RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, zittingsplaats Alkmaar Meervoudige strafkamer Parketnummers: 15.219654.25 en 23.002390.24 (TUL) (P) Uitspraakdatum: 17 februari 2026 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 3 februari 2026 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 2006 te [geboorteplaats 1] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres 1] . De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. Klein en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C.F. Herrera Villagómez, advocaat te Zaandam, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan de verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij op 18 juli 2025 in Egmond-Binnen samen met een ander in de nachtelijke uren een woningoverval heeft gepleegd, waarbij twee scooters en een scooterhelm zijn weggenomen. De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht. 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3Beoordeling van het bewijs 3.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. 3.2 Standpunt van de verdediging De raadsvrouw van de verdachte heeft de rechtbank verzocht de verdachte vrij te spreken van de geweldscomponent in de tenlastelegging, omdat uit het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs volgt dat de verdachte geweld heeft gebruikt dan wel heeft gedreigd met geweld. Zij heeft er daarbij op gewezen dat de aangever wisselend heeft verklaard en daarom onvoldoende betrouwbaar is. 3.3 Oordeel van de rechtbank 3.3.1 Bewijsmiddelen De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen. 3.3.2 Bewijsmotivering Op grond van de bewijsmiddelen en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat de verdachte samen met de medeverdachte op 18 juli 2025 in Egmond-Binnen in de nachtelijke uren twee scooters en een helm heeft weggenomen van de aangever. De vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet, is of daarbij geweld is gebruikt of is bedreigd met geweld. De verdachte heeft dat ontkend. De rechtbank overweegt als volgt. Op 18 juli 2025 komt rond 03.20 uur een melding binnen bij de politie. Op het adres [adres 2] in Egmond-Binnen zouden twee personen de woning zijn binnengedrongen en twee scooters hebben meegenomen. De politie gaat ter plaatse en treft daar de aangever aan, die emotioneel oogt. Hij verklaart direct dat hij erg geschrokken is en onder de indruk is van alles wat er was gebeurd. Hij vertelt de verbalisanten dat hij een film aan het kijken was in zijn kamer, toen hij buiten geluid hoorde. Kort daarna werd zijn kamerdeur ineens opengedaan. Een persoon kwam zijn kamer binnen en die bedreigde hem met een klauwhamer. Een tweede persoon bleef in de deuropening staan. Hem werd gezegd dat hij zijn scooters moest geven en dat hem anders iets zou worden aangedaan. Hij moest meelopen waarbij hij in zijn rug werd geduwd. Aan de overzijde van zijn woning moest hij op zijn knieën zitten. Daarna moest hij met één van de scooters meelopen een stuk de polder in. Nadat de scooters waren weggereden door de verdachten, werd hij thuisgebracht. Als de politie even later het erf van de [adres 2] wil verlaten, treffen zij op de weg de verdachten aan. Zij worden aangehouden en in de rugzak van de verdachte worden schroevendraaiers en een klauwhamer aangetroffen. Later die dag doet de aangever aangifte van een gewelddadige woningoverval. De aangever verklaart dan uitgebreider wat er die nacht is gebeurd. De jongen die op hem afkwam, was een donkergetinte jongen met een bivakmuts en een zwarte boxerhelm met reflecterend vizier op. Deze jongen herkende hij als [verdachte] . De andere jongen, die in de deuropening bleef staan, had een zwarte full face helm op. [verdachte] deed een hand in zijn rug en de aangever hoorde hem zeggen: “je moet je scooter inleveren of afstaan”. In zijn rechterhand had hij een klauwhamer vast. De aangever hoorde hem zeggen: “stil blijven, geen geluid maken” en deze verdachte wees met de klauwhamer in zijn richting. De aangever moest vervolgens naar de schuur lopen en deze openen. Daar hoorde hij [verdachte] zeggen: “deur openen”, waarna de aangever de sleutel heeft gepakt en de schuurdeur heeft opengemaakt. Vervolgens moest de aangever het kettingslot van de scooter afhalen en de scooter naar de overkant van de weg brengen. Aan de overkant van de weg zag de aangever de andere jongen staan met een scooter. Deze scooter stond eerder nog in zijn kamer. De aangever moest op de grond gaan zitten aan de overkant van de weg en zag toen dat de jongens het slot uit zijn grijze scooter haalden. Hij hoorde de twee jongens daarbij overleggen, waarbij hij de stem herkende van [voornaam] . Hij moest vervolgens van [voornaam] meelopen met zijn paarse scooter aan de hand. [verdachte] zei tegen de aangever dat hij het niet in zijn hoofd moest halen om hier werk van te maken, waarna [verdachte] met de grijze scooter van aangever wegreed. De aangever is toen met [voornaam] meegelopen. Op een gegeven moment zei [voornaam] tegen de aangever dat hij moest blijven wachten totdat de ander terugkwam. Toen [voornaam] even later terugkwam, moest hij achterop de scooter stappen waarop [voornaam] reed en werd hij teruggebracht. Op 19 juli 2025 is de aangever aanvullend gehoord. Ook toen heeft hij uitgebreid verklaard wat er die nacht is gebeurd. De aangever is bij de rechter-commissaris nogmaals gehoord en heeft toen op hoofdlijnen hetzelfde verklaard. Gelet op de inhoud van de verklaringen van de aangever stelt de rechtbank vast dat de aangever in zijn verklaringen gedetailleerd en consistent heeft verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen redenen om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de aangever geëmotioneerd oogde toen de politie hem aantrof en dat hij toen direct heeft verteld wat er die nacht was gebeurd, nog voordat de verdachten waren aangehouden. De verklaring van de aangever vindt bovendien steun in het gegeven dat bij de aanhouding van de verdachten in de rugzak van de verdachte een klauwhamer is aangetroffen. De verklaring van de verdachte dat er niet is bedreigd met geweld, acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig. Het is zeer onwaarschijnlijk dat de aangever zonder enige vorm van bedreiging met geweld aan de gegeven opdrachten zou hebben meegewerkt en zijn twee scooters en helm zou hebben afgestaan. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. 3.4 Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat hij op 18 juli 2025 te Egmond-Binnen tezamen en in vereniging met een ander, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, gelegen aan de [adres 2] , twee scooters (een Piaggio Zip met kenteken [kenteken 1] en een Piaggio Fast Rider met kenteken [kenteken 2] ) en een scooterhelm, die aan [slachtoffer] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te makendoor - de woning van die [slachtoffer] binnen te gaan, - aan die [slachtoffer] een klauwhamer te tonen, - te zeggen dat hij zijn scooters af moet staan omdat hem anders iets wordt aangedaan, - met een hand in de rug van die [slachtoffer] hem te bewegen naar de schuur te lopen, die [slachtoffer] bij zijn kleding vast te houden, die [slachtoffer] te sommeren op zijn knieën te gaan zitten en - tegen die [slachtoffer] te zeggen dat hij het niet in zijn hoofd moet halen om hier werk van te maken. Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit Het bewezenverklaarde levert op: diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar. 5Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 6Motivering van de sanctie 6.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft verbleven. Aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf dienen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld. Verder heeft de officier van justitie gevorderd dat de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. 6.2 Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Sinds zijn schorsing uit de voorlopige hechtenis heeft hij positieve ontwikkelingen laten zien. Er is voldoende stabiliteit bij de verdachte. Hij woont zelfstandig en heeft een vaste dagbesteding als afwasser in de horeca. Detentie zou de positieve ontwikkeling van de verdachte doorkruisen en het risico op recidive vergroten. De raadsvrouw heeft verzocht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest, met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde voorwaarden. 6.3 Oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Ernst van het feit Op 18 juli 2025 heeft de verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een overval op een woning, waarbij onder bedreiging met geweld twee scooters en een helm zijn weggenomen. Door een klauwhamer te tonen en verbaal te dreigen met geweld werd het slachtoffer gedwongen mee te werken aan de diefstal. Het slachtoffer werd ook gesommeerd om op straat met zijn knieën op de grond te zitten en hij moest midden in de nacht een eind met de verdachten meelopen de polder in. De verdachte heeft hiermee ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en het gevoel van veiligheid van het slachtoffer. Door op deze manier te handelen heeft de verdachte laten zien geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen. De rechtbank overweegt dat het voor het slachtoffer een traumatische ervaring moet zijn geweest dat hij gedurende de nacht in zijn woning, een plek waar hij zich bij uitstek veilig hoort te voelen, is overvallen. De verdachte heeft met zijn handelen op geen enkele wijze rekening gehouden met de mogelijke gevolgen voor het slachtoffer en kennelijk alleen oog gehad voor zijn eigen gewin. Persoon van de verdachte Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van de verdachte (het Uittreksel Justitiële Documentatie van 22 december 2025), waaruit blijkt dat de verdachte al eerder ter zake van een vermogensdelict onherroepelijk is veroordeeld. De rechtbank weegt deze omstandigheid in het nadeel van de verdachte mee. De rechtbank heeft ook acht geslagen op het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 28 augustus 2025 van [naam] , reclasseringswerkster bij Reclassering Nederland. In het rapport komt naar voren dat op sociaal-maatschappelijk vlak sprake is van voldoende stabiliteit. De houding van de verdachte en mogelijk zijn psychosociaal functioneren vormen een risicofactor voor recidive, maar hiervoor ontbreekt diagnostiek. Nader onderzoek naar het inzetten naar diagnostiek en de daaruit voorvloeiende behandeling is aangewezen. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. Geadviseerd wordt het volwassenenstrafrecht toe te passen en bij een veroordeling een deels voorwaardelijke straf op te leggen met de navolgende bijzondere voorwaarden: • een meldplicht bij de reclassering;• een ambulante behandeling;• een contactverbod met de medeverdachte en het slachtoffer en• dagbesteding. Conclusie van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het bewezen verklaarde feit en de impact dat een dergelijk feit op het slachtoffer kan hebben, in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur rechtvaardigt. Voor een overval op een woning waarbij sprake is van licht geweld of bedreiging gaan de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) ook uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren. Hoewel een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf dus het uitgangspunt is, ziet de rechtbank in de jeugdige leeftijd van de verdachte (hij was 19 jaar ten tijde van het ten laste gelegde feit) en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding om de duur van de gevangenisstraf te matigen. De verdachte heeft 104 dagen in voorlopige hechtenis verbleven. Hij heeft zich tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis goed aan de voorwaarden gehouden. De rechtbank acht het van belang dat de positieve ontwikkeling die de verdachte heeft laten zien, niet wordt onderbroken. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan (256 dagen) vooralsnog niet ten uitvoer wordt gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Aan die voorwaardelijke straf worden de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbonden. Om de ernst van het feit te benadrukken, legt de rechtbank daarnaast een taakstraf op van de maximale duur, te weten 240 uren. De rechtbank ziet geen aanleiding om de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren, omdat naar het oordeel van de rechtbank niet is voldaan aan het daarvoor vereiste criterium dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. 7. Beslag Ter terechtzitting heeft de verdachte schriftelijk afstand gedaan van de onder hem inbeslaggenomen goederen. Dit betekent dat de rechtbank geen beslissing over deze goederen zal nemen. 8Vordering tot tenuitvoerlegging Bij arrest van 13 maart 2025 in de zaak met parketnummer 23.002390.24 heeft het gerechtshof in Amsterdam de verdachte voor diefstal, gekwalificeerde diefstal en wapenbezit veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 60 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 dagen jeugddetentie en met een proeftijd van twee jaren onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 31 maart 2025 aan de verdachte toegezonden. De bij genoemd arrest vastgestelde proeftijd is ingegaan op 28 maart 2025. De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank zal gelasten dat de openstaande voorwaardelijke werkstraf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd. De raadsvrouw heeft verzocht de vordering af te wijzen, omdat het ging om andere feiten, die al langer geleden zijn gepleegd. De rechtbank is bevoegd over de vordering te oordelen en de officier van justitie is daarin ontvankelijk. De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen, omdat uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, niet heeft nageleefd. 9Toepasselijke wettelijke voorschriften De volgende wetsartikelen zijn van toepassing: artikel 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 312 van het Wetboek van Strafrecht. 10Beslissing De rechtbank: Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven. Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij. Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert. Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 360 (driehonderdzestig) DAGEN. Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 256 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren. Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Stelt als bijzondere voorwaarden dat: - de verdachte zich meldt bij de Reclassering Alkmaar op het adres Drechterwaard 102 te Alkmaar. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. - de verdachte meewerkt aan diagnostiek. De verdachte laat zich behandelen door de GGZ Alkmaar of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. - de verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met medeverdachte [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum 2] 2007 in [geboorteplaats 3], zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt; - de verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met [slachtoffer] , geboren op [slachtoffer] 2007 in [geboorteplaats 2], zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt; - de verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur. Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd: - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; - medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen. Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 240 (tweehonderdveertig) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 120 dagen hechtenis. Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 23.002390.24 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 uren, opgelegd bij arrest van het Gerechtshof in Amsterdam van 13 maart 2025. De taakstraf wordt vervangen door 30 dagen jeugddetentie als deze niet goed wordt uitgevoerd. Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door: mr. A.H. Tiemens, voorzitter, mr. J.M. Jongkind en mr. M.C.J. Lommen, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier D.H. Geuze en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 februari 2026. Bijlage 1: de tenlastelegging hij op of omstreeks 18 juli 2025 te Egmond-Binnen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning of op een besloten erf waarop een woning staat, gelegen aan de [adres 2] , twee scooters (een Piaggio Zip met kenteken [kenteken 1] en een Piaggio Fast Rider met kenteken [kenteken 2] ) en een (scooter)helm, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- de woning van die [slachtoffer] binnen te gaan,- aan die [slachtoffer] een klauwhamer te tonen en/of in zijn richting te bewegen,- te zeggen dat hij zijn scooters af moet staan omdat hem anders iets wordt aangedaan, met een hand in de rug van die [slachtoffer] hem te bewegen naar de schuur te lopen,- die [slachtoffer] bij zijn kleding vast te houden,- die [slachtoffer] te sommeren op zijn knieën te gaan zitten en/of- tegen die [slachtoffer] te zeggen dat hij het niet in zijn hoofd moet halen om hier werk van te maken. Bijlage 2: De bewijsmiddelen (..)
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.