Rechtbank Noord-Holland – ECLI:NL:RBNHO:2026:5595
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Alkmaar Bestuursrecht zaaknummer: HAA 26/35 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 mei 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats 1] , eiser (gemachtigde: mr. J. Kuik), en het college van burgemeester en wethouders van gemeente Medemblik (gemachtigde: mr. P. Bakker).
Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de bouwstop met een last onder dwangsom die het college aan eiser heeft opgelegd. De last ziet erop dat eiser de bouwwerkzaamheden op het voormalig kampeerterrein [naam kampeerterrein] in [plaats 2] staakt en gestaakt houdt. Eiser voert volgens het college bouwactiviteiten uit zonder de benodigde omgevingsvergunning. Eiser is het niet eens met de bouwstop en last onder dwangsom. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de bestuurlijke maatregelen op goede gronden aan eiser heeft opgelegd.
Procesverloop 3. Eiser is eigenaar van een groot deel van de percelen tussen [adres] in [plaats 2] (hierna: het terrein) en wil op dit terrein van de voormalige camping [naam kampeerterrein] een Tiny house-project realiseren.
3.1.
De toezichthouder van het college heeft na een melding op 18 november 2024 en 4 februari 2025 controles uitgevoerd op het terrein. Hier heeft de toezichthouder geconstateerd dat meerdere chalets en andere bouwwerken geplaatst zijn waar dit niet is toegestaan, zonder vergunning een uitweg is gemaakt naar de openbare weg en afvalwater niet op de juiste manier wordt afgevoerd. Bij de controlerapporten zitten een beeldverslag en specificatie per bouwwerk.
3.2.
In de brief van 2 december 2024 heeft het college eiser gewaarschuwd over de geconstateerde overtredingen. Omdat het voor het college onduidelijk was wat eiser op het terrein wil realiseren, verzocht het college eiser om het initiatief in te dienen als vooroverleg. Hierop heeft eiser het projectvoorstel ‘Off grid TinyTuin’ ingediend. Bij brief van 10 maart 2025 heeft het college eiser geïnformeerd dat het project niet past in het omgevingsplan omdat permanente bewoning niet is toegestaan. Ook voldoen de voorgelegde Tiny houses niet aan het beleid voor Tiny houses. Bovendien komt het project niet overeen met de feitelijk geconstateerde situatie.
3.3.
Na een nieuwe controle door de toezichthouder heeft het college bij primair besluit van 13 februari 2025 een ordemaatregel opgelegd en de bouwwerkzaamheden op het terrein stilgelegd (hierna: bouwstop). Hiermee wilde het college voorkomen dat de overtredingen ernstiger en omvangrijker worden en om gevaar en/of hinder te voorkomen en/of te beperken. Daarbij heeft het college aan eiser een preventieve last onder dwangsom opgelegd. Het college zag een risico dat eiser op zeer korte termijn de overtreding voortzet. Eiser moet de werkzaamheden gestaakt houden totdat de bouwstop is opgeheven. Hier heeft eiser bezwaar tegen gemaakt.
3.4.
Met het bestreden besluit van 20 november 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de bouwstop en preventieve last onder dwangsom gebleven, onder aanvulling van de motivering en verduidelijking van het primaire besluit.
3.5.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Op 3 april 2026 heeft eiser een nadere reactie ingediend.
3.6.
De rechtbank heeft het beroep op 14 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser met zijn gemachtigde en [naam 1] ; en de gemachtigde van het college met [naam 2] en [naam 3] .
Beoordeling door de rechtbank Invorderingsbeschikking 4. Anders dan de gemachtigde van het college desgevraagd eerder aan de rechtbank had medegedeeld, is eerst ter zitting bevestigd dat het college de dwangsom bij eiser heeft ingevorderd en dat eiser tegen dat besluit (pro-forma) bezwaar heeft gemaakt. Op grond van artikel 5:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van eiser tegen de last onder dwangsom mede betrekking op de invorderingsbeschikking nu eiser die betwist. Aangezien de rechtbank onbekend is met het dossier van de invorderingsbeschikking, heeft de rechtbank de beslissing op het beroep tegen de invorderingsbeschikking verwezen naar het college. Het college moet een beslissing op bezwaar nemen.
Is sprake van een overtreding?
Wettelijk kader 5.1.
Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet (Ow) is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Hoewel de bouwstop in de Ow niet expliciet is geregeld, wordt de grondslag gevonden in artikel 18.1 van de Ow in samenhang met artikel 5:2 van de Awb en artikel 125 van de Gemeentewet. Aan een bouwstop kan een last onder dwangsom worden verbonden die het doel heeft om de beëindigde illegale bouwactiviteit beëindigd te houden. De grondslag daarvoor is, in aanvulling op de hiervoor genoemde bepalingen, artikel 5:32 van de Awb.
5.2.
Op het terrein gelden de planvoorschriften uit het bestemmingsplan Buitengebied (als tijdelijk onderdeel van het omgevingsplan Medemblik). Het terrein heeft de enkelbestemming ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie’, met dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ en de functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – kampeerterrein 2’.
5.3.
In artikel 29.1 van het bestemmingsplan is bepaald dat gronden met de bestemming ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie’ zijn bestemd voor (onder meer) “b. standplaatsen voor kampeermiddelen ten behoeve van toeristische plaatsen, waaronder trekkershutten en tenthuisjes, waaronder stacaravans en naar de aard daarmee gelijk te stellen onderkomens, niet zijnde chalets, ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van recreatie – kampeerterrein 2””.
Daarbij zijn “f. gebouwen en overkappingen ten behoeve van 1. sanitaire voorzieningen; 2. het onderhoud en beheer” en ondergeschikte “g. kleinschalige duurzame energiewinning” en bijbehorende “o. andere bouwwerken” toegestaan.
5.4.
In artikel 29.2.6. van het bestemmingsplan is bepaald dat voor het bouwen van stacaravans en bergingen bouwregels gelden, namelijk: ten hoogste 40 m² oppervlak, ten hoogste 3,80 m hoog en met minimale onderlinge afstand tussen stacaravans, inclusief bergingen, van 5 m.
5.5.
In artikel 29.4, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan is bepaald dat het gebruik van gebouwen en kampeermiddelen voor permanente bewoning tot strijdig gebruik wordt gerekend.
Constateringen 7.1.
Uit het controlerapport van 20 november 2024 volgt dat de toezichthouder op het terrein meerdere bouwwerken heeft geconstateerd die geschikt zijn voor verblijf. De toezichthouder heeft in het controlerapport per aangetroffen bouwwerk de locatie en afmetingen gespecificeerd en deze constateringen aangevuld met foto’s in een Beeldverslag. Tien bouwwerken kunnen worden aangeduid als chalet of stacaravan (zoals gedefinieerd in de artikelen 1.43 en 1.119 van het bestemmingsplan), of als containerwoning. Ook zijn bijbehorende bouwwerken geplaatst, die volgens de toezichthouder gebruikt lijken te worden voor opslag. Op twee bijbehorende bouwwerken zijn zonnepanelen geplaatst. Bij één bouwwerk wordt afvalwater op de bodem geloosd. Een bewoonster en eiser hebben een (telefonische) verklaring afgelegd.
7.2.
Uit het controlerapport van 4 februari 2025 volgt dat de toezichthouder heeft geconstateerd dat ten opzichte van de controle op 18 november 2024 drie nieuwe bouwwerken zijn bijgeplaatst. Dit zijn een chalet, een stacaravan en een berging. Van deze bouwwerken zijn de locatie en afmetingen gespecificeerd en is een Beeldverslag gemaakt.
Bouwwerken?
Feitenonderzoek?
Overtreding van het omgevingsplan (bestemmingsplan)?
Geen nieuwe activiteiten na de waarschuwingsbrief van 2 december 2024?
De bouwstop en (preventieve) last onder dwangsom 14. Het college heeft eiser de volgende bestuurlijke maatregelen opgelegd:
Bouwstop Het college heeft geen omgevingsvergunning verleend voor deze werkzaamheden om af te wijken van het bestemmingsplan. Daarom past het college spoedeisende bestuursdwang toe: het college legt de bouwactiviteiten op de percelen direct stil (P707 t/m P714, P716, P717). Het bevel tot stillegging geldt totdat het college een nader standpunt heeft ingenomen over de plannen van eiser. Tot die tijd mag eiser geen bouwwerkzaamheden meer uitvoeren (waaronder wordt verstaan het plaatsen van bouwwerken).
Last onder dwangsom Na de eerdere waarschuwing en het aanvullende verzoek om de bouwactiviteiten te staken, is eiser toch doorgegaan met de bouwwerkzaamheden. Daarom is het zeer aannemelijk dat eiser de betreffende werkzaamheden verder blijft voortzetten. Er is dan ook sprake van een gevaar voor een op zeer korte termijn te verwachten overtreding. Daarom legt het college eiser een preventieve last onder dwangsom op. “Wij gelasten u om de werkzaamheden op […], in overtreding van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow gestaakt te houden tot het bevel tot stillegging van de werkzaamheden is opgeheven. Voert u het bovenstaande niet uit, dan verbeurt u € 25.000,- […] per constatering dat de overtreding voortduurt of nogmaals wordt begaan met een maximum van € 125.000 ,- […].”
Zijn er bijzondere omstandigheden om af te zien van handhavend optreden?
Concreet zicht op legalisatie?
Spoedeisend?
Zienswijze?
Verzwaarde motiveringsplicht?
Evenwichtig?
Voorkeursrecht 23. Ter zitting heeft eiser nog betoogd dat het gevestigde voorkeursrecht op zijn perceel maakt dat het bestreden besluit onrechtmatig of onevenredig is. De rechtbank ziet – wat verder ook zij van het voorkeursrecht en de procedure daartoe – geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college een “dubbele agenda” heeft en misbruik maakt van zijn bevoegdheid tot handhavend optreden.
Hoogte van de dwangsom 24. Eiser voert aan dat de hoogte van de dwangsom onevenredig is. Het college heeft geen rekening gehouden met de omstandigheden van het geval, en bovendien de hoogte niet onderbouwd of inzicht gegeven in de belangenafweging.
Conclusie en gevolgen 27. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de bouwstop met last onder dwangsom in stand blijft. Ook krijgt eiser geen proceskostenvergoeding.
Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, rechter, in aanwezigheid van mr.I.A. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Percelen P-707 t/m 714, 716 en 717.
De rechtbank past artikel 5.39, tweede lid, van de Awb toe.
Zie bijvoorbeeld rechtsoverweging 8 in ECLI:NL:RVS:2025:4650.
De rechtbank past de rechtspraak over de bouwstop uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht toe op de bestreden bouwstop onder de Omgevingswet. De bevoegdheid tot een ordemaatregel (bouwstop) volgt thans direct uit artikelen 5:2 en 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 125 van de Gemeentewet. Zie ook rechtsoverweging 5 in ECLI:NL:RBGEL:2025:8094.
Zie bijvoorbeeld rechtsoverweging 7.1 in ECLI:NL:RVS:2025:1715.