RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Assen Parketnummer: 18.930020-13 vonnis van de meervoudige strafkamer d.d. 23 april 2013 in de zaak van het openbaar ministerie tegen: [verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende te [woonadres], thans verblijvende in [detentieadres]. Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 9 april
(115)de laptop heb ik gestolen uit een werkbusje, de laptop lag op de bijrijdersstoel, ik heb met een steen uit de bosjes de ruit kapot gemaakt, het navigatiesysteem heb ik ook gestolen en verkocht aan een kennis, het was eigenlijk in ruil voor drugs . Verweer van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit van alle ten laste gelegde feiten en heeft daartoe primair aangevoerd dat het bewijs tegen verdachte onrechtmatig is verkregen, wat tot bewijsuitsluiting moet leiden. Dit beroep is onderbouwd met de daartoe in de pleitnota van de raadsman opgenomen gronden. Kort samengevat komt het verweer van de verdediging er op neer dat op basis van bij de Criminele Inlichtingen Eenheid binnengekomen informatie onvoldoende grond bestond voor een redelijk vermoeden voor de aanwezigheid van een hennepkwekerij in de woning van verdachte en dat daarom niet terecht is binnengetreden in de woning. Dit heeft, zo stelt de raadsman, tot gevolg dat de opsporingsambtenaren niet zonder tussenkomst van een machtiging van de rechter-commissaris hadden mogen overgaan tot het vergaande dwangmiddel van binnentreden in de woning van verdachte. Nu verdachte evenmin toestemming heeft gegeven om een onderzoek in de woning in te stellen, is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en de resultaten van dat onderzoek mogen derhalve niet bijdragen aan het bewijs van de tenlastegelegde feiten. Dit geldt zowel voor de aangetroffen goederen als voor de later afgelegde verklaringen met betrekking tot de hennepkwekerij, de inbraken en het wapenbezit. Voor zover de rechtbank niet tot vrijspraak komt van alle tenlastegelegde feiten, dient het vormverzuim te leiden tot een forse strafreductie. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende. Uit het proces-verbaal van de Politie Drenthe, district Zuidwest, basiseenheid Hoogeveen/Midden-Drenthe met nummer PL033V 2013007282-7, sluitingsdatum 21 februari 2013, blijkt dat in de maand januari 2013 via een informant een melding binnenkwam inhoudende: “In de woning [adres] bevindt zich een hennepkwekerij. De bewoner heet []. [“R”] , die onlangs opgepakt is voor het dealen van cocaïne en heroïne, heeft met deze kwekerij te maken. Er is in het weekeinde van 12-13 januari 2013 geprobeerd deze kwekerij te rippen”. Uit GBA-onderzoek bleek vervolgens dat op het [adres] staat ingeschreven [verdachte]. Op grond van voormelde informatie werd door een hulpofficier van justitie ingevolge artikel 9 van de Opiumwet een machtiging afgegeven om zonder toestemming van de bewoner binnen te treden in de woning van verdachte, aan voornoemd adres, voor doorzoeking en voor de inbeslagneming van: hennepkwekerij. Verbalisanten [] zijn op 29 januari 2013 naar de woning van verdachte gegaan. Na aanbellen werd door de verdachte de deur geopend en heeft verbalisant [] zich als politieambtenaar gelegitimeerd, de reden van hun komst medegedeeld en verdachte de machtiging tot binnentreden getoond. Hierna is krachtens die machtiging binnengetreden in de woning van verdachte. Verdachte was tijdens het binnentreden in de woning aanwezig. Verdachte is de cautie gegeven waarna hij meedeelde dat hij 134 hennepplanten teelde. Verdachte werd vervolgens uitdrukkelijk toestemming gevraagd om zijn woning te doorzoeken. Verdachte heeft die toestemming verleend. Op de verdieping werd een hennepkwekerij aangetroffen. Voorts zijn op aanwijzen van verdachte de overige goederen aangetroffen: het wapen en de munitie en de gestolen goederen, te weten een projector en een laptop. De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor weergegeven CIE informatie voldoende concreet en specifiek was om in samenhang met de aanvullende informatie over [“R”] en de GBA controle van het adres van verdachte de grondslag te kunnen vormen voor een redelijk vermoeden als bedoeld in artikel 9 van de Opiumwet. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het binnentreden in de woning door de politie rechtmatig was en van bewijsuitsluiting geen sprake kan zijn. Dit verweer wordt derhalve verworpen. Hetgeen de rechtbank bewezen acht De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
- hij in de periode van 3 december 2012 tot en met 4 december 2012 te Bovensmilde, gemeente Midden-Drenthe, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een (verenigings)gebouw aan [adres] heeft weggenomen een projector en een geldbedrag, toebehorende aan [aangever 1], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;
- hij op 15 december 2012 te Bovensmilde, gemeente Midden-Drenthe, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een (verenigings)gebouw aan [adres] weg te nemen enig goed van zijn gading, toebehorende aan [aangever 1], en zich daarbij de toegang tot dat gebouw te verschaffen door middel van braak, een ruit van dat gebouw heeft stukgemaakt en (vervolgens) dat gebouw is binnengegaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;
- hij op 29 januari 2013 te Bovensmilde, gemeente Midden-Drenthe, een wapen van categorie III onder 1, te weten een pistool, en munitie van categorie III, te weten een of meer patro(o)n(en), voorhanden heeft gehad;
- hij in de periode van 1 december 2012 tot en met 29 januari 2013, in de gemeente Midden-Drenthe, opzettelijk aanwezig heeft gehad een (grote) hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, te weten 130 hennepplanten, zijnde hennep (telkens) een middel als bedoeld in artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II;
- hij op 24 januari 2013 te Bovensmilde, gemeente Midden-Drenthe, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een auto (bestelauto, merk Ford), staande aan [adres] heeft weggenomen een laptop en een navigatiesysteem, toebehorende aan [aangever 3], waarbij verdachte de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak. De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. De verdachte zal van het subsidiair meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. Kwalificatie Het bewezen geachte levert op: onder 1: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak, strafbaar gesteld bij artikel 310 juncto artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht; onder 2: poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak, strafbaar gesteld bij artikel 310 juncto artikel 311 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht; onder 3: handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet Wapens en Munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55 van die wet. onder 4: handelen in strijd met een in artikel 3 van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11 van die wet; onder 5: diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, strafbaar gesteld bij artikel 310 juncto artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht. Strafbaarheid De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht. Strafmotivering De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking: de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte, de eis van de officier van justitie, het pleidooi van de raadsman van de verdachte, de oriëntatiepunten voor de straftoemeting, de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 13 maart 2013, waaruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake van misdrijven is veroordeeld, alsmede het over verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van Verslavingszorg Noord Nederland (VNN) d.d. 21 maart
- Verdachte is betrokken geweest bij hennepteelt in zijn woning, bij een tweetal inbraken in een buurthuis, bij een diefstal uit een auto. Daarnaast zijn in zijn woning een wapen en munitie aangetroffen. De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals door de officier van justitie gevorderd, passend en geboden is. Benadeelde partij (feiten 1 en 2) De rechtbank acht het causaal verband tussen de bewezen verklaarde inbraak in de periode 3 tot en met 4 december 2012 en de poging tot inbraak op 15 december 2012 en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. Die schade wordt door de rechtbank bepaald op 320 euro, te weten: 150 euro voor schade aan ruiten, 150 euro weggenomen geldbedrag en 20 euro reiskosten. De vordering acht zij tot dit bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en niet onredelijk. De civiele vordering is dan ook gegrond en tot dit bedrag voor toewijzing vatbaar. Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vorderingen, voor dit deel kan de benadeelde partij haar vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Schadevergoedingsmaatregel Met betrekking tot het onder 1 en 2 bewezen verklaarde feit acht de rechtbank de verdachte jegens het slachtoffer [aangever] naar burgerlijk recht tot na te noemen bedrag aansprakelijk voor de schade, die door het strafbare feit is toegebracht. Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36f, 45, 310, 311 van het Wetboek van Strafrecht. Daarnaast heeft de rechtbank gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie. Beslissing van de rechtbank De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1, onder 2, onder 3, onder 4 en onder 5 tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven zijn vermeld, en verklaart de verdachte deswege strafbaar. De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan een gedeelte groot 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. De rechtbank beveelt, dat de voorwaardelijk opgelegde straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd de hierna te vermelden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd. De rechtbank stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte: - zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; - medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d lid 2 van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen. De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte: - zich binnen twee werkdagen na invrijheidstelling meldt bij Verslavingszorg Noord Nederland. Hierna moet hij zich gedurende bepaalde perioden blijven melden zo frequent de reclassering dat nodig acht; - zich zal laten opnemen en laten behandelen in de FPK Assen of een soortgelijke intramurale instelling, zulks ter beoordeling van het NIFP-IFZ, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling zullen worden gegeven voor de maximale duur van twaalf maanden; - na zijn behandeling in de FPK zal meewerken aan verblijf in en begeleiding door een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. De rechtbank geeft opdracht aan de reclassering (VNN) toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden, ingevolge artikel 14d lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [feit 1 en 2] van de som van € 320,-- en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil. De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat zij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten. De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [feit 1 en 2], een bedrag van € 320,-- te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 6 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen. Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter en mrs. E. Läkamp en S. Zwerwer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 23 april 2013, zijnde mr. Zwerwer buiten staat dit vonnis binnen de daartoe gestelde termijn mede te ondertekenen.