de [adres A, C. D. E en F] . In het bestemmingsplan is de milieucirkel daarna verkleind. Daardoor werd bewoning mogelijk en door de gemeente toegestaan. Op [adres A, C. D. E en F] mag ook maar één hoofdgebouw op de bestemming ‘Bedrijf’ aanwezig zijn. Dit is de bedrijfsloods, zodat [adres F] automatisch een bijbehorend bouwwerk is. [adres A] is ook een bijbehorend bouwwerk. 11.
- In het bestreden besluit stelt het college zich op het standpunt dat handhavend optreden niet onevenredig is. Er is geen sprake van een gelijk geval met [adres F] omdat dat een bestaande bedrijfswoning was die door middel van een bestemmingsplanprocedure als reguliere woning is bestemd. Er is dus ook in deze zin geen bijzondere omstandigheid om van handhavend optreden af te zien. 11.
- Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser 2 niet aannemelijk gemaakt dat het bestreden besluit genomen is in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Voor de bedrijfswoning op [adres F] is in 2019 bestemmingsplan ‘ [adres A, C. D. E en F] ’ vastgesteld. Uit de toelichting van het bestemmingsplan volgt dat aldaar een bedrijfswoning stond bij het naastgelegen bedrijf van derde-partij. Sinds 1974 werd 4a echter al niet meer als bedrijfswoning bewoond door de eigenaren van het bedrijf, die immers op [adres C] zijn gaan wonen. Met het bestemmingsplan is in 2019 de feitelijk al lang bestaande situatie gelegaliseerd. [adres A] betreft geen gelijke situatie, nu dat een bijbehorend bouwwerk is bij de woning [adres B] , niet de bestemming bedrijfswoning heeft en pas na de vaststelling van het bestemmingsplan Buitengebied in gebruik is genomen als zelfstandige woning. Conclusie en gevolgen
- Het beroep HAA 23/7635 is niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank de beroepsgronden van eiser 1 niet inhoudelijk beoordeelt en de weigering van een omgevingsvergunning in stand blijft. Hij krijgt het griffierecht niet terug en krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Omdat de rechtbank de redelijke uitspraaktermijn heeft overschreden, kent de rechtbank aan zowel eiser 1 als derde-partij een schadevergoeding toe van € 500,-. De Staat moet deze schadevergoeding betalen.
- Het beroep HAA 24/5592 is ongegrond. Dit betekent dat eiser 2 geen gelijk krijgt en de last onder dwangsom in stand blijft. Hij krijgt het griffierecht niet terug en krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep HAA 23/7635 niet-ontvankelijk; veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van een immateriële schadevergoeding van € 500,- aan eiser [eiser 1] ; veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van een immateriële schadevergoeding van € 500,- aan derde-partij [derde-partij] ; verklaart het beroep HAA 24/5592 ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr.I.A. Bakker, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c: Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: a. het bouwen van een bouwwerk, c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, (…). Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 2o: Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en: a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan (…): 2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen. Besluit omgevingsrecht Artikel 4 , aanhef en onder 9, van bijlage II: Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan (…) wordt afgeweken, komen in aanmerking:
- het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen. Bestemmingsplan ‘Buitengebied voormalige gemeente Niedorp’ Artikel 17.2, onder a, aanhef en onder 1: Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:
- het aantal woningen per bestemmingsvlak mag niet meer dan 1 bedragen dan wel het ter plaatse van de aanduiding “maximum aantal wooneenheden” aangegeven aantal. Artikel 17.5, aanhef en onder d: Als gebruik in strijd met de bestemmingsomschrijving als bedoeld lid 17.1 wordt in ieder geval aangemerkt: het gebruik van bijbehorende bouwwerken voor zelfstandige bewoning. Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, gelezen in verbinding met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 2o, van die wet en artikel 4 , aanhef en onder 9, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. ECLI:NL:RBNHO:2024:
- Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 12 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2680, en de omgevingsvergunning van 6 februari
- Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:
- Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, en 20 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:
- Stcrt. 2014,
- Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:
- Het college verwijst naar de uitspraken van de Afdeling van 21 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:643, en 15 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:
- Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1007.