vonnis RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling privaatrecht Zittingsplaats Groningen zaaknummer / rolnummer: C/18/143014 / HA ZA 13-229 Vonnis van 13 mei 2015 in de zaak van Mr. JOHAN DANIEL MEERBURG in hoedanigheid van curator in het faillissement van Milieu Logistiek Stadskanaal B.V., woonplaats kiezende te Groningen, eiser, advocaat mr. M.S. de Groene, tegen 1. de besloten vennootschap SITA RECYCLING SERVICES NOORD-OOST B.V., gevestigd te Arnhem, gedaagde, advocaat mr. T.H. Otten, 2. de stichting [stichting] , gevestigd te Assen, gedaagde, advocaat mr. D. Knottenbelt, 3. de maatschap naar burgerlijk recht [maatschap] , gevestigd te Assen, gedaagde, advocaat mr. D. Knottenbelt, 4. [voornaam] [gedaagde 4], wonende te Groningen, gedaagde, advocaat mr. D. Knottenbelt. Eiser zal hierna de curator en gedaagden zullen hierna respectievelijk Sita, de stichting, de maatschap en [gedaagde 4] genoemd worden. De stichting, de maatschap en [gedaagde 4] zullen gezamenlijk de stichting c.s. genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding, de conclusie van antwoord van Sita, de conclusie van antwoord van de stichting c.s., de conclusie van repliek, de conclusie van dupliek van Sita, de conclusie van dupliek van de stichting c.s. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 1.3. Deze zaak is op de voet van artikel 15 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verwezen naar een meervoudige kamer. 2De feiten 2.1. De besloten vennootschap Milieu Logistiek Stadskanaal B.V. (hierna: MLS) hield zich bezig met milieulogistiek: zij zamelde afval in, waarvoor zij betaling ontving, en leverde dit afval vervolgens in bij afvalverwerkers, waarvoor MLS moest betalen. Omdat MLS op haar terrein meer afval had opgeslagen dan op grond van de aan haar verleende milieuvergunning was toegestaan, heeft de provincie in maart 2008 bestuursdwang toegepast met betrekking tot een deel van het opgeslagen afval en daarnaast dwangsommen aangezegd. Het openbaar ministerie heeft tegen MLS en haar bestuurder, de heer [voorletters 1] [naam] (hierna: [naam] ), strafvervolging ingesteld in verband met overtreding van milieubepalingen. Daarnaast had MLS een betalingsgeschil met enkele van haar crediteuren, waardoor zij liquiditeitsproblemen had. 2.2. MLS werd onder andere in 2008 op civiel-, bestuurs- en strafrechtelijk gebied bijgestaan door de maatschap en in het bijzonder door [gedaagde 4] . 2.3. Op 11 juli 2008 sloten MLS (daarbij vertegenwoordigd door [naam] ) en Sita een koopovereenkomst (hierna: de activaovereenkomst) in verband met de koop door Sita van een deel van de activa van MLS voor het totaalbedrag van € 1.500.000,00, waarvan € 585.000,00 voor de vaste activa (het materieel) en € 915.000,00 voor goodwill, handelsnamen, domeinnamen, orderportefeuille en klantenbestand (hierna: de activatransactie). De overdracht heeft op 15 juli 2008 plaatsgevonden. 2.4. Artikel 3.3 van de activaovereenkomst luidt als volgt: ‘Betaling van de Koopprijs zal plaatsvinden op de volgende wijze: a. Een bedrag groot € 500.000,-, ten behoeve van MLS (“Bedrag 1”), in escrow, op de derdenrekening van notariskantoor Dijkstra Jansen Bergman Notarissen te Stadskanaal, te verrichten op rekeningnummer (…) en; b. een bedrag groot € 400,000,-- rechtstreeks aan de Rabobank (“Bedrag 2”), zijnde het schuldbedrag van MLS aan de Rabobank. Zulks te verrichten op rekeningnummer (…) t.n.v. Rabobank Stad en Midden Groningen met als kenmerk MLS. c. Een bedrag groot € 600.000,- op rekening van de [stichting] (“Bedrag 3”), te verrichten op rekeningnummer (…). (…)’ 2.5. De artikelen 3.6 tot en met 3.8 van de activaovereenkomst luiden als volgt: ‘3.6 Bedrag 1 in escrow bij de notaris valt vrij 3 maanden na Overdrachtsdatum, tenzij sprake is van verrekeningen op grond van artikel 6.2, door SITA schriftelijk te melden aan de notaris, naar aanleiding waarvan de notaris deze opgaven verrekend met het eventueel uit te betalen bedrag. 3.7 Ten aanzien van Bedrag 3 komen partijen overeen dat tot de vervaltermijn als vermeld in artikel 3.6 van drie maanden na Overdrachtsdatum, slechts betalingen van de derdenrekening van [maatschap] worden verricht met kennisgeving en instemming van SITA teneinde dwangcrediteuren te voldoen danwel teneinde gerezen handhavingsproblemen met Gedeputeerde Staten van de Provincie Groningen op te lossen. Bij iedere betaling zal [voorletters 1] [gedaagde 4] SITA vooraf voorzien van daartoe bestemde verificatoire bescheiden. 3.8 SITA zal voor MLS diensten verrichten in het kader van de afvoer, overslag en verwerking van afvalstoffen van de locaties van MLS. Betaling van de verschuldigde factuurbedragen hieraan verbonden zullen door MLS onvoorwaardelijk en op eerste verzoek van SITA aan SITA geschieden, na overlegging van een gespecificeerde factuur van de diensten die in dit kader zijn verricht. MLS is gerechtigd deze factuurbedragen te voldoen uit Bedrag 1 en voor zover Bedrag 1 ontoereikend mocht zijn uit Bedrag 3. De notaris als bedoeld in artikel 3.3 en [voorletters 1] [gedaagde 4] zullen door MLS worden geïnstrueerd over de tijdige betaling van facturen van SITA.’ 2.6. Artikel 6.2 van de activaovereenkomst luidt: ‘Indien naar het oordeel van SITA blijkt van een afwijking tussen de overhandigde informatie en de informatie verkregen op de ondertekeningsdatum en/of Overdrachtsdatum, zal SITA zulks omgaand schriftelijk aan MLS mededelen. (…) SITA zal in dat geval gerechtigd zijn om het vastgestelde nadelige verschil te verrekenen met het Bedrag 1 (…).’ 2.7. De bedragen zijn overeenkomstig de bepalingen in de activaovereenkomst betaald door Sita. Van Bedrag 1 is € 238.347,22 aan Sita betaald in verband met het door Sita opruimen/saneren van het bedrijfsterrein van MLS. Op 22 oktober 2008 is het restantbedrag van € 261.652,78 aan MLS uitbetaald. De Rabobank heeft na ontvangst van Bedrag 2 haar zekerheden prijsgegeven. Bedrag 3 is in de periode van 10 juli 2008 tot en met 12 september 2008 als volgt aan schuldeisers betaald: ˗ op 10 juli 2008 zijn op verzoek van [gedaagde 4] betaald de bedragen van o € 74.064,83 aan Afvalsturing Friesland, o € 43.929,11 aan Jager Transport; ˗ op 13 juli 2008 zijn op verzoek van [naam] betaald de bedragen van o € 106.114,41 aan Staainkoeln Groningen, o € 48.560,00 aan PVF, o € 111.224,05 aan AEB, o € 86.630,00 en € 17.121,00 aan Belastingdienst, o € 24.795,87 aan Damsté Advocaten, o € 14.541,07 aan [maatschap] ; ˗ op 28 augustus 2008 zijn op verzoek van [naam] betaald de bedragen van o € 15.500,00 aan ARCG, o € 14.519,00 aan Belastingdienst; ˗ op 29 augustus 2008 is betaald het bedrag van: o € 8.547,78 aan [maatschap] ; ˗ op 12 september 2008 zijn op verzoek van [naam] betaald de bedragen van: o € 13.992,19 en € 5.187,36 aan Lage Landen; o € 8.151,00 en € 8.935,00 aan Belastingdienst. 2.8. Op 31 oktober 2008 liet [naam] via een e-mailbericht aan [gedaagde 4] weten: ‘Zo als het nu lijkt komen wij nogal wat te kort om iedereen netjes te betalen’. 2.9. Op 3 november 2009 is MLS door de rechtbank Groningen failliet verklaard, waarbij mr. A.L. Goederee tot rechter-commissaris is benoemd en mr. J.D. Meerburg tot curator. 2.10. De curator heeft bij brief van 29 november 2010 aan [gedaagde 4] laten weten: 'Op grond van door mij ingesteld onderzoek meen ik dat wijlen de heer [naam] en zijn vennootschappen - en overigens ook nog derden - aansprakelijk gehouden kunnen worden op grond van pauliana en/of onrechtmatig handelen. (…) De Stichting, de [maatschap] , en uzelf zal ik over deze kwestie nog separaat aanschrijven. Het komt mij voor dat u zich misschien dient te beraden op uw positie als raadsman van de erven. In ieder geval beschouw ik het handelen ter zake van alle betrokkenen als paulianeus en/of onrechtmatig.' 3Het geschil 3.1. De curator vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad samengevat -: I. een verklaring voor recht dat de volgende rechtshandelingen paulianeus zijn in de zin van artikel 42 Faillissementswet (hierna: Fw) en rechtsgeldig door de curator zijn vernietigd: a. de tussen Sita en MLS gesloten activaovereenkomst; b. de door de stichting op zich genomen beheersovereenkomst met betrekking tot het bedrag van € 600.000,00; c. de betalingen verricht vanuit het onder de stichting gestorte bedrag van € 600.000,00; d. het samenstel van de rechtshandelingen onder a, b en c. II. een verklaring voor recht dat (het samenstel van) de rechtshandelingen onder b en c nietig zijn in de zin van artikel 3:40 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), dan wel ter zake nietigheid uit te spreken, III. een verklaring voor recht dat met betrekking tot (het samenstel van) de rechtshandelingen onder b en c de maatschap en [gedaagde 4] vereenzelvigd dienen te worden met de stichting, althans dat het handelen van de maatschap en [gedaagde 4] in verband met de rechtshandelingen onder b en c ten opzichte van de boedel als onrechtmatig dient te worden aangemerkt, IV. veroordeling van Sita en de stichting c.s. tot betaling van schadevergoeding en/of restitutie van ontvangsten, nader op te maken bij staat, althans zodanige veroordelingen uit te spreken die de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, met veroordeling van Sita en de stichting c.s. in de kosten van dit geding. 3.2. De curator heeft daartoe aangevoerd dat zowel door de activatransactie als door het beheer door de stichting van gelden en de betalingen door de stichting de schuldeisers zijn benadeeld (pauliana). De benadeling heeft plaatsgevonden doordat de activa zich niet meer in het vermogen van MLS bevinden maar in het vermogen van Sita, terwijl de koopprijs niet direct en onmiddellijk aan MLS is voldaan. Sita heeft, terwijl zij bekend was met de ernstige financiële problemen van MLS, op grond van de activaovereenkomst invloed behouden op de besteding en bestemming van de opbrengst, hetgeen heeft geleid tot een doorbreking van de wettelijke rangorde van schuldeisers (de paritas creditorum). Daarnaast is er sprake van verhaalsbelemmering. Er waren geen roerende zaken meer waarop men zich kon verhalen, terwijl de koopprijs door het beheer van de gelden door de stichting onzichtbaar was gemaakt. [gedaagde 4] , en daarmee de stichting, was volledig bekend met de financiële situatie van MLS. Het gehele bedrag dat de stichting in beheer had, is aan derden betaald. Deze betalingen en de toestemming van Sita daarvoor waren niet in overeenstemming met de in de activaovereenkomst neergelegde voorwaarden en waren derhalve onverplicht. Bovendien zijn de gelden die bij de stichting in beheer waren, niet in overeenstemming met hun bestemming gebruikt. Feitelijk heeft de stichting ten behoeve van MLS gebankierd. 3.3. Sita voert als verweer dat de curator niet-ontvankelijk is in zijn vordering, omdat hij handelt buiten zijn wettelijke bevoegdheid van art. 68 Fw. Verder voert Sita aan dat de vordering is verjaard en om die reden moet worden afgewezen. Ook betwist Sita de (wetenschap van) benadeling. Tot slot verweert Sita zich tegen de uitvoerbaar bij voorraadverklaring en vordert zij veroordeling van de curator in de kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.4. De stichting c.s. concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de curator, althans tot afwijzing van de vorderingen, tot afwijzing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring en tot veroordeling van de curator in de kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daartoe voert de stichting c.s. aan dat er geen sprake is van paulianeus handelen, omdat de onder 2 gestelde beheersovereenkomst niet onverplicht was, de paritas creditorum hierdoor niet is doorbroken en de wetenschap van benadeling ontbreekt bij de stichting c.s. De onder 3 gestelde betalingen zijn volgens de stichting evenmin onverplicht verricht en zijn bovendien geen rechtshandelingen. Verder betwist de stichting c.s. de nietigheid en de onrechtmatigheid van de onder 2 en 3 genoemde handelingen. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. De rechtbank merkt op dat in de dagvaarding de vordering richting Sita en de vordering richting de stichting c.s. door elkaar heen lopen, terwijl het te onderscheiden vorderingen zijn. De rechtbank zal hierna eerst ingaan op de vorderingen ten aanzien van Sita. Daarna behandelt de rechtbank de vorderingen ten aanzien van de stichting c.s. 4.2. De rechtbank merkt vooraf op dat gesteld noch gebleken is dat de curator voorafgaand aan de dagvaarding de beweerdelijk paulianeuze rechtshandelingen heeft vernietigd. Eerst in de dagvaarding heeft hij deze – 'voor zover nodig opnieuw' – vernietigd. Ter beoordeling staat of de vernietiging rechtsgeldig is. Voordat de rechtbank aan deze vraag toekomt, zal zij eerst op een aantal formele verweren ingaan. ten aanzien van Sita Ontvankelijkheid van de curator 4.3. Artikel 68 lid 1 Fw belast de curator met het beheer en de vereffening van de failliete boedel. De curator heeft daarbij de taak om de belangen van de gezamenlijke bij het faillissement betrokken schuldeisers te behartigen (HR 23 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1590). De curator heeft gesteld, en door Sita is onvoldoende gemotiveerd weersproken, dat hij ten behoeve van de boedel en dus namens de gezamenlijke crediteuren optreedt. Daaronder vallen ook crediteuren met vorderingen die zijn ontstaan na de gewraakte handelingen. De stelling van Sita dat de curator een vordering tot vernietiging op grond van de faillissementspauliana niet mede kan instellen ten behoeve van crediteuren met vorderingen die zijn ontstaan na de gewraakte transactie maar voor faillissement, omdat die crediteuren niet door die handelingen zouden zijn benadeeld, is onjuist. Artikel 42 Fw stelt een dergelijke beperking niet. Voor een terecht beroep op artikel 42 Fw is nodig, en ook voldoende, dat benadeling aanwezig is op het tijdstip waarop de rechter over de vordering beslist of op het tijdstip waarop de curator zijn rechten doet gelden (zie HR 22 mei 1992, NJ 1992/526 en HR 24 april 2009, NJ 2009/416). De vraag of benadeling aanwezig is, moet volgens deze arresten worden beantwoord door de hypothetische situatie waarin de schuldeisers zouden hebben verkeerd zonder de gewraakte rechtshandeling te vergelijken met de situatie waarin de schuldeisers feitelijk verkeren als die handeling onaangetast blijft. Deze vergelijking brengt met zich dat ook schuldeisers die ná een gewraakte transactie zijn opgekomen en die wisten dat bepaalde vermogensbestanddelen aan de boedel zijn onttrokken door die transactie benadeeld kunnen zijn, als zij zonder de transactie wel verhaal hadden gehad op die vermogensbestanddelen. Van de met artikel 68 lid 1 Fw strijdige situatie zoals die aan de orde was in HR 16 september 2005, NJ 2006/311, waarin de curator optrad ten behoeve van een bepaalde groep van schuldeisers en de opbrengst niet aan het boedelactief zou toevoegen maar aan die schuldeisers ten goede zou laten komen, is in het onderhavige geval geen sprake. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de curator handelt binnen zijn wettelijke bevoegdheid van art. 68 Fw en aldus ontvankelijk is. Verjaring 4.4. Een rechtsvordering tot vernietiging van een rechtshandeling in verband met benadeling verjaart drie jaren nadat de benadeling is ontdekt (art. 3:52 lid 1 aanhef en sub c BW). Artikel 3:52 lid 1 aanhef en sub c BW eist voor aanvang van de verjaringstermijn alleen wetenschap van benadeling, niet wetenschap van de omvang van de benadeling. De verjaringstermijn begint te lopen zodra de curator met de benadeling daadwerkelijk bekend is geworden (HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6506). Dit betekent dat de driejaarstermijn gaat lopen zodra de curator heeft ontdekt dát van benadeling sprake is, ook al kent hij de precieze omvang dan nog niet. 4.5. Sita stelt zich op het standpunt dat de curator al tijdens het eerste gesprek met [naam] over alle voor deze procedure relevante informatie beschikte (de activaovereenkomst en (een deel van) de financiële administratie) en toen dus al met de benadeling bekend was geraakt of had moeten raken, terwijl hij de vernietiging pas bij dagvaarding voor het eerst heeft ingeroepen. De curator betwist deze stelling. Hij stelt dat hij de activaovereenkomst al wel kritisch had bestudeerd, maar dat hij de benadeling nog niet had ontdekt. De curator was er namelijk aanvankelijk vanuit gegaan dat Sita geen bemoeienis had gehad met de betalingen (de betalingen aan Afvalsturing Friesland en Jager Transport uitgezonderd) en dat de gebruikte constructie (de wachttermijn en het onderbrengen van de koopsom bij een derde) slechts bedoeld was om het verwijt van paulianeuze benadeling te pareren. 4.6. De rechtbank kan de curator niet volgen in zijn standpunt. Ten eerste heeft de curator in punt 44 van de dagvaarding aangegeven dat hij 'oorspronkelijk' al wel wist dat de activa zich niet meer in het vermogen van MLS bevonden en dat de koopprijs was gesepareerd, maar dat hij aan deze constructie een ander etiket had geplakt. De rechtbank acht het onbegrijpelijk dat de curator al wel wist dat de activa zich niet meer in het vermogen van MLS bevonden, maar dat hij toen niet heeft ontdekt dat de schuldeisers zich niet meer op deze activa konden verhalen. Het is dit gevolg van de activatransactie dat de curator in punt 13 van de dagvaarding als eerste vorm van benadeling aanmerkt en die hem er later, naast een andere vorm van benadeling, toe heeft gebracht om een vordering op grond van de faillissementspauliana jegens Sita in te stellen. Ten tweede staan in de activaovereenkomst, die de curator naar eigen zeggen kritisch heeft bestudeerd, ook de andere omstandigheden vermeld die de curator ertoe hebben gebracht om een vordering op grond van de faillissementspauliana jegens Sita in te stellen. De bemoeienis van Sita met de bedragen 1 en 3 staat expliciet beschreven in wat de kern vormt van de activaovereenkomst, namelijk in de bepalingen over de koopprijs. Zo valt te lezen in artikel 6.2: 'met kennisgeving en instemming van SITA'. Bovendien heeft de curator in punt 44 van de dagvaarding aangegeven dat hij al wel wist van de bemoeienis van Sita met de betalingen aan Afvalsturing Friesland en Jager Transport. Ten derde acht de rechtbank het onbegrijpelijk dat de curator bij de kritische bestudering van de activaovereenkomst niet heeft gezien dat Bedrag 1 gebruikt zou worden voor 'verrekeningen op grond van artikel 6.2, door SITA schriftelijk te melden aan de notaris', terwijl het aan de curator was om te motiveren waarom hij meende dat dit anders uitgelegd moest worden dan zijnde in het belang van Sita. Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de feiten en omstandigheden waarop de curator zijn beroep op pauliana heeft gebaseerd, reeds bij kritische bestudering van de activaovereenkomst bekend waren. Dit zijn objectieve omstandigheden die met zich brengen dat de rechtbank ervan uitgaat dat de curator op dat moment de gestelde paulianeuze rechtshandeling heeft ontdekt. Dat de curator pas op 26 mei 2013 op de hoogte raakte van de onterechte betaling van € 160.000,00 aan de Rabobank doet daar niet aan af, nu voor aanvang van de verjaringstermijn niet nodig is dat de curator de volle omvang van de benadeling kent. Dat een vergelijkbare constructie, naar de curator stelt, in andere gevallen voor andere doeleinden wordt gebruikt, mag dan zo zijn, maar dat neemt niet weg dat de bedoeling en de vorm van de gebruikte constructie in dit specifieke geval expliciet uit de activaovereenkomst volgen. 4.7. Nu de curator bij de kritische bestudering van de activaovereenkomst de gestelde benadeling heeft ontdekt en vervolgens drie jaren zijn verstreken voordat de curator de vernietigingsgrond heeft ingeroepen (welk tijdsverloop door Sita is gesteld en door de curator niet betwist, zodat het als vaststaand moet worden aangenomen), concludeert de rechtbank dat de vordering jegens Sita is verjaard. De rechtbank wijst de vorderingen jegens Sita dan ook af. ten aanzien van de stichting c.s. Pauliana 4.8. Vereist voor een geslaagd beroep op de faillissementspauliana ex artikel 42 Fw zijn 1) een rechtshandeling van de failliet vóór de faillietverklaring, 2) die door hem onverplicht is verricht en 3) als gevolg waarvan schuldeisers zijn benadeeld, terwijl 4) de failliet wetenschap had van de benadeling. Indien de gewraakte rechtshandeling een rechtshandeling anders dan om niet is, dan is ook wetenschap van benadeling bij de wederpartij van de failliet vereist. De rechtbank zal hierna per gewraakte handeling en voor het samenstel van de handelingen beoordelen of voldaan is aan de eisen van artikel 42 Fw en of de handelingen dus terecht bij dagvaarding zijn vernietigd door de curator. De activaovereenkomst 4.9. De stichting c.s. is hierbij geen partij, zodat de vordering in zoverre jegens de stichting c.s. niet slaagt. De gestelde beheersovereenkomst 4.10. Partijen twisten onder andere over de vraag of tussen MLS en de stichting een overeenkomst (en wel de gestelde beheersovereenkomst) tot stand is gekomen. Volgens de curator is door het in beheer nemen van het bedrag van € 600.000,00 door de stichting een beheersovereenkomst ontstaan tussen de stichting en MLS, terwijl volgens de stichting c.s. hooguit sprake is van een opdrachtovereenkomst tussen MLS en de maatschap (namelijk de opdracht van MLS aan de maatschap om het bedrag in beheer te laten nemen door de stichting). 4.11. Nog daargelaten het karakter van het in beheer nemen van de gelden en het antwoord op de vraag of van de gestelde beheersovereenkomst tussen MLS en de stichting sprake is, oordeelt de rechtbank dat de vordering van de curator om andere redenen niet kan slagen. 4.12. Ten eerste is het in beheer nemen van de gelden door de stichting niet onverplicht verricht. De stelling van de curator dat voor de stichting geen enkele rechtsplicht bestond om het bedrag van € 600.000,00 in beheer te nemen aangezien de stichting geen partij was bij de activaovereenkomst, gaat niet op. Het gaat er bij een beroep op de faillissementspauliana namelijk niet om of de wederpartij (hier dus de stichting) de rechtshandeling al dan niet verplicht heeft verricht, maar of er voor de failliet (zijnde de schuldenaar ex art. 42 Fw) een verplichting bestond om de rechtshandeling te verrichten. Van een onverplichte rechtshandeling is sprake indien deze wordt verricht zonder dat daartoe een op wet of overeenkomst berustende verplichting bestaat (HR 8 januari 1937, NJ 1937/431; HR 10 december 1976, NJ 1977/617). Omdat MLS zich er in de activaovereenkomst toe had verbonden om het bedrag van € 600.000,00 bij de stichting in beheer te geven, bestond er voor MLS wel degelijk een op overeenkomst berustende verplichting. Ten tweede is van benadeling van schuldeisers, die er volgens de curator uit bestaat dat Sita zekerheid verkreeg voor een voorwaardelijke en dus niet-opeisbare vordering terwijl de koopprijs onzichtbaar is gemaakt en er geen plan bestond om een regeling met de crediteuren te treffen, als gevolg waarvan zowel preferente als concurrente vorderingen onbetaald zijn gebleven, naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Van benadeling is pas sprake als op het moment waarop de curator zijn rechten doet gelden (zie HR 24 april 2009, NJ 2009/416)
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.