RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, zittingsplaats Alkmaar Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15.297964.24 (zaak A), 15.227033.25 (zaak B ttz gev), 15-289006-23 (zaak C ttz gev.), 15-094270-23 (zaak D ttz gev.) (P) Uitspraakdatum: 23 januari 2026 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 9 januari 2026 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats], ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1] , thans gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. van Driel en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging De verdachte wordt, kort en zakelijk weergegeven, na wijziging van de tenlastelegging in zaak B tijdens de zitting van 9 januari 2026, verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de volgende feiten: Zaak A: primair: poging tot moord dan wel doodslag op [benadeelde 1], subsidiair: opzettelijk en met voorbedachten rade toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan die [benadeelde 1], meer subsidiair: poging tot het opzettelijk en met voorbedachten rade toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan die [benadeelde 1], door hem met een vuurwapen in zijn heup te schieten op 16 september 2024 in Medemblik. Zaak B: primair: poging tot doodslag op [benadeelde 2]; subsidiair: poging tot zware mishandeling van die [benadeelde 2], door met een vuurwapen in zijn schouder, althans in zijn richting te schieten op 16 september 2024 in Medemblik. Zaak C: Feit 1: afpersing van [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4], gepleegd op 3 september 2023 te Medemblik; Feit 2: bedreiging van [benadeelde 5], gepleegd in de periode van 21 oktober 2023 tot en met 26 oktober 2023 te Medemblik; Feit 3: voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie, gepleegd op 2 november 2023 te Medemblik; Feit 4: aanwezig hebben van cocaïne, gepleegd op 2 november 2023 te Medemblik. Zaak D: vernieling van delen van de inboedel en een telefoon van [benadeelde 6], gepleegd op 28 maart 2023 te Medemblik. De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit. 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3Beoordeling van het bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van: de in zaak A primair ten laste gelegde poging tot moord; de in zaak B primair ten laste gelegde poging tot doodslag; de in zaak C onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten; het in zaak D ten laste gelegde feit. 3.2. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor het in zaak A ten laste gelegde feit, omdat niet overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de schutter is geweest. De verklaringen van de getuigen die de verdachte hebben aangewezen als de schutter, kunnen niet worden gebruikt voor het bewijs omdat ze niet betrouwbaar zijn. De verklaringen verschillen onderling van elkaar en enkele getuigen hebben tegenover de politie op belangrijke punten anders verklaard dan later tegenover de rechter-commissaris. Er moet bovendien behoedzaam met de herkenningen worden omgegaan, omdat het die avond donker was en een deel van de ramen van de auto van de schutter geblindeerd was. Daarnaast hebben enkele getuigen die de verdachte hebben herkend, niet gespecificeerd waaraan zij de verdachte hebben herkend en andere getuigen hebben de verdachte louter aan zijn stem herkend. Verder kunnen de verklaringen van de getuigen ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen (omdat een verzoek hen te horen door de rechter-commissaris is afgewezen), niet zonder meer worden gebruikt als bewijs. Dat de witte Golf van de verdachte zou zijn herkend door de getuigen, betekent niet dat de verdachte op dat moment de bestuurder was van deze auto; hij leende de auto naar eigen zeggen immers vaak uit aan anderen. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de verdachte niet het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer [benadeelde 1]. Alle getuigen hebben verklaard dat er naar beneden is geschoten en uiteindelijk is het slachtoffer [benadeelde 1] geraakt in zijn onderlichaam. Dat is een contra-indicatie voor het aannemen van (voorwaardelijk) opzet op de dood. Ten slotte bevat het dossier volgens de raadsman onvoldoende aanwijzingen om te concluderen dat sprake is van voorbedachte rade. Ook al zou de verdachte een wapen hebben meegebracht naar de afspraak met [benadeelde 1], is dat onvoldoende om voorbedachte rade aan te nemen. Uit het dossier blijkt niet wanneer de verdachte het besluit heeft genomen om te schieten en dus evenmin of er ruimte voor beraad bestond. Niet kan worden uitgesloten dat de verdachte op de plaats van het delict impulsief heeft besloten om te schieten. De raadsman heeft ook vrijspraak bepleit voor het in zaak B ten laste gelegde feit. Primair omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte de schutter is geweest, en subsidiair omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte opzet op de dood of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer [benadeelde 2] heeft gehad. Op grond van de stukken in het dossier kan niet worden vastgesteld dat de verdachte in de richting van het slachtoffer [benadeelde 2] heeft geschoten. Er is weliswaar een metalen deeltje in de schouder van het slachtoffer aangetroffen, maar het is niet onderzocht of dit metaaldeeltje afkomstig is van een kogel. De raadsman heeft zich ten aanzien van de in zaak C onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten (afpersing en bedreiging) gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft erop gewezen dat de verdachte ter zitting heeft verklaard dat sprake was van oplichting en niet van afpersing. Ten aanzien van de in zaak C onder 3 en 4 en de in zaak D ten laste gelegde feiten (wapen- en drugsbezit, vernieling) heeft de raadsman zich vanwege de bekennende verklaring van de verdachte gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 3.3 Oordeel van de rechtbank 3.3.1 Redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de in zaak A primair, zaak B primair, zaak C onder 1 tot en met 4 en zaak D ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage II bij dit vonnis zijn vervat. 3.3.2 Nadere bewijsoverwegingen zaak A en zaak B (het schietincident in Medemblik) Betrouwbaarheid verklaringen De rechtbank is van oordeel dat in ieder geval de aangifte van slachtoffer [benadeelde 1] en de verklaringen van de getuigen [getuige] en [benadeelde 2] voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Zij hebben tegenover de politie verklaard dat de verdachte, die zij goed kenden, op 16 september 2024 op de [adres 2] in Medemblik vanuit zijn witte Volkswagen Golf heeft geschoten. De twee getuigen [getuige] en [benadeelde 2] zijn door de rechter-commissaris gehoord in aanwezigheid van de verdediging. Daar hebben zij hun eerdere verklaringen voor het overgrote deel en op de belangrijkste punten bevestigd. Dat deze verklaringen op details onderling verschillen, doet naar het oordeel van de rechtbank aan de betrouwbaarheid niet af. De verklaringen zijn daarom bruikbaar als bewijs en het verweer van de verdediging wordt in zoverre verworpen. Is de verdachte de schutter? Het staat in deze zaak niet ter discussie dat op 16 september 2024 omstreeks 23:00 uur op een parkeerterrein aan de [adres 2] in Medemblik een schietincident heeft plaatsgevonden, waarbij een kogel het onderlichaam van het slachtoffer [benadeelde 1] heeft doorboord en hij zeer ernstig letsel heeft opgelopen. De verbalisanten die als eerste ter plaatse waren, zagen het slachtoffer op de grond liggen en zagen een plasje bloed naast hem. Zij hoorden het slachtoffer zeggen dat hij geen gevoel meer had in zijn rechterbeen en één van de verbalisanten zag een schotwond boven de rechter heup en een ‘uitwond’ van het schot boven de linker bil. De belangrijkste vraag is of de verdachte de schutter was. De rechtbank is van oordeel dat bewezen is dat de verdachte inderdaad de schutter was. Hierna wordt uitgelegd waarom. Verklaringen van slachtoffer [benadeelde 1] Kort na het schietincident heeft het slachtoffer in de ambulance aan de trauma-arts aangegeven dat hij graag met de politie wilde praten. De trauma-arts heeft de meerijdende verbalisant een briefje gegeven met daarop geschreven: “[naam 1] 23 jr Medemblik”. In het ziekenhuis heeft het slachtoffer omstreeks 00:00 uur tegen een verbalisant gezegd dat hij daar met een groep had gestaan toen [verdachte] heel hard kwam aangereden in een Golf 7 GTI, dat [verdachte] alleen in de auto zat en vanuit de auto op hem schoot met een pistool met een laser. De eerste keer miste hij maar daarna schoot hij nog een keer en hierbij werd het slachtoffer geraakt. In zijn aangifte van 19 september 2024 heeft het slachtoffer herhaald dat [verdachte] hem op 16 september 2024 heeft beschoten. Het slachtoffer heeft verder verklaard dat [verdachte] op de avond van het schietincident rond 23:00 uur contact met hem zocht. Hij heeft [verdachte] toen teruggebeld en zij spraken af op het parkeerterrein aan de [adres 2] te Medemblik. Toen het slachtoffer daar met zijn vrienden stond zag hij een witte Volkswagen Golf aan komen rijden en hij zag dat [verdachte] achter het stuur zat. Hij zag dat [verdachte] het vuurwapen over de passagiersstoel op hem richtte en hij hoorde twee knallen. Het slachtoffer en de anderen renden toen weg. Hij zag dat [verdachte] achter hem aan kwam en vervolgens nog een keer schoot vanaf de bestuurderskant van de auto. Het slachtoffer voelde dat hij werd geraakt. Getuigen [getuige] en [benadeelde 2] Dat de verdachte inderdaad de schutter is geweest, volgt ook uit de verklaringen van de getuigen [getuige] en [benadeelde 2]. Zij maakten beiden onderdeel uit van de groep vrienden die op het parkeerterrein stond. Getuige [getuige] heeft op 24 september 2024 telefonisch aan de politie verklaard dat hij die avond een witte auto aan zag komen rijden, dat hij [verdachte] herkende aan zijn stem en dat [verdachte] meerdere keren schoot vanuit de auto; eerst vanuit het passagiersraam en daarna vanaf de bestuurderskant. [getuige] zag dat een rode straal van een laser hun kant op was gericht. Getuige [getuige] heeft op 10 maart 2025 bij de rechter-commissaris verklaard dat hij heeft waargenomen dat [verdachte] de schutter was. Hij had hem herkend aan zijn stem en zijn accent en hij weet 100% zeker dat hij heeft gezien dat [verdachte] in de auto zat. Hij kent [verdachte] vanaf zijn jeugd en is met hem opgegroeid. Getuige [benadeelde 2] heeft op 8 juli 2025 aangifte gedaan tegen de hem bekende “[verdachte]” van (zware) mishandeling op 16 september 2024 in Medemblik. Getuige [benadeelde 2] heeft verklaard dat hij die avond met een groep personen op de [adres 2] in Medemblik stond te praten toen een witte Volkswagen Golf GTI, die hij herkende als de auto van [verdachte], kwam aanrijden met [verdachte] achter het stuur. Hij riep ‘Waar is [naam 2]’ en loste tot driemaal toe een schot met een wapen waar rood laserlicht vanaf kwam. Na het derde schot, waarbij vonken uit het wapen in zijn richting en die van [naam 2] (de rechtbank begrijpt: het slachtoffer [benadeelde 1]) kwamen, hoorde hij het slachtoffer schreeuwen van de pijn en zag hij [verdachte] wegrijden. Overige aanwezigen Ook andere personen die deel uitmaakten van de groep die op de parkeerplaats stond, hebben telefonisch aan de politie verklaard wat zij hebben gezien en gehoord die avond. Deze verklaringen wijken niet wezenlijk af van de verklaringen van het slachtoffer en de getuigen [getuige] en [benadeelde 2]. Allen spreken over de hen bekende [verdachte]/[verdachte] die vanuit een witte Golf GTI schoten heeft gelost in de richting van het slachtoffer [benadeelde 1]. Camerabeelden Op camerabeelden van een beveiligingscamera op de [adres 2], waarop het schietincident in de verte is te zien, is zichtbaar dat op 16 september 2024, rond het tijdstip van het schietincident, een lichtgekleurde auto, model hatchback door het beeld rijdt. De verdachte had destijds een lichtkleurige Volkswagen Golf op zijn naam staan. Een dergelijke auto is ook te zien op de camerabeelden van een woning aan de [adres 3] te Medemblik. Een bewoner van dit huis heeft tegenover de politie verklaard dat de ex-vriendin van de verdachte naast hem woont aan de [adres 4]. Op 16 september 2024 rond 22:50 uur hoorde hij veel gerommel komen uit het huis van zijn buurvrouw. Op de camerabeelden is, kort gezegd, te zien dat een licht/wit gekleurde auto type hatchback rond 22:58 uur langsrijdt in de richting van de Scheepmakerssingel. Vervolgens zijn er knallen te horen op de beelden en enkele minuten later komt de auto weer in beeld maar rijdt dan in tegenovergestelde richting. De volgende ochtend is de auto van de verdachte aangetroffen op de [adres 5] in Medemblik. Dat is in de directe omgeving van de [adres 4]. De politie heeft geconstateerd dat de auto op de beelden van de camera aan de [adres 2] en de auto op de beelden van de deurbelcamera van de bewoner aan de [adres 3] overeenkomen. De auto die daarop te zien is, is zeer licht/wit van kleur en opvallend is dat op beide beelden de auto zowel dimlicht als mistlicht voert. De rechtbank maakt uit het bovenstaande – in combinatie met de verklaringen van het slachtoffer en de getuigen – de gevolgtrekking dat de verdachte in zijn lichtkleurige Volkswagen Golf naar de [adres 2] is gereden en na het schietincident de auto heeft geparkeerd op de [adres 5]. Conclusie Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte de schutter is geweest, die op 16 september 2024 drie keer vanuit zijn auto heeft geschoten in de richting van de groep waarin de slachtoffers [benadeelde 1] en [benadeelde 2] zich bevonden. De rechtbank gaat dus voorbij aan de verklaring van de verdachte die hij tijdens de zitting van 9 januari 2026 (voor het eerst) aflegde, inhoudende dat hij niet de schutter is geweest. De verdachte gaf in zijn verklaring geen aanknopingspunten voor een alibi of een uitleg die duidelijk maakt dat het belastende bewijs anders moet worden geïnterpreteerd. Op de zitting heeft de verdachte verklaard dat hij zijn auto wel eens uitleent, maar hij heeft de vraag aan wie hij zijn auto die avond had uitgeleend niet beantwoord. Ook op andere vragen over het verloop van die avond en nacht heeft de verdachte geen concrete antwoorden gegeven. Opzet op de dood van het slachtoffer [benadeelde 1] De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de verdachte door zijn handelen opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer [benadeelde 1]. De verdachte heeft op een afstand van 5 tot 10 meter met een vuurwapen, voorzien van een laserpointer, vanuit een stilstaande auto, meermalen gericht geschoten op het slachtoffer [benadeelde 1]. Naar de uiterlijke verschijningsvorm kan dit handelen van de verdachte niet anders worden beoordeeld dan als te zijn verricht met opzet. Voorbedachte raad Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Het gaat erom dat hij de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Daarbij moet ook worden gekeken naar aanwijzingen die wijzen op het tegendeel, de zogenaamde contra-indicaties. De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om aan te nemen dat sprake is geweest van voorbedachte raad. De verdachte heeft niets verklaard over wat er door hem heen ging tijdens of voorafgaand aan de schietpartij. Er is weliswaar enkele dagen voor het schietincident een conflict geweest tussen de verdachte en [benadeelde 1] waarbij de verdachte [benadeelde 1] bang heeft gemaakt en heeft geslagen, maar hij heeft tijdens dat conflict niets gezegd wat erop wijst dat hij van plan was [benadeelde 1] te doden. De verdachte en [benadeelde 1] hebben enkele dagen later een afspraak gemaakt voor een ontmoeting aan de [adres 2] te Medemblik. De rechtbank kan echter niet vaststellen wanneer deze ontmoeting precies is afgesproken en met welke bedoeling deze afspraak is gemaakt. Uit het enkele feit dat de verdachte bij die ontmoeting een wapen bij zich droeg, kan niet zonder meer worden afgeleid dat hij een voorgenomen plan had om [benadeelde 1] dood te schieten. Ook kan dit plan niet worden afgeleid uit het feit dat de verdachte het raam van zijn auto naar beneden heeft gedaan en eerst riep om het slachtoffer. Uit het bovenstaande blijkt dat er wel aanwijzingen zijn dat de verdachte voornemens was om het slachtoffer te beschieten, maar niet kan worden vastgesteld dat de verdachte heeft geschoten ter uitvoering van een voorgenomen plan om [benadeelde 1] van het leven te beroven. Daarbij heeft de rechtbank ook meegewogen dat de verdachte in zijn eigen auto en zonder gezichtsbedekking naar de afspraak is gegaan. Hij had dus geen voorzorgsmaatregelen genomen om zijn identiteit te verhullen, iets wat men wel zou verwachten als het ging om een vooraf uitgedacht plan om iemand te vermoorden. De rechtbank ziet hierin een contra-indicatie voor voorbedachte raad. Nu de rechtbank de voorbedachte raad niet bewezen acht, wordt de verdachte vrijgesproken van de poging tot moord op [benadeelde 1]. De verdachte wordt wel veroordeeld voor een poging tot doodslag op [benadeelde 1]. Opzet op de dood slachtoffer [benadeelde 2] Ook [benadeelde 2] heeft aangifte gedaan in deze zaak. Hij was de avond van 16 september 2024 aanwezig op de [adres 2] tijdens het schietincident en maakte deel uit van de vriendengroep van het slachtoffer [benadeelde 1]. Hij heeft verklaard dat [benadeelde 1] bij hem in de buurt stond tijdens de schoten, dat hij pijn voelde in zijn schouder en later is gebleken dat hij een stukje metaal in zijn schouder had zitten. De rechtbank moet beoordelen of de verdachte (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer [benadeelde 2] heeft gehad. Van opzet in voorwaardelijke zin op de dood van het slachtoffer is sprake als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg (de dood) zal intreden. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht. De rechtbank heeft hiervoor geconcludeerd dat de verdachte met een vuurwapen heeft geschoten in de richting van het slachtoffer [benadeelde 1]. [benadeelde 1] stond in een groep van meerdere personen. Het kan niet anders dan dat de verdachte zich daarvan bewust is geweest. Dat blijkt alleen al uit het feit dat de verdachte vanuit zijn auto de aanwezigen heeft aangeroepen met de vraag ‘waar is [naam 2]’. De verdachte heeft vervolgens meermalen op de groep geschoten, ook nadat het eerste schot was gelost en er chaos heerste in de groep en mensen heen en weer liepen of renden. In die groep bevond zich naast [benadeelde 1] ook het slachtoffer [benadeelde 2]. [benadeelde 2] stond vlakbij de auto van de verdachte, voor [benadeelde 1]. Er bestond daarom een groot risico dat ook [benadeelde 2] dodelijk zou worden getroffen door een van de door de verdachte afgevuurde schoten. Dat risico heeft de verdachte op de koop toe genomen. Hij heeft, met andere woorden, door met een vuurwapen meermalen op een groep personen te schieten, de aanmerkelijke kans dat ook het slachtoffer [benadeelde 2] dodelijk zou worden getroffen, bewust aanvaard. Daarmee heeft de verdachte gehandeld met voorwaardelijk opzet op de dood van slachtoffer [benadeelde 2]. De rechtbank merkt op dat bij het schieten op [benadeelde 1] en [benadeelde 2] sprake is geweest van eendaadse samenloop. Dat betekent dat de gedragingen van de verdachte weliswaar twee strafbare feiten opleveren maar hem in wezen één verwijt wordt gemaakt nu het gaat om dezelfde handelingen die op dezelfde tijd en plaats plaatsvonden. 3.3.3 Nadere bewijsoverwegingen zaak C, feiten 1 en 2 (afpersing en bedreiging) De verdachte heeft voor het eerst tijdens de zitting van 9 januari 2026 verklaard dat [benadeelde 3] en [benadeelde 4] een wapen van hem wilden kopen, en dat hij hen heeft opgelicht in plaats van afgeperst. De rechtbank vindt die verklaring niet aannemelijk. Deze verklaring van de verdachte valt niet te rijmen met zijn verklaring bij de rechter-commissaris dat hij [benadeelde 3] en [benadeelde 4] niet kende en het dossier bevat geen enkele ondersteuning voor de verklaring van de verdachte. De rechtbank acht ook feit 2 (bedreiging) bewezen. De verdachte heeft weliswaar ontkend dat hij de woorden “ik zal je hele familie pakken en vermoorden, dan ga je eraan” heeft gezegd, maar hij heeft tijdens de zitting toegegeven dat er over en weer is bedreigd en dat hij erg boos was. Mede gelet daarop gaat de rechtbank uit van de verklaring van aangever, die bovendien wordt ondersteund door de verklaring van een getuige. 3.4. Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de in zaak A primair, zaak B primair, zaak C onder 1 tot en met 4 en zaak D ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat: zaak A primair: hij op 16 september 2024 te Medemblik ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 1] opzettelijk van het leven te beroven, die [benadeelde 1] met een vuurwapen in zijn heup heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; zaak B primair: hij op 16 september 2024 te Medemblik, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 2] opzettelijk van het leven te beroven, in de richting van het lichaam van die [benadeelde 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; zaak C feit 1: hij op 3 september 2023 in de gemeente Medemblik, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [benadeelde 3] en [benadeelde 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 2000 euro dat aan die [benadeelde 4] toebehoorde, door - tegen die [benadeelde 3] te schreeuwen dat hij moest betalen en - tegen de helm van die [benadeelde 3] te slaan, en - die [benadeelde 3] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen in zijn, verdachtes, broekband, en - tegen die [benadeelde 3] te zeggen dat hij een Budha stip op zijn voorhoofd zou zetten als hij niet ging betalen, en - tegen die [benadeelde 4] te zeggen: "ik moet nu geld hebben, anders schiet ik jou en je broertje dood!", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking; feit 2: hij op 26 oktober 2023 in de gemeente Medemblik, in elk geval in Nederland [benadeelde 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [benadeelde 5] telefonisch dreigend de woorden toe te voegen “ik zal je hele familie pakken en vermoorden, dan ga je eraan!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; feit 3: hij op 2 november 2023 in de gemeente Medemblik in een woning gelegen aan de [adres 6] een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Bruni automatic 96, kaliber 8 mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en munitie van categorie III te weten 7 scherpe volmantel kogelpatronen kaliber 7.65 mm en 1 knalpatroon kaliber 8 mm voorhanden heeft gehad; feit 4: hij op 2 november 2023 in de gemeente Medemblik in een woning gelegen aan de [adres 6] opzettelijk aanwezig heeft gehad 60,27 gram van een materiaal bevattende cocaïne; zaak D: hij op 28 maart 2023 te Medemblik opzettelijk en wederrechtelijk delen van de inboedel van een woning aan de [adres 4] en een telefoon die aan [benadeelde 6] toebehoorden heeft vernield of beschadigd. Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 4Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten Het bewezenverklaarde levert op: zaak A primair en zaak B primair, de eendaadse samenloop van poging tot doodslag en poging tot doodslag; zaak C: feit 1: afpersing; feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht; feit 3: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van de categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie; feit 4: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod; zaak D: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen/beschadigen. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar. 5Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 6Motivering van de sanctie 6.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van tien jaar, met aftrek van voorarrest. 6.2 Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat bij een bewezenverklaring de gevorderde straf moet worden gematigd en dat, gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte, een deel van die straf voorwaardelijk moet worden opgelegd met de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd. 6.3 Oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten. De verdachte heeft geprobeerd het destijds 23-jarige slachtoffer [benadeelde 1] van het leven te beroven door op korte afstand vanuit zijn auto met een vuurwapen voorzien van laserpointer meermalen gericht te schieten op [benadeelde 1]. [benadeelde 1] is getroffen in zijn onderlichaam met zeer ernstig letsel als gevolg. Het slachtoffer kan zijn rechterbeen blijvend niet meer gebruiken en is de rest van zijn leven afhankelijk van een rolstoel en krukken. Daarnaast heeft hij geen controle meer over zijn blaas, penis of kringspieren en is sprake van dubbele incontinentie. Het slachtoffer kan niet meer comfortabel zitten, staan, liggen of slapen. Hij heeft de hele dag aanhoudende zenuwpijnen in zijn been, bekken, darmen, blaas en penis. Hij is dagelijks afhankelijk van hulp van anderen. Het (permanente) letsel heeft het leven van [benadeelde 1] verwoest. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de poging tot doodslag op het slachtoffer [benadeelde 2], die zich in de groep van het slachtoffer [benadeelde 1] bevond. Er mag van geluk worden gesproken dat de slachtoffers [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet dodelijk zijn getroffen. Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan afpersing. Met dreigende woorden en door het tonen van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft hij de aangevers [benadeelde 3] gedwongen hem een geldbedrag van € 2000,- te geven. De verdachte heeft vervolgens de vader van de broers [benadeelde 3] bedreigd toen hij de verdachte benaderde om het geldbedrag voor zijn zoons terug te krijgen. Deze feiten zijn voor de familie zeer bedreigend en beangstigend geweest. Bij zijn aanhouding in het huis van zijn stiefzus bleek de verdachte in zijn slaapkamer een vuurwapen met munitie en 60,27 gram cocaïne voorhanden te hebben. Het wapen en de munitie waren naar eigen zeggen voor de verkoop en de drugs voor eigen gebruik. Het ongecontroleerde bezit van een wapen met munitie is levensgevaarlijk, zo toont het schietincident in Medemblik eens te meer aan. Ook drugsbezit vormt een bedreiging voor de gezondheid van individuen en de veiligheid van de maatschappij. Tenslotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling in de woning van zijn ex-vriendin, waar hij tijdens een ruzie haar telefoon en andere bezittingen in haar bijzijn heeft vernield, waarmee hij bijzonder weinig respect voor haar en haar eigendommen aan de dag heeft gelegd. Strafsoort Met name de aard en de ernst van de pogingen tot doodslag en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer [benadeelde 1], rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank de oplegging van een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank gaat niet mee met het verzoek van de raadsman om een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Dat zou immers betekenen een gevangenisstraf van maximaal vier jaar, waarvan dan ook nog een deel voorwaardelijk. Zo staat dat in de wet (artikel 14a lid 2 Wetboek van Strafrecht). Maar een straf van vier jaar staat in geen verhouding tot de ernst van de bewezenverklaarde feiten. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 6 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte door de kinderrechter reeds eerder wegens gewelds- en vermogensdelicten is veroordeeld. De rechtbank heeft verder gelet op het reclasseringsrapport van 17 januari 2025 waaruit blijkt dat de reclassering nog aanknopingspunten ziet voor begeleiding door de reclassering en waaruit blijkt dat de verdachte gemotiveerd is. De reclassering adviseert het opleggen van een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden. Zoals hiervoor is toegelicht, vindt de rechtbank een deel voorwaardelijke straf in dit geval echter niet passend. Tot slot heeft de rechtbank meegewogen dat de verdachte nog jong is en vader van een klein kind. Conclusie Het zwaartepunt voor het bepalen van de hoogte van de straf is in deze zaak de schietpartij in Medemblik. Voor het bepalen van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij straffen die in min of meer vergelijkbare zaken worden opgelegd. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat gelet op de ernst van dit feit en de ernstige gevolgen voor met name het slachtoffer [benadeelde 1], aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven jaar moet worden opgelegd. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering. 7. Vordering benadeelde partij [benadeelde 1] en vorderingen benadeelde partijen [benadeelde 7] (moeder), [benadeelde 8] (vader), [benadeelde 9] (broer) en [benadeelde 10] (zus) en schadevergoedingsmaatregel De vordering van [benadeelde 1] en naasten (vader, moeder, broer en zus) De voormalig advocaat van de benadeelde partij [benadeelde 1], mr. M. Berbee, heeft aanvankelijk op 20 juni 2025 een vordering ingediend tot vergoeding van de schade die [benadeelde 1] heeft geleden als gevolg van het schietincident (zaak A). De vordering bestond zowel uit materiële schade (ter hoogte van € 112.624,85) als immateriële schade (ter hoogte van € 218.000,-). De materiële schadeposten bestonden, samengevat, uit zorgkosten, reiskosten, daggeldvergoeding voor verblijf in ziekenhuis en revalidatiecentrum, kosten ter vervanging van beschadigde kleding, inkomstenderving voor de duur van negen maanden en vergoeding voor verlies aan arbeidsvermogen voor de komende vijf jaren. De immateriële schade bestond uit een vergoeding voor het leed dat verband houdt met de dubbele incontinentie en impotentie en daarnaast een vergoeding voor geleden psychisch letsel. De totale vordering bedroeg € 330.0624,85. De opvolgende advocaat van [benadeelde 1], mr. L.N. Mensonides, heeft vervolgens op 5 januari 2026 een vordering ingediend die volgens de toelichting op die vordering moest worden gezien als een aanvulling en een gedeeltelijke correctie op de in juni 2025 ingediende vordering. Het gevorderde bedrag aan materiële schade was verhoogd naar € 690.540,89. De reeds eerder gevorderde materiële schadeposten waren deels gewijzigd (verhoogd) en daarnaast uitgebreid met nieuwe posten. Een grote wijziging betrof de vordering tot vergoeding voor verlies aan arbeidsvermogen tot aan de pensioengerechtigde leeftijd. Het totale verlies aan verdienvermogen tot aan pensioen was daarbij berekend op € 1.267.037,20. Er is nog geen sprake van een medische eindtoestand en de mate van arbeidsongeschiktheid is nog niet onderzocht. Omdat wel aannemelijk is dat [benadeelde 1] in ieder geval voor 50% arbeidsongeschikt zal blijven, werd een bedrag van (50% x € 1.267.037,20 =) € 633.518,60 aan verlies aan verdienvermogen gevorderd. Daarnaast was de post zorgkosten uitgebreid met nieuwe soorten zorgkosten. Verder bestonden de nieuw gevorderde materiële schadeposten uit (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.