← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2026:514

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Haarlem Zaaknummer: C/15/372942 / JU RK 25-1809 Datum uitspraak: 9 januari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de Raad, gevestigd te Haarlem, over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen: [de minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [plaats] , [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [plaats] , advocaat van de vader: mr. A.M. Buitenhuis, kantoorhoudende te Nieuw-Vennep, gezamenlijk ook te noemen: de ouders. De kinderrechter merkt als informant aan: de gecertificeerde instelling Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers, hierna te noemen: de GI. 1Het verloop van de procedure 1.

  1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift van 17 december 2025 met bijlagen, waaronder het rapport van de Raad van 16 december 2025; het e-mailbericht van de moeder van dinsdag 6 januari
  2. 1.
  3. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 januari
  4. Daarbij waren aanwezig: - de vader, bijgestaan door zijn advocaat; - de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ; - de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] . De moeder is – met bericht van afwezigheid – niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij juist is opgeroepen. 1.
  5. De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. 2De feiten 2.
  6. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . 2.
  7. [de minderjarige] verblijft op een groep, op een bij de rechtbank bekend adres. 3Het verzoek 3.
  8. De Raad verzoekt [de minderjarige] onder toezicht te stellen tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot [datum] . Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.
  9. De Raad heeft het verzoek als volgt onderbouwd. Er is sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [de minderjarige] , omdat er zorgen zijn op verschillende levensgebieden. [de minderjarige] heeft een langere tijd geen vaste woonplek gehad, gaat om met jongeren die een negatieve invloed op hem hebben en heeft geen zinvolle dagbesteding. Daarnaast bestaan zorgen vanuit de ouders en jeugdreclassering over het middelengebruik van [de minderjarige] . Hoewel [de minderjarige] onder het toezicht van jeugdreclassering valt, is de Raad van mening dat een jeugdbeschermer binnen de ondertoezichtstelling van toegevoegde waarde is. Naast het houden van toezicht op en begeleiden van [de minderjarige] , kan een jeugdbeschermer zich namelijk ook richten op het contact met en begeleiden van de ouders en het herstel van de ouder-kindrelatie. Dat is ook belangrijk in de situatie van [de minderjarige] . Het lukt de ouders en de jeugdreclassering niet om grip te krijgen op [de minderjarige] en een (langdurige) positieve verandering teweeg te brengen. Op grond van zijn jeugdreclasseringsmaatregelen verblijft [de minderjarige] op een groep. De Raad vindt dit een passende plek, omdat het een woontrainingsprogramma is, waar aandacht is voor het aanleren van woonvaardigheden, het vinden van dagbesteding, problemen met verslaving en het voorkomen van politiecontacten. 3.
  10. Ter zitting heeft de Raad naar voren gebracht dat recent duidelijk is geworden dat [de minderjarige] weg moet bij zijn huidige groep, omdat zij hem niet kunnen bieden wat hij nodig heeft. Waar jeugdreclassering tijdens het raadsonderzoek de meerwaarde van een ondertoezichtstelling niet zag, is dat nu anders, met name omdat nu gezocht moet worden naar een nieuwe – meer gestructureerde – woonplek voor [de minderjarige] . 4De standpunten 4.
  11. De GI heeft ter zitting grote twijfels geuit over de effectiviteit van de verzochte maatregelen, gezien de achtergrond en de leeftijd van [de minderjarige] en het feit dat de jeugdreclassering al betrokken is. De GI is niet in staat om binnen korte tijd concreet meer hulpverlening te bieden en [de minderjarige] te ondersteunen dan dat de jeugdreclassering nu doet en kan doen. 4.
  12. Namens de vader is verzocht om afwijzing van de verzoeken. De vader ziet geen meerwaarde in een ondertoezichtstelling, gezien de verzochte duur en de betrokkenheid van de jeugdreclassering. De vader erkent de grote zorgen en wil dat hulp komt voor [de minderjarige] , maar vindt niet dat de nadruk moet worden gelegd op de ouder-kindrelatie. Het contact tussen hem en [de minderjarige] is namelijk goed. De vader denkt dat het goed is voor [de minderjarige] om op een gesloten plek te zitten, waar hij structuur en regelmaat geboden krijgt en niet kan weglopen, zodat hij hulp kan krijgen. 4.
  13. De moeder heeft in haar e-mail naar voren gebracht dat zij zich afvraagt wat de ondertoezichtstelling nog meer gaat doen dan wat de ouders nu al doen met alle hulpverleners. 5De beoordeling 5.
  14. De kinderrechter overweegt dat grote zorgen bestaan over de algemene ontwikkeling en het welzijn van [de minderjarige] . Hij is bekend met overmatig alcohol- en softdrugsgebruik, is al langere tijd niet naar school geweest en heeft geen zinvolle dagbesteding. [de minderjarige] heeft sinds 2023 niet meer thuis bij (één van) de ouders gewoond en heeft sindsdien veel wisselingen gehad in zijn woon- en verblijfplek. Als gevolg van negatieve ervaringen is de ouder-kindrelatie verstoord geraakt en is er geen onderling vertrouwen meer tussen [de minderjarige] en de ouders. Hij begeeft zich in een zorgelijk netwerk, houdt zich bezig met criminele activiteiten en is meerdere malen in aanraking geweest met politie en justitie. [de minderjarige] is door de kinderrechter op 21 januari 2025 veroordeeld voor het overtreden van de Wet Wapens en Munitie tot een jeugddetentie van 49 dagen (met aftrek) en een werkstraf van 80 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Naast de algemene voorwaarde, dat [de minderjarige] voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten mag plegen, moet [de minderjarige] zich ook houden aan bijzondere voorwaarden: hij moet verblijven bij Gripzorg of een soortgelijke instelling, hij moet meewerken aan één op één begeleiding van Gripzorg of soortgelijke behandeling, hij moet zich inzetten voor het verkrijgen en behouden van een dagbesteding, hij moet zich houden aan een avondklok en hij moet meewerken aan hulpverlening van Kenter of soortgelijke organisatie in de vorm van eventueel systeemtherapie, dit alles onder toezicht van jeugdreclassering. 5.
  15. Ondanks deze stevige bijzondere voorwaarden, glijdt [de minderjarige] steeds verder af. Hij houdt zich niet aan de bijzondere voorwaarden, is inmiddels bij meerdere woongroepen niet meer welkom vanwege wangedrag, heeft nog steeds geen goede dagbesteding en er zijn steeds ernstigere zorgen over het verkeerde netwerk waar [de minderjarige] zich in bevindt. Niemand lijkt meer grip op [de minderjarige] te hebben en dat acht de kinderrechter heel zorgelijk. Alle hulpverleners om [de minderjarige] heen, zien dit en erkennen de zorgelijke situatie, maar lijken niet bij machte om het tij positief te keren. De rechtbank begrijpt dan ook dat de Raad het verzoek heeft gedaan voor de kinderbeschermingsmaatregelen. Naast dat sprake moet zijn van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij een ondertoezichtstelling en dat een machtiging uithuisplaatsing noodzakelijk moet zijn in het belang van de minderjarige, moeten deze maatregelen ook effectief en doelmatig zijn. Het is de vraag of daar in dit geval sprake van is. [de minderjarige] is inmiddels een zeventien jarige jongvolwassene met reclasseringstoezicht. Binnen dit opgelegde toezicht heeft de kinderrechter met het vonnis van 21 januari 2025 meer dan voldoende handvatten aangereikt aan de jeugdreclassering om aan de slag te gaan met [de minderjarige] . Met de GI is de kinderrechter van oordeel dat in dit geval een jeugdbeschermer in het kader van een ondertoezichtstelling niet meer kan doen of anders kan handelen dan de jeugdreclasseerder kan in het kader van het opgelegde reclasseringstoezicht. Aan alle doelen die de Raad noemt in het raadsrapport, ook de doelen die gericht zijn op de ouder-kind relatie, kan gewerkt worden in het kader van het reclasseringstoezicht. Desgevraagd heeft de Raad niet nader kunnen motiveren wat – bij toewijzing van het verzoek – de komende maanden binnen een ondertoezichtstelling concreet aan hulp ingezet zou kunnen worden voor [de minderjarige] . Net als de jeugdreclassering heeft ook de jeugdbescherming immers te maken met de wachtlijstproblematiek. Gesloten plaatsing achten zowel de GI als de Raad nu niet meer in het belang van [de minderjarige] . 5.
  16. Gelet op het bovenstaande is de kinderrechter van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat in de huidige situatie van [de minderjarige] een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing naast het jeugdreclasseringstoezicht effectief en doelmatig zal zijn. Hiermee is het verlenen van een ondertoezichtstelling en machtiging tot zijn uithuisplaatsing niet in het belang van [de minderjarige] . Dit betekent dat het verzoek wordt afgewezen. De kinderrechter acht het schrijnend dat het niet is gelukt om [de minderjarige] , ondanks alle betrokken hulpverlening al die jaren, op het rechte pad te houden en hij inmiddels in het strafrechtelijk kader terecht is gekomen. Het is nu aan de jeugdreclassering om in het kader van de opgelegde bijzondere voorwaarden stevig op te treden en zo snel als mogelijk een passende woongroep voor [de minderjarige] te vinden, waarbij tegelijkertijd vol wordt ingezet op een zinvolle dagbesteding en passende hulpverlening. 6De beslissing De kinderrechter: 6.
  17. wijst het verzoek af. Deze beschikking is gegeven door mr. A.K. Mireku, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026, in aanwezigheid van mr. E.E. ten Kate als griffier, en vastgesteld en ondertekend op 22 januari
  18. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.