ECLI:NL:RBNHO:2026:2018
RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer: C/15/322910 / HA ZA 21-636 Vonnis van 4 maart 2026 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres] B.V., gevestigd te [plaats 1], eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat: mr. H. Ruiter te Amsterdam, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 1] B.V., gevestigd te [plaats 2],2. de coöperatie [gedaagde 2] U.A., gevestigd te [plaats 1], gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie, advocaat: mr. M. Sweerts te Rotterdam.
Partijen zullen hierna [eiseres], [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden genoemd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zullen gezamenlijk [gedaagden] worden genoemd.
1De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling in conventie en in reconventie Het tussenvonnis van 6 juli 2022 2.1.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 6 juli 2022 onder meer overwogen dat, teneinde te kunnen vast stellen of al dan niet sprake is van een ernstige tekortkoming in de nakoming van de aandeelhoudersovereenkomst (”material breach”), alsnog nader onderzoek naar de gang van zaken binnen de onderneming ([bedrijf]) nodig is en heeft in het tussenvonnis aangekondigd dat zij voornemens is om een deskundige te benoemen op het gebied van forensische accountancy die onderzoek doet naar de financiële administratie van [bedrijf] en de verantwoording daarvan en onderzoekt of [betrokkene 1]/[eiseres] zich ten onrechte ten laste van [bedrijf] en/of haar overige aandeelhouders heeft bevoordeeld. Partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de te benoemen deskundige(n) en de aan deze(n) te stellen vragen. De rechtbank heeft in afwachting hiervan de beslissing op de vordering van [eiseres] in conventie, om [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen om de aandelen van [eiseres] in [bedrijf] over te nemen tegen betaling van een door een deskundige nader te bepalen prijs, aangehouden. In dit verband heeft de rechtbank ook de beslissing op de vordering van [gedaagden] in reconventie, om [eiseres] te veroordelen haar aandelen in [bedrijf] aan te bieden en tegen nominale waarde aan [gedaagden] over te dragen, aangehouden.
Het tussenvonnis van 23 november 2022 2.2.
Bij tussenvonnis van 23 november 2022 heeft de rechtbank het aangekondigde deskundigenbericht bevolen en tot deskundige E.H. Horlings RA (hierna: Horlings) benoemd ter beantwoording van 11 vragen.
Het tussenvonnis van 15 mei 2024 2.3.
Naar aanleiding van het deskundigenbericht van Horlings van 19 september 2023 en diens mededeling niet langer als onafhankelijk deskundige te kunnen optreden, heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 15 mei 2024 als nieuwe deskundige mr. drs. E.A. Marseille RA (hierna ook: Marseille) benoemd en bepaald dat aan deze deskundige dezelfde vragen als vermeld in het tussenvonnis van 23 november 2022 zullen worden voorgelegd.
Het deskundigenbericht 2.4.
Marseille heeft op 12 maart 2025 haar concept onderzoeksverslag aan partijen voorgelegd. Partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. De deskundige heeft naar aanleiding van de ontvangen reacties en ter verhoging van de leesbaarheid een aantal wijzigingen in het verslag aangebracht en aanvullende toelichtingen opgenomen. Bij bericht van 12 mei 2025 heeft de deskundige haar definitieve onderzoeksrapport ingediend. De deskundige heeft in dit rapport haar onderzoek ingeleid, toegelicht en op de volgende onderwerpen uitgewerkt:
Daarnaast heeft de deskundige de vragen van de rechtbank, voor zover hier van belang, als volgt beantwoord:
Naar de mening van de deskundige is er wel sprake van bevoordeling van [betrokkene 1]/[eiseres] bij:
Uit het onderzoek is geen correspondentie naar voren gekomen waarmee [betrokkene 1] (complete) jaarrekeningen en/of notulen van AvA’s verzonden heeft aan de aandeelhouders. Vast is komen te staan dat over financiën werd gesproken tijdens de frequente overleggen en dat [betrokkene 3] en [betrokkene 4] over (sommige) financiële overzichten beschikten. Uit het onderzoek is gebleken dat de suggestie dat de notulen over de AvA’s t/m medio 2019 voor alle jaren kort na elkaar zijn opgesteld, niet juist is of hoeft te zijn. Er bestond een informele werkwijze, waarbij [betrokkene 3] (medebestuurder) en [betrokkene 4] (jurist) zich niet interesseerden voor financiën, jaarrekeningen en AvA’s. De deskundige heeft geen grond om aan te nemen dat [betrokkene 1] met opzet documenten van de anderen heeft weggehouden. Van de verlenging van de huurovereenkomst die in de jaarrekening over 2018 is vermeld, is geen notificatie aan de aandeelhouders aangetroffen. Uit de verklaring van [betrokkene 1] en onderbouwing daarvan is gebleken dat die verlenging mogelijk verband hield met de aflossing van een lening van [betrokkene 1] aan [betrokkene 3]. Het had volgens de deskundige op de weg van [betrokkene 1] gelegen om het besluit over de verlenging van de huurovereenkomst expliciet aan de aandeelhouders voor te leggen.
Voor zover nog relevant: het taxatierapport dat [betrokkene 3] en [betrokkene 4] hebben ingebracht, kan volgens de deskundige niet gelden als onderbouwing dat de huur niet marktconform was vanwege onjuist toegepaste m2 en ongeschikte uitgangspunten voor de bepaling van de m2-prijs.
Nadat [bedrijf] (en [betrokkene 3]) zich op [pandnaam] hadden gevestigd, zijn er kosten gemaakt om het pand in te richten en geschikt te maken als kantoor, en het te scheiden van het privé-gedeelte. Er is circa EUR 20.000 ten laste gekomen van [bedrijf] hiervoor. [betrokkene 1] heeft daarnaast zelf uitgaven gedaan ten behoeve van het pand. Voor zover bekend heeft [betrokkene 3] niets betaald, maar hij heeft veel werkzaamheden aan het pand verricht.
Alle kosten die ten laste van [bedrijf] zijn gekomen, zijn direct betaald vanaf de bank van [bedrijf]. [betrokkene 1] heeft geen vergoeding of opslag daarvoor ontvangen.
Enkele uitgaven die te maken hebben met installaties in het pand (totaal circa EUR 9.000) zijn ten laste gekomen van [bedrijf]. De uitgaven zijn met medeweten en betrokkenheid van [betrokkene 3] gedaan. Het gaat om een HR-ketel van EUR 4.750 (excl. BTW), een waterontharder van EUR 2.016 (excl. BTW) en mogelijk om deuren (circa EUR 2.000). Deze uitgaven zijn naar de mening van de deskundige ten goede gekomen aan het onroerend goed en daarmee mogelijk indirect aan [betrokkene 1] in privé.
Rolverdeling:
Zowel [betrokkene 4] als [betrokkene 3] verklaarden dat zij alle administratieve handelingen overlieten aan [betrokkene 1].
Zij houden haar verantwoordelijk voor o.a. het niet bijeenroepen van AvA’s. In de statuten is in art. 26 opgenomen dat AvA’s bijeengeroepen worden door het bestuur of door een bestuurder. Omdat het bestuur collectief verantwoordelijk is, komt het de deskundige voor dat medebestuurder [betrokkene 3] ten onrechte alle verantwoordelijkheid naar [betrokkene 1] schuift. Naar de mening van de deskundige hadden ook [betrokkene 3] en [betrokkene 4] naar jaarrekeningen kunnen vragen of AvA’s bijeen kunnen (laten) roepen.
Gang van zaken binnen [bedrijf] na vertrek van [betrokkene 1]:
Kosten van het onderzoek door IRS:
De aktes na deskundigenbericht van partijen 2.5. [eiseres] heeft in haar conclusie na deskundigenbericht per vraag gereageerd op de antwoorden van de deskundige en samengevat geconcludeerd dat (mede) op grond van het deskundigenonderzoek en het bijbehorende rapport geen grond bestaat voor de stelling dat zijdens [eiseres] sprake is geweest van een material breach die aanleiding geeft tot aanbieding van haar aandelen tegen nominale waarde.
2.6. [gedaagden] hebben in hun conclusie na deskundigenbericht samengevat geconcludeerd dat het rapport van de deskundige bevestigt dat er sprake is van meerdere material breaches van de aandeelhoudersovereenkomst zijdens [eiseres] en dat ieder van deze material breaches afzonderlijk en in onderlinge samenhang bezien rechtvaardigen dat [eiseres] wordt veroordeeld om haar aandelen in [bedrijf] aan te bieden en over te dragen aan [gedaagden] voor de nominale waarde daarvan.
Het oordeel van de rechtbank Ten aanzien van het deskundigenbericht 2.7.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad geldt voor de rechter een beperkte motiveringsplicht ten aanzien van zijn beslissing om de bevindingen van een deskundige al dan niet te volgen. Wel dient hij bij de beantwoording van de vraag of hij de conclusies waartoe een deskundige in zijn rapport is gekomen in zijn beslissing zal volgen, alle ter zake door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking te nemen. Op basis van die aangevoerde stellingen dient de rechter in volle omvang te toetsen of aanleiding bestaat om van de in het rapport geformuleerde conclusies af te wijken. De rechter zal op specifieke bezwaren van een partij moeten ingaan als deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van de zienswijze van de deskundige. Indien de deskundige deze bezwaren in een rapport al gemotiveerd heeft verworpen, zal de rechter zich daarbij zonder nadere motivering mogen aansluiten, tenzij de betrokken partij na het rapport nieuwe specifieke bezwaren heeft aangevoerd.
2.8.
De rechtbank is van oordeel dat het deskundigenbericht zorgvuldig tot stand is gekomen en dat de conclusies helder en afdoende zijn onderbouwd. De rechtbank neemt de bevindingen van de deskundige grotendeels over en oordeelt dat sprake is van een material breach als bedoeld in de aandeelhoudersovereenkomst. Dit betekent voor partijen dat de vordering in conventie van [eiseres] die nog voor ligt, inhoudende dat [gedaagden] ingevolge artikel 2:343 BW haar aandelen in [bedrijf] van haar moeten overnemen tegen een door de rechter vast te stellen prijs, zal worden afgewezen en dat de vordering in reconventie van [gedaagden] die nog voorligt, inhoudende dat [eiseres] haar aandelen in [bedrijf] voor de nominale waarde aan [gedaagde 1] aanbiedt en overdraagt, zal worden toegewezen. De rechtbank licht dit hieronder nader toe.
De managementsfees 2.9.
De deskundige heeft ten aanzien van de kwestie rond de managementfees geconstateerd dat er per saldo sprake is van een verschil in uitgekeerde managementfees aan de verschillende aandeelhouders. Dit verschil is in het deskundigenbericht als volgt schematisch weergegeven: {afbeelding 1} Uit dit schema volgt dat [betrokkene 1]/[eiseres] over de jaren 2014 tot en met 2019 € 55.878 meer aan managementfees heeft ontvangen dan [betrokkene 3]/[gedaagde 1] en € 90.214 meer dan [betrokkene 4]/[gedaagde 2]. De deskundige schrijft in haar rapport dat zij geen schriftelijke vastlegging heeft aangetroffen die dit verschil in uitgekeerde managementfees rechtvaardigt. Ook heeft de deskundige geen schriftelijke informatie kunnen vinden waaruit blijkt dat [betrokkene 3] en [betrokkene 4] op de hoogte waren van de verschillen in de hoogte van de managementfees die partijen ontvingen. [betrokkene 1]/[eiseres] heeft desgevraagd bij de deskundige aangegeven dat dit verschil (mede) is terug te voeren op het feit dat de inkomsten van [betrokkene 3] uit hoofde van zijn werkzaamheden voor het Ministerie van Defensie (gewerkte uren als reservist) en de inkomsten die [betrokkene 4] verkreeg uit zijn Amerikaanse advocatenpraktijk met hun uit te keren managementfees moesten worden verrekend.
De deskundige heeft echter geen berekeningen ontvangen (ook geen aangepaste berekeningen in verband met een toegepaste korting) of in de boekhouding aangetroffen waaruit blijkt hoe de managementfees precies waren berekend. Weliswaar heeft [betrokkene 1]/[eiseres] aan de deskundige een e-mail verstrekt waaruit blijkt dat zij financiële gegevens over 2016 (balans en winst-en-verliesrekening) aan [betrokkene 3] en [betrokkene 4] heeft verstuurd, maar in deze gegevens waren de managementfees niet over de partners uitgesplitst, zodat daaruit niet direct duidelijk werd welk bedrag aan managementfee ieder afzonderlijk ontving. Ten aanzien van de korting op de managementfees van [betrokkene 3]/[gedaagde 1] constateert de deskundige verder dat deze niet in verhouding staat tot de inkomsten die [betrokkene 3] van het Ministerie van Defensie ontving en dat de rol van [betrokkene 3] als reservist niet los gezien kan worden van de relatie tussen [bedrijf] en het Ministerie van Defensie, zodat het voor de hand had gelegen dat daarover afspraken waren gemaakt en dat die schriftelijk waren vastgelegd.
Ten aanzien van de korting op de managementfees van [betrokkene 4]/[gedaagde 2] komt de deskundige tot de conclusie dat, ook indien de managementfees worden gecorrigeerd voor zijn inkomsten in de Verenigde Staten, [betrokkene 4]/[gedaagde 2] niet eenzelfde bedrag aan inkomsten (managementfees) heeft ontvangen als [betrokkene 1]/[eiseres].
De deskundige merkt in dit verband tenslotte op dat binnen de informele werkwijze van de aandeelhouders - in beginsel - nog paste het maken van notulen met daarin [slechts; rechtbank] de vaststelling van de jaarrekening, het besluit om dividend uit te keren en de decharge van de bestuurders (en daarmee ook van [betrokkene 3]/[gedaagde 1]). De deskundige acht deze werkwijze echter problematisch in het kader van het bepalen van de hoogte van de managementfees die voor de partners in de praktijk verschillend waren (en ook waar het het besluit over de huurverlenging betreft, waarover hieronder meer).
2.11.
De rechtbank neemt de bevindingen van de deskundige over. De rechtbank stelt vast dat [betrokkene 1]/[eiseres] in strijd met de voorschriften in de aandeelhoudersovereenkomst, zonder objectieve rechtvaardiging, aan zichzelf aanzienlijk hogere bedragen aan managementfee heeft uitgekeerd, zonder dit aan [betrokkene 3]/[gedaagde 1] en [betrokkene 4]/[gedaagde 2] kenbaar te maken en zonder dat zij hiervan op de hoogte waren en daar toestemming voor hadden gegeven. Dit kwalificeert naar het oordeel van de rechtbank als een material breach als bedoeld in de aandeelhoudersovereenkomst. De niet nader onderbouwde stelling van [eiseres] dat [betrokkene 3] en [betrokkene 4] van de verschillen in uitbetaalde managementfees wel op de hoogte waren, maar dat vastlegging daarvan niet in lijn was met de geconstateerde informele werkwijze faalt.
Juist het feit dat [betrokkene 1], [betrokkene 4] en [betrokkene 3] jarenlang intensief, harmonieus en op gelijkwaardige basis hebben samengewerkt en dat deze samenwerking zich kenmerkte door een informele wijze van met elkaar omgaan, vroeg om een heldere onderbouwing en vastlegging op het moment dat de hoogte van de uitbetaalde managementfees (in weerwil van de inhoud van de aandeelhoudersovereenkomst) verschilde en één van de partners - aan wie het financiële reilen en zeilen van de onderneming in belangrijke mate was toevertrouwd - een aanzienlijk hogere managementfee ontving dan de anderen. Dat [betrokkene 1]/[eiseres] hier niet voor heeft zorggedragen kan aan haar, als managing director van [bedrijf] (met een achtergrond als registeraccountant) verantwoordelijk voor de financiële aangelegenheden en administratie binnen die vennootschap, worden aangerekend.
Dat geldt nog meer omdat zij degene was die het hoogste bedrag aan managementfees heeft ontvangen.
2.12. [eiseres] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling nog aangevoerd dat de hogere bedragen die zij aan managementfee heeft ontvangen, zijn rechtgetrokken in de rekening-courantverhoudingen tussen [bedrijf] en haar aandeelhouders en dat tussen partijen schriftelijke afspraken zijn gemaakt die het verschil in uitkering van de managementfees rechtvaardigen. Die stellingen heeft zij echter niet met stukken onderbouwd. Gesteld noch gebleken is dat [eiseres] deze stellingen in het kader van het onderzoek of naar aanleiding van de concept-rapportage van de deskundige naar voren heeft gebracht. Dat had wel op haar weg gelegen, zodat de deskundige dit had kunnen onderzoeken en in haar definitieve rapportage had kunnen betrekken. Haar aanbod om alsnog stukken in dit verband in te brengen passeert de rechtbank daarom. Dat aanbod komt te laat.
2.13.
Ten slotte heeft [eiseres] nog aangevoerd dat zij sinds 9 juli 2020 niets meer heeft ontvangen uit de onderneming, terwijl [betrokkene 3]/[gedaagde 1] en [betrokkene 4]/[gedaagde 2] zichzelf na die datum tonnen aan managementfees hebben toegekend zonder dat daarvoor een grondslag, laat staan enige schriftelijke basis, bestaat. Volgens [eiseres] is dat een material breach waaraan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich inmiddels (eveneens) schuldig gemaakt hebben, zodat de conclusie redelijkerwijs niet kan zijn dat uitsluitend [eiseres] haar aandelen tegen nominale waarde zou moeten aanbieden.
2.14.
De rechtbank passeert ook dit (overigens door [gedaagden] weersproken) verweer. In deze procedure ligt slechts de handelwijze van [betrokkene 1]/[eiseres] in de periode vóór de peildatum van 9 juli 2020 ter beoordeling voor. Op die datum is [eiseres] teruggetreden als statutair directeur van [bedrijf]. De vraag of de door [betrokkene 3]/[gedaagde 1] en [betrokkene 4]/[gedaagde 2] uitgekeerde fees een material breach aan de zijde van [gedaagden] opleveren, is met het oog op de peildatum van 9 juli 2020, niet relevant.
De lening van € 165.000 2.15.
De deskundige heeft vastgesteld dat [bedrijf] een lening van € 165.000 in rekening-courant heeft verstrekt aan [betrokkene 1]. De deskundige heeft geen documenten aangetroffen, waaruit blijkt dat de aandeelhouders over deze lening vooraf expliciet zijn geïnformeerd. Ook is niet gebleken van een schriftelijke vastlegging of een overeenkomst. Tussen partijen is niet in geschil dat de lening gedurende 2016 (zonder rente) volledig is afgelost door [betrokkene 1]. [eiseres] heeft verklaard dat [betrokkene 3] en [betrokkene 4] op de hoogte waren van deze lening, omdat het ging om een lening ten behoeve van de financiering van de aankoop van Landgoed [pandnaam] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] bij het besluit tot aankoop van dit pand betrokken waren. [betrokkene 3] en [betrokkene 4] hebben aan de deskundige verklaard dat zij niet wisten hoe de financiering van het pand heeft plaatsgevonden en dat zij daar ook niet naar gevraagd hebben. De deskundige merkt verder op dat het Hof Arnhem-Leeuwarden in het arrest van 15 oktober 2024 vermeldt dat [betrokkene 3] aanwezig was bij de notariële overdracht van het pand en dat het Hof er van uit gaat dat [betrokkene 3] en [betrokkene 4] volledig op de hoogte waren. Bovendien had [betrokkene 3] toegang tot de bankgegevens. [betrokkene 3] moet volgens de deskundige om deze twee redenen in elk geval op de hoogte zijn geweest van het bestaan van de lening.
2.16.
Zoals blijkt uit het voorgaande heeft de deskundige geen documenten aangetroffen waaruit blijkt dat de aandeelhouders over de lening vooraf expliciet zijn geïnformeerd. Zij heeft ook geen schriftelijke vastlegging of overeenkomst van deze lening aangetroffen. [eiseres] heeft gesteld dat [betrokkene 3] en [betrokkene 4] op de hoogte waren van de financiering en deze hebben goedgekeurd. Deze stelling is naar het oordeel van de rechtbank in het licht van de betwisting door laatstgenoemden en de bevindingen van de deskundige, die wijst op het ontbreken van stukken ter zake van de lening, onvoldoende onderbouwd. Het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden waarnaar de deskundige verwijst, heeft specifiek betrekking op de huurovereenkomst en niet op de lening die [bedrijf] aan [betrokkene 1] heeft verstrekt.
Het feit dat [betrokkene 3] aanwezig was bij de notariële overdracht van het pand, hoeft niet te betekenen dat ook sprake is van wetenschap over de wijze waarop de koopsom is gefinancierd. Deze wetenschap wordt door [gedaagden] ook betwist. Daar komt bij dat [gedaagden] onweersproken hebben gesteld dat [betrokkene 4] niet aanwezig was bij deze overdracht. Zoals hiervóór ook ten aanzien van de managementfees is overwogen, vraagt een informele werkwijze juist om een goede onderbouwing en vastlegging op het moment dat er een tegenstrijdig belang kan ontstaan tussen de persoonlijke belangen van een bestuurder of aandeelhouder van de onderneming en de belangen van de onderneming en/of haar stake-holders.
Vast staat dat die onderbouwing en vastlegging ontbreken. In dat verband had van [betrokkene 1]/[eiseres] tenminste mogen worden verwacht dat zij aan de deskundige concreet zou hebben aangeven wanneer en hoe de lening is besproken en goedgekeurd door [betrokkene 3] en [betrokkene 4]. Ook dit heeft zij nagelaten.
2.17.
De rechtbank oordeelt dan ook dat [betrokkene 1]/[eiseres] zichzelf vanuit [bedrijf] een lening heeft verstrekt zonder dit met de andere aandeelhouders te overleggen (laat staan hiervoor toestemming te vragen). Daarmee heeft zij [bedrijf] gebruikt om voor zichzelf in privé een voordeel te verkrijgen in de vorm van de (gedeeltelijke) financiering van het landgoed. Door deze lening (door [gedaagden] onweersproken gesteld op circa 40% van de totale balanswaarde van [bedrijf]) aan zichzelf in privé te verstrekken, zonder namens [bedrijf] enige zekerheid en vergoeding te verlangen, heeft zij [bedrijf] bovendien met een aanzienlijk risico opgezadeld zolang de lening nog niet was terugbetaald. Dat de lening (zonder rente) uiteindelijk vervolgens gedurende 2016 volledig is afgelost, zoals door de deskundige vastgesteld, maakt dit niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank moet ook deze handelwijze van [betrokkene 1]/[eiseres] worden gekwalificeerd als een material breach als bedoeld in de aandeelhoudersovereenkomst.
De verlenging huurovereenkomst 2.18.
Met ingang van 1 maart 2016 heeft [betrokkene 1] met [bedrijf] een overeenkomst gesloten voor de huur van kantoorruimte in haar pand te [plaats 3] (Landgoed [pandnaam]), met een looptijd van zeven jaar. Bij brief van 8 juli 2019 is [betrokkene 1] door [betrokkene 3] namens [bedrijf] verzocht om een nadere verlenging van de looptijd van de huurovereenkomst met vijf jaar, te weten tot 28 februari 2028. De brief is door [betrokkene 1] met een digitale handtekening van [betrokkene 3] ondertekend. De deskundige heeft geconstateerd dat in de jaarrekening over 2018 (gedateerd 2 juli 2019) de verlenging van de huurovereenkomst van het pand in de toelichting is opgenomen en dat de notulen ter vaststelling van de jaarrekening 2018 gedateerd zijn op 2 juli 2019.
De deskundige heeft geen notificatie van deze verlenging aan de aandeelhouders aangetroffen. [betrokkene 3] heeft betwist dat hij de verlengingsbrief heeft getekend en dat hij van de verlenging op de hoogte was. Ook [betrokkene 4] heeft verklaard niet op de hoogte te zijn geweest van de huurverlenging. [betrokkene 1] heeft aan de deskundige verklaard dat zij en [betrokkene 3] de huurverlenging al in juni 2019 waren overeengekomen. Verder heeft [betrokkene 1] aan de deskundige verklaard dat zij de huurverlenging in de jaarrekening 2018 had opgenomen omdat zij een lening wilde aangaan van € 75.000 om een persoonlijke schuld aan [betrokkene 3] af te lossen. [betrokkene 1] heeft documentatie aan de deskundige verstrekt waaruit blijkt dat zij die lening in juli 2019 daadwerkelijk is aangegaan.
Deze geldstromen zijn buiten [bedrijf] omgegaan. Uit documentatie blijkt dat [betrokkene 3] van deze persoonlijke lening op de hoogte was en dat [betrokkene 3] in die tijd geld van derden probeerde te lenen. Uit het vonnis van de rechtbank d.d. 17 november 2021 blijkt dat [betrokkene 1] deze persoonlijke lening heeft gebruikt om een persoonlijke schuld aan (een vennootschap van) [betrokkene 3] af te lossen. Dat [betrokkene 3] profijt had van deze huurverlenging - omdat [betrokkene 1] daarmee een lening kon krijgen waarmee zij een schuld aan [betrokkene 3] kon aflossen - laat volgens de deskundige onverlet dat [betrokkene 1] dit besluit - gezien de statuten, de aandeelhoudersovereenkomst en de bepalingen van art. 2:239 lid 6 BW - expliciet aan de aandeelhouders had moeten voorleggen, voorafgaand aan het opmaken van de jaarrekening op 2 juli 2019.
2.19.
De rechtbank sluit zich aan bij deze bevindingen van de deskundige. Gesteld noch gebleken is dat de verlenging van de huurovereenkomst door [betrokkene 1] aan de overige aandeelhouders ter goedkeuring is voorgelegd. De stelling dat [betrokkene 3] en [betrokkene 4] op de hoogte waren van deze verlenging heeft [betrokkene 1]/[eiseres] in het licht van hun betwisting onvoldoende onderbouwd. Door de verlenging van de huurovereenkomst namen de verplichtingen van [bedrijf] substantieel toe (volgens [gedaagden] met ruim € 200.000, wat door [eiseres] niet is weersproken). Gesteld noch gebleken is dat [bedrijf] belang had bij de verlenging van de huurovereenkomst. [betrokkene 1]/[eiseres] heeft, zonder dit (ter goedkeuring) voor te leggen aan de andere aandeelhouders, [bedrijf] dan ook gebruikt om [betrokkene 1] in privé te faciliteren, waarbij zij haar persoonlijke belang boven dat van [bedrijf] heeft gesteld. Ook deze handelwijze kwalificeert als een material breach als bedoeld in de aandeelhoudersovereenkomst.
Kosten HR-ketel, waterontharder en deuren ad in totaal EUR 9.000 2.20.
Ten slotte heeft de deskundige geconstateerd dat de kosten van een nieuwe HR-ketel (€ 4.750 excl. btw) en waterontharder (ca € 2.016 excl. btw) en de kosten van nieuwe deuren (ca € 2.000 excl. btw) door [betrokkene 1] ten laste van [bedrijf] zijn gebracht en dat deze zaken bij de verkoop in het pand zullen achterblijven. Volgens de deskundige zijn deze investeringen ten goede gekomen aan het pand, zodat [betrokkene 1] daarbij mogelijk (indirect) baat heeft gehad.
2.21.
De rechtbank sluit aan bij de bevindingen van de deskundige. Hoewel, deze gelet op het relatief geringe belang en de omstandigheid dat [betrokkene 1] er mogelijk [onderstreping rechtbank] (indirect) baat bij heeft gehad, op zichzelf niet als een material breach kunnen worden gekwalificeerd, wegen die in combinatie met de in het voorgaande geconstateerde material breaches wel mee in het algemene oordeel van de rechtbank dat [eiseres] tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen uit hoofde van de aandeelhoudersovereenkomst.
Conclusie 2.22.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat sprake is van een material breach aan de zijde van [eiseres] en dat [eiseres] dientengevolge haar aandelen in het kapitaal van [bedrijf] moet aanbieden en overdragen aan [gedaagden] tegen de nominale waarde. De vordering in conventie om [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen om de aandelen van [eiseres] in [bedrijf] over te nemen tegen betaling van een door een deskundige nader te bepalen prijs zal daarom worden afgewezen en de vorderingen in reconventie zullen worden toegewezen. Hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd, bijvoorbeeld ten aanzien van het dividend, de notulen van de aandeelhoudersvergadering, de rekening-courant vorderingen, de jaarrekeningen en de huurprijs, behoeft daarom geen bespreking meer.
Dwangsom 2.23.
De rechtbank ziet aanleiding om de gevorderde dwangsom te matigen. De dwangsom wordt gesteld op € 2.500,00 voor iedere dag dat [eiseres] in gebreke blijft om aan haar verplichtingen te voldoen, met een maximum van € 100.000,00.
Proceskosten 2.24. [eiseres] is zowel in conventie als in reconventie (overwegend) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
2.25.
De definitieve deskundigenkosten worden vastgesteld op het voorschot. De proceskosten in conventie worden vermeerderd met de eindnota’s van Horlings ad € 25.047,00 (incl. btw) en Marseille ad € 45.508,50 (incl. btw), in totaal € 70.555,50 (incl. btw).
2.26.
De proceskosten van [gedaagden] in conventie worden begroot op:
De proceskosten in reconventie worden begroot op nihil, omdat de vorderingen - voor zover nu nog aan de orde - spiegelbeeldig zijn aan de vordering in conventie.
Tekst 3De beslissing De rechtbank in conventie 3.1. wijst de vorderingen van [eiseres] af, 3.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 77.449,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, in reconventie 3.3. veroordeelt [eiseres] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de aandelen die zij houdt in het kapitaal van [bedrijf] genummerd 1 tot en met 6000 aan te bieden voor de nominale waarde en aansluitend over te dragen aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tegen ontvangst van een bedrag ter grootte van de nominale waarde van de aandelen, 3.4. gebiedt [eiseres] haar onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de onder 3.3 genoemde veroordeling op straffe van een onmiddellijke opeisbare dwangsom van € 2.500,- voor iedere dag dat [eiseres] in gebreke blijft om aan haar verplichtingen te voldoen, met een maximum van € 100.000,-, 3.5. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] begroot op nihil, in conventie en in reconventie 3.6. veroordeelt [eiseres] tot betaling van € 92,00 plus de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 3.7. verklaart dit vonnis wat betreft de daarin opgenomen veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad, 3.8. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs, mr. H.A. Pott Hofstede en mr. J.H. van Woudenberg en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.
HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:279 en HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2921