ECLI:NL:RBNHO:2026:2217
Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 24/7290 uitspraak van de meervoudige kamer van 27 februari 2026 in de zaak tussen [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. I. Leenders), en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, verweerder.
Procesverloop Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2016 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 87.649 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 61.580. Daarbij is een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 2.090.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 67.268 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 68.105. De in rekening gebracht belastingrente is verminderd tot een bedrag van € 1.256.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2025 te Haarlem.
Gelijktijdig is het beroep behandeld inzake de aanslagen IB/PVV 2008, 2009 en 2016 van [naam 1] (HAA 24/5549, HAA 24/5811 en HAA 24/5814).
Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en mr. [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 3] , mr. [naam 4] en [naam 5] .
Overwegingen Feiten 1. Van 1 december 1986 tot en met tot en met 8 juni 2004 heeft eiser in verband met zijn dienstverband bij de [organisatie] ( [organisatie] ) pensioen opgebouwd. Eiser ontvangt in 2016 een ouderdomspensioen van de [organisatie] in verband met het dienstverband.
HIER STAAT EEN AFBEELDING (…) CHAPTER II RETIREMENT PENSION AND LEAVING ALLOWANCE Article 7 – Conditions of entitlement A staff member who has completed ten or more years actual service, within the meaning of Article 4, in one or more of the Organisations listed in Article 1 shall be entitled to a retirement pension.
Article 8 – Age of entitlement - Deferred pension and early pension 1. A staff member shall become eligible for a retirement pension at the age of sixty. (…) 3. If a staff member retires before pensionable age, payment of his retirement pension shall be deferred until he reaches that age.
In such case, the retirement pension shall be reduced by reference to the age of the staff member when he starts to draw his pension, as shown in the table below. (…) HIER STAAT EEN AFBEELDING Article 10 – Rate of pension 1. Except where paragraphs 2 and 3 of Article 5 apply, the amount of the retirement pension shall be, per reckonable year of service within the meaning of Articles 4 and 6, 2 per cent of the salary corresponding to the last grade held by the staff member for not less than one year before termination of his appointment and the last step held in that grade.
The expression "other dependants" shall mean persons who, exceptionally, had been granted similar rights to dependent children under rules applying in the Co-ordinated Organisations before the death of the staff member or former staff member.
Article 26 – Cessation of entitlement Entitlement to one of the pensions under Article 25 shall cease at the end of the month in which the child or the other dependent ceases to satisfy the conditions for entitlement to the allowance for a dependent child or dependent person under the Staff Rules and Regulations of the Organisation. (…) CHAPTER IX FINANCING THE PENSION SCHEME Article 41 – Staff members’ contribution – Costing the Scheme 1. The staff members’ contribution to this Pension Scheme shall be 7 per cent of their salary and shall be deducted monthly.
CHAPTER X Provisions relating to adjustment of pensions Article 42 – Pensions which are subject to national tax legislation 1. The recipient of a pension under these Rules shall be entitled to the adjustment applying to the Member Country of the Organisation in which the pension and adjustment relating thereto are chargeable to income tax under the tax legislation in force in that country.
For such purpose, there shall be drawn up, for each Member country, in accordance with the implementing instructions referred to in paragraph 6, tables of equivalence specifying, for each amount of pension, the amount of the adjustment to be added thereto. The said tables shall determine the rights of the recipients.
Pensioners without spouse or dependants shall be deemed to be in the position of a pensioner without entitlement to any tax reliefs or allowances for family responsibilities, all other recipients being deemed to be pensioners enjoying the tax reliefs and allowances of a person who is married without children.
No account shall be taken: of individual factors related to the personal circumstances or private means of a particular pensioner, of income other than that arising under these Rules, of the income of the spouse or dependents of the pensioner.
On the other hand, account shall, in particular, be taken of circumstances arising in the course of the year as a result of: a change in civil status or settlement in another place of residence with a different taxation system, commencement or cessation of payment of the pension.
HIER STAAT EEN AFBEELDING MET EEN BEREKENING 6. Het gerechtshof Amsterdam heeft met betrekking tot de aan eiser respectievelijk [naam 1] opgelegde aanslagen IB/PVV 2013, 2014 en 2015 in hoger beroep geoordeeld dat de gecoördineerde pensioenregeling zuiver is en dat de pensioenuitkeringen tot het loon behoren (gerechtshof Amsterdam 5 april 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1290 respectievelijk ECLI:NL:GHAMS:2022:1291). De hiertegen ingestelde cassatieberoepen zijn door de Hoge Raad met verwijzing naar artikel 81, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, ongegrond verklaard (HR 23 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:271 respectievelijk ECLI:NL:HR:2024:272).
Geschil 7. In geschil is of en in hoeverre de pensioenuitkeringen behoren tot het belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3). Meer specifiek is in geschil of de gecoördineerde pensioenregeling tot 1995 kwalificeert als zuivere pensioenregeling in de zin van artikel 11, derde lid, van de Wet LB (tekst 1994) of dat deze als onzuivere pensioenregeling moet worden aangemerkt.
Indien sprake is van een onzuivere pensioenregeling, dan is voorts in geschil of voor het pensioen opgebouwd na 1 januari 1995 een beroep kan worden gedaan op het Besluit.
Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag. Daarnaast verzoekt eiser om een (integrale) proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Beoordeling van het geschil Op de zaak betrekking hebbende stukken 11. Voordat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke beoordeling dient de vraag te worden beantwoord of verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd.
Verweerder verwijst voor zijn standpunt weliswaar naar genoemde oordelen van de Hoge Raad en het gerechtshof Amsterdam, maar niet naar de (inhoud van de) in die procedures gewisselde stukken. Die stukken heeft verweerder dan ook niet in het onderhavige dossier gevoegd en dat hoefde verweerder ook niet te doen. Eiser heeft bovendien – met uitzondering van de hierna te bespreken wijzigingsbesluiten en/of geactualiseerde versies van het pensioenreglement – niet concreet gemaakt op welke stukken hij doelt. Eiser heeft uit eigen beweging stukken ingebracht uit de eerdere procedures, zodat ervan uit kan worden gegaan dat hij over die stukken beschikt. Het ligt dan ook op de weg van eiser nader te onderbouwen welke stukken uit die eerdere procedures volgens hem tot de op de zaken betrekking hebbende stukken moeten worden gerekend en van belang kunnen zijn voor de te nemen beslissing.
Verweerder is gelet op dit een en ander niet gehouden nadere stukken te overleggen en van schending van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is geen sprake.
Wettelijk kader 16.1.
Voor de inkomstenbelasting wordt onder loon verstaan: loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting (artikel 3.81 Wet IB 2001).
16.2.
Artikel 3.82, aanhef en onderdeel c, van de Wet IB 2001 luidt: “Tot loon wordt gerekend: (…) c. uitkeringen op grond van een pensioenregeling van een internationale organisatie, behoudens voorzover aannemelijk is dat over de aanspraken ingevolge die pensioenregeling een heffing naar het inkomen heeft plaatsgevonden die naar aard en strekking overeenkomt met de loonbelasting of de inkomstenbelasting.”
17.1.
Volgens artikel 10 van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964), behoort tot het loon al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking. Ingevolge het tweede lid behoren tot het loon aanspraken om na verloop van tijd of onder een voorwaarde een of meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen.
17.2.
Artikel 38 van de Wet LB 1964 luidde tot 1 januari 1995 als volgt: “Op uitkeringen en verstrekkingen ingevolge een op 31 december 1994 bestaande aanspraak die voor 1 januari 1995 tot het loon heeft behoord, blijft artikel 11, eerste lid, onderdeel g, zoals dat luidde op 31 december 1994, van kracht.”
17.3.
Artikel 11, eerste lid aanhef en onderdeel g, van de Wet LB 1964 luidde tot 1 januari 1995 als volgt: “Tot het loon behoren niet: (…) g. uitkeringen en verstrekkingen ingevolge een aanspraak die tot het loon behoort;”
17.4.
In artikel 11, derde lid, van de Wet LB 1964 is tot 1 januari 1995 bepaald dat onder pensioenregeling wordt verstaan een regeling die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend: “a. ten doel heeft de verzorging van werknemers en gewezen werknemers bij invaliditeit en ouderdom en de verzorging van hun echtgenoten en van hun kinderen en pleegkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd zijn geweest, en b. een pensioen inhoudt dat niet uitgaat boven hetgeen naar maatschappelijke opvattingen, mede in verband met diensttijd en genoten beloning, redelijk moet worden geacht.”
Tax-adjustment onderdeel van het pensioen?
Dit is van belang, omdat door de werking van overgangsrecht uitkeringen die voortvloeien uit op 31 december 1994 bestaande pensioenaanspraken die voor 1 januari 1995 tot het loon hebben behoord, ook in het jaar 2016 nog is vrijgesteld van inkomstenbelasting op grond van het op 1 januari 1995 vervallen artikel 11, eerste lid, letter g, van de Wet LB 1964 (zie HR 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1596, onder verwijzing naar hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, aanhef en letter b, van de Invoeringswet IB 2001). Bedoeld overgangsrecht gaat naar zijn strekking voor op het bepaalde in artikel 3.82, aanhef en letter c, van de Wet IB 2001 (uitbreiding van het loonbegrip in de inkomstenbelasting voor uitkeringen op grond van een pensioenregeling van een internationale organisatie).
In gelijke zin gerechtshof Amsterdam 5 april 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1290 en ECLI:NL:GHAMS:2022:1291, rechtsoverweging 4.4.2.
Leaving allowance 23. De rechtbank is van oordeel dat de leaving allowance geen reden vormt de pensioenregeling van [organisatie] als onzuiver aan te merken en verwijst in dit kader naar bovengenoemde uitspraken van gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2022:1290 en ECLI:NL:GHAMS:2022:1291, rechtsoverweging 4.4.5), waarin zulks is geoordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank moet de leaving allowance worden geduid als een compensatie voor vertrekkende medewerkers die gedurende hun dienstjaren nog geen recht op een ouderdomspensioen hebben opgebouwd, terwijl op hun salaris wel pensioenpremies zijn ingehouden. Aan deze compensatie moet binnen het geheel van het reglement niet een meer dan bijkomstige betekenis worden toegekend, zodat reeds daarom niet het oordeel is gerechtvaardigd dat de pensioenregeling van [organisatie] niet (nagenoeg) uitsluitend de verzorging van (gewezen) werknemers en hun nabestaanden bij invaliditeit en ouderdom ten doel heeft.
AOW-inbouw 25. Het ontbreken van AOW-inbouw in het reglement rechtvaardigt volgens de rechtbank niet de conclusie dat de gecoördineerde pensioenregeling (voor 1 januari 1995) onzuiver is. Medewerkers van [organisatie] bouwen immers geen rechten op een AOW-uitkering of een vergelijkbare basisoudedagsvoorziening op. Als in hun geval bij het bepalen van de pensioengrondslag het recht op een AOW-uitkering in aanmerking zou worden genomen, dan is het effect daarvan nihil (zie gerechtshof Amsterdam 5 april 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1290 en ECLI:NL:GHAMS:2022:1291, rechtsoverweging 4.4.6). De door eiser (ook reeds bij het gerechtshof Amsterdam) overgelegde opinie van 3 oktober 2021 brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.
Vervroeging van de pensioeningangsdatum 26. De rechtbank is van oordeel dat de flexibele pensioneringsdatum naar 50 jaar niet in betekenende mate afwijkt van de destijds (ultimo 1994) geldende maatschappelijke opvattingen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Het is aannemelijk dat het werken voor een internationale organisatie een groot aanpassingsvermogen vraagt van haar werknemers. Zo zullen zij zich veelal moeten aanpassen aan een andere cultuur. In zoverre kon worden gesproken van bijzondere omstandigheden.
Kring van pensioengerechtigden 31. Eiser stelt dat in het pensioenreglement de kring van pensioengerechtigden veel ruimer is dan destijds in Nederland gebruikelijk was omdat het wezenpensioen ook kan zien op “other dependents” en dus een ruime strekking heeft, ook buiten de familierechtelijke kring. Uit de gecoördineerde pensioenregeling maakt de rechtbank echter op dat dit ziet op uitzonderlijke gevallen. De rechtbank is van oordeel dat artikel 25 van het pensioenreglement in samenhang met artikel 26 van het pensioenreglement moet worden gezien. Artikel 26 bepaalt dat het wezenpensioen eindigt aan het eind van de maand waarin niet langer aanspraak bestaat op de “allowance for a dependent child or dependent person”. De aanspraak op die allowance is geregeld in de Staff Rules and Regulations. Zij bestaat voor kinderen en “other dependents” tot zij de leeftijd van 18 bereiken, dan wel 26 zolang zij een studie of beroepsopleiding volgen dan wel militaire dienstplicht vervullen. De kring van nagelaten betrekkingen zoals volgt uit het pensioenreglement, is daarmee niet groter dan destijds in Nederland gebruikelijk was. Ook in zoverre is geen sprake van een onzuivere pensioenregeling, ook niet in combinatie met de hiervoor besproken elementen.
Conclusie ten aanzien van de pensioenuitkeringen 32. De hiervoor besproken elementen brengen de rechtbank niet - ook niet in onderlinge samenhang bezien - tot het oordeel dat de gecoördineerde pensioenregeling onzuiver is. Gelet hierop zijn de pensioenuitkeringen terecht belast als loon, gelijk gerechtshof Amsterdam heeft geoordeeld in bovengenoemde uitspraken (rechtsoverwegingen 4.4.7-4.4.10). De aanslagen zijn in bezwaar op verzoek van eiser vastgesteld in overeenstemming met het Besluit. Voor zover eiser stelt dat een deel van de pensioenuitkeringen niet in box 1 mag worden belast en daarmee terugkomt op het verzoek om toepassing van het Besluit rust op hem de bewijslast. Eiser heeft echter geen informatie aangedragen over de opbouwfase van het pensioen en gesteld noch gebleken is dat afwijking van het Besluit leidt tot een lager belastbaar inkomen of een gunstigere uitkomst voor eiser.
Ook op dit punt rust op eiser de bewijslast. Eiser heeft ook hier niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast. Zonder nadere onderbouwing valt niet in te zien dat deze standpunten voor eiser leiden tot een gunstiger resultaat dan toepassing van het Besluit.
Immateriële schadevergoeding 34. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Ter zitting zijn partijen het erover eens geworden dat verweerder aan eiser om die reden een vergoeding verschuldigd is van € 1.250. De rechtbank ziet geen reden om hiervan af te wijken en zal op dit punt in navolging van partijen beslissen.
Slotsom 35. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Wel zal verweerder worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade van eiser.
Proceskosten en griffierecht 36. In de omstandigheid dat eiser een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar wordt toegekend, vindt de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten van het geding. Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat i) een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en ii) op een dergelijk verzoek van toepassing is wegingsfactor 0,25 (zeer licht) zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (vgl. HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526). De door verweerder aan eiser te vergoeden proceskosten bedragen aldus € 233,50 (€ 0,25 maal € 934).
Beslissing De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, voorzitter, en mr. J. Snitker en mr. M.C. van As, leden, in aanwezigheid van mr. T. van Opzeeland, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: