RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/135253-25 Uitspraakdatum: 2 maart 2026 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 februari 2026 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1980 te [geboorteplaats], ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1], nu gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B.K.M. Thuijs en van wat door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.M. Buchel, advocaat te Zandvoort, naar voren is gebracht. 1Tenlastelegging De verdachte wordt er – kort gezegd – van beschuldigd dat hij op 2 mei 2025 in Hoofddorp [benadeelde] met een mes in de borststreek heeft gestoken. Dit is primair ten laste gelegd als een poging doodslag, subsidiair als een zware mishandeling en meer subsidiair als een poging tot zware mishandeling. De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht. 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is van de zaak kennis te nemen, dat de officier van justitie ontvankelijk is en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot de bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit. 3.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak van de poging tot doodslag bepleit, omdat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans was op het overlijden van [benadeelde] noch dat de verdachte die kans willens en wetens heeft aanvaard. Evenmin kan worden bewezen dat de verdachte [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Ten aanzien van het bewijs voor de meer subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 3.3 Het oordeel van de rechtbank 3.3.1 Redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage 2 bij dit vonnis zijn opgenomen. 3.3.2 De bewijsmotivering Feiten en omstandigheden Op grond van het dossier en wat ter zitting is besproken, stelt de rechtbank het volgende vast. Op 2 mei 2025, omstreeks 21:45 uur, heeft zich op de [adres 2] in Hoofddorp een steekincident voorgedaan, waarbij de aangever gewond is geraakt. De verdachte is op de bewuste dag ’s avonds thuisgekomen van zijn werk. Hij ervaarde dat zijn onderbuurman [benadeelde] (hierna: de aangever) hem aan het uitdagen was door een plantenbakje te verplaatsen, wat volgens de verdachte zou passen in een patroon van jarenlange treiteringen. De verdachte heeft vervolgens twee lege wijnflessen op de grond gegooid voor het raam van de aangever, omdat hij wilde dat de aangever naar buiten kwam. De verdachte heeft voor de confrontatie een mes van ongeveer 20 tot 25 centimeter meegenomen. De aangever is vervolgens naar buiten gekomen. Toen de aangever en de verdachte op circa 30 centimeter van elkaar af stonden, heeft de verdachte met zijn mes hakkende bewegingen gemaakt in de richting van de aangever en daarbij de aangever in zijn linkerborst, vlak bij zijn tepel, geraakt. De aangever is hierop naar zijn woning gerend. De verdachte is achter hem aan gegaan, heeft tegen zijn voordeur geschopt en een ruit ingegooid. De aangever heeft 112 gebeld en is met een ambulance naar het ziekenhuis vervoerd, waar hij aan zijn steekverwonding is behandeld. Hij heeft door de messteek een klaplong opgelopen, waarbij bloed in de longholte is gelopen. Opzet op dodelijk letsel De rechtbank verwerpt het verweer dat het dossier onvoldoende bewijs bevat om te kunnen vaststellen dat er een aanmerkelijk kans was dat de aangever zou komen te overlijden en dat de verdachte die kans bewust aanvaard. Het staat immers vast dat de verdachte, toen hij vlak voor de aangever stond, met een mes van ongeveer 20 tot 25 centimeter richting hem hakkende bewegingen heeft gemaakt en hem in de borst heeft geraakt. Uit de letselrapportage blijkt dat sprake is van één snij- dan wel steekverwonding aan de linker voorzijde van de romp die tot in de borstholte reikte. Daardoor is een kneuzing van een deel van de long en een klaplong ontstaan, waarbij bloed in de longholte is gelopen, en was medisch ingrijpen door het plaatsen een slang in de borstholte noodzakelijk. Hoewel het letsel bij de aangever door de ingestelde behandeling op korte termijn een relatief gunstig beloop heeft gehad, impliceert het snijden of steken met een scherp voorwerp, zoals een mes, links in de borstkas een risico op het veroorzaken van (acuut) levensbedreigend letsel. Rond de locatie waar de verwonding werd vastgesteld zijn namelijk belangrijke anatomische structuren aanwezig, waaronder meerdere bloedvaten, het hart, de goed doorbloede longen, de tussenribaders en -slagaders. Hoewel de rechtbank van de verdachte aanneemt dat hij niet het volle opzet had om de aangever daadwerkelijk van het leven te beroven, is zij op grond van bovenstaande wel van oordeel dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever door het steken in zijn borstkas zou komen te overlijden. Ook de verdachte moet immers weten dat het steken in de linkerborstkas, met een mes van 20 tot 25 centimeter lang, levensbedreigend letsel of overlijden kan veroorzaken. De gedragingen van de verdachte moeten naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat het niet anders kan dan dat de verdachte minst genomen de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard en dus voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van de aangever. 3.4 Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat hij op 2 mei 2025 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk van het leven te beroven, die [benadeelde] met een mes in de borststreek heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit Het bewezenverklaarde levert op: poging tot doodslag. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar. 5Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 6Motivering van de sanctie en maatregel 6.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 maanden, met aftrek van de tijd die hij reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan hem de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden (tbs met voorwaarden) op te leggen. Aan de maatregel zouden de voorwaarden moeten worden verbonden die de reclassering heeft voorgesteld, waaronder een opname in een zorginstelling. Verder heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op te leggen. Tot slot heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de voorlopige hechtenis van de verdachte moet worden geschorst na het uitzitten van de gevangenisstraf en met ingang van het tijdstip waarop de klinische behandeling van de verdachte start. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het advies tot oplegging van tbs met voorwaarden zorgvuldig is onderbouwd. Het is van belang dat de verdachte daarom niet langer in detentie zal verblijven en dus geen langere gevangenisstraf opgelegd krijgt dan de tijd die hij al in voorarrest heeft doorgebracht. De tbs met voorwaarden biedt voldoende waarborgen en daarmee is een GVM wat de verdediging betreft niet nodig. Aangezien de verdachte geen behoefte heeft aan contact met de aangever en ook niet wenst terug te keren in de omgeving van Hoofddorp, is het opleggen van een contact- en gebiedsverbod evenmin noodzakelijk. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de sanctie en de maatregel die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De ernst van het feit De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging doodslag. Hij heeft de aangever, door hakkende bewegingen te maken met een mes van 20 tot 25 centimeter in zijn linkerborst geraakt. Door de verwonding is een klaplong ontstaan en bloed in de longholte terecht gekomen. Het leven is het meest kostbare dat een mens heeft. De verdachte heeft hiervoor geen enkel respect getoond. Uit de toelichting op de vordering tot schadevergoeding en het uitgeoefende spreekrecht blijkt ook hoe groot de impact van het steekincident op de aangever is geweest en nog steeds is. Hij heeft het gevoel dat als hij niet zijn woning in was gevlucht, hij door de verdachte zou zijn vermoord. Hij zal waarschijnlijk blijvende beperkingen – namelijk het missen van kracht – in zijn linkerarm houden en ook geestelijk heeft het voorval nog steeds impact. Daarnaast brengt een dergelijke uitbarsting van geweld op straat in een woonwijk in het algemeen gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg. De rechtbank rekent dit de verdachte aan. De persoon van de verdachte Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 14 januari 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van: - het Pro Justitia rapport van 24 en 27 november 2025, opgesteld door [psycholoog], GZ-psycholoog en [psychiater], psychiater. - een reclasseringsrapport tbs-voorwaarden van 15 januari 2026, opgesteld door [reclasseringswerker], reclasseringswerker. Het Pro Justitia rapport De deskundigen hebben vastgesteld dat bij de verdachte sprake is van een waanstoornis en autismespectrumstoornis, die ook aanwezig waren ten tijde van het ten laste gelegde feit. Door de pathologische achterdocht en woede van de verdachte lijkt zijn inschatting van het actuele gevaar met betrekking tot zijn onderbuurman negatief te zijn beïnvloed. Hierdoor betrok de verdachte gebeurtenissen die niets met hem te maken hadden op zichzelf en ervaarde die als tegen hem gerichte pesterijen, waardoor hij in de waan verkeerde dat zijn onderbuurman het bewust en langdurig op hem had gemunt. De deskundigen adviseren het ten laste gelegde vanwege deze stoornissen in sterk verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Als er geen behandeling volgt, wordt het risico op een ernstig gewelddelict als matig tot hoog ingeschat. De deskundigen achten behandeling in een klinische setting passend. De verdachte kan zo passende medicatie en psycho-educatie krijgen en vaardigheden aanleren om met spanningen om te gaan. Gezien de chronische aard van zijn psychiatrische problemen en ook omdat het wellicht een langere periode duurt voordat opnieuw risico’s ontstaan, is het zinvol langdurig een vinger aan de pols te houden in de vorm van woonbegeleiding en behandeling door bijvoorbeeld een FACT-team. De deskundigen vinden tbs met voorwaarden het meest passende kader voor bovengenoemde interventies. De verdachte is welwillend om hulp te accepteren en de inschatting is dat hij zich aan behandelvoorwaarden kan en wil houden. Tbs met voorwaarden biedt volgens de deskundigen dan ook voldoende mogelijkheden om de verdachte effectief te behandelen en de maatschappij te beschermen. De rechtbank is van oordeel dat bovengenoemde conclusies op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de adviezen over de toerekenbaarheid worden gedragen door een deugdelijk en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank neemt dan ook de conclusie over, dat het bewezenverklaarde de verdachte in sterk verminderde mate kan worden toegerekend. De rechtbank houdt hier rekening mee in de strafoplegging. Het reclasseringsadvies Het reclasseringsadvies houdt – kort gezegd – in dat de reclassering zich aansluit bij het advies vanuit de Pro Justitia rapportage en mogelijkheden ziet de verdachte te begeleiden in het kader van tbs met voorwaarden. Bij een onbehandelde terugkeer in de maatschappij schat ook de reclassering het risico op recidive in op matig tot hoog. De reclassering adviseert de hieronder opgenomen voorwaarden. De verdachte heeft zich bereid verklaard hieraan mee te werken. - geen strafbare feiten plegen; - meewerken aan reclasseringstoezicht; - meewerken aan een time-out; - niet naar het buitenland vertrekken; - opneming in een zorginstelling; - ambulante behandeling; - verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang; - verbod verdovende middelen; - alcoholverbod; - contactverbod; - locatieverbod (zonder elektronisch toezicht); - aflossing schulden; - dagbesteding. Ten aanzien van de klinische opname heeft de reclassering toegelicht dat de verdachte een intakegesprek heeft gehad bij FPK De Boog. De afdeling waar de verdachte geplaatst zou worden kampt echter met een wachttijd tot één jaar, zodat nog niet bekend is wanneer hij in de kliniek kan worden opgenomen. Mocht de geïndiceerde kliniek geen plaats hebben op de datum einde detentie, dan zal de Divisie Individuele Zaken zorgdragen voor een overbruggingsplek in een kliniek die een gepaste behandeling aanbiedt en hetzelfde beveiligingsniveau heeft. De reclassering heeft verder geadviseerd de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren in combinatie met een schorsing van de voorlopige hechtenis onder dezelfde voorwaarden als hierboven geformuleerd. De reclassering acht dit nodig voor een effectief toezicht op naleving van de voorwaarden, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1729). Ten slotte heeft de reclassering geadviseerd een GVM op te leggen, zodat zij bij de beëindiging van de tbs-maatregel nog langdurig met de verdachte in contact kunnen blijven om een vinger aan de pols te houden. De straf Alles afwegende en rekening houdende met de sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte, is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie recht doet aan zowel de ernst van het feit als de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De rechtbank acht dus een gevangenisstraf van 21 maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. TBS met voorwaarden De rechtbank is het daarnaast eens met de conclusie van de deskundigen dat hulpverlening en toezicht – in de vorm van tbs met voorwaarden – noodzakelijk is. De verdachte heeft op de zitting ten overstaan van de rechtbank ook verklaard dat hij inziet dat hij hulp en begeleiding nodig heeft en zich bereid verklaard aan de geadviseerde voorwaarden te houden. Aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van tbs met voorwaarden is voldaan. Tijdens het begaan van het feit bestond bij de verdachte een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, het bewezen verklaarde feit is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, en de algemene veiligheid van personen of goederen eist het opleggen van deze maatregel. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van de verdachte dringend noodzakelijk is met het oog op het terugdringen van het als matig tot hoog ingeschatte recidivegevaar. De rechtbank zal dan ook de terbeschikkingstelling van de verdachte gelasten en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden. De rechtbank kan, op vordering van het Openbaar Ministerie, bevelen dat de ter beschikking gestelde alsnog van overheidswege zal worden verpleegd, indien hij de voorwaarden niet zou naleven. Het bewezen verklaarde feit is een misdrijf dat gericht is tegen dan wel gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, zodat een termijn van een eventuele maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging niet is beperkt tot vier jaren. Dadelijke uitvoerbaarheid Omdat de rechtbank het, gelet op de noodzaak van behandeling en vanwege het gevaar voor recidive, van belang acht dat de behandeling van de verdachte direct aansluitend aan zijn detentie zal aanvangen, zal zij bepalen dat de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is. Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) De rechtbank acht het ter bescherming van de algemene veiligheid van personen of goederen noodzakelijk naast de tbs-maatregel een GVM ex artikel 38z Sr aan de verdachte op te leggen. Aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van deze maatregel is voldaan. De rechtbank leidt uit de deskundigenrapportages af dat de psychische problematiek van de verdachte ernstig is en dat het – met die problematiek verband houdende – recidiverisico op nieuwe geweldsdelicten matig tot hoog is. Gelet daarop dient er naar het oordeel van de rechtbank rekening mee te worden gehouden dat ook na beëindiging van de tbs met voorwaarden nog toezicht noodzakelijk is om het op een aanvaardbaar niveau te houden. Hiertoe kan de rechtbank, nadat de tbs-maatregel is beëindigd, op vordering van de officier van justitie en na beoordeling van de op dat moment actuele situatie, de tenuitvoerlegging van de GVM bevelen en de inhoud en de duur daarvan bepalen ex artikel 6:6:23b van het Wetboek van Strafvordering. Voorlopige hechtenis Gelet op de duur van de op te leggen gevangenisstraf (21 maanden) en het na aftrek resterende deel van ongeveer elf maanden detentie, ziet de rechtbank geen aanleiding een beslissing te nemen over een schorsing van de voorlopige hechtenis. Indien hoger beroep wordt ingesteld tegen deze uitspraak, kan het gerechtshof beslissen over het voortduren of schorsen van de voorlopige hechtenis. 7De vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel De gemachtigde, [gemachtigde], heeft namens de benadeelde partij [benadeelde] een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen de verdachte van in totaal € 1.002,12 aan materiële schade en € 3.500,- aan immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde materiële schade bestaat uit de volgende posten: - ziekenhuisdaggeld à € 114,00;- medische kosten fysiotherapeut à € 250,00;- reiskosten naar fysiotherapeut à € 13,86;- verlies arbeidsvermogen twee maanden à € 624,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.