beschikking RECHTBANK LEEUWARDEN Sector civiel recht, afdeling insolventie Zaaknummer: R 09/200 Beschikking van 4 juni 2013 naar aanleiding van het verzoek van de bewindvoerder om een bevel ex artikel 356 lid 4 juncto artikel 194 van de Faillissementswet inzake: [A], wonende te [plaats], aan het [adres], hierna te noemen [A].
- De procedure 1.1 Bij vonnis van deze rechtbank van 16 juni 2009 is de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van [A] met benoeming van M. Bergman tot bewindvoerder. Bij vonnis van 17 juli 2012 heeft de rechtbank met betrekking tot [A] de schone lei verleend. Door het verbindend worden van de uitdelingslijst is de schuldsaneringsregeling geëindigd op 28 augustus
- Bij brief van 5 december 2012 heeft de bewindvoerder de rechter-commissaris over het volgende bericht. Na het verbindend worden van de zogeheten slotuitdelingslijst, is de bewindvoerder gestuit op een aan Obvion verpande kapitaalverzekering, afgesloten op naam van [A]. Obvion heeft de bewindvoerder daarover op 31 augustus 2012 geïnformeerd. Deze verzekering maakt onderdeel uit van de hypothecaire lening die Obvion met [A] is aangegaan. Tussen Obvion, [A] en de bewindvoerder bestaat onduidelijkheid, althans is een debat ontstaan inzake de opeisbaarheid van de opbrengst. Obvion heeft de opgebouwde waarde van de kapitaalverzekering alsnog afgekocht waarvoor een bedrag van EUR 9.569,67 is geïncasseerd. In afwachting van de uitkomst van het debat, heeft Obvion de bewindvoerder verzocht dit bedrag te laten vrijvallen aan de boedelrekening. De rechter-commissaris heeft het dossier ter hand gesteld aan de rechtbank. Volgens de rechter-commissaris spitst het debat zich toe op de vraag in hoeverre de opbrengst van de kapitaalverzekering valt te betitelen als een nagekomen bate in de zin van artikel 356 lid 4 jo 194 van de Faillissementswet (Fw). Nu de Hoge Raad bij beschikking van 15 april 2011 (LJN: BP4963) onder meer heeft uitgemaakt, dat de rechtbank bij de procedure inzake een nagekomen bate betrokkenen dient te horen, heeft de rechtbank zowel [A] als Obvion een exemplaar van de brief van 5 december 2012 toegezonden en betrokkenen een termijn verleend om op deze brief te reageren. [A] en Obvion hebben respectievelijk op 14 en op 21 januari 2013 schriftelijk gereageerd. Nadien heeft de rechtbank hij brief van 20 maart 2013 wederom aan betrokkenen een termijn verleend tot 3 april 2013 om zich uit te laten over de vraag of de bewindvoerder voor de vereffening van de kapitaalverzekering wist van het bestaan ervan, cq. de uitkering ervan. De bewindvoerder en Obvion hebben op 27 maart 2013 schriftelijk gereageerd. Van [A] is op 2 april 2013 een schriftelijke reactie ontvangen. 1.
- Beschikking is vervolgens bepaald op heden.
- De standpunten van partijen Het standpunt van de bewindvoerder 2.
- De bewindvoerder is van mening dat de opbrengst ten bedrage van EUR 9.569,67, welk bedrag bij haar op de boedelrekening is gestort, ten gunste dient te komen aan alle schuldeisers, nu dit bedrag dient te worden beschouwd als een nagekomen bate. Op grond van artikel 295 Fw komt de opbrengst volgens de bewindvoerder in ieder geval niet aan [A] toe. Voor zover Obvion meent een pandrecht te hebben, stelt de bewindvoerder zich op het standpunt dat dit recht is komen te vervallen. De bewindvoerder betoogt ten slotte dat vereffening van de opbrengst van de kapitaalverzekering niet mogelijk was als gevolg van het door Obvion gevestigde pandrecht. Het standpunt van Obvion 2.
- Obvion heeft verklaard dat de hypotheek was gekoppeld aan de beleggingsrekening. Weliswaar heeft Obvion nagelaten om de uitwinningsprocedure tijdig op te starten, maar na de verkoop van de woning op januari 2010, heeft Obvion nog wel aangegeven in afwachting te zijn van de uitkering uit hoofde van de verpande kapitaalverzekering. Wel heeft Obvion op 19 februari 2010 bij Reaal Verzekeringen de opgebouwde afkoopwaarde van de verzekering opgevraagd, waarna Obvion de op 26 maart 2010 door Reaal opgegeven waarde ten bedrage van EUR 5.004,56 (fictief) in mindering heeft gebracht op de restschuld. Obvion heeft vervolgens haar verminderde restantschuld begroot op EUR 59.182,23 en deze vordering ter verificatie ingediend bij de bewindvoerder. [A], die volgens Obvion op de hoogte was van de kapitaalverzekering, heeft volgens Obvion bewust verzuimd de bewindvoerder tijdig over de kapitaalverzekering te informeren, terwijl hij gelet op de verplichtingen uit hoofde van de schuldsaneringsregeling wist dat hij de bewindvoerder daarover eerder had moeten informeren. Nadat [A] Obvion op 31 augustus 2012 erover inlichtte dat de kapitaalverzekering nog lopende was, is Obvion alsnog de procedure gestart om de opgebouwde waarde af te kopen. Het standpunt van [A] 2.
- [A] heeft Obvion en de bewindvoerder op 29 augustus 2012 geïnformeerd over de kapitaalverzekering, met dien verstande dat hij hen de vraag heeft voorgelegd hoe daarmee om te gaan. Volgens [A] had Obvion eerder over moeten gaan tot vereffening. Na verkoop van de woning op 15 januari 2010, is het pandrecht volgens [A] komen te vervallen. [A] heeft bepleit dat de opbrengst aan hem dient te worden toegekend.
- De beoordeling 3.
- De rechtbank overweegt dat de kwestie die partijen verdeeld houdt, het beheer of de vereffening van de boedel betreft. Gelet op wat is bepaald in artikel 94 Fw, dient de rechtbank haar beschikking te wijzen in hoogste ressort. De rechtbank merkt allereerst op dat uit de schriftelijke reactie van Obvion blijkt dat Obvion niet langer aanspraak maakt op een haar verleend pandrecht. Voor zover er tussen partijen debat is ontstaan, is dit onderdeel van het debat komen te vervallen. De rechtbank dient uitsluitend te beoordelen of de opbrengst van de kapitaalverzekering valt te betitelen als een nagekomen bate in de zin van artikel 356 lid 4 in verband gelezen met artikel 194 Fw. Daaromtrent overweegt de rechtbank als volgt. 3.
- Van een nagekomen bate is krachtens artikel 194 Fw sprake als is voldaan aan twee criteria. Beoordeeld dient allereerst te worden in hoeverre de opbrengst van de kapitaalverzekering beschouwd moet worden als een bate van de boedel. Vervolgens dient bekeken te worden in hoeverre deze bate de bewindvoerder al dan niet bekend was. is de opbrengst van de kapitaalverzekering een bate van de boedel 3.
- Voor de vraag of er sprake is van een bate van de boedel, heeft hetgeen is bepaald in artikel 295 Fw als uitgangspunt te gelden. In dat artikel staat dat de boedel de goederen van schuldenaar omvat ten tijde van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, alsmede de goederen die hij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt. De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige uitkering uit hoofde van de kapitaalverzekering moet worden beschouwd als een ten tijde van de schuldsaneringsregeling verkregen goed. Dat dit goed is bezwaard was met een pandrecht, doet daar niet aan af. Immers, [A] was gerechtigde met betrekking tot de uitkering van de kapitaalverzekering en verkreeg met de beëindiging van die verzekering tijdens de schuldsaneringsregeling, daarmee een vorderingsrecht terzake, hetgeen een vermogensrecht - en derhalve een goed - betreft in de zin van artikel 3:1 BW. bekendheid van de bewindvoerder met de opbrengst van de kapitaalverzekering 3.
- Voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van een nagekomen bate, is vervolgens van belang of de bewindvoerder ten tijde van de vereffening bekend was met de vordering van [A] op grond van de kapitaalverzekering. Daarover overweegt de rechtbank als volgt. 3.
- Uit de brief van de bewindvoerder van 27 maart 2013 blijkt dat de bewindvoerder na haar benoeming kennis heeft genomen van het feit dat [A] eigenaar was van een woning en voorts dat zij wist dat er sprake was van een bij Reaal Levensverzekeringen afgesloten kapitaalverzekering (naar de rechtbank aanneemt: een kapitaalverzekering eigen woning), waarop een pandrecht was gevestigd ten behoeve van de hypotheekbank Obvion. 3.
- De bewindvoerder moet daarnaast worden geacht op de hoogte te zijn van het feit dat de woning is verkocht tijdens de schuldsaneringsregeling, nu de na de verkoop resterende hypotheekschuld vervolgens door Obvion ter verificatie is ingediend. Op grond daarvan moet de bewindvoerder eveneens geacht worden op de hoogte te zijn van het uit die verkoop voortvloeiende vorderingsrecht van [A] op de uitkering van de kapitaalverzekering. Met de afkoop van de hypotheek kwam immers ook de kapitaalverzekering tot een einde. 3.
- Echter, nu de polis was verpand aan Obvion, mocht de bewindvoerder er naar het oordeel van de rechtbank van uitgaan dat Obvion haar rechten terzake zou uitoefenen alsof er geen schuldsanering was en zich aldus de vrijgekomen waarde van de polis zou toe-eigenen ter verrekening met de restschuld. Dat recht had Obvion immers op grond van artikel 57 Fw. Dit artikel is - via de schakelbepaling van artikel 299 lid 3 Fw - ook van toepassing in schuldsaneringen. Aan de bewindvoerder zou nog kunnen worden tegengeworpen dat zij op grond van artikel 58 Fw - op grond van genoemde schakelbepaling eveneens toepasselijk in schuldsaneringen - Obvion een redelijke termijn had kunnen stellen om tot de uitoefening van haar pandrecht over te gaan ingevolge artikel 58 Fw. Op die manier zou immers spoedig uitsluitsel kunnen worden verkregen of de opgebouwde waarde van de kapitaalverzekering al dan niet ten goede zou komen aan de boedel. Artikel 58 Fw bevat echter geen verplichting terzake van de bewindvoerder maar slechts een bevoegdheid (“De bewindvoerder kan …”) 3.
- Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesproken van ten tijde van de vereffening bekende baten. Het deels tijdens de schuldsaneringsregeling opgebouwde kapitaal uit hoofde van de kapitaalverzekering geldt derhalve als een nagekomen bate in de zin van artikel 356 lid 4 jo 194 Fw. De rechtbank zal bevelen dat deze nagekomen bate ten gunste van de crediteuren dient te komen. BESLISSING de rechtbank: beveelt de bewindvoerder over te gaan tot de vereffening en verdeling van de nagekomen baten ten bedrage van EUR 9.569,67 op de grondslag van de op 28 augustus 2012 verbindend geworden uitdelingslijst. Deze beschikking is gegeven op 4 juni 2013 door mr. H.J. Idzenga, rechter, in tegen¬woordigheid van de griffier. Fn 093