Rechtbank Noord-Holland – ECLI:NL:RBNHO:2026:2713
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Bestuursrecht zaaknummer: HAA 25/5853 uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 maart 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waterland (gemachtigde: J. Brandao-Yohannes).
Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker betreffende de brief van het college van 14 november 2025 over het voornemen tot oplegging van een last onder dwangsom. In die brief heeft het college aangegeven voornemens te zijn binnenkort een besluit te nemen over een geconstateerde overtreding van de Omgevingswet bestaande uit het zonder omgevingsvergunning bouwen van een aanbouw en een dierenschuilplaats. Bij die brief zit een concept van het voorgenomen besluit, waarin een last onder dwangsom wordt opgelegd wegens de overtreding. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter 3. De voorzieningenrechter is pas bevoegd om het verzoek te behandelen als sprake is van een besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt. Dit volgt uit artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Met het begrip rechtshandeling wordt bedoeld een handeling gericht op rechtsgevolg.
Conclusie en gevolgen 6. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter kennelijk niet bevoegd om te beslissen op het verzoek om een voorlopige voorziening. Omdat de voorzieningenrechter niet bevoegd is van het geschil kennis te nemen, zal hij bepalen dat de griffier het griffierecht aan verzoeker terugbetaalt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Boon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.