beslissing RECHTBANK NOORD-HOLLAND [jw.sys.1.zaaknr] / [jw.sys.1.rolnummer_rekestnr][datum_beslissing] Wrakingskamer zaaknummer / rekestnummer: C/15/374395 / KG RK 26/99 Beslissing van 5 februari 2026 Op het verzoek tot wraking ingediend door: [Verzoeker] , te [woonplaats],verzoeker. Het verzoek is gericht tegen: mrs. M. Flipse, S.W.S. Kiliç en L.M. Mons, hierna te noemen: de rechters. 1Procesverloop 1.1 Verzoeker heeft op 3 februari 2026 schriftelijk de wraking verzocht van de rechters in de bij deze rechtbank, team Familie en Jeugd, locatie Alkmaar aanhangige zaak met als zaaknummer C/15/360942 / FA RK 25-210 (hierna: de hoofdzaak). 1.2 De wrakingskamer heeft vervolgens op grond van de hierna opgenomen overwegingen besloten geen datum te bepalen voor een mondelinge behandeling van het verzoek en bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan. 2Het standpunt van verzoeker 2.
- Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek – kort gezegd – het volgende aangevoerd. De rechters hebben hun beslissing in de hoofdzaak uitsluitend gebaseerd op een advies van de Raad voor de Kinderbescherming, terwijl de onderbouwde kritiek en relevante argumenten van verzoeker op dit advies volledig buiten beschouwing zijn gelaten. 3De beoordeling 3.1 Op grond van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kunnen op verzoek van een partij de rechters die de zaak behandelen, worden gewraakt. Dat betekent dat een wrakingsverzoek alleen in behandeling kan worden genomen zolang de rechters de zaak nog behandelen. Als aan de zaak door een uitspraak een einde is gekomen, kunnen die rechters dus niet meer worden gewraakt. 3.2 Uit het procesdossier in de hoofdzaak blijkt dat de rechters op 21 januari 2026 einduitspraak hebben gedaan. Het verzoek is op 3 februari 2026 gedaan en dus nadat de rechters in de hoofdzaak einduitspraak hebben gedaan. De wrakingskamer kan het verzoek daarom niet behandelen. De wrakingskamer zal verzoeker niet-ontvankelijk verklaren in het verzoek. 3.
- Nog afgezien daarvan volgt uit vaste rechtspraak (vgl. Hoge Raad 18 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:AD2977) dat in zaken waarin verplichte procesvertegenwoordiging geldt, een schriftelijk wrakingsverzoek door een advocaat ondertekend moet zijn. In de hoofdzaak geldt verplichte procesvertegenwoordiging. Desondanks is het verzoek niet door een advocaat ondertekend. Ook om die reden kan verzoeker niet in zijn wrakingsverzoek worden ontvangen. 4Beslissing De rechtbank 4.1 verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn verzoek, 4.2 beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechters en de wederpartij een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden. Deze beslissing is gegeven door mr. J.H. Gisolf, voorzitter, mr. C.H. de Jonge van Ellemeet en mr. H. Bakker leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026.[concipiënt_initialen] griffier voorzitter Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.