ECLI:NL:RBNHO:2026:109
Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: HAA 24/5936 en HAA 24/7509 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2026 in de zaken tussen [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser, en de ambtenaar belast met de heffing en invordering van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, verweerder.
Procesverloop HAA 24/5936 Eiser heeft verweerder op 5 oktober 2023 in gebreke gesteld inzake een door hem op 16 juni 2023 ingediend bezwaarschrift.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 19 oktober 2023 het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft verweerder op 17 november 2023 in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van dwangsombesluit.
Verweerder heeft bij besluit van 24 november 2023 het verzoek van eiser om een dwangsom afgewezen.
Eiser heeft daartegen op 5 januari 2024 bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft op 24 januari 2024 het bezwaar van eiser tegen het afwijzen van de dwangsom ongegrond verklaard.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
HAA 24/7509 Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2024 een aanslag waterschapsbelasting opgelegd van in totaal € 447,71, bestaande uit een watersysteemheffing, gebouwd – eigenaar; een watersysteemheffing – gebruiker en een zuiveringsheffing woonruimte (hierna: de aanslag).
Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 1 oktober 2024 het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Beide zaken Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2025. Eiser is zonder bericht van verhindering niet verschenen. De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting onderzocht of eiser behoorlijk is uitgenodigd voor de zitting. De uitnodiging voor de zitting, met vermelding van plaats en tijdstip, is op 24 juni 2025 in Mijn Rechtspraak geplaatst. Van de plaatsing van de uitnodiging in Mijn Rechtspraak is eveneens op 24 juni 2025 een notificatie verzonden naar het door eiser voor dit doel opgegeven e-mailadres. Nu uit het voorgaande volgt dat eiser tijdig en op de voorgeschreven wijze is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen, heeft de rechtbank aan het niet verschijnen van eiser geen gevolgen verbonden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] .
Overwegingen Feiten 1. De aanslag waterschapsbelasting heeft betrekking op de onroerende zaak plaatselijk bekend als [adres] te [plaats] (hierna: de onroerende zaak). De aanslag betreft een watersysteemheffing (gebouwd, eigenaar), een watersysteemheffing (gebruiker) en een zuiveringsheffing. Bij het begin van het in geschil zijnde belastingjaar was eiser eigenaar van de onroerende zaak.
Geschil 2. In geschil is of verweerder een dwangsom heeft verbeurd (HAA 24/5936) en of de aanslag bevoegd, terecht en naar de juiste hoogte is opgelegd (HAA 24/5790).
HAA 24/5936
HAA 24/7509 Het aanslagbiljet bevat ten onrechte geen naam en handtekening.
Er is niet gebleken dat de ondertekenaar van de beslissing op bezwaar, [naam 2] , gemandateerd is om bevoegd de beslissing te mogen nemen.
Er is sprake van strijd met artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat de beslissing op bezwaar in mandaat is genomen.
Er is niet aangetoond dat het adres van eiser binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) valt. De bij de beslissing op bezwaar gevoegde kaart komt van een digitale kaart van HHNK en niet van de provincie. Daarbij komt dat uit het Reglement van Bestuur van HHNK niet volgt dat de beheergrens is aangegeven op een digitale kaart.
Het Reglement van Bestuur van HHNK dient exceptief getoetst te worden en dan onverbindend verklaard te worden. De reden is dat aan de hand van de bijbehorende kaart niet kan worden opgemaakt waar de grenzen exact liggen. Er is daardoor sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en de beginselen van behoorlijke regelgeving inzake duidelijkheid en begrijpelijkheid. Daarnaast heeft bij het vaststellen van de grenzen geen belangenafweging plaatsgevonden.
Het heffen van waterschapsbelasting is in strijd met het recht op ongestoord genot van eigendom van artikel 1 Eerste protocol van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), het rechtszekerheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel omdat in de Waterschapswet geen definitie staat van watersysteem of het zuiveren van afvalwater.
De Grondwet geeft geen bevoegdheid aan waterschappen om belasting te mogen heffen. De belastingverordeningen van HHNK zijn daarom in strijd met de Grondwet.
Bij de vaststelling van de Verordening watersysteemheffing HHNK 2024 en de Verordening zuiveringsheffing HHNK 2024 heeft geen belangenafweging plaatsgevonden. De verordeningen zijn daarom onverbindend.
Betwist wordt dat alleen de kosten voor de zorg voor het watersysteem aan de watersysteemheffing worden toegerekend. Uit een reactie op een verzoek op grond van de Wet open overheid blijkt dat zonder nadere beoordeling, terugkomende projecten ongewijzigd in het systeem blijven staan, dat bij nieuwe projecten op basis van een oordeel van een financieel expert de kosten worden verdeeld en dat met een rekenkundige tool een doorrekening wordt gemaakt naar de kostenplaatsen. Verder volgt uit de beslissing op bezwaar dat het bestuur gedurende het proces van het vaststellen van de begroting extra kosten kan toevoegen en accorderen. Het is onduidelijk waarom de kosten voor aanleg en onderhoud wegen, en de wegenverkeersregeling en verkeersveiligheid aan de watersysteemheffing worden toegerekend. Hetzelfde geldt voor de kosten van belastingheffing, invordering en bestuur. Daarnaast lijken de kosten van € 4.262,00 voor handhaving dubbel te worden toegerekend, zowel aan de watersysteemheffing als aan de zuiveringsheffing. Onduidelijk is wat wordt verstaan onder eigen plannen en plannen van derden en in hoeverre dit is gerelateerd aan de zorg voor het watersysteem.
Het heffen van de watersysteemheffing voor ingezetenen per woonruimte is in strijd met artikel 14 van het EVRM, artikel 26 van het IVBPR, artikel 1 van de Grondwet, artikel 1 van het Eerste Protocol EVRM, het gelijkheidsbeginsel, het discriminatieverbod, verbod van willekeur en het evenredigheidsbeginsel.
Het is in strijd met artikel 14 van het EVRM, artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR), artikel 1 van de Grondwet, artikel 1 Eerste protocol EVRM, het evenredigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het discriminatieverbod en het verbod van willekeur om zowel watersysteemheffing te heffen voor de eigenaar als de gebruiker van een gebouwde onroerende zaak. Er is sprake van een dubbele heffing.
Er wordt ten onrechte een correctie toegepast op het aantal woonruimten voor kwijtgescholden en oninbaar verklaarde aanslagen.
De kosten van heffing en invordering en van de verkiezingen kunnen op grond van artikel 120, eerste lid van de Waterschapswet rechtstreeks worden toegerekend aan specifieke categorieën heffingplichtigen. Dit is ten onrechte niet gebeurd bij de watersysteemheffing.
Bij de vaststelling van de tariefdifferentiatie voor buitendijks heeft geen belangenafweging plaatsgevonden. Met belangen van eiser die binnendijks woont is geen rekening gehouden. Door een lager tarief voor buitendijks geldt voor binnendijks een hoger tarief. Eiser wordt daardoor onevenredig benadeeld. Omdat de Waterschapswet geen definitie bevat van het begrip buitendijks, wordt in de verordening ten onrechte niet uitgegaan van wat het Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal als definitie hanteert. De Waterschapswet geeft geen bevoegdheid om onderscheid te maken naar verschillende typen buitendijks.
Bij het vaststellen van de Kostentoedelingsverordening watersysteemheffing HHNK 2020 is uitgegaan van de waardepeildatum 1 januari 2019. Aangezien deze verordening is vastgesteld op 18 september 2019 waren op dat moment de WOZ-waarden met waardepeildatum 1 januari 2019 nog niet bekend. Er moet dus zijn uitgegaan van onjuiste WOZ-waarden. Daarnaast heeft bij het bepalen van de waardepeildatum ten onrechte geen belangenafweging plaatsgevonden en is dit niet gemotiveerd. De kostentoedelingsverordening is daarom onverbindend.
Bij het bepalen van het kostendeel voor ingezetenen is ten onrechte uitgegaan van de inwonerdichtheid van 2018. Ten onrechte is een ingezetenenpercentage van 37% gehanteerd.
Het ingezetenenpercentage dient te worden vastgesteld op 32,6%. Er is geen ruimte voor het waterschap om naar eigen inzicht binnen de bandbreedte een percentage vast te stellen. Er heeft geen belangenafweging plaatsgevonden en het percentage van 37% is onvoldoende gemotiveerd. Ingezetenen worden onevenredig hard geraakt, waardoor het evenredigheidsbeginsel is geschonden.
In de begrotingen 2023 en 2024 blijkt dat er wordt uitgegaan van een toename van het aantal woonruimten van 5.600. Uit gegevens van het CBS blijkt dat er 11.000 woningen zijn bijgekomen. Door verbouwingen en splitsingen ligt dit aantal nog hoger; 5.600 woningen zou daarom onjuist zijn.
Er wordt ten onrechte een zuiveringsheffing in rekening gebracht voor het indirect afvoeren van afvalstoffen. De Waterschapswet biedt hier geen grondslag voor.
Er wordt ten onrechte een correctie toegepast op het aantal vervuilingseenheden voor kwijtgescholden en oninbaar verklaarde aanslagen.
De kosten van heffing en invordering en van de verkiezingen kunnen op grond van artikel 120, eerste lid van de Waterschapswet rechtstreeks worden toegerekend aan specifieke categorieën heffingplichtigen. Dit is ten onrechte niet gebeurd bij de zuiveringsheffing.
In de begrotingen 2023 en 2024 blijkt dat er wordt uitgegaan van een afname van het aantal vervuilingseenheden van 7.000. Uit gegevens van het CBS blijkt dat er 11.000 woningen zijn bijgekomen en ook het aantal bedrijven is volgens het CBS gestegen. Het aantal vervuilingseenheden zou hoger moeten zijn.
Het is in strijd met artikel 14 van het EVRM, artikel 26 van het IVBPR, artikel 1 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Protocol EVRM, het gelijkheidsbeginsel, het discriminatieverbod, het verbod van willekeur en het evenredigheidsbeginsel om voor de zuiveringsheffing een forfait toe te passen van 3 vervuilingseenheden bij een huishouden van drie of meer personen. Er wordt ten onrechte geen rekening gehouden met grote huishoudens.
Betwist wordt dat alleen de kosten voor de zorg voor het zuiveren van afvalwater aan de zuiveringsheffing worden toegerekend. Het is onduidelijk waarom de kosten voor calamiteitenbestrijding watersystemen aan de zuiveringsheffing worden toegerekend. Hetzelfde geldt voor de kosten van belastingheffing, invordering en bestuur. Daarnaast lijken de kosten van € 4.262,00 voor handhaving dubbel te worden toegerekend, zowel aan de watersysteemheffing als aan de zuiveringsheffing. Onduidelijk is wat wordt verstaan onder eigen plannen en in hoeverre dit is gerelateerd aan het zuiveren van afvalwater.
Beoordeling van het geschil HAA 24/5936: heeft verweerder een dwangsom verbeurd?
HAA 24/7509: de aanslag 9. Eiser voert aan dat het aanslagbiljet niet aan de eisen voldoet en dat deze onbevoegd is opgelegd. De rechtbank volgt eiser hierin niet en overweegt daartoe allereerst dat de aanslag niet de vermelding van de heffingsambtenaar behoeft te bevatten (vgl. gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30 augustus 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:7524). Zoals volgt uit de uitspraak op bezwaar, is deze ondertekend door het Hoofd cluster Belastingen. Verweerder heeft met het verweerschrift een besluit van 13 september 2016 (registratienummer 16.102671) overgelegd, waarin onder meer het hoofd van het cluster Belastingen is aangewezen als eerste plaatsvervanger van de ambtenaar belast met de heffing en invordering. Nu de ambtenaar belast met de heffing en invordering alsmede diens plaatsvervanger hun bevoegdheden rechtstreeks uit de wet ontlenen, is, anders dan eiser kennelijk meent, geen sprake van mandatering maar van attributie. Van schending van artikel 10:3 van de Awb is dan ook geen sprake. Deze grieven van eiser kunnen niet slagen.
HAA 24/7509: slotsom 20. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de aanslag terecht en naar de juiste hoogte aan eiser is opgelegd. Hetgeen eiser voor het overige heeft aangevoerd brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank zal het beroep daarom ongegrond verklaren.
Beide zaken: proceskosten 21. Omdat de beroepen ongegrond zullen worden verklaard, bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.
Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Snitker rechter, in aanwezigheid van mr. E.M. Mensink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam .
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: