Rechtbank Noord-Holland – ECLI:NL:RBNHO:2026:3642
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 26/703 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 maart 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoekster] , uit Wormer, verzoekster,Wettelijk vertegenwoordiger: [wettelijk vertegenwoordiger] (gemachtigde: mr. R. Muurlink), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wormerland, het college (gemachtigde: mr. L. Flapper).
Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over herziening van verzoeksters maatwerkvoorziening begeleiding individueel in de thuissituatie in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop 2. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend om verlenging van de aan haar op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) toegekende maatwerkvoorziening begeleiding individueel in de vorm van een pgb. Bij besluit van 5 september 2024 heeft het college de maatwerkvoorziening verlengd van 1 september 2024 tot en met 31 augustus 2027.
2.1.
Met het bestreden besluit van 12 november 2025 heeft het college de maatwerkvoorziening begeleiding individueel in de thuissituatie herzien. De indicatie zal met ingang van 1 januari 2026 worden afgeschaald van 29,25 uur naar 7,5 uur per week in een periode van zes maanden. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de vader van verzoekster, mevrouw [naam 1] , de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college, bijgestaan door [naam 2] .
2.4.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de voorzieningenrechter Inleiding 3. Verzoekster is bekend met selectief mutisme. Voor de beperkingen die zij daarvan ondervindt ontving zij voor haar 18e jaar hulp op grond van de Jeugdwet (Jw). Zij had een indicatie voor individuele begeleiding, in de vorm van een pgb, die uiteindelijk voor de thuissituatie is opgehoogd naar 23 uur. Nadat zij 18 jaar is geworden is namens haar een aanvraag om (voortzetting van de) individuele begeleiding op grond van de Wmo zowel voor wat betreft de school- als thuissituatie ingediend. De door het college naar aanleiding daarvan genomen besluiten zijn onderwerp van procedures bij de rechtbank geweest. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 4 juni 2024 een uitspraak gedaan.
3.1.
In deze uitspraak heeft de rechtbank – kort gezegd –, nadat het college tot driemaal toe advies had laten opstellen, zelf in de zaak voorzien en het medisch advies van JPH Consult van 22 juni 2021, opgesteld door een arts en een psycholoog, gevolgd. In dat advies is onder meer het aantal benodigde begeleidingsuren vastgesteld. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, bepaald dat aan verzoekster voor de periode van 4 november 2019 tot en met 31 augustus 2024 een maatwerkvoorziening begeleiding individueel in de vorm van een pgb toekomt ter grootte van 59,25 uur per week, waarvan 29,15 uur in de thuissituatie. Tegen deze uitspraak is het college niet in beroep gegaan.
3.2.
Hierna heeft hetgeen onder ‘Procesverloop’ is vermeld plaatsgevonden. 3.3. Het college heeft in maart 2025 besloten om door M. Groot-Nibbelink (hierna: Groot-Nibbelink) nader onderzoek te laten verrichten. Groot-Nibbelink rapporteert dat verzoekster, ten opzichte van de doelen in het zorgplan, een positieve ontwikkeling doormaakt, dat de behandelmogelijkheden onvoldoende zijn benut en heeft het aantal begeleidingsuren opnieuw gewaardeerd. Het college heeft de adviezen overgenomen en de indicatie wordt als gevolg hiervan bij het besluit van 12 november 2025 met ingang van 1 januari 2026 per maand afgebouwd tot 7,5 uur per week in juni 2026.
Standpunten verzoekster en verzoek om voorlopige voorziening 4. Verzoekster heeft haar standpunt uiteen gezet in haar bezwaarschrift, het verzoek om een voorlopige voorziening en in de pleitaantekeningen voor de hoorzitting in de bezwaarprocedure. Samengevat voert verzoekster aan dat haar situatie niet inhoudelijk is gewijzigd, zodat er geen reden was om het besluit van 5 september 2024 te herzien.
4.1.
Zij verzoekt het bestreden besluit te schorsen en het college op te dragen uitvoering te blijven geven aan het besluit van 5 september 2024, in die zin dat het pgb onverminderd wordt voortgezet, met dien verstande dat de omvang van het budget kan worden gesteld op 28,25 uur per week, tegen een uurtarief van € 25,62. Een en ander tot het moment dat de beslissing en of uitspraak in de bezwaar- of eventuele beroepsprocedure tegen het besluit van 12 november 2025 formele rechtskracht heeft gekregen, danwel voor de periode welke uw rechtbank in goede justitie vermeend te behoren.
Standpunten college 5. Het college heeft in het bestreden besluit aangegeven dat de indicatie wordt afgeschaald op grond van de hardheidsclausule in artikel 18 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wormerland 2024 (hierna: de Verordening), onder verwijzing naar het onderzoek van Groot-Nibbelink. Het college heeft zijn standpunten verder uiteengezet in het verweerschrift, waarin is vermeld dat sprake was van een jaarlijkse evaluatie.
Spoedeisend belang 6. De voorzieningenrechter acht een spoedeisend belang aanwezig. Verzoekster ontvang als gevolg van het bestreden besluit een aanzienlijk lager budget voor begeleiding in de thuissituatie en heeft aangegeven dat er zonder de benodigde begeleidingsuren een stagnatie zal optreden in de ontwikkeling van verzoekster. Er is een reële kans op terugval van verzoekster.
Inhoudelijke beoordeling 7. Volgens de voorzieningenrechter heeft het bezwaar van verzoekster een redelijke kans van slagen. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit voorlopig oordeel is gekomen.
Beslissing De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2026 door mr. L.M. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Boomsma, griffier. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ECLI:NL:RBNHO:2024:10357.