← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2026:1503

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer: 11757824 \ CV EXPL 25-3998 Vonnis van 14 januari 2026 in de zaak van [eiser] B.V., te [plaats 1], eisende partij, hierna te noemen: [eiser], gemachtigde: N.A.A. Groot, tegen [gedaagde], H.O.D.N. [bedrijf], te [plaats 2], gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde], procederend in persoon. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek. 1.
  2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
  3. [eiser] had aan [gedaagde] verhuurd twee bedrijfsruimten gelegen aan de [adres 1] te [plaats 3], hierna: het gehuurde, tegen een huurprijs van (laatstelijk) € 863,53 excl. btw voor hal 404m2 en € 447,28 excl. btw voor hal 300m2, tezamen voor een huurprijs van € 1.586,08 incl. btw per maand. 2.
  4. Het gehuurde was bestemd voor de opslag van tweedehands goederen. 2.
  5. Op beide huurovereenkomsten waren van toepassing de Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Kantoorruimte (ROZ, 2015). In artikel 23 lid 2 van die algemene bepalingen is opgenomen dat de huurder bij niet tijdige betaling van de huur een boeterente van tenminste € 300,- per maand is verschuldigd. 2.
  6. Bij brief van 15 februari 2024 heeft [eiser] de huur voor beide ruimtes opgezegd tegen 1 augustus
  7. 2.
  8. In een Whatsapp bericht van 21 oktober 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde] laten weten: “De huurovereenkomst liep 31-07-2024 af. Je hebt toen aangegeven dat je extra tijd nodig had om het gehuurde leeg te halen. Wij hebben toen 1 maand extra afgesproken t/m 31-08-
  9. Nu zijn we 21-10-2024 en het gehuurde is nog niet ontruimd. (…) Wij willen graag dat het gehuurde aan het eind van de maand 31-10-2024 leeg is. Als dit niet lukt laten wij het gehuurde leeg halen en verhalen de gemaakte kosten op de huurder. (…)”. 2.
  10. Op 16 november 2024 heeft [eiser] per Whatsapp enige foto’s aan [gedaagde] gestuurd waarop te zien is dat in de hallen en op een buitenterrein nog goederen staan. Daarbij heeft [eiser] gevraagd: “Wanneer kunnen wij verwachten dat de laatste spullen worden weggehaald zodat we een oplevering kunnen doen?” 2.
  11. Op 20 november 2024 heeft [gedaagde] per Whatsapp een filmpje van de lege hallen aan [eiser] gestuurd. Daarop ontstond de volgende Whatsapp conversatie: - [eiser]: “top. En wanneer is het buitenterrein leeg?” - [gedaagde]: “Dat van jullie is ook leeg.” - [eiser]: stuurt foto’s met goederen die gestald zijn op een buitenterrein. - [gedaagde]: “Zijn oude foto’s en is niet van jullie deze grond.” - [eiser]: “Grond is van ons.” - [gedaagde]: “Ga je huis werk doen of heb je het erbij gekocht.” - [eiser]: “Wij hebben het erbij gekocht.” Op 29 november 2024 heeft [eiser] weer foto’s van op een buitenterrein opgeslagen goederen gestuurd en daarbij vermeld: “Er gebeurt weinig [gedaagde].” 2.
  12. Bij factuur van 18 november 2024 heeft [eiser] de huur over de maand november 2024 aan [gedaagde] in rekening gebracht en bij factuur van 31 december 2024 de huur van december
  13. Bij factuur van 13 februari 2025 heeft [eiser] de huur over de periode 1 januari tot en met 11 januari 2025 bij [gedaagde] in rekening gebracht alsmede de transportkosten van Buko Transport, hierna: Buko, ad € 752,50 excl. btw voor het verplaatsen van diverse materialen van de [adres 1] te [plaats 3] naar de [adres 2] te [plaats 1]. [gedaagde] heeft ondanks sommaties deze facturen niet betaald. 3Het geschil 3.
  14. [eiser] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 5.835,04, vermeerderd met de wettelijke rente over € 4.645,49, de proceskosten en de nakosten. 3.
  15. [eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Nadat de huur tussen partijen was geëindigd, is [gedaagde] in gebreke gebleven met het leeg en ontruimd opleveren van het gehuurde. Uiteindelijk heeft [eiser] de achtergebleven goederen van [gedaagde] zelf moeten verwijderen. Over de periode waarin het gehuurde niet was ontruimd, is [gedaagde] de huurprijs onverkort verschuldigd. Ook de kosten van ontruiming komen voor zijn rekening. 3.
  16. [gedaagde] voert verweer. Hij voert aan dat hij de gehuurde hallen op 18 november 2024 leeg en ontruimd heeft opgeleverd tot genoegen van [eiser]. Het buitenterrein waarop nog goederen stonden behoort niet tot het gehuurde en die goederen zijn niet van [gedaagde]. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser]. 3.
  17. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
  18. De huurder moet bij het einde van de huur het gehuurde weer aan de verhuurder ter beschikking stellen. Dat betekent dat hij het gehuurde geheel leeg en ontruimd aan de verhuurder moet opleveren. Als de huurder dat niet doet kan de verhuurder over de tijd dat hij het gehuurde mist, een vergoeding vorderen gelijk aan de huurprijs. 4.
  19. Vast staat dat [gedaagde] de hallen per 18 november 2024 leeg en ontruimd aan [eiser] heeft opgeleverd en dat daar voordien nog goederen van hem waren opgeslagen. Van de huurfactuur over de maand november 2024 moet hij dus in ieder geval de huur over de periode 1 november tot 18 november 2024 betalen. De huur over de periode daarna hoeft [gedaagde] niet te betalen. Hij heeft immers (onweersproken) aangevoerd dat het buitenterrein waarop nog goederen gestald waren, niet tot het gehuurde behoorde. Dat volgt ook uit de huurovereenkomsten waarin geen tot het gehuurde behorende buitenruimte is aangeduid. Uit het overgelegde Whatsapp verkeer blijkt ook dat het buitenterrein pas later door [eiser] is gekocht en gesteld noch gebleken is dat [eiser] daarbij – voor wat betreft het buitenterrein – de opvolgend verhuurder van [gedaagde] is geworden. Omdat het buitenterrein niet tot het gehuurde behoort, kan [eiser] ook geen huur vorderen. Als eigenaar van het buitenterrein kan [eiser] wel schade hebben geleden door het gebruik van het buitenterrein door [gedaagde], maar daarover heeft zij niets gesteld zodat daarin geen grond voor toewijzing van de gevorderde huur gelegen kan zijn. 4.
  20. De kosten voor ontruiming van het buitenterrein is [gedaagde] echter wel verschuldigd. Het gebruik van het buitenterrein zonder toestemming van [eiser] moet als een inbreuk op haar eigendomsrecht worden beschouwd en is daarmee onrechtmatig. De kosten voor het opheffen van die onrechtmatige toestand (de transportkosten voor het verwijderen van de goederen) komen daarom voor rekening van [gedaagde]. Zijn niet nader gemotiveerde of onderbouwde verweer dat de goederen niet van hem waren, gaat niet op: uit de Whatsapp conversatie blijkt daar niets van. 4.
  21. De conclusie is dat de factuur voor de huur over de maand november 2024 deels (voor een bedrag van € 951,65 incl. btw) zal worden toegewezen, alsmede de kosten van Buko (ad € 910,52 incl. btw) en dat de vordering voor het overige zal worden afgewezen. De rente over dit deel van de hoofdsom is toewijsbaar zoals gevorderd. 4.
  22. De gevorderde boete over de achterstallige huur is uitsluitend verschuldigd over het niet betaalde deel van november 2024 tot een bedrag van € 300,
  23. Dit bedrag zal daarom worden toegewezen. 4.
  24. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn niet betwist en zullen worden toegewezen tot een bedrag van € 279,33 (uitgaande van de toegewezen hoofdsom). [eiser] heeft voldoende toegelicht dat zij deze kosten heeft gemaakt en dat zij heeft voldaan aan het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten. 4.
  25. Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5De beslissing De kantonrechter 5.
  26. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.441,50 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.862,17, met ingang van 17 juni 2025, tot de dag van volledige betaling, 5.
  27. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 5.
  28. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.
  29. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en in het openbaar uitgesproken op 14 januari
  30. Op grond van artikel 7:224 Burgerlijk Wetboek, hierna: BW. Op grond van artikel 7:225 BW. Al dan niet in het kader van artikel 7:225 BW. Als bedoeld in artikel 6:119 BW. € 951,65 + € 910,52.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.