Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 24/109 uitspraak van de meervoudige douanekamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen [eiseres] GmbH, gevestigd te [vestigingsplaats] , Bondsrepubliek Duitsland, eiseres en de inspecteur van de Douane, verweerder. Inleiding Deze zaak gaat over een verzoek om toepassing van een preferentiële tariefmaatregel bij de invoer van e-bikes uit Zuid-Korea. Verweerder heeft aan eiseres een uitnodiging tot betaling (de utb) met dagtekening13 mei 2023 uitgereikt voor een bedrag van € 9.483,62, bestaande uit € 9.074,27 aan douanerechten en € 409,35 aan rente op achterstallen. Eiseres heeft tegen de utb bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 19 oktober 2023 het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 20 maart 2025 zijn partijen uitgenodigd voor een behandeling ter zitting op 6 mei 2025. Bij brief van 1 april 2025 heeft één van de toenmalige advocaten van eiseres de rechtbank verzocht de behandeling uit te stellen tot nader bericht. Daarbij is opgemerkt dat zij al ruim een jaar tevergeefs probeert contact op te nemen met eiseres. Bij brief van 3 april 2025 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat de behandeling van het beroep tot een nader te bepalen datum is uitgesteld. Bij e-mail van 15 juli 2025 heeft de rechtbank partijen van het voornemen op de hoogte gesteld het beroep op 16 december 2025 ter zitting te behandelen. Bij e-mail van 21 juli 2025 heeft één van de toenmalige advocaten van eiseres de rechtbank bericht dat zij en haar collega al enige tijd geen (mail)contact meer hebben en kunnen krijgen met (de contactpersoon van) eiseres en dat zij zich daardoor genoodzaakt zien om zich te onttrekken als advocaten van eiseres in de onderhavige procedure. De rechtbank wordt door de advocaten verwezen naar de contactpersoon van eiseres, mevrouw [naam 1] , op het correspondentieadres: [adres] [vestigingsplaats] , Bondsrepubliek Duitsland. Het door de advocaten verstrekte adres komt overeen met het adres van eiseres dat in het overgelegde uittreksel van het Handelsregister B des Amtsgerichts [vestigingsplaats] van 14 februari 2024 staat vermeld. De e-mail van 21 juli 2025 van de advocaat is door de rechtbank bij brief van 21 juli 2025 per gewone post aan verweerder en eiseres gestuurd. Bij aangetekend verstuurde brief van 22 juli 2025 is eiseres verzocht om voor de correspondentie met de rechtbank domicilie te kiezen binnen Nederland. Tevens is eiseres daarbij op de hoogte gesteld van het voornemen om het beroep op 16 december 2025 te behandelen. Op 14 augustus 2025 is voornoemde brief van 21 juli 2025 door de rechtbank retour ontvangen. Bij brief van 22 augustus 2025 is eiseres per aangetekende post uitgenodigd voor een behandeling ter zitting op 16 december 2025. Op 27 augustus 2025 is de brief van 22 juli 2025 door de rechtbank retour ontvangen. Deze retour ontvangen brief is op 27 augustus 2025 per gewone postzending aan eiseres toegezonden. Op 25 september 2025 is de brief van 22 augustus 2025 door de rechtbank retour ontvangen. Deze brief is bij brief van 29 september 2025 per gewone postzending aan eiseres toegezonden. Alle door de rechtbank aangetekend en per gewone post verzonden brieven die werden verstuurd aan het bij de rechtbank bekende correspondentieadres en ter attentie van de contactpersoon, zijn aan de rechtbank geretourneerd met de mededelingen “Empfänger/firma unter der angegebenen Anschrift nicht zu ermitteln” en “Inconnu/Adresse insuffisante”. Bij brief van 7 oktober 2025 is eiseres (ter attentie van zowel de contactpersoon - mevrouw [naam 1] - als mevrouw [naam 2] , de als bevoegd (alleen) vertegenwoordiger vermelde persoon in het uittreksel van het Handelsregister) door de rechtbank gelijktijdig per gewone post en per aangetekende post opgeroepen om op 16 december 2025 ter zitting te verschijnen en aldaar de inlichtingen te geven waarom de rechtbank vraagt. Daarbij is gewezen op de verplichting om naar de zitting te komen en de gevraagde inlichtingen te geven. Ook is gewezen op het bepaalde in de artikelen 8:27 en 8:31 van de Algemene wet bestuursrecht, dat de rechtbank bij het niet voldoen aan deze verplichtingen de gevolgtrekkingen zal maken die haar geraden voorkomen, bijvoorbeeld door te beslissen de zaak niet inhoudelijk te behandelen. Van het vorenstaande is een samenvatting in de Engelse taal in de brief ingelast. De door de rechtbank op 7 oktober 2025 verzonden aangetekende brief is door de rechtbank retour ontvangen. De aangetekend verstuurde en retour ontvangen brief van 7 oktober 2025 is bij brief van 30 oktober 2025 per gewone postzending aan eiseres toegezonden. De per gewone post verstuurde brief van 30 oktober 2025 is op 28 november 2025 door de rechtbank retour ontvangen. Op de retour ontvangen brieven van de rechtbank van 7 oktober 2025 en 30 oktober 2025 stonden ook de mededelingen “Empfänger/firma unter der angegebenen Anschrift nicht zu ermitteln” en “Inconnu/Adresse insuffisante” vermeld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2025. Eiseres is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mrs. [naam 3] en [naam 4] . Feiten 1. Op 17 november 2021 heeft eiseres via haar direct vertegenwoordiger [bedrijf 1] B.V. een douaneaangifte gedaan met het nummer eindigend op Y5WD56. Met deze aangifte zijn “MOTOR BIKES, [#] , [#] ” (de e-bikes) aangegeven met goederencode 8711 6010 00 en met het land van oorsprong “Korea Republiek” (Zuid-Korea). 2. Bij het doen van de douaneaangifte is door invulling van code 300 verzocht om toepassing van een preferentiële tariefmaatregel. Daartoe is het preferentieel bescheid, de commercial invoice (factuur) met nummer MV-Inv.210908-002 van de exporteur [bedrijf 2] , Ltd. , overgelegd om de oorsprong van de goederen aan te tonen. Bij vrijgave van de goederen is de preferentie verleend. 3. De factuur is bij brief van 7 maart 2022 door verweerder voor nacontrole naar de douane-autoriteiten in Zuid-Korea gezonden als steekproefonderzoek vanuit het Protocol betreffende de definitie van “producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking (het Protocol) bij het Besluit van de Raad van 16 september 2010 betreffende de ondertekening namens de Europese Unie en de voorlopige toepassing van de Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds (Vrijhandelsovereenkomst). Op 19 september 2022 heeft verweerder per e-mail een rappel gestuurd naar de douane-autoriteiten in Zuid-Korea. 4. Op 4 januari 2023 hebben de douane-autoriteiten van Zuid-Korea een antwoord gegeven op het verzoek. De douane-autoriteiten hebben vastgesteld dat de factuur echt is en [bedrijf 2] een toegelaten exporteur is. Over de oorsprong hebben zij het volgende vastgesteld. De oorsprongsregels voor het preferentiële tarief die kunnen worden toegepast op het exportproduct in kwestie (een e-bike van GS-post 8711) is “Tariefpostverspringing” of “Waardetoevoeging van minstens 50%”in overeenstemming met paragraaf 1 van artikel 5 van het Protocol en de bijbehorende Annex 2. De exporteur heeft gekozen voor toepassing van de “Tariefpostverspringing”. De onderdelen die zijn gebruikt bij de fabricage van het product in kwestie zijn niet van Zuid-Koreaanse oorsprong. Zij zijn in Zuid-Korea ingevoerd met gebruikmaking van indelingsregel 2A. Dit betekent dat geen tariefpostverspringing heeft plaatsgevonden tussen de gebruikte onderdelen en het eindproduct. Verweerder stelde zich op basis van deze vaststelling op het standpunt dat de e-bikes niet de preferentiële Zuid-Koreaanse oorsprong hebben en dus niet in aanmerking komen voor het preferentiële tarief. 5. Bij brief van 9 februari 2023 heeft verweerder eiseres een voornemen tot het opleggen van een utb per aangetekende post toegezonden. Op 14 maart 2023 ontving verweerder deze brief retour. 6. Bij brief van 30 maart 2023 heeft verweerder nogmaals het voornemen tot het opleggen van een utb per aangetekende post aan eiseres toegezonden. 7. Bij brief van 1 mei 2023 heeft eiseres een reactie op het voornemen tot het opleggen van een utb aan verweerder gestuurd. 8. Bij brief van 11 mei 2023 heeft verweerder eiseres bericht dat haar reactie op het voornemen heeft gekruist met het verzenden van de in de inleiding genoemde utb en dat om deze reden in de utb niet is ingegaan op de zienswijze van eiseres. Deze zienswijze heeft verweerder echter ook achteraf geen aanleiding gegeven om af te zien van het verzenden van de utb, dan wel het verschuldigde bedrag anders te berekenen. 9. Op 13 mei 2023 heeft verweerder de utb aan eiseres uitgereikt. 10. Bij brief van 22 juni 2023 heeft eiseres bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is per e-mail van 26 juni 2023 aangevuld. 11. Op 19 oktober 2023 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. 12. Bij brief van 23 november 2023 heeft eiseres beroep ingesteld. Geschil 13. In geschil is of de utb terecht aan eiseres is uitgereikt. Meer specifiek is in geschil of aan de voorwaarden voor de toewijzing van een verzoek om toepassing van een preferentiële tariefmaatregel bij de invoer van e-bikes uit Zuid-Korea is voldaan. 14. Eiseres stelt dat verweerder de utb ten onrechte aan haar heeft uitgereikt. Zij voert daarvoor de volgende gronden aan: het standpunt van verweerder dat de oorsprongsverklaring op de factuur niet kan dienen om in aanmerking te komen voor preferentie, omdat daarmee niet zou zijn voldaan aan artikel 2, onder b, juncto artikel 5, lid 1, van het Protocol is onjuist. De vervaardiging van de e-bikes onder post 8711 heeft namelijk plaatsgevonden uit materialen van de posten 8741, 8501 en 8507. Uit onderzoek dat eiseres heeft laten uitvoeren bij haar leverancier blijkt bovendien dat de ingevoerde onderdelen voldoende bewerking hebben ondergaan om als van preferentiële oorsprong te worden aangemerkt; Ook heeft verweerder ten onrechte nagelaten toelichting te geven op haar stelling dat uit onderzoek van de Zuid-Koreaanse autoriteit zou zijn gebleken dat de goederen niet van Zuid-Koreaanse preferentiële oorsprong zijn; verweerder heeft niet voldaan aan de op hem rustende bewijslastdoor enkel naar de bevindingen van de Zuid-Koreaanse douane te verwijzen, en heeft daarmee dan ook geen onderbouwing gegeven voor zowel de voorgenomen navordering als de definitief opgelegde utb. In de verklaring van de Zuid-Koreaanse douane wordt geen enkele toelichting of onderbouwing gegeven voor de stelling dat er geen sprake zou zijn van tariefpostverspringing. Verweerder had om deze reden zelf onderzoek moeten uitvoeren naar de (preferentiële) oorsprong van de e-bikes en had niet blindelings mogen afgaan op de niet onderbouwde verklaring van de Zuid-Koreaanse douane; en Verweerder heeft in strijd gehandeld met het verdedigings- en het motiveringsbeginsel. Verweerder heeft in zijn voornemen van 30 maart 2023 enkel opgenomen dat achteraf zou zijn vastgesteld dat de oorsprongsverklaring op de factuur niet kan dienen om in aanmerking te komen voor preferentie en dat dit ook zou blijken uit het onderzoek van de Zuid-Koreaanse douane. Verweerder heeft voorts pas in zijn voorlopige beschouwing van 9 augustus 2023 en uitsluitend na expliciet verzoek hiertoe door eiseres, de verklaring van de Zuid-Koreaanse douane aangeleverd. Voorts geldt dat de motivering/toelichting in het voornemen, de utb, de voorlopige beschouwing en in de uitspraak op bezwaar, voor zover van een toelichting sprake is, nagenoeg identiek zijn en slechts bestaat uit de enkele verwijzing naar de verklaring van de Zuid-Koreaanse autoriteiten. Verweerder heeft derhalve nagelaten om inhoudelijk in te gaan op hetgeen door eiseres in haar stukken is aangevoerd. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en de utb, met veroordeling van verweerder in de kosten van het bezwaar en beroep en tot betaling van het griffierecht in beroep. 15. Verweerder stelt dat de utb terecht aan eiseres is uitgereikt. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst verweerder onder meer naar een uitspraak van de rechtbank Haarlem van 11 mei 2006 (ECLI:NL:RBHAA:2006:AX3063). In rechtsoverweging 5.2. overweegt de rechtbank: “Volgens het arrest van het Hof van Justitie EG van 12 juli 1984, Zaak 218/83, ‘Les Rapides Savoyards’ is “de bepaling van oorsprong van goederen overeenkomstig Protocol nr. (...) gebaseerd op een verdeling van bevoegdheden tussen de douanediensten van partijen bij de vrijhandelsovereenkomst in die zin, dat de oorsprong wordt vastgesteld door de autoriteiten van het land van uitvoer; (...). Deze regeling vindt haar rechtvaardiging in de omstandigheid dat de autoriteiten van het land van uitvoer het best in staat zijn om rechtstreeks de feiten te controleren die bepalend zijn voor de oorsprong;(...).” Voorts heeft het Hof van Justitie EG in dit arrest overwogen dat “de werking van deze regeling – die, zoals gezegd, is gebaseerd op een taakverdeling tussen de douanediensten van de landen die partij zijn bij de vrijhandelsovereenkomst en op het vertrouwen dat moet worden gesteld in de door deze diensten in het kader van hun respectievelijke bevoegdheden verrichte handelingen – de fiscale autonomie zowel van de gemeenschap en haar lidstaten als van de betrokken derde landen onverkort laat; de in protocol nr. (...) neergelegde regeling is immers gebaseerd op wederzijdse verplichtingen, die partijen in hun onderlinge handelsbetrekkingen op voet van gelijkheid stellen.” Voor de Vrijhandelsovereenkomst geldt volgens verweerder dezelfde taakverdeling, deze is ook gebaseerd op een verdeling van bevoegdheden tussen de douanediensten van de Europese Unie en Zuid-Korea waarbij de oorsprong wordt vastgesteld door de autoriteiten van het land van uitvoer. Met betrekking tot de ingevoerde e-bikes is Zuid-Korea als het land van uitvoer het best (en als enige) in staat om de feiten aldaar te controleren die bepalend zijn voor de oorsprong. Zoals het Hof van Justitie EG in het arrest ‘Les Rapides Savoyards’ heeft overwogen is de werking van deze regeling gebaseerd op een taakverdeling tussen de douanediensten en op het vertrouwen dat moet worden gesteld in de door deze diensten in het kader van hun bevoegdheden verrichte handelingen. Dit betekent dan ook dat het door de Zuid-Koreaanse douane gegeven antwoord wordt gevolgd. De Zuid-Koreaanse douane heeft aangegeven dat hij een onderzoek naar de oorsprong van de e-bikes heeft verricht. Daarbij heeft hij geconstateerd, dat: “The parts used in manufacturing the product concerned were confirmed as non-originating. In addition, the change of the HS tariff classification was NOT made between the imported parts, to which the HS Rule 2(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.