← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2026:1628

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer: 11833860 \ CV EXPL 25-5218 Vonnis van 4 maart 2026 in de zaak van de besloten vennootschap KOZIJNFORMULE B.V., gevestigd te Haarlem, eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: Kozijnformule , gemachtigde: mr. R.J. Oost, tegen 1 [gedaagde 1], 2. [gedaagde 2], beiden te [plaats], gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie, hierna samen te noemen: [gedaagden], gemachtigde: mr. D. Swildens De zaak in het kort In deze zaak gaat het om een overeenkomst tot aanneming van werk (het vervangen van buitenkozijnen). De opdrachtnemer vordert betaling van een factuur. De opdrachtgevers doen een beroep op opschorting. Dit verweer slaagt gedeeltelijk, omdat de werkzaamheden niet (volledig) zijn afgerond. Het verweer dat de opdrachtnemer niet gehandeld heeft als een redelijk bekwaam en redelijk deskundig aannemer slaagt niet. De vordering tot betaling van de factuur wordt grotendeels toegewezen. De tegenvordering tot schadevergoeding wordt afgewezen. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 7 augustus 2025; - de conclusie van antwoord van 17 september 2025 met tegenvordering; - de conclusie van antwoord in reconventie van 14 januari 2026; - het bericht van 2 februari 2026 met producties van [gedaagden];- de mondelinge behandeling van 5 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de pleitnotitie van Kozijnformule. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2Feiten 2.1. Op 1 oktober 2024 heeft Giesen c.s. een bezoek gebracht aan de showroom van Kozijnformule. 2.2. Op 9 oktober 2024 is Kozijnformule bij de woning van [gedaagden] langs geweest om de staat van de kozijnen op te nemen. 2.3. Op 13 november 2024 heeft Kozijnformule een offerte gestuurd voor het vervangen van de buitenkozijnen van de woning van [gedaagden], tegen een aanneemsom van € 51.825,51 (inclusief btw). 2.4. In de offerte staat expliciet opgenomen dat de aangeboden werkzaamheden exclusief ‘binnen afwerking’ en ‘metselwerk’ zijn. 2.5. [gedaagden] heeft nog dezelfde dag akkoord gegeven op de offerte. 2.6. Op 7 december 2024 is Kozijnformule begonnen met het demonteren van de kozijnen. Daarbij is schade ontstaan aan het metselwerk van de achtergevel van de woning. 2.7. [gedaagden] heeft de derde termijnfactuur (€ 12.598,52 inclusief btw) onbetaald gelaten. 2.8. Op 21 maart 2025 heeft [gedaagden] Kozijnformule aangemaand om de werkzaamheden af te maken. Daarnaast heeft zij haar betalingsverplichting opgeschort totdat het werk is afgerond en de door Kozijnformule veroorzaakte gevolgschade met de openstaande factuur is verrekend. 2.9. Bij brief van 28 maart 2025 heeft Kozijnformule aansprakelijkheid voor de door [gedaagden] gestelde schade ontkend. 2.10. [gedaagden] heeft schade aan het metselwerk, de vloer, de kozijnen en de erker door [bedrijf] laten herstellen. 2.11. Op 2 juni 2025 heeft [gedaagden] Kozijnformule aangemaand om de factuur van [bedrijf] aan haar te vergoeden. 3Het geschil in conventie 3.1. Kozijnformule vordert betaling van € 12.598,52, vermeerderd met rente en kosten. Kozijnformule legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagden] met de tijdige betaling van de laatste factuur in verzuim is gebleven. 3.2. [gedaagden] voert het verweer dat zij gerechtigd is om de betaling van de factuur op te schorten. Enerzijds vanwege de nog uit te voeren werkzaamheden en anderzijds omdat zij een vordering heeft op Kozijnformule met betrekking tot de herstelkosten ter zake van de schade die Kozijnformule aan haar eigendommen heeft veroorzaakt. in (voorwaardelijke) reconventie 3.3. Voor het geval [gedaagden] niet gerechtigd was om de betaling van de laatste factuur op te schorten dan wel te verrekenen met haar schade, vordert zij betaling van een bedrag van € 12.100,00 aan schadevergoeding. 3.4. Het recht op schadevergoeding komt volgens [gedaagden] voort uit een wanprestatie dan wel onrechtmatige daad door Kozijnformule, als gevolg waarvan schade is ontstaan tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden aan de woning van [gedaagden] 3.5. Kozijnformule erkent dat bij het demonteren van de kozijnen aan de achterzijde van de woning schade aan de gevel is ontstaan, maar betwist dat zij daarvoor aansprakelijk is. 3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling in conventie 4.1. Kozijnformule vordert in conventie betaling van de eindfactuur die betrekking heeft op de werkzaamheden die zij in opdracht van [gedaagden] heeft uitgevoerd. Ambtshalve toetsing van het consumentenrecht: de informatieplichten 4.2. De vordering van Kozijnformule is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, anders dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke precontractuele informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd. 4.3. De kantonrechter is van oordeel dat Kozijnformule voldoende heeft toegelicht en onderbouwd dat aan de precontractuele informatieplichten is voldaan. Dat betekent dat [gedaagden] de factuur van Kozijnformule in beginsel moet betalen, behoudens het navolgende. Opschorting vanwege niet afgemaakte werkzaamheden 4.4. [gedaagden] beroept zich op opschorting en stelt dat Kozijnformule de overeengekomen werkzaamheden niet (volledig) heeft voltooid. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagden] haar betalingsverplichting slechts gedeeltelijk mocht opschorten. Daartoe is het volgende redengevend. 4.5. In de wet is bepaald dat wanneer een van de partijen haar verbintenis niet nakomt, de wederpartij bevoegd is de nakoming van haar daartegenover staande verplichtingen op te schorten. In geval van gedeeltelijke of niet behoorlijke nakoming is opschorting slechts toegelaten voor zover de tekortkoming de opschorting rechtvaardigt. Dat betekent dat de opschorting geen grotere omvang mag aannemen dan de tekortkoming waartegen zij is gericht. Daarbij merkt de kantonrechter op dat een geslaagd beroep op opschorting niet leidt tot verval van de betalingsverplichting, maar slechts tot uitstel. 4.6. [gedaagden] heeft ter zitting gesteld dat Kozijnformule niet bij alle kozijnen compriband (afdichtingsmateriaal) heeft aangebracht en dat zij heeft nagelaten om de kozijnen van (alle) sloten en cilinders te voorzien, het afwerkrooster af te kitten en om hardstenen dorpels onder de erker aan te brengen. Kozijnformule heeft erkend dat de afwerking van de werkzaamheden (vanwege de spanningen tussen partijen) niet (volledig) is afgerond. Dat heeft naar het oordeel van de kantonrechter tot gevolg dat [gedaagden] bevoegd was (en

  1. is)om haar daartegenover staande betalingsverplichting op te schorten. De beperkte omvang van de niet-nakoming in verhouding tot het gehele factuurbedrag rechtvaardigt echter geen algehele opschorting. Gelet op het geheel van de werkzaamheden begroot de kantonrechter de kosten voor het afwerken van de kozijnen op een bedrag van € 2.598,52. [gedaagden] mocht haar betalingsverplichting tot dat bedrag opschorten. Voor het overige (€ 10.000,00) was de opschorting vanwege de niet afgemaakte werkzaamheden niet gerechtvaardigd. 4.7. Kozijnformule heeft ter zitting meegedeeld bereid te zijn om de werkzaamheden af te maken en de kantonrechter gaat ervan uit dat dit ook gebeurt. Beide partijen dienen daaraan hun medewerking te verlenen. Na afronding van de werkzaamheden wordt het opgeschorte bedrag van € 2.598,52 weer opeisbaar. Opschorting in verband met schade 4.8. [gedaagden] stelt dat zij haar betalingsverplichting ook mag opschorten vanwege door Kozijnformule toegebrachte schade aan haar eigendommen. Zij stelt dat Kozijnformule tijdens de uitvoering van haar werkzaamheden (specifiek bij het verwijderen van het kozijn aan de achtergevel op 7 december 2024) schade heeft toegebracht aan het metselwerk van de woning. Dit levert een wanprestatie dan wel een onrechtmatige daad op waarvoor Kozijnformule aansprakelijk is, aldus [gedaagden] De kantonrechter is van oordeel dat dit betoog niet slaagt. Dat oordeel wordt hierna toegelicht. 4.9. Op grond van de wet is de opdrachtnemer (in dit geval Kozijnformule) gehouden om bij het uitvoeren van de aan hem verleende opdracht de zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen. Om te beoordelen of de opdrachtnemer hieraan heeft voldaan moet de vraag worden beantwoord of de opdrachtnemer heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. De mate van zorgvuldigheid die in een concreet geval kan worden gevergd, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Deze norm brengt onder meer mee dat de opdrachtnemer de opdrachtgever dient voor te lichten over de mogelijke risico’s die aan de opdracht kleven. 4.10. Kozijnformule heeft in de dagvaarding een toelichting gegeven op de wijze van totstandkoming van de overeenkomst. Kozijnformule stelt dat zij bij de plaatsopneming van 9 oktober 2024 heeft geconstateerd dat de buitenkozijnen aan de achterzijde een dragende functie hebben (dat wil zeggen dat het metselwerk op het kozijn rust) en dat er op diverse plekken in de gevels verslechterd metsel- en voegwerk te zien was. Dit heeft tot gevolg dat het aannemelijk is dat zowel het buitenblad (gevelmetselwerk) als het binnenblad (metselwerk binnen) bij demontage van de kozijnen los kan komen (scheurvorming en vallende stenen). Volgens Kozijnformule heeft zij [gedaagden] op 9 oktober 2024 mondeling op deze risico’s gewezen. Naar aanleiding van die mededeling heeft Kozijnformule in de offerte vermeld dat het aangeboden werk exclusief binnen afwerking en metselwerk is, aldus Kozijnformule. [gedaagden] stelt zich op het standpunt dat Kozijnformule de mededelingen niet heeft onderbouwd. Zij betwist verder dat het metselwerk vóór de werkzaamheden gebreken vertoonde. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagden] met hun verweer de stelling van Kozijnformule onvoldoende heeft ontkracht. [gedaagden] hebben de specifieke mededeling door Kozijnformule op 9 oktober 2024 niet als zodanig weersproken. Voorts is het aannemelijker dat de medewerkers van Kozijnformule zicht hebben op de staat van metselwerk dat dat [gedaagden] dat hebben. Tenslotte worden de mededelingen van Kozijnformule bij de woning van [gedaagden] door de vermeldingen in de offerte ondersteund. Daarmee staat voldoende vast dat partijen hebben afgesproken dat eventueel losgekomen metselwerk dat is veroorzaakt bij de normale uitoefening door Kozijnformule van de werkzaamheden, voor rekening en risico van [gedaagden] zou komen. 4.11. Het voorgaande laat onverlet dat bij de uitvoering van de werkzaamheden de nodige zorgvuldigheid moet worden betracht om schade te voorkomen. Volgens [gedaagden] zijn de werkzaamheden aan de achtergevel op roekeloze wijze uitgevoerd. Ter onderbouwing hiervan verwijst [gedaagden] naar de verklaring van haar timmerman (R. Lok) die op 7 december 2024 in de woning aanwezig was. De kantonrechter stelt vast dat uit deze verklaring weliswaar volgt dat bij het demonteren van de kozijnen aan de achterzijde schade aan het metselwerk is ontstaan (hetgeen ook door Kozijnformule is erkend), maar niet dat deze schade het gevolg is van een grove of roekeloze wijze van uitvoering door Kozijnformule. [gedaagden] heeft haar stellingen op dit punt onvoldoende onderbouwd. Niet is gebleken dat de schade buiten het voorziene risico viel waarvoor [gedaagden] door Kozijnformule is gewaarschuwd. De conclusie is dan ook dat Kozijnformule niet verantwoordelijk is voor de schade aan het metselwerk. [gedaagden] mocht haar betalingsverplichting dan ook niet op die grond opschorten. 4.12. [gedaagden] heeft ter zitting nog aangevoerd dat Kozijnformule vergeten was om een stalen bint onder het inwendige balkon te plaatsen, waardoor het balkon en de gevel zijn verzakt. [gedaagden] heeft echter niet toegelicht wanneer dit zou hebben plaatsgevonden en welke schade dit concreet zou hebben veroorzaakt. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagden] op dit punt niet aan haar stelplicht heeft voldaan, zodat zij hieraan voorbij gaat. Hetzelfde geldt voor de door [gedaagden] genoemde schade aan de vloer en de erker. Ambtshalve toetsing van het consumentenrecht: de algemene voorwaarden 4.13. De kantonrechter moet onderzoek doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak). 4.14. Op de overeenkomst(
  2. en)zijn de Algemene Leveringsvoorwaarden van Kozijnformule van toepassing verklaard. In de Algemene Leveringsvoorwaarden staat (onder meer) het volgende beding opgenomen: “ Gevolg niet tijdig betalen : 1. Betaalt de klant niet binnen de overeengekomen termijn, dan is kozijnformule gerechtigd een rente van 1% per maand in rekening te brengen vanaf de dag dat de klant in verzuim is, waarbij een gedeelte van een maand voor een hele maand wordt gerekend. 2. Wanneer de klant in verzuim is, is hij bovendien buitengerechtelijke incassokosten en eventuele schadevergoeding verschuldigd aan kozijnformule. 3. De incassokosten worden berekend aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. (…)” 4.15. Dit beding biedt Kozijnformule de mogelijkheid om na elke aanmaning zonder verdere termijn (op het eerste moment van verzuim) incassokosten in rekening te brengen, terwijl de wettekst voorschrijft dat de incassokosten pas ná het verstrijken van de in de veertiendagenbrief genoemde termijn verschuldigd zijn. Een dergelijke contractuele afwijking van dwingendrechtelijke bepalingen is onredelijk bezwarend en daarmee oneerlijk. Daarnaast kan de consument op grond van dit beding ook nog een eventuele schadevergoeding verschuldigd zijn. Een dergelijke cumulatie van contractuele rente en/of buitengerechtelijke incassokosten met mogelijke schadevergoeding maakt dat het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument wordt verstoord. Dat heeft tot gevolg dat het beding ook om die reden oneerlijk is. Daarom worden de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en rente afgewezen, ook al zijn deze vergoedingen in deze procedure gebaseerd op wettelijke bepalingen. Conclusie en proceskosten 4.16. De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van Kozijnformule tot een bedrag van € 10.000,00 zal toewijzen. Het restant van de hoofdsom (€ 2.598,52) is terecht opgeschort en daarom thans niet opeisbaar. 4.17. [gedaagden] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Kozijnformule worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 122,16 - griffierecht € 1.461,00 - salaris gemachtigde € 720,00 (2 punten × € 360,00) - nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.447,16 4.18. De veroordeling in conventie wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen. in reconventie 4.19. [gedaagden] heeft in reconventie schadevergoeding van Kozijnformule gevorderd. De kantonrechter heeft in conventie echter reeds geoordeeld dat niet is gebleken dat Kozijnformule schade heeft veroorzaakt waarvoor zij jegens [gedaagden] aansprakelijk is. Dat betekent dat de vordering in reconventie wordt afgewezen. 4.20. [gedaagden] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. Gelet op de samenhang met de vordering in conventie worden de proceskosten van Kozijnformule in reconventie begroot op nihil. 5De beslissing De kantonrechter: in conventie 5.1. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan Kozijnformule te betalen een bedrag van € 10.000,00; 5.2. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.447,16, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend; 5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 5.4. wijst het meer of anders gevorderde af; in reconventie 5.5. wijst de vorderingen van [gedaagden] af; 5.6. veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Kozijnformule vaststelt op nihil; 5.7. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 5.8. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. R.I.V. Scherpenhuijsen Rom en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026. De griffier De kantonrechter Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677. Artikel 6:262 BW. Artikel 7:401 BW. HvJ EU 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.