vonnis RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling privaatrecht Locatie Leeuwarden zaaknummer / rolnummer: C/17/121471 / HA ZA 12-239 Vonnis in incident tot tussenkomst van 6 februari 2013 (bij vervroeging) in de vrijwaringszaak van [A], wonende te [plaats], eiser in vrijwaring, verweerder in het incident tot tussenkomst, advocaat mr. A.J. Boonstra, kantoorhoudende te Groningen, tegen [B], wonende te [plaats], gedaagde in vrijwaring, eiser in het incident tot tussenkomst, advocaat mr. E.H. Elgersma, kantoorhoudende te Steenwijk. Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.
- De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding; - de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring; - de incidentele conclusie van antwoord; - het vonnis in incident van de rechtbank Leeuwarden van 14 november 2012 waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd; - de incidentele conclusie tot tussenkomst in de hoofdzaak tevens conclusie van antwoord in vrijwaring van de zijde van [B]; - de conclusie van antwoord in het incident tot tussenkomst van de zijde van [A]. 1.
- De Wet Herziening Gerechtelijke Kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum tezamen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De zaak wordt daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald in het incident tot tussenkomst.
- Het incident en de beoordeling daarvan 2.
- [B] vordert in het incident dat hij als tussenkomende partij wordt toegelaten tot de hoofdzaak met het zaak-/ rolnummer 118862 / HA ZA 12-87 in de procedure tussen [C] (eiseres in de hoofdzaak) en [A] (gedaagde in de hoofdzaak). [B] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij recht en belang heeft bij tussenkomst in voornoemde hoofdzaak. 2.
- [A] voert verweer met conclusie tot afwijzing van de incidentele vordering van [B], dan wel tot niet-ontvankelijk verklaring van [B] in zijn vordering, met veroordeling van [B] in de kosten van het incident. [A] voert aan dat [B] - kort gezegd - onderhavig incident in de hoofdzaak had moeten opwerpen. 2.
- De rechtbank overweegt als volgt. Voorop staat dat ingevolge artikel 217 Rv een ieder die een belang heeft bij een tussen partijen aanhangig geding, kan vorderen zich daarin te mogen voegen of daarin te mogen tussenkomen. In artikel 218 Rv is bepaald dat deze vordering wordt ingesteld bij incidentele conclusie vóór of op de roldatum waarop de laatste conclusie in het aanhangige geding wordt opgenomen. Artikel 219 Rv geeft aan welke gegevens de conclusie moet vermelden. Het verweer van [A] slaagt in die zin dat [B] zijn opgeworpen incident tot tussenkomst had moeten opwerpen in de hoofdzaak met het zaak-/ rolnummer 118862 / HA ZA 12-
- Sprake is immers van twee afzonderlijke procedures. Nu [B] het incident heeft opgeworpen in de vrijwaringszaak heeft [C], eiseres in de hoofdzaak, zich hierop niet kunnen uitlaten en wordt zij in haar belangen geschaad. De rechtbank zal [B] dan ook niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek. 2.
- Nu [B] nodeloos een incidentele procedure is gestart, zal de rechtbank hem in de kosten van die procedure veroordelen. Deze kosten worden begroot op een bedrag van EUR 452,-- aan de zijde van [A].
- De beslissing De rechtbank in het incident 3.
- verklaart [B] niet-ontvankelijk in zijn verzoek; 3.
- veroordeelt [B] in de kosten van het incident, aan de zijde van [A] tot op heden begroot op € 452,00; in de vrijwaringszaak 3.
- bepaalt dat de zaak op de rol zal komen van 20 februari 2013 voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een comparitie; 3.
- houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Biesma en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2013.?