beslissing RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Locatie Groningen Meervoudige wrakingskamer Zaaknummer / rekestnummer: 150711 / PR RK 14-316 Datum beslissing: 19 september 2014 Beslissing op het verzoek tot wraking ingevolge artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van [naam], die woont in[woonplaats], verzoeker, die zelf procedeert. 1Het procesverloop 1.1 Bij brief van 31 augustus 2014, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op 1 september 2014, heeft [verzoeker] een verzoek tot wraking gedaan van mr. R.Tj. Terpstra, kantonrechter in deze rechtbank. 1.2 Bij brief van 2 september 2014 heeft mr. Terpstra kenbaar gemaakt dat hij niet in het wrakingsverzoek berust. 1.3 Op 12 september 2014 is het wrakingverzoek ter zitting van de wrakingskamer behandeld door mr. B.R. Tromp, voorzitter, en mrs. E.M. Visser en P.G. Wijtsma, leden. 1.4 [verzoeker] is samen met zijn partner ter zitting verschenen en zij hebben aan de hand van een pleitnota een nadere toelichting op het wrakingsverzoek gegeven. Mr. Terpstra is eveneens ter zitting verschenen en heeft aan de hand van een pleitnota toegelicht waarom hij niet in het wrakingsverzoek berust. 1.5 Ten slotte heeft de rechtbank bepaald dat deze beslissing vandaag wordt uitgesproken. 2Het standpunt van [verzoeker] 2.1 legt aan zijn verzoek ten grondslag, samengevat weergegeven en voor zover voor de beoordeling van belang, dat op 26 augustus 2014 een (gevoegde) mondelinge behandeling van een arbeidszaak heeft plaatsgevonden die werd geleid door mr. Terpstra en waarbij hij als vennoot van de werkgeefster was betrokken. [verzoeker] stelt dat mr. Terpstra tijdens die mondelinge behandeling van aanvang af kenbaar maakte dat hij vond dat de werkgeefster een verwijt kon worden gemaakt van het arbeidsgeschil met de werknemer en dat mr. Terpstra daaraan ook de conclusie verbond dat de werkgeefster in ieder geval een bepaalde vergoeding aan de werknemer zou moeten gaan betalen. [verzoeker] stelt verder dat daaruit blijkt dat mr. Terpstra de zaak niet goed had voorbereid en dat hij de zaak daarom ook niet objectief en neutraal heeft behandeld. [verzoeker] stelt bovendien dat mr. Terpstra door tijdens de behandeling kenbaar te maken dat de werkgeefster wat hem betreft hoe dan ook een vergoeding aan de werknemer zou moeten gaan betalen, de onderhandelingspositie van [verzoeker] heeft verzwakt. Volgens [verzoeker] blijkt uit een en ander een ernstige schijn van partijdigheid. [verzoeker] heeft desgevraagd ter zitting toegelicht dat hij na de behandeling op 26 augustus 2014 tijd nodig had om wat er was gebeurd te laten bezinken en zich te bezinnen op de stappen die hij zou kunnen zetten en dat hij daarom enige dagen nodig had voordat hij zijn wrakingsverzoek kon doen. 3Het standpunt van mr. Terpstra 3.1 Mr. Terpstra heeft ter nadere toelichting op zijn standpunt aangevoerd, samengevat weergegeven en voor zover voor de beoordeling van belang, dat het verzoek tot wraking te laat is gedaan en dat er geen relevante schijn van partijdigheid kan zijn ontstaan. Mr. Terpstra stelt dat hij op de wijze die voor een kantonrechter die een arbeidszaak behandeld gebruikelijk is, de zaak ter zitting heeft behandeld door partijen in de gelegenheid te stellen een toelichting te geven op hun standpunten, vragen te stellen en door een voorlopig oordeel te geven dat erop was gericht partijen in de gelegenheid te stellen tot een minnelijke regeling te komen. De behandeling ter zitting is daartoe ook geschorst, maar dat heeft niet tot een minnelijke regeling geleid. Mr. Terpstra stelt verder dat de omstandigheid dat hij ter zitting een voorlopig oordeel geeft over de zaak, op zichzelf genomen geen schijn van partijdigheid met zich kan brengen. 4De beoordeling 4.1 Het gaat in deze zaak, samengevat weergegeven met het oog op een doelmatige bespreking, om het volgende. [verzoeker] is als vennoot van de werkgeefster en daarom als partij, betrokken geweest bij de behandeling van een arbeidszaak. Hij ervaart tijdens de mondelinge behandeling die plaatsvond op 26 augustus 2014, dat de rechter partijdig is en hij wil daarom de rechter wraken. Dat doet hij in zijn op 31 augustus 2014 gedateerde brief die door de rechtbank op 1 september 2014 is ontvangen. Gelet op het tijdsverloop tussen het moment waarop [verzoeker] ervaart dat de rechter volgens hem partijdig is en het moment waarop het wrakingsverzoek is gedaan, staat te beoordelen of [verzoeker] in zijn wrakingsverzoek kan worden ontvangen. 4.2 Artikel 37 lid 1 Rv luidt:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.