RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Bestuursrecht locatie Leeuwarden procedurenummer: AWB LEE 11/1677 uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 26 maart 2013 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, gemachtigde [gemachtigde eiser], en de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Emmen, verweerder, gemachtigde [gemachtigde verweerder]. Procesverloop Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2007 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [nummer].H.77) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, vastgesteld op een verschuldigde belasting en premie (na verrekening van voorheffingen en eerdere (voorlopige) aanslagen) van € 49.956. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 21 juni 2011 de navorderingsaanslag gehandhaafd. Eiser heeft daartegen bij brief van 20 juli 2011, ontvangen bij de rechtbank op 21 juli 2011, beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2011 te Leeuwarden. Met instemming van partijen is de procedure met nummer [nummer] daar gelijktijdig behandeld. Partijen zijn daar vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar. Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Bij brief van 8 maart 2012 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat zij het onderzoek heeft heropend en de zaak heeft verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank. Bij brief van 13 april 2012 heeft de rechtbank aan eiser nadere vragen gesteld. Bij brief van 10 mei 2012 heeft eiser deze vragen beantwoord. Bij brief van 26 juni 2012 heeft de rechtbank partijen gevraagd een reactie te geven over de in het geding zijnde kwestie. Eiser heeft hierop gereageerd bij brief van 20 juli 2012 en verweerder bij brief van 3 augustus 2012. Daarna heeft eiser nog een nadere reactie gegeven bij brief van 19 november 2012. Van de hiervoor genoemde brieven zijn telkens afschriften aan de andere partij gezonden. De rechtbank heeft voormelde brieven tot de gedingstukken gerekend. Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gebleven. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. De Wet Herziening Gerechtelijke Kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum tezamen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De zaak wordt daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland. Motivering Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast: 1.1 Eiser is geboren op [datum] 1964 en woont samen met [vriendin]. 1.2 Eiser heeft zich na zijn studie in 1987 gevestigd in [buitenland] en heeft daar tot medio 1997 gewoond en gewerkt. Vanaf medio 1997 zijn eiser en zijn, onder 1.1 vermelde, vriendin weer woonachtig in Nederland. Eiser heeft een deel van zijn tot dan toe opgebouwde vermogen ondergebracht bij banken in Zwitserland. Eiser heeft vanaf dat moment bankrekeningen aangehouden bij de volgende banken in Zwitserland en Zuid-Afrika: - ING Zwitserland, rekeningnummer [nummer] - Credit Suisse Zwitserland, rekeningnummer [nummer] - ABN AMRO Zwitserland, rekeningnummer [nummer] - Mourgue d'Algue et Cie Zwitserland, rekeningnummer [nummer] - Zuid-Afrikaanse Standard Bank Engeland, rekeningnummer [nummer] 1.3 Over de onder 1.2 vermelde bankrekeningen heeft eiser op schriftelijke vragen van de rechtbank in een brief van 10 mei 2012 - onder meer - het volgende geschreven: "ING Zwitserland, rekeningnummer [nummer] 1. Dit betreft een rekening-courant met beleggingsrekening. 2. De tegoeden bestonden uit: - rekening-courant; - spaarbrief; - ING beleggingsfonds. 3. Er was geen sprake van actief vermogensbeheer door de bank. Credit Suisse Zwitserland, rekeningnummer [nummer] 1. Dit betreft een rekening-courant met beleggingsrekening. 2. De tegoeden bestonden uit: - rekening-courant / safe keeping account; - aandelen Siemens en Ahold (nog in het bezit van belanghebbende); - beleggingsfonds (mix obligaties en aandelen). 3. Er was geen sprake van actief vermogensbeheer door de bank. ABN AMRO Zwitserland, rekeningnummer [nummer] 1. Dit betreft een rekening-courant met beleggingsrekening. Deze rekening is slechts kort aangehouden en daarna 1 op 1 overgegaan naar voornoemde Credit Suisse rekening. 2. De tegoeden bestonden uit: - rekening-courant / safe keeping account; - aandelen Siemens en Ahold (nog in het bezit van belanghebbende); - ABN AMRO beleggingsfondsen. 3. Er was geen sprake van actief vermogensbeheer. Mourque d'Algue et Cie Zwitserland, rekeningnummer [nummer] 1. Dit betreft een rekening-courant. Is overgegaan naar de ABN AMRO rekening. 2. De tegoeden bestonden uit liquiditeiten. 3. Er was geen sprake van actief vermogensbeheer. Zuid Afrikaanse Standard Bank Engeland, rekeningnummer [nummer] 1. Dit betreft een US Dollar account, Euro Optimum account gekoppeld aan een spaar- en depositorekening. 2. De tegoeden bestonden uit liquiditeiten. 3. Er was geen sprake van actief vermogensbeheer.". 1.4 Eiser heeft in zijn aangiften IB/PVV 1997 tot en met 2005, alsmede in zijn aangiften vermogensbelasting (VB) 1998 tot en met 2000 geen inkomsten en/of vermogens aangegeven, die verband houden met de bankrekeningen, zoals vermeld onder 1.2. 1.5 De gemachtigde van eiser heeft bij brief van 3 juli 2009 bij de Belastingdienst Zuidwest/kantoor Breda gemeld dat eiser vermogen heeft in Zwitserland en Zuid-Afrika, waarvan hij geen of onjuist melding heeft gemaakt in de aangiften inkomstenbelasting en/of vermogensbelasting, en doet in deze brief een verzoek om toepassing van de zogenoemde inkeerregeling van artikel 67n van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). 1.6 Bij brief van 14 augustus 2009 heeft verweerder eiser verzocht om nadere informatie te verstrekken. 1.7 Bij brief 12 oktober 2009 heeft de gemachtigde van eiser de gevraagde gegevens verstrekt inzake de bankrekeningen in Zwitserland en Zuid-Afrika. In deze brief heeft de gemachtigde van eiser - onder meer - geschreven: "Van de Mourgue d'Algue et Cie bank te Geneve zijn eveneens beperkt gegevens beschikbaar. Wel is duidelijk dat er Hfl. 200.000 is gestort in 1997 en dat Hfl. 221.204 op 4 juli 2000 is overgeboekt naar de ABN AMRO Bank te Zurich. Tussentijds zijn er geen opnames of stortingen geweest. De ontvangen intrest en dividenden zijn geschat op basis van de beschikbare informatie (zie bijlage, overzicht 31/12/99-04/07/00). Hieruit blijken de opbrengsten en kosten van het eerste halfjaar van 2000. Op 4 juli 2000 is de volledige inhoud van deze rekening (contanten en effecten) overgeboekt naar de ABN AMRO te Zurich. Op deze rekening ziet u Chf 90.603 in contanten binnenkomen. Het restant betrof effecten.". 1.8 Na voorafgaand telefonisch contact heeft verweerder bij brief van 11 december 2009 aan de gemachtigde van eiser verzocht om een akkoordverklaring te retourneren wegens dreigende termijnoverschrijding van de op te leggen navorderingsaanslagen IB/PVV 1997 en 2004 en VB 1998. Deze akkoordverklaring is op 16 december 2009 getekend retour gezonden. 1.9 Op 16 september 2010 heeft verweerder per e-mail aan een collega gevraagd naar de gegevens inzake de erfenis die eiser in verband met het overlijden van zijn ouders heeft gekregen. Op 27 september 2010 heeft deze collega per e-mail de gevraagde gegevens verstrekt. 1.10 Per e-mail van 13 oktober 2010 heeft de gemachtigde van eiser naar verweerder de tekst toegestuurd die gebruikt kan worden voor de bepaling dat eiser zich het recht voorbehoudt bezwaar en/of beroep te kunnen aantekenen tegen de nog op te leggen navorderingsaanslag om (uitsluitend) de bevoegdheid van verweerder te kunnen betwisten om op basis van artikel 16, vierde lid, AWR na te vorderen. 1.11 Na overleg met verweerder en na afstemming met eiser heeft de gemachtigde van eiser op 20 oktober 2010 per e-mail aan verweerder een overzicht gestuurd van de gemaakte afspraken. 1.12 Op 28 oktober 2010 heeft verweerder per e-mail aangepaste berekeningen naar de gemachtigde van eiser gestuurd. De gemachtigde van eiser heeft daarop in een e-mail van 2 november 2010 gereageerd. 1.13 Bij brief van 3 november 2010 heeft verweerder aan de gemachtigde van eiser de vaststellingsovereenkomst toegezonden. In deze overeenkomst is onder meer bepaald: "Onderwerp van deze vaststellingsovereenkomst is de (…) na te vorderen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 1997 tot en met 2005 en de na te vorderen vermogensbelasting 1998 tot en met 2000, alsmede de heffingsrente daarover. (…) Uit praktische overwegingen zijn partijen overeengekomen om het totaal van de hiervoor genoemde bedragen, zijnde € 49.956, als enkelvoudige inkomstenbelasting te heffen in één navorderingsaanslag over het jaar 2007. (…) De enige uitzondering op vorenstaande is het navolgende: partij sub 1 behoudt zich uitdrukkelijk het recht voor om bezwaar en/of beroep te kunnen aantekenen tegen de nog op te leggen navorderingsaanslag IB 2007 met aanslagnummer (…) om (uitsluitend) de bevoegdheid van de inspecteur te kunnen betwisten om op basis van artikel 16, lid 4 AWR na te vorderen in plaats van de periode van 5 jaar op basis van artikel 16, lid 3 AWR (evenredigheidsbeginsel).". 1.14 Bij brief van 15 november 2010 heeft de gemachtigde van eiser de onder 1.13 vermelde vaststellingsovereenkomst, door eiser ondertekend, retour gezonden. 1.15 De navorderingsaanslag IB/PVV 2007 is met dagtekening 11 december 2010 opgelegd en vastgesteld op een verschuldigde belasting en premie (na verrekening van voorheffingen en eerdere (voorlopige) aanslagen) van € 49.956. Geschil 2.1 Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of verweerder gebruik mocht maken van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, AWR. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder bij het opleggen van de navorderingsaanslag voldoende voortvarendheid heeft betracht, en voorts op de vraag of verweerder terecht een beroep heeft gedaan op de werking van de zogenoemde standstill-bepaling, omdat sprake is van bankrekeningen in derde landen. 2.2 Eiser beantwoordt deze vragen ontkennend en verweerder bevestigend. 2.3 Eiser voert hiertoe - kort gezegd - aan dat verweerder, voor zover de navorderingsaanslag betrekking heeft op de vermogensbelasting over de jaren 1998 tot en met 2000 en de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 1997 tot en met 2003, de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, AWR ten onrechte heeft toegepast omdat hij niet voortvarend heeft gehandeld. Met het voorbereiden en vaststellen van de navorderingsaanslag is een langere termijn gemoeid geweest dan op grond van het evenredigheidsbeginsel kan worden aanvaard. Eiser stelt dat de zaak naar zijn mening ruim elf maanden (van 12 oktober 2009 tot 16 september 2010) stil heeft gelegen. Voor zover deze vertraging is te wijten aan het gebrek aan specialistische kennis en de grote hoeveelheid inkeerders, dient deze voor rekening van verweerder te blijven, aldus eiser. De standstill-bepaling van artikel 57, lid 1, EG-Verdrag (EG) geldt volgens eiser niet omdat geen sprake is van "financiële dienstverlening", zodat de navorderingsaanslag in het onderhavige geval dient te worden getoetst aan de redelijke voortvarendheid. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en tot vermindering van de navorderingsaanslag tot € 16.549. 2.4 Verweerder voert ter onderbouwing van zijn standpunt - kort gezegd - aan dat aan de eis van de redelijke voortvarendheid bij de voorbereiding en vaststelling van de navorderingsaanslag is voldaan. Daarbij stelt verweerder zich op het standpunt dat in een situatie waarin sprake is van internationale fraude hem een redelijke termijn moet worden gegund om tot een adequate afwerking van die zaak te komen. In die gevallen is de zaak bij een afwerkingstermijn van ongeveer twee jaren altijd op voortvarende wijze ter hand genomen en afgewerkt. Tussen het moment van inkeren op 3 juli 2009 en de dagtekening van de navorderingsaanslag is één jaar en vijfeneenhalve maand verstreken, waarvan twee maanden zijn veroorzaakt door wachten op nadere informatie van eiser. De verwerkingstijd bij verweerder is derhalve slechts één jaar en drieeneenhalve maand, in welk geval nimmer kan worden gesteld dat de behandeling niet voortvarend genoeg is geweest, aldus verweerder. Daarnaast stelt verweerder dat de periode waarin geen reactie is gekomen ten hoogste negen maanden (van 17 december 2009 tot 16 september 2010) bedraagt. Er is geen sprake van het (bewust) ter zijde leggen van het dossier. De zaak is constant bewaakt, wat blijkt uit de correspondentie inzake het verlengen van de navorderingstermijn (zie 1.8). Gezien de beperkte aanwezigheid van de benodigde specialistische kennis, en gezien de grote stroom inkeerders kan van hem, aldus verweerder, niet worden gevraagd elk verzoek direct in behandeling te nemen. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat in het onderhavige geval geen beroep kan worden gedaan op het ontbreken van de vereiste voortvarendheid, omdat de twaalfjaarstermijn in relatie tot derde landen door de werking van de standstill-bepaling van artikel 57 EG onverkort geldt. 2.5 Ter zitting hebben partijen desgevraagd verklaard in te stemmen met de cijfermatige uitwerking van elkaars standpunten. 2.6 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Beoordeling van het geschil 3.1 Artikel 16, vierde lid, AWR luidt: "Indien te weinig belasting is geheven over een bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen, vervalt, in afwijking in zoverre van het derde lid, eerste volzin, de bevoegdheid tot navorderen door verloop van twaalf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.". 3.2 De onderhavige navorderingsaanslag is, naar tussen partijen niet in geschil is, voor zover deze betrekking heeft op de vermogensbelasting over de jaren 1998 tot en met 2000, en de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 1997 tot en met 2003, opgelegd met gebruikmaking van de zogenoemde verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, AWR. Communautair evenredigheidsbeginsel 3.3 Bij arrest van 11 juni 2009, X en E.H.A. Passenheim-van Schoot, C-155/08 en C-157/08, onder andere gepubliceerd in BNB 2009/222, heeft het Hof van Justitie voor de Europese Gemeenschappen (HvJ EG), onder meer voor recht verklaard: "1) De artikelen 49 EG en 56 EG moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet ertegen verzetten dat, wanneer voor de belastingautoriteiten van een lidstaat spaartegoeden en inkomsten uit deze tegoeden zijn verzwegen en deze autoriteiten geen aanwijzingen over het bestaan ervan hebben op basis waarvan zij een onderzoek kunnen instellen, deze lidstaat een langere navorderingstermijn toepast wanneer deze tegoeden in een andere lidstaat zijn aangehouden dan wanneer zij in eerstgenoemde lidstaat zijn aangehouden. De omstandigheid dat deze andere lidstaat het bankgeheim kent, is in dit opzicht van geen belang.". In punt 47 van dit arrest heeft het HvJ EG overwogen: "Een beperkende maatregel kan evenwel slechts gerechtvaardigd zijn indien hij het evenredigheidsbeginsel eerbiedigt in die zin dat hij geschikt is om het ermee nagestreefde doel te verwezenlijken en niet verder gaat dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken (arrest Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald, punt 28).". 3.4 Naar aanleiding van dit arrest van het HvJ EG heeft de Hoge Raad in zijn arresten van 26 februari 2010, nrs. 43 050bis en 43 670bis, LJN: BJ9092 en LJN: BJ9120, onder meer de volgende regels geformuleerd die in verband met het door het HvJ EG genoemde evenredigheidsbeginsel in acht moeten worden genomen bij het opleggen van een navorderingsaanslag met gebruikmaking van de termijn van artikel 16, vierde lid, AWR: "2.1.1. Uit de verklaring voor recht moet worden afgeleid dat de artikelen 49 en 56 EG zich er niet tegen verzetten dat een lidstaat die niet beschikt over aanwijzingen van het bestaan van spaartegoeden die worden aangehouden in een andere lidstaat, voor de belastingheffing over (inkomsten uit) dergelijke tegoeden een langere navorderingstermijn toepast dan de termijn die geldt voor de belastingheffing in verband met tegoeden in de eigen staat. 2.1.2. Zijn die aanwijzingen er wel, en wordt naar aanleiding daarvan een navorderingsaanslag opgelegd na het verstrijken van de termijn die zou gelden met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in de eigen staat, dan moet de daaruit voortvloeiende beperking van het vrije verkeer worden aanvaard indien de navorderingsaanslag wordt opgelegd met inachtneming van het tijdsverloop dat na het opkomen van de bedoelde aanwijzingen noodzakelijkerwijs is gemoeid met (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.