Rechtbank Noord-Holland – ECLI:NL:RBNHO:2026:1789
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, zittingsplaats Haarlem Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/066496-25 (P) Uitspraakdatum: 24 februari 2026 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 februari 2026 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats], ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres], thans gedetineerd in het Justitieel Complex Zaanstad.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.M.H.G. Peters en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S. Meijer, advocaat te Beverwijk, naar voren hebben gebracht.
1Tenlastelegging Aan de verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) ter zitting van 29 september 2025, samengevat weergegeven, ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de volgende feiten: feit 1: verkrachting van [slachtoffer 1], een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaar; feit 2: sexchatting en seksueel corrumperen van de minderjarige [slachtoffer 1]; feit 3: het vervaardigen en verspreiden van kinderporno van [slachtoffer 1]; feit 4: verkrachting van [slachtoffer 2], een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaar; feit 5: sexchatting en seksueel corrumperen van de minderjarige [slachtoffer 2]; feit 6: het vervaardigen en verspreiden van kinderporno van [slachtoffer 2]; feit 7: sexchatting met de minderjarige [slachtoffer 3]; feit 8: seksueel corrumperen van de minderjarige [slachtoffer 4]; feit 9: seksueel corrumperen van de minderjarige [slachtoffer 5]; feit 10: sexchatting en het seksueel corrumperen van de minderjarige [slachtoffer 6]; feit 11: bedreiging met de dood van [slachtoffer 6]; feit 12: bedreiging met de dood van [slachtoffer 7]; feit 13: sexchatting en het seksueel corrumperen van de minderjarige [slachtoffer 8]; feit 14: het gewoonte maken van het bezit van een grote hoeveelheid kinderporno in de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2024.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.
2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3Beoordeling van het bewijs 3.1.
Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.
3.2.
Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 en 4 ten laste gelegde feiten, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Daarnaast heeft de raadsvrouw ten aanzien van de onder 3 en 6 ten laste gelegde feiten bepleit, dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het vervaardigen en verspreiden van kinderpornografisch beeldmateriaal. Verder heeft de raadsvrouw bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 7 ten laste gelegde feit, omdat het seksueel indringend benaderen van het slachtoffer niet kan worden bewezen. Tot slot heeft de raadsvrouw bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 13 ten laste gelegde feit, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.
Ten aanzien van de onder 5, 8, 9, 10, 11 en 12 ten laste gelegde feiten heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Oordeel van de rechtbank 3.3.1.
Redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank komt tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage 2 bij dit vonnis zijn vervat.
De rechtbank is van oordeel dat de bewezenverklaring van de onder 1, 2, 4, 6, 7 en 13 ten laste gelegde feiten volgt uit de bewijsmiddelen. De weerlegging van de verweren ten aanzien van deze feiten behoeft daarom geen nadere motivering.
3.3.2.
Bewijsmotivering ten aanzien van feit 3 De verdachte wordt onder feit 3 verweten dat hij kinderpornografisch beeldmateriaal van [slachtoffer 1] in bezit heeft gehad, heeft vervaardigd en heeft verspreid. Het verweer van de verdediging komt erop neer dat het dossier onvoldoende bewijs bevat om te kunnen concluderen dat de verdachte dit beeldmateriaal heeft vervaardigd.
De rechtbank overweegt ten aanzien van dit verweer als volgt. In het studioverhoor heeft [slachtoffer 1] verklaard dat zij twee foto’s naar de verdachte heeft gestuurd, en dat hij voor het overige materiaal schermopnames (screenshots) heeft gemaakt van het beeldbellen terwijl [slachtoffer 1] onder de douche stond. Uit het onderzoek aan de telefoon van de verdachte is gebleken dat daarop seksueel expliciet beeldmateriaal van [slachtoffer 1] is aangetroffen. De rechtbank is van oordeel dat het maken van schermopnamen van [slachtoffer 1] door de verdachte tijdens het beeldbellen met haar de conclusie rechtvaardigt dat sprake is van het vervaardigen van kinderpornografisch beeldmateriaal.
3.4.
Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat: feit 1 [slachtoffer 1] geboren in 2011 hij in de periode van 1 juli 2024 tot en met 31 december 2024 in Nederland, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten: [slachtoffer 1] (geboren in 2011), seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, door die [slachtoffer 1] meermalen haar vingers in haar vagina te laten steken en die [slachtoffer 1] zichzelf te laten vingeren; feit 2 hij in de periode van 1 juli 2024 tot en met 31 december 2024 in Nederland, een kind beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten: [slachtoffer 1] (geboren in 2011), indringend schriftelijk seksueel heeft benaderd op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren en getuige heeft doen zijn van een visuele weergave van seksuele aard op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door het meermalen:
indringend schriftelijk seksueel heeft benaderd op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren en getuige heeft doen zijn van een visuele weergave van seksuele aard op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door het meermalen:
* "Vooral je clitoris is het lekkerst" en/of "Ik zeg dat je moet proberen te wrijven" (op pagina 522 van de bijlage van het proces-verbaal) en * "Probeer is met je kutje wie weet vind je het wel super lekker" (op pagina 523 van de bijlage van het proces-verbaal) en
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten Het bewezenverklaarde levert op: ten aanzien van feit 1 en feit 4 telkens: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd; ten aanzien van feit 2, feit 5, feit 10 en feit 13 telkens: een kind beneden de leeftijd van zestien jaren indringend schriftelijk seksueel benaderen op een wijze die schadelijk te achten is voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, meermalen gepleegd, en een kind beneden de leeftijd van zestien jaren getuige doen zijn van een visuele weergave van seksuele aard op een wijze die schadelijk te achten is voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, meermalen gepleegd; ten aanzien van feit 3 en feit 6 telkens: een visuele weergave van seksuele aard, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken, verspreiden, vervaardigen en in bezit hebben, meermalen gepleegd; ten aanzien van feit 7 een kind beneden de leeftijd van zestien jaren indringend schriftelijk seksueel benaderen op een wijze die schadelijk te achten is voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, meermalen gepleegd; ten aanzien van feit 8 en feit 9 telkens: een kind beneden de leeftijd van zestien jaren getuige doen zijn van een visuele weergave van seksuele aard op een wijze die schadelijk te achten is voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, meermalen gepleegd; ten aanzien van feit 11 en feit 12 telkens: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd; ten aanzien van feit 14 een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, in bezit hebben, terwijl van het begaan van het feit een beroep of gewoonte wordt gemaakt, en een visuele weergave van seksuele aard, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken, in bezit hebben, terwijl van het begaan van het feit een beroep of gewoonte wordt gemaakt.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5Strafbaarheid van de verdachte Voor de beantwoording van de vraag of de gepleegde feiten aan de verdachte kunnen worden toegerekend, heeft de rechtbank kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van psychiater P.L.L. Hoefnagel, opgesteld op 26 september 2025, en het Pro Justitia rapport van psycholoog M.G.H. van Willigenburg, opgesteld op 4 september 2025. De psychiater concludeert dat bij de verdachte sprake is van een stoornis op het autismespectrum, een (licht) verstandelijke beperking en ADHD. De psycholoog concludeert dat bij de verdachte eveneens sprake is van een andere gespecificeerde neurobiologische ontwikkelingsstoornis, een licht verstandelijke beperking en een andere gespecificeerde disruptieve, impulsbeheersings- of gedragsstoornis. De deskundigen beschrijven dat deze stoornissen ten tijde van de ten laste gelegde feiten bij de verdachte aanwezig waren en dat deze stoornissen bij het plegen van de strafbare feiten (indien bewezen) doorgewerkt hebben op het gedrag en de gedragskeuzes van de verdachte. De deskundigen adviseren daarom de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
De rechtbank is van oordeel dat de rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de conclusies van de gedragsdeskundigen worden gedragen door deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwingen. De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over. De rechtbank acht de verdachte ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten verminderd toerekeningsvatbaar en zal daarmee rekening houden bij de strafoplegging.
6Motivering van de sanctie 6.1.
Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar, met aftrek van het voorarrest, en dat daarnaast aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden (hierna: de tbs-maatregel met voorwaarden) zal worden opgelegd, die dadelijk uitvoerbaar moet worden verklaard. De officier van justitie acht het noodzakelijk dat, naast de door de reclassering geadviseerde voorwaarden, een locatieverbod voor de gemeenten waar de slachtoffers wonen, onderdeel uitmaakt van de te stellen voorwaarden. Ook dient de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) te worden opgelegd.
Indien de rechtbank een korte onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte zal opleggen, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat een vrijheidsbeperkende maatregel, zoals bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr), opgelegd moet worden.
6.2.
Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met de daaraan verbonden door de reclassering geadviseerde voorwaarden. Zij heeft aangevoerd dat de interventies die door de reclassering noodzakelijk worden geacht, volledig gerealiseerd kunnen worden binnen het kader van aan een voorwaardelijke veroordeling te verbinden bijzondere voorwaarden en dat daarom een minder ingrijpend strafrechtelijk kader dan de tbs-maatregel met voorwaarden tot de mogelijkheden behoort. De raadsvrouw heeft verzocht in strafmatigende zin rekening te houden met de conclusies van de deskundigen over de verminderde toerekenbaarheid en de duur van het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf te beperken tot het ondergane voorarrest, omdat het accent zou moeten liggen op het zo spoedig mogelijk inzetten van behandeling en toezicht.
Indien de rechtbank de tbs-maatregel met voorwaarden zal opleggen, heeft de raadsvrouw verzocht deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht geen GVM op te leggen, omdat dit zou leiden tot overlap en onnodige cumulatie van maatregelen.
6.3.
Oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de straf en de maatregel die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten De verdachte heeft een groot aantal ernstige seksuele delicten gepleegd. Hij heeft maandenlang via sociale media contact gezocht met acht minderjarige, veelal kwetsbare meisjes. Hij deed zich hierbij voor als de zestienjarige ’[naam 1]’, die zogenaamd een relatie kreeg met zijn slachtoffers. De verdachte begon dan al snel over seks, verstuurde seksueel expliciet materiaal, en zette hen vervolgens op verschillende manieren onder grote druk om ook naaktfoto’s van zichzelf te sturen, of foto’s en video’s te maken waarop zij seksuele handelingen verrichten. Zo dreigde ‘[naam 1]’ onder meer met automutilatie of zelfmoord als de slachtoffers niet aan zijn verzoeken voldeden. Om de druk op te voeren op de slachtoffers had de verdachte op vernuftige wijze een netwerk gecreëerd van zogenaamde vrienden en/of familieleden van ‘[naam 1]’, die op hun beurt ook allemaal contact opnamen met de slachtoffers om hen te bewegen tot het plegen van seksuele handelingen voor ‘[naam 1]’.
In werkelijkheid zat de verdachte zelf achter al deze accounts. Op het moment dat het contact werd verbroken, vaak door tussenkomst van de ouders van de slachtoffers, ontstak de verdachte in woede en heeft hij zijn slachtoffers en hun ouders bestookt met berichten, waarin hij hen onder andere meerdere keren op een zeer grove manier bedreigde met de dood en met het verspreiden van het seksuele beeldmateriaal van zijn slachtoffers. De verdachte heeft in twee gevallen ook daadwerkelijk seksueel materiaal van een slachtoffer gestuurd naar mensen uit de directe omgeving van het slachtoffer.
De impact en de gevolgen van deze feiten zijn groot. De verdachte heeft, ook zonder dat sprake is geweest van fysiek misbruik, zowel de geestelijke als de lichamelijke integriteit van de slachtoffers ernstig geschonden. De minderjarige slachtoffers bevonden zich in een kwetsbare fase van hun sociaal-emotionele en seksuele ontwikkeling. Deze ontwikkeling heeft de verdachte ruw verstoord door de hiervoor beschreven handelingen. Door zijn toedoen is de slachtoffers de mogelijkheid ontnomen om hun ontluikende seksualiteit in hun eigen tempo en passend bij hun leeftijd te ontdekken. Daarbij heeft hij hen bovendien onder grote druk gezet door te dreigen met zijn eigen zelfmoord en het verspreiden van seksueel materiaal.
Hij heeft hierbij alleen aan zichzelf gedacht en geen rekening willen houden met het voorzienbare ernstige leed dat hij veroorzaakte. De impact hiervan is enorm groot geweest op de slachtoffers, zoals meerdere van hen ook duidelijk hebben kunnen maken bij de uitoefening van het spreekrecht. De manier waarop de verdachte hen vervolgens bedreigde heeft bovendien enorme angst veroorzaakt, waarvan de betreffende slachtoffers tot op de dag van vandaag nog de gevolgen ondervinden. Ook voor de gezinsleden van de slachtoffers hebben de feiten ingrijpende gevolgen. Ouders hebben te maken met gevoelens van verdriet en boosheid om wat hun kind is aangedaan en maken zichzelf verwijten dat zij dit niet hebben kunnen voorkomen.
Ten slotte veroorzaken dit soort feiten gevoelens van verontwaardiging en afschuw in de samenleving.
Bij de verdachte zijn ook gegevensdragers aangetroffen waarop over een lange periode kinderpornografisch materiaal was opgeslagen. Door het bezit van kinderpornografisch materiaal wordt het misbruik dat aan de productie daarvan ten grondslag ligt bevorderd. Kinderen die slachtoffer worden van de vervaardiging van kinderporno kunnen zodanige psychische schade oplopen dat zij jaren later, zo niet hun hele leven daarvan de schadelijke gevolgen nog ondervinden.
Persoon van de verdachte Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank onder meer gelet op het strafblad van de verdachte van 19 november 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. Het strafblad weegt dan ook niet in het nadeel van de verdachte mee.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de onder 5. genoemde Pro Justitia-rapporten.
Psychiatrisch onderzoek Uit het rapport van de psychiater blijkt dat het risico op seksueel delictgedrag als matig hoog wordt ingeschat en het risico op gewelddadig gedrag (bedreiging) als matig. De psychiater beschrijft dat de verdachte door zijn beperkte inlevingsvermogen en moeite met afwijzing snel over andermans grenzen gaat. Daarbij vormt de gebrekkige zelfbeheersing een risico verhogende factor voor zowel seksueel grensoverschrijdend gedrag als bedreigingen. Verder speelt mee dat de verdachte zich sociaal afgewezen voelt door zijn eigen leeftijdsgenoten en zich meer identificeert met jonge kinderen. Volgens de psychiater is voldoende toezicht en controle op het onlinegedrag van de verdachte van belang om de kans op recidive te verlagen.
De verdachte is momenteel nog niet in staat dit gedrag zelf te reguleren. Daarnaast moet de verdachte ondersteuning en training krijgen gericht op seksualiteit, (online) omgangsvormen, relaties en smartphones. Hierbij moet rekening worden gehouden met de sociale, emotionele en cognitieve vermogens van de verdachte. Verder zal er behandeling nodig zijn gericht op het omgaan met afwijzing en gevoelens van onzekerheid en boosheid, die aansluit bij zijn autismespectrumstoornis. De psychiater adviseert om deze behandeling klinisch te starten voor de duur van zes maanden tot een jaar. Hierna zal toegewerkt moeten worden naar een beschermde woonvorm met 24-uurs toezicht. De verdachte zal levenslang hulp nodig hebben bij de dagelijkse dingen en de invulling van zijn dagelijkse bezigheden.
De psychiater concludeert dat gezien het matig-hoge recidiverisico en de aard van de ten laste gelegde feiten, een behandeling in het kader van een tbs-maatregel noodzakelijk is. Dit kader lijkt de enige mogelijkheid waarin de verdachte echt een gedragsverandering kan ondergaan. Daarbij is de verwachting dat de verdachte langdurig toezicht nodig zal hebben. Een behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden wordt als onvoldoende beschermend en te vrijblijvend gezien. Daarnaast kan er in een voorwaardelijke behandeling onvoldoende toezicht gehouden worden op het onlinegedrag van de verdachte.
Psychologisch onderzoek Uit het rapport van de psycholoog blijkt dat het risico op seksueel gewelddadig handelen wordt ingeschat als matig tot hoog en het risico op gewelddadig handelen als matig. De psycholoog beschrijft dat de problematiek van de verdachte chronisch aanwezig is. Met name grenzeloosheid, impulsiviteit, verstoorde emotie- en agressieregulatie, zwakke gewetensfuncties en de neiging tot vermijden en heimelijkheid (enigszins calculerend gedrag) zijn zorgelijk met het oog op het recidivegevaar. De psycholoog benadrukt dat de verdachte een omgeving nodig heeft met een hoge mate van controle op online gedrag, waar hij niet de gelegenheid heeft tot (pathologisch) vermijden, terugtrekken of heimelijkheid.
Ondersteuning, uitleg en training op het gebied van sociale relaties, seksualiteit, omgaan met sociale media en de smartphone, en het opleggen van beperkingen aan het gebruik van de smartphone en sociale media, lijken daarnaast zinvolle interventies gezien de beperkingen van de verdachte. De verdachte heeft aansluitend een woonomgeving met 24-uurs begeleiding nodig. Binnen een intensieve 24-uurs begeleiding kan op elk gebied structuur worden gewaarborgd, waardoor spanning en stress minder snel oplopen. Het gewenste niveau van toezicht bij de geschetste problematiek vereist bij aanvang een beveiligingsniveau 3 (FPK). De ondersteuning en begeleiding van de verdachte zal levenslang nodig zijn (dit geldt niet voor het forensisch kader).
De hierboven beschreven interventies in een forensisch kader, inclusief resocialisatie naar een geschikte woonvorm, zullen waarschijnlijk enkele jaren in beslag nemen. Deze stappen dienen elkaar rustig op te volgen, waarbij wordt toegewerkt naar permanent verblijf in een beschermde woonvorm. De psycholoog adviseert om aan de verdachte een tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen.
Reclasseringsrapport Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van Reclassering Nederland, van 8 december 2025. De reclassering gaat uit van de medische bevindingen en conclusies van de deskundigen en adviseert bij bewezenverklaring een tbs-maatregel met voorwaarden aan de verdachte op te leggen, die dadelijk uitvoerbaar moet zijn, met aansluitend de GVM. De reclassering adviseert tevens de voorlopige hechtenis te schorsen onder dezelfde voorwaarden als die aan de tbs-maatregel met voorwaarden worden verbonden. De voorwaarden houden, kort samengevat, het volgende in:
De op te leggen straf De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur rechtvaardigen. De rechtbank is gelet op de conclusies van de deskundigen van oordeel dat de bewezen verklaarde feiten de verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend en zal hiermee rekening houden in de strafoplegging. Oplegging van een straf waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van het voorarrest, zoals verzocht door de raadsvrouw, doet echter geen recht aan de ernst van de feiten. Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.
De tbs-maatregel met voorwaarden De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de terbeschikkingstelling van de verdachte moet worden gelast en voorwaarden betreffende zijn gedrag moeten worden gesteld. Uit de Pro Justitia rapportages en het advies van de reclassering volgt dat niet kan worden volstaan met het opleggen van bijzondere voorwaarden bij een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Een dergelijk kader biedt onvoldoende waarborg voor de behandeling en langdurige begeleiding die de verdachte nodig heeft en is daarom ontoereikend om de maatschappij voldoende te beschermen. Daarbij neemt de rechtbank de problematiek van de verdachte in aanmerking, evenals het feit dat er onvoldoende toezicht kan worden gehouden op zijn online gedrag. De noodzakelijk geachte behandeling en begeleiding heeft naar het oordeel van de rechtbank de meeste kans van slagen in het kader van de tbs-maatregel met voorwaarden.
Aan de tbs-maatregel zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden, en een locatieverbod voor de gemeente waar slachtoffer [slachtoffer 8] woont. De rechtbank ziet geen aanleiding om naast het contactverbod met de overige slachtoffers, ook een locatieverbod op te leggen, omdat de slachtoffers die werden bijgestaan door een advocaat daarom niet hebben verzocht. De verdachte heeft zich bereid verklaard deze voorwaarden na te leven.
De rechtbank stelt vast dat aan de wettelijke eisen voor het opleggen van de tbs-maatregel met voorwaarden is voldaan. Bij de verdachte bestond ten tijde van het plegen van de feiten 1, 3, 4, 6, en 14 een ziekelijke stoornis van de geestvermogens en de door de verdachte begane feiten betreffen misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. De veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen vereist de oplegging van deze maatregel.
De rechtbank kan, op vordering van de officier van justitie, bevelen dat de terbeschikkinggestelde alsnog van overheidswege zal worden verpleegd indien de voorwaarden niet worden nageleefd. De onder 1, 3, 4, 6, en 14 bewezen verklaarde feiten zijn misdrijven die gericht zijn tegen dan wel gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De duur van een eventuele tbs-maatregel met dwangverpleging kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.
Dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs-maatregel met voorwaarden Omdat de rechtbank het van belang acht dat de behandeling van de verdachte direct aansluitend aan de detentie zal aanvangen, zal de rechtbank bepalen dat de tbs-maatregel met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zal zijn.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel De rechtbank acht het ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen noodzakelijk dat ook de tbs-maatregel de GVM als bedoeld in artikel 38z Sr aan de verdachte wordt opgelegd. Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van deze maatregel is voldaan.
De rechtbank leidt uit de deskundigenrapporten af dat de psychische problematiek van de verdachte chronisch aanwezig is en dat het recidiverisico op soortgelijke feiten, dat verband houdt met deze problematiek, hoog is. Gelet daarop dient er naar het oordeel van de rechtbank rekening mee te worden gehouden dat ook na beëindiging van de tbs-maatregel met voorwaarden – die naar huidig recht in duur is beperkt tot negen jaar – langdurig toezicht noodzakelijk is om het recidiverisico terug te dringen naar een aanvaardbaar risico of op een aanvaardbaar niveau te houden.
De rechtbank acht het daarom aangewezen dat de verdachte langdurig onder toezicht wordt gesteld. Hierdoor kan de rechtbank, nadat de tbs-maatregel is beëindigd, op vordering van de officier van justitie en na beoordeling van de op dat moment actuele situatie, de tenuitvoerlegging van een GVM bevelen en de inhoud en de duur daarvan bepalen(artikel 6:6:23b Sv). Van de door de verdediging aangevoerde overlap van maatregelen is geen sprake, omdat de maatregel pas in werking treedt aansluitend op de tbs-maatregel met voorwaarden.
7Onttrekking aan het verkeer De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen (gegevensdragers), te weten:
8Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen De rechtbank is van oordeel dat het onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten:
9Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel 9.1.
Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1] De advocaat van de benadeelde partij, mr. K.J.S.P.M. Jansen-Liebau, advocaat te Eindhoven, heeft namens de benadeelde partij, [benadeelde 1], de wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer 1], een vordering tot schadevergoeding van € 9.047,27 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 547,27 aan materiële schade (reiskosten) en € 8.500,00 aan immateriële schade.
Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd om daarbij de schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente op te leggen.
Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting voor het strafgeding oplevert.
Subsidiair heeft de raadsvrouw de hoogte van de vordering betwist. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat het causale verband met de ten laste gelegde feiten ontbreekt. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat deze gematigd moet worden.
Tot slot heeft de raadsvrouw verzocht om af te zien van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Oordeel van de rechtbank Materiële schade Ten aanzien van de gevorderde materiële kosten overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat de reeds gemaakte reiskosten naar school en Karakter voldoende zijn onderbouwd. Op grond van het bij de vordering gevoegde behandelplan kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij deze schade rechtstreeks heeft geleden als gevolg van de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten.
Daarnaast vordert de benadeelde partij toekomstige reiskosten vanwege de wekelijkse gesprekken die [slachtoffer 1] vanaf 10 februari 2026 nog zal hebben bij Karakter. Op grond van artikel 6:105 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de begroting van nog niet ingetreden schade bij voorbaat geschieden als voldoende is onderbouwd dat de gevorderde schade ook in de toekomst daadwerkelijk zal worden geleden. De rechtbank is van oordeel dat daar geen sprake van is, omdat de rechtbank de noodzaak van die toekomstige behandelingen (en daarmee samenhangende kosten) niet kan afleiden uit het behandelplan. De rechtbank zal de gevorderde materiële kosten voor zover het toekomstige schade betreft dan ook niet ontvankelijk verklaren, onder vermelding dat deze schadevergoeding eventueel aan de burgerlijke rechter kan worden voorgelegd.
Immateriële schade Ten aanzien van de gevorderde immateriële kosten overweegt de rechtbank als volgt. Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd.
In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. De rechtbank is van oordeel dat daar, gelet op de aard en de ernst van de normschending, in dit geval sprake van is, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade.
Voor de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de rechtbank gekeken naar de Rotterdamse schaal en in het bijzonder naar paragraaf 15.5 (sextortion). De rechtbank is van oordeel dat sprake is van categorie a (de meest ernstige gevallen) omdat sprake is van handelingen die op beeld zijn vastgelegd en/of verspreid door de verdachte, en hij voor de handelingen expliciete instructies heeft gegeven.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde immateriële schadevergoeding van € 8.500,00 billijk is en voor toewijzing vatbaar.
Conclusie De vordering van de benadeelde partij zal dus worden toegewezen tot een bedrag van € 8.903,13, bestaande uit € 403,13 als vergoeding voor materiële schade en € 8.500,00 als vergoeding voor immateriële schade. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De vordering tot vergoeding van de toekomstige schade wordt niet ontvankelijk verklaard.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd is de maatregel dus niet gericht op het toevoegen van leed bij de verdachte, maar juist gericht op het vereenvoudigen van het proces voor slachtoffers. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 8.903,13 aan de Staat moet betalen.
De rechtbank bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule.
9.2.
Vordering benadeelde partij [slachtoffer 4] De advocaat van de benadeelde partij, mr. K.J.S.P.M. Jansen-Liebau, advocaat te Eindhoven, heeft namens de benadeelde partij [benadeelde 2], de wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer 4], een vordering tot schadevergoeding van € 14.000,00 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder 8 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.
Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd om daarbij de schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente op te leggen.
Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting voor het strafgeding oplevert.
Subsidiair heeft de raadsvrouw de hoogte van de gevorderde immateriële schade betwist en aangevoerd dat deze gematigd moet worden.
Tot slot heeft de raadsvrouw verzocht om af te zien van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Oordeel van de rechtbank Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd.
In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon. De rechtbank is van oordeel dat daar, gelet op de aard en de ernst van de normschending, in dit geval sprake van is, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade.
Door de advocaat van de benadeelde partij is aangevoerd dat [slachtoffer 4] kampt met diverse spannings- en slaapklachten. Daarnaast kampt [slachtoffer 4] volgens haar raadsvrouw met chronische pijnklachten als gevolg van het door de verdachte gepleegde feit. De rechtbank kan op basis van de aangeleverde producties echter onvoldoende vaststellen dat deze pijnklachten het gevolg zijn van het hiervoor bewezen verklaarde seksueel corrumperen van [slachtoffer 4] door de verdachte. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. Dat neemt niet weg dat de rechtbank wel kan vaststellen dat de benadeelde in ieder geval enige immateriële schade heeft geleden door het feit.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 2.000,00 billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Conclusie De vordering van de benadeelde partij zal dus gedeeltelijk worden toegewezen, namelijk tot een bedrag van € 2.000,00, bestaande uit immateriële schade. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd is de maatregel dus niet gericht op het toevoegen van leed bij de verdachte, maar juist gericht op het vereenvoudigen van het proces voor slachtoffers. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 2.0000,00 aan de Staat moet betalen.
De rechtbank bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule.
9.3.
Vordering benadeelde partij [slachtoffer 5] De advocaat van de benadeelde partij, mr. K.J.S.P.M. Jansen-Liebau, advocaat te Eindhoven, heeft namens de benadeelde partij [benadeelde 3], de wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer 5], een vordering tot schadevergoeding van € 2.000,00 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder 9 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.
Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd om daarbij de schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente op te leggen.
Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting voor het strafgeding oplevert.
Subsidiair heeft de raadsvrouw de hoogte van de gevorderde immateriële schade betwist en aangevoerd dat deze gematigd moet worden.
Tot slot heeft de raadsvrouw verzocht om af te zien van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Oordeel van de rechtbank Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd.
In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon. De rechtbank is van oordeel dat daar, gelet op de aard en ernst van de normschending, in dit geval sprake van is, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd is de maatregel dus niet gericht op het toevoegen van leed bij de verdachte, maar juist gericht op het vereenvoudigen van het proces voor slachtoffers. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 2.000,00 aan de Staat moet betalen.
De rechtbank bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule.
9.4.
Vordering benadeelde partij [slachtoffer 6] De advocaat van de benadeelde partij, mr. K.J.S.P.M. Jansen-Liebau, advocaat te Eindhoven, heeft namens de benadeelde partij [benadeelde 4], de wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer 6], een vordering tot schadevergoeding van € 5.000,00 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van de onder 10 en 11 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.
Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd om daarbij de schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente op te leggen.
Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting voor het strafgeding oplevert.
Subsidiair heeft de raadsvrouw de hoogte van de gevorderde immateriële schade betwist en aangevoerd dat deze gematigd moet worden.
Tot slot heeft de raadsvrouw verzocht om af te zien van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Oordeel van de rechtbank Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd.
In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon. De rechtbank is van oordeel dat daar, gelet op de aard en de ernst van de normschending, in dit geval sprake van is, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade.
Gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 4.000,00 billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering desgewenst aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Conclusie De vordering van de benadeelde partij zal dus gedeeltelijk worden toegewezen, namelijk tot een bedrag van € 4.000,00, bestaande uit immateriële schade. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd is de maatregel dus niet gericht op het toevoegen van leed bij de verdachte, maar juist gericht op het vereenvoudigen van het proces voor slachtoffers. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 4.0000,00 aan de Staat moet betalen.
De rechtbank bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule.
9.5.
Vordering benadeelde partij [slachtoffer 7] De advocaat van de benadeelde partij, mr. K.J.S.P.M. Jansen-Liebau, advocaat te Eindhoven, heeft namens de benadeelde partij [benadeelde 5], de wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer 7], een vordering tot schadevergoeding van € 26.832,86 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 12 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 23.332,86 aan materiële schade (reiskosten, verlies aan verdienvermogen en studievertraging) en € 3.5000,00 aan immateriële schade.
Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd om daarbij de schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente op te leggen.
Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting voor het strafgeding oplevert.
Subsidiair heeft de raadsvrouw de hoogte van de vordering betwist. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat deze gematigd moet worden.
Tot slot heeft de raadsvrouw verzocht om af te zien van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Oordeel van de rechtbank Materiële schade Ten aanzien van de gevorderde reiskosten overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de reiskosten niet-ontvankelijk, omdat zij niet kan vaststellen dat sprake is van een rechtstreeks verband tussen deze schade en het bewezen verklaarde feit. De rechtbank betrekt hierbij dat uit de brief van de behandelaar blijkt dat het behandeltraject is gestart in oktober 2024 en dus voordat het strafbare feit heeft plaatsgevonden. Mede gelet op de betwisting door de verdachte, heeft de benadeelde partij daarom onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een rechtstreeks verband tussen deze schade en het bewezen verklaarde feit. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Het gedeelte van de vordering dat ziet op de posten studievertraging en het verlies van verdienvermogen is namens de verdachte betwist. De rechtbank kan op basis van de gegeven onderbouwing niet vaststellen dat het verlies van het verdienvermogen en de studievertraging het gevolg is van het beweerde verklaarde feit. De rechtbank betrekt hierbij dat uit de onderbouwing bij de vordering blijkt dat de stage van [slachtoffer 7] al was beëindigd voordat het strafbare feit is gepleegd, waardoor het causale verband niet kan worden vastgesteld. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Immateriële schade Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd.
In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon. De rechtbank is van oordeel dat daar, gelet op de aard en de ernst van de normschending, in dit geval sprake van is, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde immateriële vergoeding van €3.500,00 billijk is. De rechtbank wijst het immateriële deel van de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Conclusie De vordering van de benadeelde partij zal dus gedeeltelijk worden toegewezen, namelijk tot een bedrag van € 3.500,00, bestaande uit immateriële schade. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd is de maatregel dus niet gericht op het toevoegen van leed bij de verdachte, maar juist gericht op het vereenvoudigen van het proces voor slachtoffers. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 3.5000,00 aan de Staat moet betalen.
De rechtbank bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule.
9.6.
Vordering benadeelde partij [slachtoffer 8] De benadeelde partij [benadeelde 7], de wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer 8], heeft een vordering tot schadevergoeding van € 750,00 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder 13 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.
Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd om daarbij de schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente op te leggen.
Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting voor het strafgeding oplevert.
Subsidiair heeft de raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden wegens de bepleite vrijspraak voor het onder 13 ten laste gelegde feit.
Tot slot heeft de raadsvrouw verzocht om af te zien van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Oordeel van de rechtbank Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd.
In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon. De rechtbank is van oordeel dat daar, gelet op de aard en de ernst van de normschending, in dit geval sprake van is, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij ter grootte van € 750,00 daarom geheel toe. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd is de maatregel dus niet gericht op het toevoegen van leed bij de verdachte, maar juist gericht op het vereenvoudigen van het proces voor slachtoffers.
Gelet op de ernst van de feiten, de gevolgen voor het slachtoffer en de overige in deze zaak toegewezen bedragen aan de andere benadeelde partijen, is de rechtbank van oordeel dat de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd voor een hoger bedrag dan de gevorderde vergoeding ter grootte van € 750,00, namelijk voor een bedrag van € 2.000,00. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 2.000,00 aan de Staat moet betalen.
10Toepasselijke wettelijke voorschriften De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
36b, 36c, 36f, 37a, 38, 38a, 38z, 57, 60a, 240b (oud), 248, 251, 252, 254 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.
11Beslissing De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13 en 14 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 [drie] jaar.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, en stelt daarbij de volgende voorwaarden betreffende zijn gedrag:
Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich niet schuldig maakt een enig strafbaar feit.
Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meewerken aan reclasseringstoezicht De verdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in dat de verdachte:
Meewerken aan time-out Als de reclassering dat nodig vindt en de verdachte daarmee instemt, kan de verdachte voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.
Niet naar het buitenland De verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.
Opname in een zorginstelling De verdachte laat zich opnemen in de Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK) De Boog van GGNet te Warnsveld of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt.
Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
Ambulante behandeling De verdachte laat zich, indien geïndiceerd, ambulant behandelen door een nader te bepalen instelling voor ambulante zorg, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
Begeleid wonen of maatschappelijke opvang De verdachte verblijft in een instelling voor begeleid of beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
Drugsverbod De verdachte gebruikt geen drugs en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd.
Alcoholverbod De verdachte gebruikt geen alcohol, en werkt mee aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd.
Contactverbod De verdachte heeft of zoekt op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met:
Locatieverbod De verdachte bevindt zich niet in Klazienaveen, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
Dagbesteding De verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur.
Vermijden contact met minderjarigen De verdachte zoekt op geen enkele wijze contact met minderjarigen. Hij vermijdt deze contacten zoveel mogelijk.
Vermijden digitale omgevingen seksueel kindermisbruik De verdachte:
Het toezicht op de naleving van de onderdelen 1. tot en met 3. beperkt zich tot geautomatiseerde controles van digitale apparaten (zoals computers, smart devices, USB-sticks, SD-kaarten, externe harde schijven) waarop bestanden kunnen worden opgeslagen en/of waarmee internet kan worden benaderd en die de verdachte in gebruik heeft.
De verdachte werkt mee aan deze controles tijdens (on)aangekondigde huisbezoeken en verschaft toegang tot alle aanwezige digitale apparaten die de verdachte in gebruik heeft. Hieronder wordt begrepen het verstrekken van wachtwoorden, codes of andere wijzen van ontgrendeling of ontsluiting zoals vingerafdrukken, die nodig zijn voor toegang. Op verzoek past de verdachte de instellingen zodanig aan dat controle mogelijk is. De wijzigingen mogen niet leiden tot definitieve wijzigingen aan het apparaat en worden aan het einde van de controle weer teruggezet.
De controles worden uitgevoerd door de reclassering. Indien en voor zover noodzakelijk mag de reclassering voor ondersteuning op technisch en digitaal gebied een specialist, niet zijnde een opsporingsambtenaar meenemen.
De controles mogen circa drie keer per jaar worden uitgevoerd, waarbij de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zoveel mogelijk wordt geëerbiedigd. De controles strekken er in het bijzonder niet toe een min of meer volledig beeld te krijgen van het persoonlijke leven van de verdachte.
Geeft opdracht aan de reclassering bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.
Beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.
Legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.
Onttrekt aan het verkeer:
Gelast de teruggave aan de verdachte:
Vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1], geleden schade tot een bedrag van € 8.903,13, bestaande uit € 403,13 als vergoeding voor de materiële en € 8.500,00 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 1], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 8.903,13, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 69 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] te openen rekening met een BEM-clausule. [slachtoffer 4] Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 4], geleden schade tot een bedrag van € 2.000,00, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 februari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 4], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 4] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] te openen rekening met een BEM-clausule. [slachtoffer 5] Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 5], geleden schade tot een bedrag van € 2.000,00, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 5], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 5] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5] te openen rekening met een BEM-clausule. [slachtoffer 6] Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 6], geleden schade tot een bedrag van € 4.000,00, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 februari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 6], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 6] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6] te openen rekening met een BEM-clausule. [slachtoffer 7] Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 7], geleden schade tot een bedrag van € 3.500,00, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 7], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 7] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.500,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 35 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 7] te openen rekening met een BEM-clausule. [slachtoffer 8] Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 8], geleden schade tot een bedrag van € 750,00, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 8], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 8] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. P.A. Hesselink, voorzitter, mr. M.C.J. Lommen en mr. N. Mook, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. D. Koppe, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 februari 2026.
Bijlage 1 Tenlastelegging Aan de verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a Sv ter zitting van 29 september 2025, ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de volgende feiten: feit 1 [slachtoffer 1] geboren in 2011 hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 juli 2024 tot en met 31 december 2024 te Haarlem, althans in Nederland, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten: [slachtoffer 1] (geboren in 2011) een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, door die [slachtoffer 1] een en/of meermalen haar vinger(s) in haar vagina te laten steken en/of die [slachtoffer 1] zichzelf te laten vingeren; feit 2 hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 juli 2024 tot en met 31 december 2024 te Haarlem, althans in Nederland, een kind beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten: [slachtoffer 1] (geboren in 2011) indringend mondeling en/of schriftelijk seksueel heeft benaderd op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren en/of getuige heeft doen zijn van een handeling en/of een visuele weergave van seksuele aard en/of met een onmiskenbaar seksuele strekking op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door het een en/of meermalen:
* "Ik wil die tiete aanrake" (op pagina 521 van de bijlage van het proces-verbaal) en/of * "Vooral je clitoris is het lekkerst" en/of "Ik zeg dat je moet proberen te wrijven" (op pagina 522 van de bijlage van het proces-verbaal) en/of * "Probeer is met je kutje wie weet vind je het wel super lekker" (op pagina 523 van de bijlage van het proces-verbaal) en/of
Bijlage 2 De bewijsmiddelen (..)