vonnis RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling privaatrecht Locatie Leeuwarden zaaknummer / rolnummer: C/17/119270 / HA ZA 12-111 Vonnis van 27 maart 2013 in de zaak van 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid UNIEKAAS NEDERLAND B.V. CS, gevestigd te Veenendaal, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid UNIEKAAS CASTRICUM B.V., gevestigd te Castricum, eiseressen, advocaat mr. H.E.C.A. Vlasman te Laren, tegen [A], wonende te [woonplaats], gedaagde, advocaat mr. W.M. Sturms te Leeuwarden. Partijen zullen hierna Uniekaas c.s. en [A] genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding; - de conclusie van antwoord; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek; - de brief van 26 november 2012; - het proces-verbaal van het pleidooi van 31 januari 2013. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 1.3. De Wet herziening gerechtelijke kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum tezamen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De zaak wordt daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland. 2. De vaststaande feiten 2.1. Uniekaas c.s. is een onderneming die zich heeft toegelegd op de groothandel in im- en export alsmede op- en overslag van zuivelproducten. Uniekaas c.s. had tot een reorganisatie de rechtsvorm van een vereniging. De vereniging is opgegaan in Uniekaas Holding B.V. 2.2. [A] was met ingang van 1 november 1999 tot 10 augustus 2005 als landenmanager in dienst bij Uniekaas c.s. 2.3. Met ingang van 1 januari 2001 is [A] - in dienst van Uniekaas c.s. - betrokken geweest bij de reorganisatie van één van de leden van de vereniging, zijnde Van Tol Cheese. 2.4. Van Tol Cheese is uiteindelijk omgezet, althans geïntegreerd, in de nieuw opgerichte Spaanse vennootschap, zijnde SLU Queserias y Productos Lacteos S.L. (hierna te noemen: Queserias). Aandeelhouder van Queserias was Uniekaas Holding. 2.5. Op 10 augustus 2005 hebben Uniekaas International B.V., Uniekaas Holding, Uniekaas Castricum, [A] Trust B.V., [A] en Queserias een "Share Purchase Agreement" ondertekend. Ingevolge deze overeenkomst heeft [A] Trust, waarvan [A] directeur-grootaandeelhouder is, tegen een bedrag van € 150.000,- de aandelen in Queserias van Uniekaas International gekocht. Eind 2005 zijn de aandelen in Queserias aan [A] Trust geleverd. 2.6. Op 10 augustus 2005 hebben Queserias, vertegenwoordigd door [A], en Uniekaas Castricum, vertegenwoordigd door Uniekaas International en de heer [B], een "Exclusive Distribution Agreement" (hierna te noemen: de distributieovereenkomst) gesloten. Overeengekomen is - voor zover van belang - dat Uniekaas Castricum Queserias aanwijst als de enige en exclusieve groothandelaar in Spanje en Portugal voor de promotie, distributie en verkoop van de producten van Uniekaas Castricum en dat Queserias Uniekaas Castricum binnen 60 dagen na de vrachtbrief zal betalen voor de geleverde producten. 2.7. Op 31 augustus 2005 hebben Uniekaas Castricum en Queserias een overeenkomst van geldlening met achterstelling gesloten. Op grond van deze overeenkomst heeft Uniekaas Castricum aan Queserias een geldlening ten bedrage van € 150.000,- verstrekt. Daarbij is overeengekomen dat Queserias in twintig kwartaaltermijnen van € 7.500,- elk, voor het eerst op 30 juni 2006 en vervolgens aan het einde van ieder volgend kalenderkwartaal, de geldlening zal aflossen. 2.8. Uniekaas heeft Queserias meerdere malen kaas geleverd. 2.9. Bij brief van 6 oktober 2006 heeft de heer [C], financieel manager bij Uniekaas International, [A] het volgende - voor zover van belang - geschreven: "De belangrijkste reden waarom Uniekaas besloten heeft het krediet niet verder te laten oplopen is op basis van het niet nakomen van afspraken door Queserias. Uniekaas heeft zich altijd zeer loyaal naar Queserias opgesteld door een betalingstermijn van langer als 60 dagen te accepteren. Contractueel moet er binnen 60 dagen betaald zijn. Er is geen onbeperkt limiet, maar een limiet dat gelijk is aan de openstaande facturen met een factuurdatum niet ouder dan 60 dagen. (…) Vanaf januari 2006 t/m vandaag hebben wij regelmatig contact gehad over betalingen. Het uitstaande saldo is opgelopen van € 1.000.000 naar € 1.400.000 plus een lening van € 150.000. (…) Op 15 september 2006 was het uitstaand saldo naar € 1.400.000 opgelopen." 2.10. Uniekaas Castricum heeft Queserias in kort geding gedagvaard in verband met het niet nakoming door Queserias van de verplichting tot het aflossen van de aan haar door Uniekaas Castricum verstrekte geldlening. Bij vonnis in kort geding van 6 februari 2008 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden verstek verleend aan Queserias en haar onder meer - voor zover van belang - veroordeeld tot betaling aan Uniekaas Castricum van een bedrag van € 144.556,02, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 november 2007 tot aan de dag van algehele betaling en tot betaling van de kosten van het geding. 2.11. Ingevolge een in kort geding tussen Uniekaas c.s. en Queserias gewezen arbitraal vonnis van 8 april 2008 is Queserias veroordeeld tot onder meer - namelijk voor zover van belang - betaling aan Uniekaas c.s. van een bedrag van € 1.200.000,- uit hoofde van de tussen partijen gesloten distributieovereenkomst, te vermeerderen met de overeengekomen rente over dit bedrag vanaf 60 dagen na 21 oktober 2006. 3. Het geschil 3.1. Uniekaas c.s. heeft gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [A] veroordeelt: 1. tot betaling aan Uniekaas Castricum van een bedrag van € 169.438,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2010 tot de datum der algehele voldoening; 2. tot betaling aan Uniekaas c.s. van een bedrag van € 1.250.180,38, te vermeerderen met de overeengekomen rente (euribor + 3,5%), vanaf 60 dagen na 21 oktober 2006 tot de datum der algehele voldoening; 3. in de kosten van de door Uniekaas c.s. ten laste van [A] gelegde beslagen ten bedrage van € 3.753,49; 4. in de proceskosten van het geding te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, en, indien voldoening binnen die termijn niet plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rent over deze kosten vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis. 3.2. [A] heeft verweer gevoerd. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling Toepasselijk recht 4.1. Aan de orde is in de eerste plaats de vraag naar welk recht de door Uniekaas c.s. ingestelde vorderingen dienen te worden beoordeeld. Uniekaas c.s. heeft zich op het standpunt gesteld dat Nederlands recht van toepassing is, terwijl [A] zich op het standpunt heeft gesteld dat Spaans recht van toepassing is. 4.2. Uniekaas c.s. heeft ter onderbouwing van haar standpunt - kort samengevat - aangevoerd dat zij [A] heeft aangesproken op (een species van) onrechtmatige daad. Volgens Uniekaas c.s. is niet met zekerheid vast te stellen vanaf wanneer de gedragingen van [A] als onrechtmatig kunnen worden aangemerkt. Uitgaande van de toepasselijkheid van Verordening EG nr. 864/2007 (hierna te noemen: Rome II) is het recht van het land van toepassing waar zich de schade voordoet. Omdat Uniekaas c.s. in Nederland is gevestigd en in Nederland kantoor houdt, doet zich de schade voor in Nederland en is Nederlands recht van toepassing. Ook op grond van artikel 10:159 BW en de Wet Conflictenrecht Onrechtmatige Daad (WCOD) is Nederlands recht van toepassing. Subsidiair heeft Uniekaas c.s. aangevoerd dat op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomsten Nederlands recht van toepassing is en dat de bestuurder van Queserias, [A] Trust, een in Nederland gevestigd bedrijf is, dat is onderworpen aan de Nederlandse wetgeving. 4.3. [A] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt - kort samengevat - aangevoerd dat Rome II in het onderhavige geval niet van toepassing is, waardoor ook de verwijzing naar artikel 10:159 BW niet opgaat. Evenmin zijn de uitzonderingen van artikel 3, lid 1 en artikel 5 van de WCOD van toepassing. Volgens [A] is in dit geval op grond van de Wet Conflictenrecht Corporaties (WCC) Spaans recht van toepassing. 4.4. De rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat het vermeende onrechtmatige handelen heeft plaatsgevonden in 2005 en 2006. Omdat Rome II enkel van toepassing is op schadeveroorzakende gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan na 11 januari 2009, is Rome II in het onderhavige geval niet van toepassing. Evenmin is boek 10 van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing, omdat dit boek in werking is getreden met ingang van 1 januari 2012. Nu Rome II en boek 10 BW niet van toepassing zijn, dient de rechtbank te bepalen hoe de rechtsverhouding tussen partijen in dezen aan de hand van het Nederlandse commune internationaal privaatrecht dient te worden gekwalificeerd, waarbij de rechtbank rekening dient te houden met de relevante feiten en omstandigheden van het geval. Met betrekking tot de toepasselijkheid van de WCC overweegt de rechtbank dat het in het onderhavige geval gaat om de persoonlijke aansprakelijkheid van [A]. Gelet op de tekst van artikel 3, aanhef en onder e van de WCC en gelet op de totstandkomingsgeschiedenis daarvan, ziet het artikel niet op persoonlijke aansprakelijkheden, zodat de WCC in het onderhavige geval niet van toepassing is. Met betrekking tot de toepasselijkheid van de WCOD overweegt de rechtbank het volgende. Ingevolge artikel 3, lid 1 van de WCOD worden verbintenissen uit onrechtmatige daad in beginsel beheerst door het recht van de Staat op welks grondgebied de onrechtmatige daad plaatsvindt, zijnde de lex loci delicti-regel. De rechtbank is van oordeel dat er in het onderhavige geval echter aanleiding is om aansluiting te zoeken bij de in artikel 5 van de WCOD geformuleerde uitzondering. In dit artikel is bepaald dat indien een onrechtmatige daad nauw verbonden is met een tussen dader en benadeelde bestaande of gewezen rechtsverhouding, in afwijking van de artikelen 3 en 4 van de WCOD op de verbintenis uit onrechtmatige daad het recht kan worden toegepast dat die andere rechtsverhouding beheerst. De rechtbank is van oordeel dat op grond van dit artikel de door Uniekaas c.s. ingestelde vorderingen dienen te worden beoordeeld naar Nederlands recht. Daartoe wordt het volgende overwogen. Uitgangspunt is dat Uniekaas c.s. in Kaatsheuvel was gevestigd, derhalve in Nederland. Voorts overweegt de rechtbank dat partijen zowel in de Share Purchase Agreement als in de overeenkomst van geldlening met achterstelling zijn overeengekomen dat daarop Nederlands recht van toepassing is, dat het vermeende onrechtmatig handelen door [A] nauw verbonden is met de vorengenoemde overeenkomsten en de distributieovereenkomst en dat de vennootschap van [A], te weten [A] Trust, die bestuurder was van Queserias, een vennootschap naar Nederlands recht is. Op basis van deze omstandigheden - afgezet tegen de enkele omstandigheid dat [A] destijds in Spanje woonachtig was -, is de rechtbank van oordeel dat Nederlands recht van toepassing is. Daarmee komt de rechtbank toe aan een inhoudelijke behandeling van de vorderingen op grond van Nederlands recht. Onrechtmatige daad 4.5. Uniekaas c.s. heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat [A] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld - kort samengevat - gesteld dat [A] kan worden verweten dat hij heeft bewerkstelligd of heeft toegelaten dat de door hem bestuurde vennootschap Queserias de verplichtingen uit een door haar aangegane overeenkomst niet is nagekomen, waardoor Uniekaas c.s. schade heeft geleden. Volgens Uniekaas c.s. bestaan er concrete omstandigheden op grond waarvan geoordeeld kan worden dat de verwijten aan [A] voldoende ernstig zijn om hem persoonlijk aan te spreken. Subsidiair heeft Uniekaas c.s. gesteld dat [A] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld, omdat hem betalingsonwil dan wel selectieve wanbetaling kan worden verweten. Queserias heeft ervoor gekozen andere crediteuren te voldoen, te investeren in andere projecten dan wel een managementfee aan zichzelf uit te betalen. Ondanks diverse aanmaningen en de gewezen vonnissen heeft Queserias, met uitzondering van drie betalingen ten bedrage van in totaal € 25.135,08, geen verdere betalingen verricht. 4.6. [A] heeft - kort samengevat - ten verwere aangevoerd dat Uniekaas c.s. onvoldoende heeft gesteld om [A] op grond van onrechtmatig handelen aansprakelijk te kunnen stellen voor de door haar geleden schade. Voor zover er een verwijt kan worden gemaakt aan [A], stuit de vordering van Uniekaas c.s. af op het feit dat Uniekaas c.s., ondanks dat zij wist van de moeilijke financiële positie, is doorgegaan met leveranties. 4.7. De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat het verwijt dat [A] wordt gemaakt betrekking heeft op zijn aansprakelijkheid als (middellijk) bestuurder van Queserias. De vraag die in dat verband allereerst moet worden beantwoord, is of [A] een persoonlijk en ernstig verwijt kan worden gemaakt van het door Queserias niet nakomen van verplichtingen jegens Uniekaas c.s. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. 4.8. Slechts onder (zeer) bijzondere omstandigheden kan worden aangenomen dat een bestuurder van een vennootschap persoonlijk jegens derden aansprakelijk is voor de schulden van de vennootschap. In zijn arrest van 8 december 2006, LJN: AZ0758 (Ontvanger/Roelofsen), heeft de Hoge Raad beslist dat in geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zal zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.