vonnis RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling privaatrecht Locatie Leeuwarden zaaknummer / rolnummer: C/17/123517 / HA ZA 12-353 Vonnis in incident van 27 maart 2013 in de zaak van [A], wonende te [plaats], eiseres tot verificatie, eiseres in het incident, hierna ook te noemen: [A], advocaat mr. C.H.J. van der Maas, kantoorhoudende te Haren, tegen [B], in zijn hoedanigheid van de bewindvoerder in de wettelijke schuldsaneringsregeling van [C en D], zaakdoende te [plaats], verweerder tot verificatie, verweerder in het incident, hierna ook te noemen: de bewindvoerder, advocaat mr. H. Boonk, kantoorhoudende te Rotterdam.
- De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - het proces-verbaal van de verificatievergadering in de wettelijke schuldsaneringsregeling van [C] en [D] de dato 8 november 2012; - de beslissing van de rechter-commissaris tot verwijzing van partijen naar de renvooiprocedure; - de incidentele conclusie / verzoek tot doorverwijzing naar arbitrage; - de conclusie van antwoord in het incident. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald in het incident. 1.
- De Wet herziening gerechtelijke kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum tezamen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De zaak wordt daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland.
- De feiten 2.
- Tijdens de op 8 november 2012 gehouden verificatievergadering heeft de bewindvoerder de door [A] ingediende vordering betwist. De rechter-commissaris heeft tussen [A] en de bewindvoerder geen minnelijke regeling kunnen bewerkstelligen, waarna partijen op de voet van artikel 122 van de Faillissementswet ( Fw) zijn verwezen naar de rol van 19 december 2012 voor een renvooiprocedure. 2.
- De rechter-commissaris heeft tijdens voornoemde verificatievergadering bij zijn beslissing om het verificatiegeschil te verwijzen naar de rechtbank overwogen dat ten aanzien van de arbitrageprocedure tussen Maas Shipyard Hoogezand B.V. en de bewindvoerder, gelet op de cessie en het faillissement van Maas Shipyard Hoogezand B.V., geen toepassing kan worden gegeven aan artikel 29 Fw.
- Het geschil in het incident 3.
- [A] vordert het verificatiegeschil te renvooieren naar de arbiters van TAMARA. Tevens vordert [A] de bewindvoerder te veroordelen in de kosten van het incident. [A] stelt hierbij dat de rechter-commissaris abusievelijk, althans ten onrechte heeft overwogen dat gelet op de cessie en het faillissement van Maas Shipyard Hoogezand B.V. geen toepassing kan worden gegeven aan artikel 29 Fw. 3.
- De bewindvoerder voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
- De beoordeling in het geschil 4.
- De rechtbank verstaat dat [A] een beroep op onbevoegdheid doet wegens een overeenkomst tot arbitrage op grond van artikel 1022 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). 4.
- De rechtbank passeert het verweer van de bewindvoerder dat [A] in plaats van de ingestelde incidentele vordering in te dienen, op grond van artikel 315 lid 1 Fw hoger beroep had moeten instellen. De verwijzing door de rechter-commissaris op grond van artikel 122 FW is geen beschikking in de zin van artikel 67 lid 1 Fw of 315 lid 1 Fw. De rechtbank is derhalve van oordeel dat [A], door geen beroep in te stellen, haar recht niet heeft verwerkt om in de onderhavige procedure een exceptie van onbevoegdheid op te werpen. 4.
- De rechter-commissaris heeft overwogen dat ten aanzien van de arbitrageprocedure tussen Maas Shipyard Hoogezand B.V. en de bewindvoerder, gelet op de cessie en het faillissement van Maas Shipyard Hoogezand B.V., geen toepassing kan worden gegeven aan artikel 29 Fw. Partijen verschillen van mening of dit standpunt van de rechter-commissaris juist is geweest. Partijen verschillen klaarblijkelijk niet van mening over het gegeven dat tussen Maas Shipyard Hoogezand B.V. en de bewindvoerder een overeenkomst tot arbitrage is gesloten en dat de vordering van Maas Shipyard Hoogezand B.V. gecedeerd is aan [A]. Maas Shipyard Hoogezand B.V. heeft de vaststelling van haar vordering reeds voorgelegd aan de arbiters van TAMARA. Deze arbitrage is op grond van artikel 313 jo. 29 Fw geschorst om alleen dan voortgezet te worden indien de verificatie van de vordering wordt betwist. De rechtbank is van oordeel dat artikel 29 Fw ook op aanhangige arbitrale procedures van toepassing moet worden geacht. Nu de bewindvoeder de vordering van Doesburg bij de verificatie heeft betwist, had dit moeten leiden tot een voortzetting van de arbitrale procedure. Dat de vordering van Maas Shipyard Hoogezand B.V. gecedeerd is naar [A] doet daar niet aan af. Uit vaste literatuur en jurisprudentie blijkt immers dat de cessionaris en de debitor-cessus op grond van artikel 6:145 BW respectievelijk 6:142 BW gebonden zijn aan de tussen de cedent en debitor-cessus tot stand gekomen overeenkomst tot arbitrage met betrekking tot de vordering die is overgedragen (zie ook HR 2 november 1933, NJ 1934, p. 302). 4.
- Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de rechtbank zich op grond van artikel 1022 Rv onbevoegd verklaren. 4.5 De bewindvoerder zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld, zoals hieronder nader zal worden aangegeven.
- De beslissing De rechtbank: in de hoofdzaak en in het incident 5.
- verklaart zich onbevoegd om van het verificatiegeschil tussen [A] en de bewindvoerder kennis te nemen; 5.
- veroordeelt de bewindvoerder in de proceskosten, aan de zijde van [A] tot op heden begroot € 452,00 in de kosten van het incident aan salaris advocaat en op € 267,00 aan vast recht; 5.
- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Biesma en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2013.?