RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling bestuursrecht locatie Groningen zaaknummer: AWB 12/796 uitspraak van de meervoudige kamer van 18 juli 2013 in de zaak tussen de stichting Stichting Greenpeace Nederland, gevestigd te Amsterdam, eiseres (gemachtigde: mr. B. Kloostra), en het college van gedeputeerde staten van Groningen, verweerder (gemachtigde: mr. M.L. Batting). Procesverloop Bij besluit van 19 juli 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten tot gedeeltelijke afwijzing van een verzoek van eiseres tot openbaarmaking van documenten en gegevens op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Eiseres, RWE Eemshaven Holding B.V. (RWE) en Nuon Power Projects I B.V. (Nuon) hebben ieder tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij brief van 13 augustus 2012 heeft eiseres bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op haar bezwaar tegen dit besluit. Bij besluit van 15 augustus 2012 heeft verweerder beslist op de bezwaren van RWE en Nuon. Verweerder heeft voorts op het bezwaar van eiseres beslist bij (deel)besluiten van respectievelijk 6 november 2012, 4 december 2012 en 15 januari 2013. Verweerder heeft deze nadere besluiten aan de rechtbank gezonden en verzocht met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep van eiseres mede tegen deze besluiten gericht te achten. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2013. Eiseres is verschenen, vertegenwoordigd door A. ten Kate, bijgestaan door haar gemachtigde mr. B. Kloostra. Namens verweerder zijn verschenen N.J. Lobbezoo en R.J. Groenveld, bijgestaan door mr. M.L. Batting als gemachtigde. Als derde‑belanghebbende is namens RWE verschenen H. Krinkels, bijgestaan door mr. J.J. Peelen als gemachtigde. Derde-belanghebbende Nuon is niet verschenen.De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting van 18 maart 2013 geschorst. Verweerder heeft op 21 maart 2013 en 26 maart 2013 aan de rechtbank stukken verstrekt en verzocht toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb. De rechtbank heeft bij beslissing van 11 april 2013 bepaald dat de beperking van kennisneming van deze stukken gerechtvaardigd is. Bij brief van 12 april 2013 is door eiseres de op grond van artikel 8:29 van de Awb gevraagde toestemming verleend. Verweerder heeft op 28 mei 2013 een aanvullend besluit genomen. De rechtbank heeft de zaak ter zitting van 10 juni 2013 voortgezet behandeld. Eiseres is verschenen, vertegenwoordigd door A. ten Kate, bijgestaan door haar gemachtigde mr. B. Kloostra. Namens verweerder zijn verschenen N.J. Lobbezoo, R.J. Groenveld en D.C. Tans, bijgestaan door mr. M.L. Batting als gemachtigde.Als derde-belanghebbende is namens RWE verschenen H. Krinkels, bijgestaan door mr. J.J. Peelen als gemachtigde. Als derde-belanghebbende is Groningen Seaports verschenen, vertegenwoordigd door C. Vierenhalm en R. van Essen. Bij brief van 17 mei 2013 heeft Nuon bericht niet aanwezig te zullen zijn. De Wet herziening gerechtelijke kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum tezamen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De zaak wordt daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland. Overwegingen Feiten en zaaksverloop 1. Door RWE en Nuon zijn verschillende vergunningen aangevraagd ten behoeve van het oprichten, het in werking brengen en houden en het uitvoeren van regulier onderhoud van een kolengestookte elektriciteitscentrale, respectievelijk een multi-fuel elektriciteitscentrale op het industrieterrein Eemshaven, gemeente Eemsmond. Bij besluiten van 14 augustus 2008 is in dit verband zowel door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (thans: de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie) als door het college van gedeputeerde staten van Fryslân aan RWE een vergunning verleend krachtens artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998. Bij besluiten van 5 december 2008 en van 13 maart 2009 van de minister, respectievelijk van de colleges van gedeputeerde staten van Groningen en Fryslân is op de bezwaren van eiseres tegen de verleende vergunningen beslist. Vervolgens heeft onder meer eiseres tegen deze besluiten beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Op verzoek van de Afdeling is door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) een deskundigenbericht uitgebracht. De Afdeling heeft bij uitspraak van 24 augustus 2011, in zaaknummers 200900425/1/R2 en 200902744/1/R2 (JB 2011/215; www.raadvanstate.
(181)documenten en de daarbij behorende bijlagen zijn uitgewisseld buiten bestuursorganen en de door hen ingeschakelde adviseur(s): 34, 40, 42, 45, 49, 84, 123, 138, 170, 172, 173, 174, 207, 220, 269, 279, 292, 294, 313, 319, 360, 375, 378, 469, 496, 510, 513, 522, 525, 527, 528, 534, 540, 548, 550, 557, 558, 560, 565, 566, 568, 577, 607, 617, 621, 623, 624, 625, 631, 635, 638, 645, 646, 647, 648, 651, 653 (= 510), 657 (= 496), 659 (= 968), 685, 692, 694, 696, 697, 699, 725, 727, 728, 736, 737, 738, 739, 740, 741, 745, 746, 748, 749, 752, 757, 758, 759, 760, 761, 762, 774, 823, 859, 893, 894, 899, 947, 954, 964, 968, 969, 973, 984, 1025, 1027, 1031, 1035, 1038, 1039, 1040, 1043, 1045, 1046, 1047, 1048, 1049, 1050, 1053, 1058, 1059, 1067, 1068, 1069, 1071, 1072, 1074, 1075, 1076, 1078, 1079, 1080, 1095, 1099, 1100, 1101, 1104, 1136, 1149, 1151, 1169, 1203 (= 496), 1209, 1319, 1320, 1321, 1331, 1332, 1340, 1341, 1342, 1343, 1344, 1350, 1351, 1352, 1395, 1401, 1405, 1411, 1413, 1429, 1436, 1457, 1461, 1508, 1510, 1513, 1524, 1563, 1618 (= 635), 1625, 1634 (= 496), 1635, 1636, 1661, 1679, 1681, 1682, 1683, 1684, 1686, 1687, 1690, 1693, 1699 en
- Dat verweerder zich met betrekking tot de hiervoor, onder 8.
- en 9.2., genoemde documenten niet kan beroepen op artikel 11 van de Wob, brengt echter niet met zich dat deze documenten reeds daarom openbaar dienen te worden gemaakt. 10.
- Indien derde partijen in overleg zijn met een bestuursorgaan kunnen deze derden of het bestuursorgaan de openbaarmaking van de hieruit voortkomende stukken tegenhouden met een beroep op een in artikel 10 van de Wob genoemde weigeringsgrond (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2012 in zaak nr. 201105407/1/A3 over schikkingsonderhandelingen, de uitspraak van de Afdeling van 3 oktober 2012 in zaak nr. 201109085/1/A3 over een aanbestedingsprocedure, de uitspraak van de Afdeling van 7 november 2012 in zaak nr. 201109485/1/A3 over ‘expert opinions’ en de uitspraak van de Afdeling van 5 december 2012 in zaak nr. 201110330/1/A3 over verstrekte subsidies). 10.
- Verweerder heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat een beroep kan worden gedaan op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. RWE heeft in haar reactie van 21 december 2012 ook betoogd dat toepassing kan worden gegeven aan artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. 10.
- Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge de Wob achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden. Ingevolge artikel 10, zesde lid, van de Wob is het tweede lid, aanhef en onder g, niet van toepassing op het verstrekken van milieu-informatie. 10.
- Bij primair besluit van 19 juli 2011 heeft verweerder als volgt overwogen: ‘Voor zover het gaat om documenten die (mede) zijn toegezonden aan of ontvangen van de vergunninghouders en die dateren van na het verlenen van de vergunningen is sprake van overleg tussen de betrokken overheden en de bedrijven in het kader van de voorbereiding van de verdediging van de vergunning bij de rechter. (…) Ten aanzien van deze documenten wordt subsidiair een beroep gedaan op artikel 10 lid 2 onder g Wob.’ Bij verweerschrift van 14 februari 2013 is door verweerder gewezen op ‘onevenredige bevoordeling of benadeling’. Daarbij is (telkens) dezelfde motivering gebezigd en is veelal verwezen naar document
- Verweerder heeft openbaarmaking van de documenten (mede) geweigerd op grond van het navolgende: ‘De wederpartij verkrijgt hierdoor meer informatie dan op grond van het procesrecht wordt voorzien. Aangezien er op dit moment een nieuwe procedure loopt met betrekking tot de Nb-wet vergunning zijn we het met de commissie eens dat het belang om niet te worden benadeeld in deze procedure dusdanig zwaar weegt dat het algemene belang bij openbaarmaking daarvoor moet wijken.’ 10.
- De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de door hem gebezigde motivering onvoldoende heeft aangetoond dat openbaarmaking van de documenten zou leiden tot onevenredige bevoordeling of benadeling van verweerder en/of RWE en/of Nuon en/of Groningen Seaports. Het beroep is daarom ook ten aanzien van deze motivering gegrond. De rechtbank weegt daarbij mee dat de procedures waarin de documenten zijn opgesteld inmiddels zijn geëindigd met de onder
- vermelde uitspraak van de Afdeling. Niet inzichtelijk is welke passages uit de documenten zouden (kunnen) leiden tot een bevoordeling of benadeling van verweerder en/of RWE en/of Nuon en/of Groningen Seaports in de procedure omtrent een nieuwe aanvraag en voor zover daar al sprake van is, dat deze bevoordeling of benadeling onevenredig is. Verweerder heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom er belangen zijn die in dit geval zwaarder wegen dan het belang van openbaarheid. Toetsingskader voor een nieuw te nemen besluit
- Uit hetgeen hierboven is overwogen kan ten aanzien van het beroep van eiseres als volgt worden geconcludeerd. Ten aanzien van de documenten waarvan verweerder de openbaarmaking heeft geweigerd met een beroep op artikel 11 van de Wob, heeft de rechtbank vastgesteld dat een deel van de documenten niet zijn gedeeld buiten de kring van diegenen die de rechtbank tot het intern beraad rekent. Uit de toelichting op het beroep door eiseres vloeit voort dat de rechtbank niet nader hoeft te beoordelen of de openbaarmaking van deze documenten door verweerder geweigerd kon worden, met uitzondering van vijf documenten waarin milieu-informatie is opgenomen. Verweerder dient ten aanzien van die documenten alsnog te beoordelen of de bescherming van de persoonlijke beleidsopvattingen opweegt tegen het belang van de openbaarheid van de milieu-informatie. Ook ten aanzien van de onder 8.1 beschreven gedeeltes van 27 documenten heeft de rechtbank vastgesteld dat die documenten kunnen worden aangemerkt als documenten ten behoeve van intern beraad waarover de rechtbank geen nader oordeel hoeft te geven. Verweerder kan met betrekking tot de in 8.
- genoemde 27 documenten en de in 9.
- genoemde 181 documenten (en de daarbij horende bijlagen) geen beroep doen op artikel 11 van de Wob, voor zover de documenten passages bevatten die zijn gedeeld buiten de bestuursorganen en de door hen ingeschakelde adviseur(s), oftewel de vergunninghouder(s) en haar adviseur(s). Nu de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat evenmin voldoende gemotiveerd een andere weigeringsgrond is ingeroepen voor die passages uit voornoemde 208 documenten, zal verweerder ten aanzien van deze documenten de bezwaren van eiseres opnieuw dienen te beoordelen. Ten behoeve van de finale geschilbeslechting overweegt de rechtbank in dit verband als volgt. 11.1 . Voor zover verweerder wederom een beslissing moet nemen over voormelde 208 documenten (en de niet overgelegde, en in 2.
- genoemde, documenten) die, al dan niet in de vorm van opeenvolgende concepten, afkomstig zijn van een derde die niet tot het intern beraad kan worden gerekend, zoals RWE, Nuon en Groningen Seaports, en door die derde in vertrouwen aan verweerder zijn verstrekt, zal verweerder die derde moeten benaderen met de vraag of hij bezwaar heeft tegen de gehele of gedeeltelijke openbaarmaking van het document dat afkomstig is van deze derde en zo ja, op welke grond. 11.
- Voor zover die derde meent dat hij door de openbaarmaking onevenredig wordt benadeeld, zoals bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob , zal de derde gemotiveerd moeten aangeven in welk belang hij dan wordt geschaad en waarom die schending onevenredig is. Verweerder dient vervolgens te beoordelen of het beroep van die derde op de onevenredige benadeling gerechtvaardigd is. Hetzelfde geldt ten aanzien van een claim van de betrokken derde dat een ander door die openbaarmaking onevenredig zou worden bevoordeeld. 11.
- Voor zover verweerder zelf met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob, de openbaarmaking van documenten die hij, al dan niet in opeenvolgende conceptvorm, met een derde heeft gedeeld, wil weigeren, zal verweerder moeten beoordelen of hij door de openbaarmaking onevenredig zal worden benadeeld ofwel dat een derde daardoor onevenredig zal worden bevoordeeld. Zoals de bezwaarschriftencommissie ook al heeft overwogen is de enkele stelling dat er een risico is dat bepaalde informatie gebruikt zou kunnen worden voor een rechtszaak tegen de provincie, onvoldoende als argument om informatieverstrekking op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob te weigeren (zie: pagina 33 van het advies). De rechtbank wijst er ook op dat de enkele stelling dat sprake is van concepten en dat de definitieve versie reeds bekend is gemaakt, onvoldoende is. In dat kader verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 12 maart 2008 in zaak nr. 200705164/
- 11.
- Verweerder dient op basis van de te wegen belangen te besluiten tot ofwel de openbaarmaking van de documenten ofwel tot nadere motivering van de weigering van openbaarmaking van de documenten. 11.
- Indien verweerder (wederom) besluit de documenten te weigeren dient te worden bezien of sprake is van milieu-informatie. Verweerder dient daarbij te toetsen aan het onder 7.
- opgenomen criterium. De rechtbank wijst er reeds nu op dat, anders dan verweerder heeft betoogd, in de onder 9.
- genoemde documenten veelal wel milieu-informatie is vermeld. Meer in het bijzonder is dat het geval bij de ten behoeve van de StAB opgestelde documenten over de toestand van elementen in het milieu (lucht, water, bodem, land, landschap en natuurgebieden) en factoren (zoals stoffen en geluid) die deze elementen (kunnen) aantasten, alsmede maatregelen of activiteiten ter bescherming van voornoemde elementen. 11.
- Indien verweerder tot de conclusie komt dat sprake is van milieu-informatie, is een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob niet mogelijk en dient verweerder zich kenbaar te beraden of zich op basis van de door derden verstrekte informatie mogelijk andere, in artikel 10 genoemde, weigeringsgronden voordoen. Zo is in beroep door RWE ook betoogd dat de documenten dienen te worden geweigerd op basis van de in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob genoemde weigeringsgrond (bedrijfs- en fabricagegegevens, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld). 11.
- De rechtbank wijst er verder op dat ingevolge artikel 10, achtste lid, van de Wob, bij het toepassen van artikel 10, eerste, tweede en zevende lid van de Wob, in aanmerking dient te worden genomen of deze informatie betrekking heeft op emissies in het milieu. 11.
- Uit het bovenstaande volgt dat de rechtbank het standpunt van verweerder dat de grote hoeveelheid documenten een lichtere toets rechtvaardigen, niet deelt. Nu verweerder het hiervoor geschetste toetsingskader bij 208 van de ruim 1700 documenten, waarvan een deel identiek is, dient toe te passen, zijn er geen praktische bezwaren meer die aan een complete toets in de weg staan. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de maatschappelijke belangen waarop de documenten betrekking hebben in deze zaak groot zijn en daarom de benodigde inzet van verweerder rechtvaardigen. 11.
- De rechtbank ziet geen aanleiding het geschil (verder) finaal te beslechten. Vooreerst ziet de rechtbank geen aanleiding een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dit in de weg zal staan aan de mogelijkheid voor verweerder om hoger beroep aan te tekenen tegen het door de rechtbank gegeven oordeel over het begrip intern beraad. Voorts ziet de rechtbank geen aanleiding te bepalen dat de documenten reeds nu moeten worden vrijgegeven, omdat verweerder in de gelegenheid moet worden gesteld om opnieuw te toetsen of er sprake is van onevenredige bevoor- of benadeling en om te toetsen of er sprake kan zijn van een andere weigeringsgrond.
- De rechtbank ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank kent 3 punten toe aan de beroepschriften tegen de (deel)besluiten van 15 augustus 2012, 6 november 2012, 4 december 2012, 15 januari 2013 en 28 mei
- De rechtbank kent daarnaast 1,5 punt toe voor het verschijnen op de zittingen van 18 maart 2013 en 10 juni
- De rechtbank kent per punt een bedrag toe van € 472,-. Verweerder dient eveneens het betaalde griffierecht te vergoeden. Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen van eiseres gericht tegen de besluiten van 15 augustus 2012, 6 november 2012, 4 december 2012 en 15 januari 2013 gegrond voor zover daarbij is beslist over openbaarmaking van de documenten met de nummers 34, 40, 42, 45, 49, 84, 103, 122, 123, 138, 170, 172, 173, 174, 207, 210, 220, 224, 230, 231, 269, 279, 292, 294, 313, 319, 360, 375, 378, 394, 446, 469, 496, 510, 513, 522, 525, 527, 528, 534, 540, 548, 550, 557, 558, 560, 562, 565, 566, 568, 569, 570, 577, 578, 579, 599, 607, 617, 621, 623, 624, 625, 629, 630, 631, 635, 638, 645, 646, 647, 648, 651, 653, 656, 657, 659, 665, 685, 692, 694, 696, 697, 699, 725, 727, 728, 730, 731, 732, 733, 735, 736, 737, 738, 739, 740, 741, 744, 745, 746, 748, 749, 752, 753, 754, 755, 756, 757, 758, 759, 760, 761, 762, 764, 765, 766, 774, 823, 859, 874, 893, 894, 899, 947, 954, 963, 964, 968, 969, 973, 984, 1025, 1027, 1031, 1035, 1038, 1039, 1040, 1043, 1045, 1046, 1047, 1048, 1049, 1050, 1053, 1058, 1059, 1067, 1068, 1069, 1071, 1072, 1074, 1075, 1076, 1078, 1079, 1080, 1095, 1099, 1100, 1101, 1104, 1114, 1115, 1136, 1149, 1151, 1155, 1169, 1171, 1181, 1187, 1190, 1193, 1203, 1209, 1319, 1320, 1321, 1331, 1332, 1340, 1341, 1342, 1343, 1344, 1350, 1351, 1352, 1393, 1395, 1401, 1405, 1406, 1407, 1411, 1413, 1429, 1436, 1457, 1461, 1508, 1510, 1513, 1524, 1563, 1618, 1625, 1629, 1634, 1635, 1636, 1661, 1679, 1681, 1682, 1683, 1684, 1685, 1686, 1687, 1690, 1693, 1699, 1718 en 1722; vernietigt de besluiten van 15 augustus 2012, 6 november 2012, 4 december 2012 en 15 januari 2013 in zoverre; bepaalt dat verweerder binnen acht weken opnieuw dient te beslissen over de openbaarmaking van deze documenten, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen; verklaart het beroep tegen de besluiten van 15 augustus 2012, 6 november 2012, 4 december 2012 en 15 januari 2013 voor het overige ongegrond; verklaart het beroep tegen het besluit van 28 mei 2013 ongegrond; veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.124,- (4,5 x € 472,-); veroordeelt verweerder tot vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, voorzitter, en mrs. R.L. Vucsán en S.B. Smit-Colenbrander, leden, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli
- griffier rechter Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Afschrift verzonden aan partijen op: