vonnis RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling privaatrecht Locatie Groningen zaaknummer / rolnummer: C/18/148662 / KG ZA 14-164 Vonnis in kort geding van 18 juli 2014 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GASUNIE TRANSPORT SERVICES B.V., gevestigd te Groningen , eiseres, advocaten: mr. M.A. Leijten en mr. A.S. Kadouch, beiden kantoorhoudende te Amsterdam, tegen de vennootschap naar buitenlands recht BRITISCH GAS TRADING LIMITED, gevestigd te Windsor (Verenigd Koninkrijk) , gedaagde, advocaten: mr. R. Schellaars en mr. M. Raas, beiden kantoorhoudende te Amsterdam. Partijen zullen hierna Gasunie en British Gas genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding; de mondelinge behandeling van de zaak, gehouden op 27 juni 2014, en de ten behoeve daarvan op voorhand door partijen overgelegde producties; de pleitnota van de zijde van de Gasunie; de pleitnota van de zijde van British Gas. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Gasunie is de beheerder van het gastransportnet in Nederland. Zij is een zelfstandig opererende dochtervennootschap van N.V. Nederlandse Gasunie, van welke laatstgenoemde vennootschap de aandelen worden gehouden door de Staat der Nederlanden. 2.2. British Gas is de grootste gasleverancier van het Verenigd Koninkrijk. Zij is de dochtervennootschap van het Britse energieconcern Centrica. 2.3. Gasunie en British Gas hebben in 2005 drie gastransportovereenkomsten (hierna: de gastransportovereenkomsten) met elkaar gesloten voor de duur van tien jaren, ingaande in 2008 en eindigende op 30 september 2018. Op grond van deze overeenkomsten mag British Gas gebruik maken van een bepaalde transportcapaciteit op het gastransportnet van Gasunie. Onderdeel van de gastransportovereenkomsten zijn de algemene voorwaarden voor transport van Gasunie (hierna: de condities). De condities luiden - voor zover van belang - als volgt: "6.D.5 GTS [Gasunie; toevoeging voorzieningenrechter] is entitled to amend the content of these general conditions if, in the reasonable judgement of GTS, such amendment is necessary - to avoid, limit and/or remedy inefficiencies in the use or management of the national grid or - to secure or improve the integrity of the national grid or - to secure the reliability of the performance of a service or - to cope with the consequences of abusive contracting or use of a service or - to improve or clarify the wording of these general conditions. 6.D.6. On conclusion of Grid Connection Agreements, GTS is entitled to adjust these general conditions in order to facilitate the implementation of Grid Connection Agreements. 6.D.7 GTS is entitled to amend these general conditions to accommodate the Dutch Network Code and legislation imposing obligations on GTS. Such amendments will have effect from the date the new legislation enters into force. GTS will consult with shipper or ewex prior to the amendments of the general conditions related to this article 6.D.7. 6.D.8 GTS will inform shipper or ewex at least one gas month before the entering into force of a material change pursuant to articles 6.D.5, 6.D.6 of 6.D.7 In case of a change pursuant to article 6.D.5 or 6.D.6 that has a material adverse effect on a shipper 's of ewex 's rights or obligations, shipper or ewex is allowed to terminate one or more agreements within one month from the date of publication of the new version of the general conditions enters into force." 2.4. British Gas heeft de gastransportovereenkomsten bij brief van 21 november 2013 opgezegd. Zij heeft Gasunie in deze brief, waarin British Gas is aangeduid als "BGTL", de gastransportovereenkomsten als "these Agreements" en de condities als "TSC", onder meer bericht: "BGTL terminates these Agreements on the basis of section 6.D.8 of the presently applicable version of the TSC. According to our analysis, the proposed amendments to your TSC - such as the contemplated deletion of the current sections 2.8 and 2.10 as well as amendments to the applicable tariffs - do not follow from the requirements of the Dutch Network Code (and, hence, are not covered by section 6.D.7). (…) (…) the contemplated amendments to your terms and conditions (will) have a material adverse effect on BGTL's rights and obligations. (…)" 2.5. Gasunie heeft British Gas bij e-mailbericht van 22 november 2013 laten weten de opzegging van de gastransportovereenkomsten niet te accepteren. 2.6. Bij brief van 20 december 2013 heeft British Gas Gasunie met betrekking tot de gastransportovereenkomsten onder meer bericht: "(…) BGTL hereby terminates (zegt
- op)the (…) agreements relating to the Open Season 2005 capacities expiring 30 September 2018 (…), as per the end of March 2014 (…)" (…) This termination is based on Articles 6:248 and also (the ratio
- of)6:258 Dutch Civil Code (hereinafter: " DCC "). (…) BGTL's (customers') security of supply is at stake as a result of substantial legislative changes affecting BGTL's contracted long term capacities. In particular, and further tot the amendment in force as of 1 October 2013 of Annex I to Regulation EC 715/2009, BGTL stands to lose (part
- of)its capacity, if it does not use on average 80% of its contracted capacity (the long term 'UIOLI'-principle). Moreover, on 14 October 2013 Regulation (EU) 984/2013 was adopted. As a result of contemplated and premature implementation of this Regulation in the Netherlands (…) BGTL's rights are prejudiced. BGTL incurs significant risk of having stranded capacity where it holds unmatched cross-border capacity and is unable to fully utilize capacities because only bundled products are available. (…). As a result, BGTL is forced to restructure its gas portfolio in order to guarantee the security of supply to its customers. BGTL will be forced to procure (additional) short term capacity not subject to similar restrictions as its long term capacities. This short term capacities comes at significant extra expense. If BGTL would not terminate the Agreements, the anticipated additional costs for necessary additional short term capacities could amount to EUR 9 million per year (i.e. EUR 45 million up to 2018). Moreover, BGTL would likely be forced to sell its non-used capacity at a price significantly below GTS's contract price, as per GTS's applicable tariffs, and could also lose non-used capacity. These altered circumstances are of such nature that GTS cannot expect the continued application of the present contractual arrangements between GTS and BGTL. (…) (…) Hereby, and on the basis of Articles 3:49 and 3:50 DCC, BGTL declares Article 6.D.8 TCs, as sought to be applied by GTS to the present situation, null and avoid." 2.7. British Gas heeft Gasunie bij brief van 27 januari 2014 onder andere geschreven: "BGTL notes that on the basis of Article 6:248 and (the rationale
- of)6:258 Dutch Civil Code a termination (opzegging) can be made by an extrajudicial declaration (buitengerechtelijke verklaring). This is, in fact, what BGTL did in its letter of 20 December 2013." 2.8. British Gas heeft vanaf 1 april 2014 geen gebruik meer gemaakt van de gecontracteerde transportcapaciteit op het gastransportnet van Gasunie. Zij heeft Gasunie vanaf die datum evenmin betaald voor deze transportcapaciteit. 3Het geschil 3.1. Gasunie vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: a. British Gas gebiedt tot nakoming van de gastransportovereenkomsten met onmiddellijke ingang, dan wel binnen een door de voorzieningenrechter redelijk geachte termijn, zulks op straffe van een door British Gas te verbeuren dwangsom van € 20.000,-, althans een door de voorzieningenrechter redelijk geachte dwangsom, voor iedere dag of gedeelte van de dag dat de overtreding van dit gebod voortduurt; British Gas veroordeelt tot betaling van het openstaande bedrag, gelijk aan € 648.797,32, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 15 mei 2014; British Gas veroordeelt in de kosten van het geding, alsmede in de gebruikelijke nakosten (zowel zonder als met betekening), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis. 3.2. British Gas voert gemotiveerd verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Gasunie heeft het volgende aan haar vorderingen ten grondslag gelegd. British Gas is gehouden om de gastransportovereenkomsten na te komen. British Gas heeft deze overeenkomsten weliswaar opgezegd per 1 april 2014, maar deze opzegging is niet rechtsgeldig. British Gas heeft de opzegging aanvankelijk gegrond op artikel 6.D.8 van de condities die onderdeel uitmaken van de gastransportovereenkomsten. Ingevolge dit artikel kunnen de gastransportovereenkomsten in bepaalde gevallen worden opgezegd. De grond die British Gas voor de opzegging van deze overeenkomsten heeft aangevoerd, te weten gewijzigde (Europese) regelgeving, betreft echter niet een opzeggingsgrond in de zin van artikel 6.D.8 van de condities. British Gas heeft de opzegging later gegrond op de artikelen 6:248 en 6:258 BW. Op grond van deze bepalingen bestaat evenmin een opzeggingsbevoegdheid, nu de gewijzigde regelgeving die British Gas aan de opzegging ten grondslag heeft gelegd, geen onvoorziene omstandigheid betreft. In artikel 6.D.7 van de condities is namelijk expliciet voorzien in de omstandigheid dat de condities kunnen worden gewijzigd als gevolg van nieuwe regelgeving. De gewijzigde regelgeving is tevens een voorzienbaar voortvloeisel van de verdere liberalisering van de Europese markt. Bovendien valt ook niet in te zien waarom de gewijzigde regelgeving zo ernstig van aard is, dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de gastransportovereenkomsten niet van British Gas kan worden gevergd. Evenmin valt in te zien waarom de gevolgen van de gewijzigde regelgeving voor rekening van Gasunie dienen te komen. Nu de gastransport-overeenkomsten niet rechtsgeldig zijn beëindigd, dient British Gas ook haar financiële verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomsten na te komen jegens Gasunie. British Gas is uit hoofde van de overeenkomsten nog een bedrag van € 648.797,32 aan Gasunie verschuldigd. British Gas dient tevens de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dit bedrag te betalen. 4.2. British Gas heeft het volgende ten verwere aangevoerd. British Gas is de gastransportovereenkomsten aangegaan om de leverantie aan het gasnet in het Verenigd Koninkrijk en aan haar klanten zeker te stellen. Deze "security of supply" is ernstig onder druk komen te staan door onvoorziene, niet in de gastransportovereenkomsten verdisconteerde, omstandigheden. Sinds oktober 2003 is het "use-it-or-lose-it-beginsel" namelijk van kracht geworden als gevolg van een besluit tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voorwaarden voor toegang tot aardgastransmissienetten (hierna: Verordening 715/2009). Op grond van dit beginsel wordt de lange termijncapaciteit die onder de gastransportovereen-komsten is gegarandeerd aan British Gas, ingetrokken indien zij op jaarbasis minder dan 80% van de gecontracteerde capaciteit benut. British Gas haalt deze bezettingscapaciteit niet altijd, omdat zij een deel van de gecontracteerde capaciteit als reservecapaciteit gebruikt voor bijvoorbeeld noodgevallen of strenge winters. Gelet op de security of supply-verplichting van British Gas, kan zij zich niet permitteren dat de gecontracteerde capaciteit in gevaar komt dan wel onzeker wordt. British Gas wil daarom - ter vervanging van de langere termijncapaciteit die wordt geraakt door het use-it-or-lose-it-beginsel - korte termijncapaciteit inkopen. Indien British Gas de gecontracteerde langere termijncapaciteit zou aanhouden en daarnaast aanvullende korte termijncapaciteit zou moeten inkopen, zou zij geconfronteerd worden met een extra kostenpost van naar schatting 34 miljoen euro. Het voldoen aan de security of supply-verplichting komt tevens in gedrang door de bundelingsregeling die is opgenomen in artikel 20 van de Verordening (EU) Nr. 984/2013 van de Commissie van 14 oktober 2013 tot vaststelling van een netcode met betrekking tot de capaciteitstoewijzingsmechanismen in gastransmissiesystemen en tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 715/2009 van het Europese Parlement en de Raad (hierna: Verordening 984/2013). De gewijzigde regelgeving en de gevolgen daarvan voor British Gas vormen onvoorziene, niet in de gastransportovereenkomsten verdisconteerde, omstandigheden die voldoende basis bieden voor opzegging van deze overeenkomsten. Deze onvoorziene omstandigheden komen niet voor rekening van British Gas. 4.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang van Gasunie bij haar vorderingen reeds volgt uit de omstandigheid dat partijen thans in een impasse verkeren en zij grote (financiële) belangen hebben om hieruit te komen. British Gas heeft ook geen verweer gevoerd tegen het spoedeisend belang van Gasunie bij haar vorderingen. 4.4. De voorzieningenrechter overweegt dat voor toewijzing van de vorderingen van Gasunie in kort geding slechts plaats is, indien aannemelijk is dat de rechter deze vorderingen in een eventueel aanhangig te maken bodemprocedure, op grond van de thans door partijen geponeerde stellingen, zal toewijzen. 4.5. Tussen partijen is niet in geding dat op hun geschil Nederlands recht van toepassing is. 4.6. Partijen verschillen van mening over de vraag of British Gas de gastransport-overeenkomsten al dan niet rechtsgeldig heeft opgezegd per 1 april 2014. De voorzieningenrechter stelt voorop dat duurovereenkomsten voor bepaalde tijd, zoals de gastransportovereenkomsten tussen Gasunie en British Gas, naar Nederlands recht in beginsel niet tussentijds opzegbaar zijn. Partijen kunnen de tussentijdse opzegging van dergelijke overeenkomsten evenwel uitdrukkelijk overeenkomen. Duurovereenkomsten voor bepaalde tijd kunnen daarnaast - ook als dat niet expliciet is overeengekomen - tussentijds door opzegging worden beëindigd, indien zich onvoorziene, dat wil zeggen niet in de overeenkomst verdisconteerde omstandigheden, voordoen, die niet voor rekening van de opzeggende partij komen en die van zo ernstige aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid instandhouding van de overeenkomst tot het overeengekomen tijdstip niet mag verwachten (zie Hoge Raad 21 oktober 1988, NJ 1990, 439). 4.7. De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen in artikel 6.D.8 van de condities hebben voorzien in een contractueel opzegbeding. Op grond van deze bepaling kunnen de gastransportovereenkomsten tussentijds worden beëindigd in geval van wijzigingen in de condities op grond van artikel 6.D.5 of artikel 6.D.6 van deze condities, die een substantieel nadelig effect hebben op de rechten en verplichtingen van de netgebruiker. Artikel 6.D.8 van de condities bevat geen opzeggingsbevoegdheid in geval van de aanpassing van de condities op grond van gewijzigde (Europese) regelgeving als bedoeld in artikel 6.D.7 van de condities. De opzegging van de gastransportovereenkomsten door British Gas, die is ingegeven door gewijzigde (Europese) regelgeving, kan daarom niet, zoals zij aanvankelijk in de brief van 21 november 2013 heeft gedaan, met succes gegrond worden op artikel 6.D.8 van de condities. British Gas heeft bij brief van 20 december 2013 weliswaar de nietigheid van artikel 6.D.8 ingeroepen omdat dit artikel naar haar mening in strijd is met artikel 14 Gaswet, maar zij heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende onderbouwd dat en in welk opzicht artikel 6.D.8 van de condities in strijd zou zijn met artikel 14 Gaswet. 4.8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vragen of artikel 6.D.8 van de condities vernietigbaar is en of de gastransportovereenkomsten al dan niet contractueel opzegbaar zijn in het midden kunnen blijven, nu ook in het geval artikel 6.D.8 van de condities niet van toepassing zou zijn en teruggevallen zou moeten worden op de buitencontractuele gronden voor opzegging, geconcludeerd kan worden dat niet aan de (in rechtsoverweging 4.6. genoemde) vereisten is voldaan, op grond van het navolgende. 4.9. Partijen verschillen van mening over de vraag of de gewijzigde regelgeving een onvoorziene omstandigheid oplevert. De voorzieningenrechter stelt voorop dat ten aanzien van een beroep op onvoorziene omstandigheden terughoudendheid dient te worden betracht (zie onder meer Hoge Raad 20 februari 1998, NJ 1998, 493). De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen in artikel 6.D.7 van de condities onderkend hebben dat toekomstige (Europese) wetgeving van invloed kan zijn op hun rechtsverhouding. De enkele omstandigheid dat er een wetswijziging plaatsvindt of zal plaatsvinden, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet als een onvoorziene omstandigheid in de zin van artikel 6:258 BW worden aangemerkt. Dit geldt temeer nu British Gas een professionele partij is, die bekend moet worden verondersteld met de omstandigheid dat wetgeving (ook in voor haar ongunstige zin) kan veranderen. 4.10. Nog los van het vorenstaande, heeft British Gas naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ook niet aannemelijk gemaakt dat de gewijzigde regelgeving en in het bijzonder het use-it-or-lose-it-beginsel zo ver strekt dat Gasunie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid instandhouding van de gastransportovereenkomsten niet langer mocht verwachten. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt. Volgens het besluit van de commissie van 24 augustus 2012 houdende wijziging van bijlage I bij de Verordening 715/2009, dat British Gas als productie G19 heeft overgelegd, luidt artikel 2.2.5. van bijlage I - voor zover van belang - als volgt: "2.2.5. Mechanisme voor langetermijn-„use-it-or-lose-it” 1. Nationale regulerende instanties eisen van transmissiesysteembeheerders dat zij door een netgebruiker op een interconnectiepunt systematisch onderbenutte gecontracteerde capaciteit geheel of gedeeltelijk intrekken wanneer die netgebruiker zijn ongebruikte capaciteit niet tegen redelijke voorwaarden heeft verkocht of aangeboden en wanneer andere netgebruikers om vaste capaciteit verzoeken. Gecontracteerde capaciteit wordt geacht systematisch onderbenut te zijn, met name wanneer:
- a)de netgebruiker tussen 1 april tot en met 30 september en 1 oktober tot en met 31 maart minder dan gemiddeld 80 % van zijn gecontracteerde capaciteit met een effectieve contractduur van meer dan één jaar gebruikt, waarvoor geen afdoende rechtvaardiging kan worden gegeven, of (…) (…) 4. Intrekking heeft tot gevolg dat de netgebruiker zijn gecontracteerde capaciteit gedurende een bepaalde periode of tijdens de rest van de effectieve contractuele termijn geheel of gedeeltelijk verliest. De netgebruiker behoudt zijn rechten en verplichtingen overeenkomstig het capaciteitscontract totdat de capaciteit door de transmissiesysteembeheerders wordt geheralloceerd en in de mate dat de capaciteit door de transmissiesysteembeheerder niet is geheralloceerd." 4.11. Nog daargelaten dat partijen van mening verschillen over de vraag of Verordening 715/2009 reeds is geïmplementeerd en of British Gas hiervan reeds gevolgen ondervindt of op korte termijn zal ondervinden, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat British Gas onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij op grond van artikel 2.2.5. van bijlage I bij Verordening 715/2009 de security of supply niet dan wel onvoldoende kan garanderen. British Gas heeft weliswaar aangevoerd dat zij minder dan 80% van de gecontracteerde capaciteit benut en dat zij daarom op grond van dit artikel op enig moment capaciteit verliest of zou kunnen gaan verliezen, maar British Gas miskent daarbij dat een (gehele of gedeeltelijke) intrekking van capaciteit ingevolge artikel 2.2.5. lid 1 sub a van bijlage I bij Verordening 715/2009 enkel aan de orde is, indien geen afdoende rechtvaardiging voor de systematische onderbenutting van de gecontracteerde capaciteit kan worden gegeven. Op voorhand valt niet uit te sluiten - sterker nog: lijkt aannemelijk - dat British Gas een voldoende rechtvaardiging heeft voor het niet benutten van de volledige capaciteit. British Gas heeft immers aangevoerd dat zij een reservecapaciteit aanhoudt om ook in noodgevallen of in geval van zeer strenge winters de security of supply te kunnen garanderen. 4.12. Daarnaast heeft te gelden dat het intrekken van de gecontracteerde capaciteit ook niet onverhoeds zal gebeuren, nu - zoals Gasunie heeft gesteld en British Gas onvoldoende gemotiveerd heeft betwist - tegen een besluit tot intrekking een bestuursrechtelijke procedure bij de Autoriteit Consument & Markt zal openstaan dan wel de intrekking in een civiele procedure aan de orde kan worden gesteld. Een regeling hieromtrent moet echter nog worden uitgewerkt. 4.13. Voorts is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in de onderhavige procedure niet aannemelijk geworden dat British Gas het security of supply-beginsel zonder duurovereenkomsten - zoals de gastransportovereenkomsten - beter kan waarborgen dan met dergelijke overeenkomsten. British Gas heeft weliswaar gesteld dat zij bij de intrekking van gecontracteerde capaciteit op grond van het use-it-or-lose-it-beginsel opnieuw de markt op zal moeten om korte termijncontracten af te sluiten teneinde aan haar security of supply-doelstelling te kunnen voldoen en dat de vraag of de gewenste capaciteit voorhanden is onzeker is gelet op de fluctuaties van de vraag en het aanbod op de markt, maar voorshands valt niet in te zien dat deze onzekerheid niet zal bestaan als British Gas niet gebonden zou zijn aan de onderhavige duurovereenkomsten. Zonder deze overeenkomsten is British immers volledig aangewezen op korte termijncontracten en geldt de vorenbedoelde onzekerheid des te meer. 4.14. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is evenmin aannemelijk geworden dat het security of supply-beginsel door het bundelingsvereiste van Verordening 984/2013 in gedrang is gekomen. Dit vereiste houdt volgens British Gas, kort gezegd, in dat vraag en aanbod op interconnectiepunten dienen te matchen. British Gas heeft weliswaar aangevoerd dat zij vreest dat haar ongebundelde transportcapaciteit verloren gaat door het bundelingsvereiste, maar zij heeft de gemotiveerde stelling van Gasunie dat diverse oplossingen voorhanden zijn om deze capaciteit te behouden, niet dan wel onvoldoende weersproken. 4.15. De voorzieningenrechter ziet - nog los van het vorenstaande - overigens ook niet in waarom het nadeel dat British Gas stelt te ondervinden van de gewijzigde regelgeving voor risico van Gasunie dient te komen, in die zin dat Gasunie de gecontracteerde capaciteit van British Gas zou moeten terugnemen en opnieuw zou moeten verkopen. Als onbetwist staat immers vast dat British Gas zelf in de positie is om de capaciteit te verkopen. Zij heeft weliswaar aangevoerd dat het verkooptraject moeizaam zal verlopen in verband met ongunstige marktomstandigheden, maar niet valt in te zien waarom deze ongunstige marktomstandigheden afgewenteld moeten worden op Gasunie. 4.16. Gelet op het vorenstaande luidt de slotsom dat in hoge mate aannemelijk is geworden dat de rechter in een eventueel aanhangig te maken bodemprocedure zal oordelen dat British Gas de gastransportovereenkomsten niet rechtsgeldig heeft opgezegd op grond van artikel 6.D.8. van de condities en de artikelen 6:248 en 6:258 BW en dat British Gas deze overeenkomsten daarom moet nakomen. Hetgeen British Gas ten aanzien van de (proces)houding en de belangen van Gasunie heeft aangevoerd, leidt, wat daar verder ook van zij, niet tot een andere conclusie. Nu gesteld noch gebleken is dat de onmiddellijke nakoming van de gastransportovereenkomsten technisch niet mogelijk is, zal de vordering van Gasunie tot veroordeling van British Gas tot onmiddellijke nakoming van deze overeenkomsten, worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal eveneens worden toegewezen, met dien verstande dat de dwangsom zal worden gemaximeerd tot een bedrag van € 400.000,- en dat - overeenkomstig artikel 611a lid 3 Rv - bepaald zal worden dat de dwangsom eerst na betekening wordt verbeurd. 4.17. Gasunie heeft tevens veroordeling van British Gas gevorderd tot betaling aan haar van het openstaande bedrag uit hoofde van de gastransportovereenkomsten ad € 648.797,32. Nu British Gas - los van de hiervoor besproken verweren - geen afzonderlijk verweer heeft gevoerd tegen deze vordering, zal deze vordering worden toegewezen. Omdat British Gas evenmin verweer heeft gevoerd tegen de gevorderde wettelijke handelsrente over het geldbedrag, acht de voorzieningenrechter deze vordering eveneens toewijsbaar. 4.18. British Gas zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten worden aan de zijde van Gasunie tot op heden vastgesteld op: - griffierecht € 3.829,00 - salaris advocaat 816,00 Totaal € 4.645,00. 4.19. De gevorderde vergoeding van de nakosten en de wettelijke rente over de nakosten zullen worden toegewezen, zoals hierna in de beslissing te melden. 5De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. veroordeelt British Gas tot nakoming van de gastransportovereenkomsten met onmiddellijke ingang, 5.2. veroordeelt British Gas om aan Gasunie een dwangsom te betalen van € 20.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij - na betekening van dit vonnis - niet aan de onder 5.1. uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 400.000,00 is bereikt, 5.3. veroordeelt British Gas tot betaling aan Gasunie van een bedrag van € 648.797,32, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 15 mei 2014 tot de dag der algehele voldoening, 5.4. veroordeelt British Gas in de proceskosten, aan de zijde van Gasunie tot op heden vastgesteld op € 4.645,00, 5.5. veroordeelt British Gas in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat British Gas niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening, 5.6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.7. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Duinkerken en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2014. type: pgm coll: