uitspraak RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Locatie Leeuwarden Wrakingskamer Zaak-/rekestnummer: C/17/128124 / KG RK 13-296 Uitspraak ex artikel 39 Rv van 12 juli 2013 van de meervoudige wrakingskamer, inzake het op 1 juli 2013 door: [A], wonende te[woonplaats], verzoekster tot wraking, hierna te noemen: [A], ingediende verzoek tot wraking van mr. J.E. Biesma, rechter in deze rechtbank. 1Het procesverloop 1.1. Bij deze rechtbank is onder zaaknummer C/17/418907 / CV EXPL 13-565 een dagvaardingsprocedure aanhangig tussen de besloten vennootschap ISNA BV als eiser en [A] als gedaagde. 1.2. Op 6 juni 2013 heeft in voormelde procedure een comparitie van partijen plaatsgevonden ten overstaan van mr. Biesma. 1.3. Bij brief van 1 juli 2013, bij de rechtbank ingekomen op 2 juli 2013, heeft [A] de wraking verzocht van mr. Biesma. 1.4. Mr. Biesma heeft de wrakingskamer op 5 juli 2013 schriftelijk meegedeeld niet in de wraking te berusten. Tevens heeft hij zijn standpunt over het wrakingsverzoek kenbaar gemaakt. 1.5. Op 9 juli 2013 is het wrakingsverzoek ter zitting behandeld door de meervoudige wrakingskamer. [A] heeft haar verzoek nader toegelicht. Ook heeft zij geregeerd op het standpunt van mr. Biesma. 1.6. De uitspraak is op heden bepaald. 2De standpunten van partijen - het standpunt van [A] 2.1. [A] baseert haar wrakingsverzoek - samengevat - op een drietal gronden. (a.) [A] stelt allereerst dat tijdens de comparitie bleek dat zij de conclusie van antwoord in reconventie van de wederpartij (verder: de conclusie) niet had ontvangen. [A] meent dat mr. Biesma de comparitie op dat moment had moeten beëindigen. In elk geval had mr. Biesma de behandeling moeten schorsen om na te gaan of de conclusie door de griffie aan haar was verstuurd. Mr. Biesma koos er echter voor om de comparitie voort te zetten. Aanvankelijk stelde mr. Biesma voor dat de gemachtigde van eiser de conclusie zou voorlezen. Vervolgens zou [A] ter zitting de gelegenheid krijgen tot het geven van een reactie. Na protest van [A], opperde mr. Biesma de mogelijkheid dat de gemachtigde van eiser de conclusie zou toelichten. Ook in dat voorstel kon [A] zich niet vinden. Door de handelwijze van mr. Biesma voelde [A] zich in een zwakke verdedigingspositie gemanoeuvreerd. (b.) Daarnaast stelt [A] dat de vragen die mr. Biesma stelde vooral aan haar waren gericht. In dat kader merkte mr. Biesma op dat er de nodige tegenstrijdigheden zaten in de processtukken van partijen. [A] had hierdoor direct het gevoel dat mr. Biesma vooringenomen was. (c.) Tot slot bepaalde mr. Biesma dat een onafhankelijke deskundige nader onderzoek moest verrichten. Dit terwijl [A] al een deskundige had ingeschakeld. Mr. Biesma gaf daarnaast aan dat [A] de kosten van dit onderzoek zou moeten dragen, als de uitkomst daarvan zou afwijken van het door haar overgelegde rapport. Ook uit die opmerking blijkt volgens [A] de vooringenomenheid van mr. Biesma. - het standpunt van mr. Biesma 2.2. Volgens mr. Biesma dient het wrakingsverzoek te worden afgewezen omdat het niet binnen de daarvoor gestelde termijn is ingediend. Daarnaast heeft mr. Biesma het volgende aangevoerd. Tijdens de comparitie heeft hij aan [A] een aantal vragen gesteld. Omdat [A] aanvankelijk geen antwoord wilde geven, heeft hij uitgelegd dat zijn vragen bedoeld waren om inzicht te krijgen in de feiten en omstandigheden. Vervolgens bleek dat [A] de conclusie mogelijk niet had ontvangen. Op voorstel van de advocaat van de wederpartij is besloten om de conclusie puntsgewijs te behandelen. Vervolgens zou [A] daarop - zo nodig schriftelijk - mogen reageren. Tegelijkertijd is besloten de comparitie voort te zetten om zo veel mogelijk zaken alvast te bespreken. Daaruit vloeide voort dat er, in overleg met partijen, een onafhankelijke deskundige diende te worden benoemd. In antwoord op een vraag van [A] heeft mr. Biesma aangegeven dat de kosten voor rekening van de in de ongelijk te stellen partij komen. Van beschuldigingen en verwijten aan het adres van [A] is geen sprake geweest. Wel heeft hij benadrukt dat medewerking van [A] in het belang was voor haar zaak. [A] zou dat als vermanend hebben kunnen ervaren, aldus nog steeds mr. Biesma. 3De beoordeling 3.1. Op grond van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) kan op verzoek van een partij een rechter die een zaak behandelt worden gewraakt indien sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Dit is slechts anders als zich uitzonderlijke - door verzoeker aan te voeren - omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens één van partijen een vooringenomenheid koestert, tenminste dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Verder bepaalt artikel 37 Rv dat een verzoek tot wraking moet worden gedaan zodra de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden aan verzoeker bekend zijn geworden. Met inachtneming van voormelde criteria overweegt de wrakingskamer het volgende. 3.2. De door [A] in haar wrakingsverzoek gestelde feiten en omstandigheden waren al tijdens de comparitie van 6 juni 2013 bekend. Het had dan ook voor de hand gelegen dat [A] tijdens of kort na die zitting haar verzoek zou hebben ingediend. De wrakingskamer acht het echter begrijpelijk dat het formuleren en indienen van een wrakingsverzoek enig beraad vergt. Dit geldt te meer nu [A] haar eigen verdediging voert in de hoofdzaak. Naar het oordeel van de wrakingskamer heeft [A] in dit geval haar verzoek dan ook tijdig ingediend, zodat [A] daarin zal worden ontvangen. De wrakingskamer zal hierna de door [A] aangedragen gronden voor haar wraking van mr. Biesma afzonderlijk bespreken. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.