← Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2015:3277

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Locatie Assen Parketnummers: 19/930000-14 en 19/810058-11 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, Noordelijke Fraudekamer d.d. 7 juli 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1], wonende te [woonplaats]. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 15, 16 en 23 juni 2015. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.H.S. Kroeze, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G. Wilbrink. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: onder parketnummer 19/930000-14: 1. hij in of omstreeks de periode van 1 december 2010 tot en met 31 januari 2011 in de gemeente(

  1. n)Borger-Odoorn en/of Emmen, in elk geval in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals(
  2. e)of vervalst(
  3. e)werkgeversverklaring/arbeidsovereenkomst - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte die verklaring/arbeidsovereenkomst aan [aangever 1] heeft doen toekomen ten behoeve van de loonadministratie van een relatie van verdachte, te weten [medeverdachte 1] en/of haar [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2], en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat die werkgeversverklaring/arbeidsovereenkomst van die [medeverdachte 1] en/of dat/die bedrijf/bedrijven met betrekking tot de werknemer genaamd [aangever 2] geheel fictief was, althans onjuist en/of onvolledig was, en/of van een of meer valse handtekeningen, althans ondertekeningen, was voorzien; 2. hij in of omstreeks de periode van 18 mei 2010 tot en met 5 februari 2013 in de gemeente(
  4. n)Borger-Odoorn en/of Emmen, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk (in totaal) 20.000 euro, in elk geval (telkens) een hoeveelheid geld, althans enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geld/goed verdachte (telkens) anders dan door misdrijf, te weten uit hoofde van zijn beroep, of tegen geldelijke vergoeding, van/als financieel dienstverlener/adviseur en/of bemiddelaar en/of beheerder, in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat hij in of omstreeks mei 2010, in de gemeente(
  5. n)Borger-Odoorn en/of Emmen, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld namelijk (in totaal) 20.000 euro, in elk geval (telkens) een hoeveelheid geld, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet, althans van een voorwerp, te weten (telkens) een hoeveelheid geld (in totaal 20.000 euro), gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf; 3. hij in of omstreeks de periode van 1 april tot en met 1 juni 2009 in de gemeente(
  6. n)Borger-Odoorn en/of Emmen, in elk geval in Nederland, nader te noemen geschrift(
  7. en)- (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte geheel valselijk en/of fictief, althans onjuist, opgemaakt - een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, (zogenaamd) gesloten tussen verdachtes [bedrijf 3] en [aangever 4], gedateerd 1 april 2009 (document dossierpagina p. 721), en/of - twee loonafrekeningen (zogenaamd) vanwege verdachtes [bedrijf 3] en/of gericht aan die [aangever 4] over de periode(
  8. n)april 2009 en/of mei 2009 (documenten dossierpagina's 711 en 712), zulks met het oogmerk om die/dat geschrift(
  9. en)als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; 4. hij in of omstreeks de periode van 1 november 2009 tot en met 5 februari 2013 in de gemeente(
  10. n)Borger-Odoorn en/of Emmen en/of Veendam, in elk geval in Nederland, opzettelijk 25.000 euro, in elk geval een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(
  11. n)aan [aangever 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk geld/goed verdachte (telkens) anders dan door misdrijf, te weten uit hoofde van zijn beroep, of tegen geldelijke vergoeding, van/als financieel dienstverlener/adviseur en/of bemiddelaar en/of beheerder, en/of uit een leenovereenkomst, in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; 5. hij op verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2009 tot en met 12 augustus 2011 in de gemeente(
  12. n)Borger-Odoorn en/of Emmen en/of te Exloerveen, in elk geval in Nederland, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(
  13. en)wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 2] heeft bewogen tot de afgifte van 5600 euro en/of 25.000 euro, in elk geval (telkens) van een hoeveelheid geld/enig goed, hebbende verdachte (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid -die [aangever 2] het voorstel gedaan om dat/die geldbedrag(
  14. en)te gebruiken om via verdachte en/of zijn [bedrijf 4] te sparen en/of vast te zetten tegen een hoge(
  15. re)rente(vergoeding) en/of ten behoeve van een spaardepot, althans die [aangever 2] een financieel gunstig regeling voorgesteld, en/of - ( daartoe) die [aangever 2] een folder en/of brochure en/of overeenkomst over SNS Maxisparen via verdachtes [bedrijf 4] doen toekomen ten onrechte voorzien van een SNS-bank logo, en/of - die [aangever 2] gezegd om dat/die geldbedragen ter beschikking te stellen aan verdachte en/of dat verdachte die (spaar)regeling verder zou uitvoeren, en/of - ( aldus) zich voorgedaan als bonafide financieel adviseur/tussenpersoon en/of bemiddelaar en/of dienstverlener en/of beheerder, waardoor die [aangever 2] (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte(n); althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat A) hij in of omstreeks de periode van 1 september 2009 tot en met 5 februari 2013 in de gemeente(
  16. n)Emmen en/of Borger-Odoorn, in elk geval in Nederland, opzettelijk 5600 euro en/of 25.000 euro, in elk geval een hoeveelheid geld/enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan [aangever 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk geld/goed verdachte (telkens) anders dan door misdrijf, te weten uit hoofde van zijn beroep, of tegen geldelijke vergoeding, van/als financieel dienstverlener/adviseur en/of bemiddelaar en/of beheerder, en/of uit (een) leenovereenkomst(en), in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; EN/OF B) hij in of omstreeks maart 2010 in de gemeente(
  17. n)Borger-Odoorn en/of Emmen en/of te Exloerveen, in elk geval in Nederland, een geschrift, te weten een folder of brochure of overeenkomst getiteld "Zo werkt SNS Maxi sparen", - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte valselijk op dat geschrift een logo van de SNS-bank vermeld, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; (document dossierpagina 790) 6. hij in of omstreeks juni 2010 in de gemeente(
  18. n)Borger-Odoorn en/of Emmen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer medeverdachte(n), althans alleen, nader te noemen geschrift(en), - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte(
  19. n)geheel valselijk/fictief, althans onjuist en/of onvolledig opgemaakt - een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, (zogenaamd) tussen het [bedrijf 5] en [aangever 6], gedateerd 21 juni 2010 (document dossierpagina 817), en/of - een salarisspecificatie (zogenaamd) vanwege [bedrijf 5] en bestemd voor [aangever 6], over de periode van 21 juni 2010 tot en met 18 juli 2010 (document dossierpagina 823), zulks met het oogmerk om die/dat geschrift(
  20. en)als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat hij in of omstreeks juni 2010 in de gemeente(
  21. n)Borger-Odoorn en/of Emmen en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer medeverdachte(n), althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(
  22. e)of vervalst(
  23. e)geschift(en), te weten een arbeidsovereenkomst tussen het [bedrijf 5] en [aangever 6] gedateerd 21 juni 2010 en/of een salarisspecificatie op naam van die [aangever 6] en vanwege dat bedrijf (over de periode 21 juni 2010 tot en met 18 juli 2010), - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die/dat geschrift(
  24. en)echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte(n), althans alleen, dat/die geschriften heeft doen toekomen aan die [aangever 6] en/of aan de Rabobank, althans een bank, ter verkrijging van een geldlening, en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat dat/die geschrift(
  25. en)geheel vals/fictief, althans onjuist en/of onvolledig was/waren; 7. hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 5 februari 2013 in de gemeente(
  26. n)Borger-Odoorn en/of Emmen en/of Stadskanaal, in elk geval n Nederland, opzettelijk 21.006 euro en/of 24.681 euro, in elk geval (telkens) een hoeveelheid geld/enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde(
  27. n)aan [aangever 7] en/of [aangever 8], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk geld/goed verdachte uit hoofde van zijn beroep, of tegen geldelijke vergoeding, van/als financieel dienstverlener/adviseur en/of bemiddelaar en/of beheerder, en/of uit (een) leenovereenkomst(en), in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; 8. hij in of omstreeks periode 3 februari 2010 tot en met 5 februari 2013 in de gemeente(
  28. n)Borger-Odoorn en/of Emmen en/of Delft, in elk geval in Nederland, opzettelijk 3700 euro, in elk geval een hoeveelheid geld/enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde(
  29. n)aan [aangever 9], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk geld/goed verdachte uit hoofde van zijn beroep, of tegen geldelijke vergoeding, van/als financieel dienstverlener/adviseur en/of bemiddelaar en/of beheerder/bewaarder en/of ten behoeve van een af te sluiten spaarovereenkomst, in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; 9. A) hij in of omstreeks 25 september 2006 tot en met 5 februari 2013 in de gemeente(
  30. n)Borger-Odoorn en/of Emmen en/of Coevorden, in elk geval in Nederland, opzettelijk 60.000 euro, in elk geval een hoeveelheid geld/enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde(
  31. n)aan [aangever 10] en/of [aangever 11], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk geld/goed verdachte (telkens) anders dan door misdrijf, te weten uit hoofde van zijn beroep, of tegen geldelijke vergoeding, van/als financieel dienstverlener/adviseur en/of bemiddelaar en/of beheerder, en/of uit (een) leenovereenkomst(en), in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; EN/OF B) hij in of omstreeks oktober 2011 in de gemeente(
  32. n)Borger-Odoorn en/of Emmen, in elk geval in Nederland, een aanvraag en/of overeenkomst voor een doorlopend krediet ter hoogte van 50.000 euro bij het [bedrijf 6] (contractnummer 30613812) en/of op naam van [aangever 10] en/of [aangever 11] - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte zonder instemming en/of medeweten van [aangever 10] en/of [aangever 11] - die aanvraag gedaan en/of die overeenkomst doen/laten opmaken, en/of - op die aanvraag en/of overeenkomst een of meer (valse) ondertekeningen geplaatst, zogenaamd namens de kredietnemers [aangever 10] en/of [aangever 11], en/of een bankrekeningnummer vermeld waar verdachte als enige het beheer en/of de toegang toe had, zulks met het oogmerk om die/dat geschrift(
  33. en)als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; (document dossierpagina 1112) althans indien ten aanzien van het vorenstaande onder A) en/of B) geen veroordeling mocht volgen, dat hij in of omstreeks de periode van 20 oktober 2010 tot en met 8 maart 2012, in de gemeente(
  34. n)Borger-Odoorn en/of Emmen, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld, namelijk (in totaal) (ongeveer) 50.000 euro, in elk geval (telkens) een hoeveelheid geld, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet, althans van een voorwerp, te weten (telkens) een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 50.000 euro), gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf; 10. hij in of omstreeks de periode van 14 december 2007 tot en met 5 februari 2013 in de gemeente(
  35. n)Borger-Odoorn en/of Emmen, in elk geval in Nederland, opzettelijk 28.740 euro, althans 15.000 euro, in elk geval een hoeveelheid geld/enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde(
  36. n)aan [aangever 12] en/of [aangever 13] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk geld/goed verdachte uit hoofde van zijn beroep, of tegen geldelijke vergoeding, van/als financieel dienstverlener/adviseur en/of bemiddelaar en/of beheerder, en/of ten behoeve van een fonds, en/of uit (een) leenovereenkomst(en), in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; 11. hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 5 februari 2013 in de gemeente(
  37. n)Borger-Odoorn en/of Emmen, in elk geval in Nederland, opzettelijk 12.000 euro, in elk geval een hoeveelheid geld/enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde(
  38. n)aan [aangever 14], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk geld/goed verdachte uit hoofde van zijn beroep, of tegen geldelijke vergoeding, van/als financieel dienstverlener/adviseur en/of bemiddelaar en/of beheerder, en/of (een) leenovereenkomst(en), in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; 12. A) hij in of omstreeks van 1 december 2009 tot en met 1 maart 2010, in de gemeente(
  39. n)Borger-Odoorn en/of Emmen, in elk geval in Nederland, een of meer geschrift(en), te weten a.
  40. a)een overeenkomst voor een doorlopend krediet ter hoogte van 17.000 euro bij het [bedrijf 7] (contractnummer 746711913) en/of op naam van [aangever 15], en/of
  41. b)een bijbehorende betalingsopdracht bestemd voor dat bedrijf, en/of
  42. c)een bevestiging bestemd voor dat bedrijf - ( elk) zijnde (een) geschrift(
  43. en)dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte zonder instemming en/of medeweten van [aangever 15] - die overeenkomst aangevraagd en/of doen/laten opmaken en/of gesloten en/of op die overeenkomst een (valse) ondertekening geplaatst, zogenaamd namens die [aangever 15], en/of - op die betalingsopdracht (behorende bij die overeenkomst) vermeld dat de uitbetaling van 17.000 euro krediet uit die overeenkomst diende te worden gedaan op [bankrekeningnummer 1] en/of op die opdracht een valse handtekening geplaatst, zogenaamd namens die [aangever 15], terwijl verdachte als enige de toegang tot en/of de beschikking en/of het beheer over genoemd bankrekeningnummer had, en/of - op die bevestiging, gedateerd 15 februari 2010 en bestemd voor [bedrijf 7] , verklaard dat verdachte, als contactpersoon van zijn/het [bedrijf 8], persoonlijk aanwezig was geweest bij het financieringscontract inzake klant [aangever 15] en/of contractnummer 746711913, zulks met het oogmerk om die/dat geschrift(
  44. en)als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; (documenten dossierpagina's 1324 t/m 1326) EN/OF B) hij in of omstreeks de periode van 2 maart 2010 tot en met 5 mei 2011, in de gemeente(
  45. n)Borger-Odoorn en/of Emmen en/of Coevorden, in elk geval in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt immers heeft verdachte op na te noemen tijdstippen na te noemen voorwerp(en), namelijk (telkens) een hoeveelheid geld, verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, te weten - op of omstreeks 2 maart 2010 (een) geldbedrag(
  46. en)van 2100 euro en/of 2000 euro en/of 995 euro en/of 1100 euro, en/of - op of omstreeks 26 maart 2010 een geldbedrag van 2000 euro, en/of - op of omstreeks 31 maart 2010 een geldbedrag van 10.680 euro, en/of - op of omstreeks 1 juni 2010 een geldbedrag van 5000 euro, en/of - op of omstreeks 4 oktober 2010 een geldbedrag van 1500 euro, en/of - op of omstreesk 27 oktober 2010 een geldbedrag van 10.000 euro, en/of - op of omstreeks 5 mei 2011 een geldbedrag van 1560 euro, zijnde dat/die geldbedrag(
  47. en)(telkens) een of meer overboeking(
  48. en)van [bankrekeningnummer 1] (op naam van [aangever 15]) naar [bankrekeningnummer 2] (op naam van [naam 1] en/of Erven [naam 2] en/of [naam 3]) terwijl verdachte (telkens) de toegang tot en/of de beschikking en/of het beheer had over (
  49. al)die bankrekening(en), in ieder geval (telkens) een hoeveelheid geld op [bankrekeningnummer 1], althans van een of meer voorwerp(en), te weten een of meer genoemde/die geldbedag(en), gebruik gemaakt, terwijl hij (telkens) wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf; 13. hij in of omstreeks de periode van 21 oktober 2010 tot en met 5 februari 2013 in de gemeente(
  50. n)Borger-Odoorn en/of Emmen en/of Veendam, in elk geval in Nederland, opzettelijk 10.000 euro en/of 25.000 euro, in elk geval (telkens) een hoeveelheid geld/enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde(
  51. n)aan [aangever 16] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk geld/goed verdachte uit hoofde van zijn beroep, of tegen geldelijke vergoeding, van/als financieel dienstverlener/adviseur en/of bemiddelaar en/of beheerder, en/of uit (een) leenovereenkomst(en), in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; 14. hij in of omstreeks de periode van 7 augustus 2009 tot en met 5 februari 2013 in de gemeente(
  52. n)Borger-Odoorn en/of Emmen en/of Pekela, in elk geval in Nederland, opzettelijk 17.000 euro, in elk geval een hoeveelheid geld/enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde(
  53. n)aan [aangever 17], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk geld/goed verdachte uit hoofde van zijn beroep, of tegen geldelijke vergoeding, van/als financieel dienstverlener/adviseur en/of bemiddelaar en/of beheerder/bewaarder, en/of ten behoeve van een spaarrekening, en/of uit een leenovereenkomst, in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend. Onder parketnummer 19/810058-11: 1. hij op verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 maart 2009 tot en met 5 februari 2013 te [pleegplaats 1], in gemeente Borger-Odoorn, en/of in de gemeente Emmen en/of elders in Nederland, (telkens) opzettelijk - 20.095,05 euro, in elk geval een hoeveelheid geld, dat geheel of ten dele toebehoorde aan [aangever 18], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte (dossierpagina 447), en/of - 5544,37 euro en/of 5327,37 euro en/of 3450 euro, in elk geval (telkens) een hoeveelheid/hoeveelheden geld, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(
  54. n)aan [aangever 18] en/of [aangever 19], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte (dossierpagina's 439 en 442), en welk geld verdachte (telkens) uit hoofde van zijn beroep, of tegen geldelijke vergoeding, van/als financieel dienstverlener/adviseur en/of bemiddelaar, en/of uit (een) leenovereenkomst(en), in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat hij op verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 maart 2009 tot en met 28 september 2010, te [pleegplaats 1], in gemeente Borger-Odoorn, en/of in de gemeente Emmen en/of elders in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen - 20.095,05 euro van [bankrekeningnummer 3] op naam van [aangever 18] (dossierpagina 447), en/of - 5544,37 euro en/of 5327,37 euro en/of 3450 euro van [bankrekeningnummer 4] op naam van [aangever 18] en/of [aangever 19] (dossierpagina's 439 en 442), in elk geval (telkens) een hoeveelheid geld/enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 18] en/of [aangever 19], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte (telkens) dat weg te nemen geld of de/het weg te nemen geld/goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door het heimelijk, althans zonder toestemming, gebruikmaken van bij die bankrekening(
  55. en)behorende codes en/of gegevens om door middel van electronisch bankieren overboekingen te doen op naam van die [aangever 18] en/of [aangever 19]; 2. hij op verschilende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2009 tot en met 1 februari 2010, althans de periode van 1 december 2009 tot en met 4 juli 2011, in de gemeente(
  56. n)Spijkenisse en/of Borger-Odoorn en/of Emmen en/of elders in Nederland, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(
  57. en)wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (telkens) [aangever 20] heeft bewogen tot de afgifte van 6662,50 euro en/of 6500 euro, in elk geval (telkens) een hoeveelheid geld, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid - die [aangever 20] het voorstel gedaan om haar vrij gekomen geldbedragen nog een jaar langer vast te zetten tegen een hoge(
  58. re)rente via SNS Maxisparen in een overeenkomst met verdachtes (eenmans)[bedrijf 4] , althans die [aangever 20] een gunstige spaarovereenkomst voorgesteld, en/of - ( daartoe) aan die [aangever 20] een folder met betrekking tot SNS Maxisparen, ten onrechte voorzien van een SNS-logo, gegeven of doen toekomen (dossierpagina 858/859), en/of - die [aangever 20] gezegd dat die [aangever 20] daartoe (spaar)geld zou dienen over te maken naar een bankrekening van verdachte en/of verdachtes bedrijf, en/of dat verdachte, na betaling, dan die spaarovereenkomst (verder) zou uitvoeren, en/of - ( aldus) zich heeft voorgedaan als bonafide financieel adviseur/tussenpersoon of dienstverlener, waardoor die [aangever 20] (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte(n); althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat hij in of omstreeks de periode van 1 december 2009 tot en met 1 februari 2010, althans de periode van 1 december 2009 tot en met 4 juli 2011, in de gemeente(
  59. n)Borger-Odoorn en/of Emmen en/of elders in Nederland, een geschrift, te weten een folder of brochure, getiteld "Zo werkt SNS Maxisparen", - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte valselijk op dat geschrift een logo van de SNS-bank vermeld, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; 3. hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 12 november 2009, te [pleegplaats 2] en/of in de gemeente(
  60. n)Borger-Odoorn en/of Emmen en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(
  61. en)wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 21] en/of [aangever 22] heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, te weten 40.000 euro en/of 24.621,08 euro en/of 6000 euro en/of 26.515 euro, in elk geval (telkens) een hoeveelheid geld, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid - aan die [aangever 21] en/of [aangever 22], zijnde destijds buren van verdachte en/of met wie verdachte een vriendschappelijke relatie onderhield, gevraagd om hem (zakelijk) te helpen door hem geld te lenen ten behoeve van de aankoop/overname door verdachte van een [bedrijf 15] verzekeringsportefeuille, althans het doen van een investering, en/of - ( daarbij) tegen die [aangever 21] en/of [aangever 22] gezegd dat verdachte voor die [aangever 21] en/of [aangever 22] de kredietrente met betrekking tot die lening(
  62. en)zou vergoeden en/of een deel van de maandelijkse hypotheekrente, en/of - ( vervolgens) gevraagd om een of meerdere aanvullende lening(
  63. en)omdat er problemen zouden zijn met die aankoop/overname of investering en/of omdat er meer geld voor nodig zou zijn, en/of - ( aldus) zich voorgedaan als bonafide financieel dienstverlener/adviseur en/of verzekeringsagent, waardoor die [aangever 21] en/of [aangever 22] (telkens) werd(
  64. en)bewogen tot bovenomschreven afgifte(n); althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2008 tot en met 6 februari 2013, te [pleegplaats 2] en/of in de gemeente(
  65. n)Borger-Odoorn en/of Emmen en/of elders in Nederland, opzettelijk (in totaal) 97.136 euro, in elk geval (telkens) een hoeveelheid geld, dat geheel of ten dele toebehoorde aan [aangever 21] en/of [aangever 22], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk geld verdachte uit hoofde van zijn beroep of tegen geldelijke vergoeding, te weten van/als financieel adviseur/bemiddelaar en/of verzekeringsagent/ -bemiddelaar, en/of uit (een) leenovereenkomst(en), in elk geval (telkens) anders dan door misdrijf, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; 4. A) hij in of omstreeks de periode van 24 tot en met 25 juni 2010 in de gemeente(
  66. n)Amsterdam en/of Emmen en/of Borger-Odoorn en/of elders in Nederland, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(
  67. en)wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, het [bedrijf 9], en/of de/het (moeder)bedrijf/bedrijven [bedrijf 10] en/of [bedrijf 11], heeft bewogen tot het aangaan van een schuld, te weten een doorlopende kredietovereenkomst, en/of de afgifte van 38.000 euro, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid - door tussenkomst van een kredietbemiddelaar of tussenpersoon - aan het [bedrijf 9] doen toekomen - een kopie van een valselijk opgemaakte kredietovereenkomst, zogenaamd ondertekend door [aangever 23], en/of - een kopie van een valselijk op gemaakte betalingsopdracht, zogenaamd ondertekend door die [aangever 23], en/of - een kopie van een valselijk opgemaak Krediet aanvraagformulier, zogenaamd ondertekend door die [aangever 23], en/of - een kopie van een rijbewijs op naam van die [aangever 23], en/of - een valselijk opgemaakte/fictieve arbeidsovereenkomst, gedateerd 24 mei 2010, en/of (bijbehorende) salarisstrook over periode 6, te weten 24 mei 2010 tot 20 juni 2010, zogenaamd van het [bedrijf 12] en op naam van die [aangever 23], en/of een (bijbehorend) internet bankafschift op naam van die [aangever 23] met een creditboeking van 1525 euro salaris van dat bedrijf over de periode 6-2010, waardoor dat/die bedrijf/bedrijven werd(
  68. en)bewogen tot het aangaan van bovenomschreven schuld en/of tot bovenomschreven afgifte; althans, indien ten aanzien van het vorenstaande onder A) geen veroordeling mocht volgen, dat hij in of omstreeks de periode van 24 tot en met 25 juni 2010 in de gemeente(
  69. n)Amsterdam en/of Emmen en/of Borger-Odoorn en/of elders in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een of meer vals(
  70. e)of vervalst(
  71. e)geschrift(en), te weten - een fictieve arbeidsovereenkomst tussen het bedrijf [bedrijf 12] en [aangever 23], gedateerd 24 mei 2010, op naam van die [aangever 23] , en/of - een (bijbehorende) salarisstrook over periode 6, te weten 24 mei 2010 tot 20 juni 2010, zogenaamd van het [bedrijf 12] en op naam van die [aangever 23], en/of - een (bijbehorend) internet bankafschift op naam van die [aangever 23] met een creditboeking van 1525 euro salaris van dat bedrijf over de periode 6-2010, als ware het/die (elk) echt en onvervalst, en bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte dat geschrift heeft doen toekomen aan het/de [bedrijf 13] en/of [bedrijf 9] in verband met de aanvraag van een doorlopende kredietovereenkomst op naam van die [aangever 23], dan wel opzettelijk zodanig(
  72. e)geschrift(
  73. en)heeft afgeleverd of voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die geschift(
  74. en)bestemd was/waren voor zodanig gebruik; EN/OF B) hij op of omstreeks 28 juni 2010, althans in of omstreeks juni 2010 te [pleegplaats 2] en/of de gemeente(
  75. n)Borger-Odoorn en/of Emmen en/of elders in Nederland, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(
  76. en)wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 23] heeft bewogen tot de afgifte van 38.000 euro, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid, - terwijl die [aangever 23] niet wist dat er een kredietovereenkomst op haar naam was afgesloten ter hoogte van 38.000 euro - - tegen die [aangever 23] gezegd dat er een foute boeking van 38.000 euro op de bankrekening van die [aangever 23] was gedaan en/of dat dat bedrag moest worden teruggestort, en/of - die [aangever 23] daartoe verzocht om dat bedrag op een bankrekening van verdachte te storten, en/of - ( aldus) zich voorgedaan als bonafide financieel dienstverlener/adviseur en/of bemiddelaar, waardoor die [aangever 23] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte; EN/OF C) hij in of omstreeks de periode van 28 juni 2010 tot en met 7 februari 2013 in de gemeente(
  77. n)Emmen en/of Borger-Odoorn en/of elders in Nederland opzettelijk 15.000 euro, in elk geval een hoeveelheid geld, dat geheel of ten dele toebehoorde aan [aangever 23], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte (dossierpagina 1050), en welk(
  78. e)geld/goed(eren) verdachte uit hoofde van zijn beroep, of tegen geldelijke vergoeding, van/als financieel dienstverlener/adviseur en/of bemiddelaar, en/of uit een leenovereenkomst, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; 5. hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 7 februari 2013 in de gemeente(
  79. n)Borger-Odoorn en/of Emmen en/of elders in Nederland, terwijl verdachte bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Assen van 17 mei 2011, in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeiser(s), A) een goed, te weten een auto, merk PT Cruiser, aan de boedel heeft onttrokken, en/of B) niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en/of het bewaren en/of te voorschijn brengen van de boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers in dat artikel bedoeld, immers heeft verdachte niet een volledige en samenhangende administratie, als bovenbedoeld, bijgehouden en/of aan de curator overgelegd. Bewijsvraag Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder parketnummer 18/810058-11 onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 onder A primair, B en C en 5 onder A en B alsmede onder parketnummer 18/930000-14 onder 1, 2 primair, 3, 4, 5 primair, 6, 7, 8, 9 onder A en B primair, 10, 11, 12 onder A en B, 13 en 14 tenlastegelegde. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor hetgeen onder parketnummer 18/810058-11 onder 3 en 4 onder A en B alsmede voor hetgeen onder parketnummer 18/930000-14 onder 1, 3, 4, 6, 7, 9 onder A en B, 11, 12 en 14 aan verdachte ten laste is gelegd en geconcludeerd dat bewezenverklaring kan volgen voor de overige tenlastegelegde feiten. De rechtbank zal hetgeen daartoe over en weer is aangevoerd hieronder nader bij haar beoordeling betrekken. Beoordeling van het bewijs Civielrechtelijk geschil en doelbesteding De raadsman heeft betoogd dat het in meerdere gevallen waar verduistering ten laste is gelegd gaat om een civielrechtelijk geschil over de nakoming en dat derhalve geen sprake is geweest van strafrechtelijk verwijtbaar handelen. Van toe-eigenen als bedoeld in artikel 321 Wetboek van Strafrecht (Sr) is sprake indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort. Van een zodanig beschikken kan onder meer sprake zijn indien aan een ander dan de verdachte toebehorende gelden aan de verdachte zijn overgemaakt met een bepaald, al dan niet contractueel vastgelegd doel en de verdachte deze gelden tegen de afspraken in beheert of voor andere doeleinden heeft aangewend, dan wel indien teruggave van die gelden door de verdachte onmogelijk is gemaakt of aanmerkelijk is bemoeilijkt. De rechtbank zal aan de hand van deze maatstaf in die zaken waarin deze bewijsvraag speelt, beoordelen of sprake is van verduistering. Uit hoofde van zijn beroep Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij als financieel adviseur of als tussenpersoon overeenkomsten vast legde tussen of namens een klant en een verzekeringsmaatschappij of een financieringsmaatschappij. Gelet daarop en gelet op de overige bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden dat sprake was van het uitoefenen van een beroep als bedoeld in artikel 322 van het Wetboek van Strafrecht Pleegperiode Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat bij een aantal van de tenlastegelegde feiten de einddatum van de pleegperiode de datum van het faillissement moet zijn, te weten 17 maart 2011, en niet de datum van aanhouding van verdachte, in casu 5 februari 2013. De rechtbank zal in de bewezenverklaring van die feiten 17 maart 2011 nemen als einddatum van de pleegperioden. Feit 1, 930000-14 Verdachte heeft ontkend iets met de gestelde valsheden te maken te hebben. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de voor dit feit opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de in de tenlastelegging genoemde arbeidsovereenkomst vals is en dat verdachte deze opzettelijk heeft gebruikt door dit stuk aan [aangever 1] te doen toekomen ten behoeve van de loonadministratie van (het bedrijf van) mevrouw [medeverdachte 1]. Feit 2, 930000-14 Verdachte heeft de primair ten laste gelegde verduistering erkend. Op grond van de voor dit feit opgenomen bewijsmiddelen wordt dit feit wettig en overtuigend bewezen verklaard. Feit 3, 930000-14 Verdachte heeft ontkend dat de arbeidsovereenkomst tussen hem en mevrouw [aangever 4] valselijk zou zijn opgemaakt, aangezien zij volgens de verklaring van verdachte wel degelijk voor hem heeft gewerkt. Het feit dat zij ook daadwerkelijk bij verdachte heeft gewerkt wordt door aangeefster stellig ontkend. Uit het dossier, meer in het bijzonder de verklaringen en stukken die betrekking hebben op vergelijkbare verwijten, blijkt echter afdoende dat verdachte meermalen is betrokken geweest bij het valselijk opmaken van arbeidsovereenkomsten en loonstroken, vermoedelijk om op basis daarvan leningen, kredieten en hypotheken af te sluiten. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van aangeefster geloofwaardig te achten is. Op grond van de voor dit feit aangehaalde bewijsmiddelen, in samenhang met de bewijsmiddelen die de rechtbank in de zaken van [aangever 1], [aangever 6] en [aangever 11] (feiten 1, 6 en 9B van deze tenlastelegging) en de zaak [aangever 23] (feit 4 op de tenlastelegging met nummer 910058-11) heeft gebezigd, wordt het tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen verklaard. Feit 4, 930000-14 De rechtbank is van oordeel dat er, gelet op hetgeen zij hierboven in algemene zin heeft overwogen, sprake is van verduistering in dienstbetrekking en niet, zoals door de verdediging is gesteld, van het enkel niet nakomen van een civiele overeenkomst. De rechtbank overweegt daartoe dat op het moment dat het hier bedoelde geldbedrag aan verdachte werd overgemaakt, in november 2009, hij wist dat teruggave van dat geld onmogelijk was, nu hij al een groot aantal terug te betalen leningen was aangegaan, hij nog altijd geen (andere) inkomsten genoot en er geen enkel reëel zicht bestond op inkomsten in de voorzienbare toekomst van een zodanige omvang dat hij aan al zijn tot dan toe aangegane verplichtingen zou kunnen voldoen. Aldus heeft hij zich het door aangever overgemaakte geldbedrag wederrechtelijk toegeëigend. Feit 5, 930000-14 Verdachte heeft ter zitting de misleiding van aangeefster met de geknipte en geplakte folder van "SNS Maxisparen" erkend. Op grond van deze bekennende verklaring, de aangifte en de betreffende folder is de rechtbank van oordeel dat verdachte aangeefster heeft opgelicht door zich te presenteren als een bonafide financieel dienstverlener en hiermee een valse hoedanigheid aan te nemen. Door de vervalste folder middels knippen en plakken van een SNS- logo te voorzien en hiermee voor te wenden dat hij gerechtigd was een niet-bestaande spaarvorm van de SNS-bank aan te bieden en aan te geven dat aangeefster het bedrag op elk gewenst moment kon opeisen, hetgeen naar verdachte toen al wist, niet mogelijk was heeft verdachte een listige kunstgreep aangewend en is tevens sprake van een samenweefsel van verdichtsels. De primair tenlastegelegde oplichting wordt op grond van de voor dit feit aangehaalde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen verklaard. Feit 6, 930000-14 De rechtbank is van oordeel dat het primair tenlastegelegde medeplegen van valsheid in geschrift op grond van de voor dit feit opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, mede gelet op de bij feit 3 gegeven overwegingen. Feit 7, 930000-14 Ook in dit geval is de rechtbank van oordeel dat er, gelet op hetgeen zij hierboven in algemene zin heeft overwogen, sprake is van verduistering in dienstbetrekking en niet, zoals door de verdediging is gesteld, van het enkel niet nakomen van een civiele overeenkomst. De rechtbank overweegt daartoe dat in de periode dat de hier bedoelde geldbedragen aan verdachte werden overgemaakt, in januari en februari 2010, hij wist dat teruggave van dat geld onmogelijk was, nu hij al een groot aantal terug te betalen leningen was aangegaan, hij nog altijd geen (andere) inkomsten genoot en er geen enkel reëel zicht bestond op inkomsten in de voorzienbare toekomst van een zodanige omvang dat hij aan al zijn tot dan toe aangegane verplichtingen zou kunnen voldoen. Aldus heeft hij zich het door aangeefster overgemaakte geldbedrag wederrechtelijk toegeëigend. Feit 8, 930000-14 Op grond van de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting, de aangifte en de onderliggende schriftelijke stukken wordt de tenlastegelegde verduistering in dienstbetrekking wettig en overtuigend bewezen verklaard. Feit 9, 930000-14, onder A De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om te kunnen vaststellen dat verdachte het hier bedoelde geld zich opzettelijk wederrechtelijk heeft toegeëigend. De rechtbank overweegt daartoe dat uit de stukken, in het bijzonder de afgesloten leningsovereenkomst, niet blijkt dat het geld aan verdachte is geleend met een bepaald, vastomlijnd doel, terwijl, gezien het moment waarop het geld aan verdachte is overgemaakt, evenmin gesteld kan worden dat verdachte op dat moment wist dat terugbetaling onmogelijk zou zijn. Derhalve wordt verdachte van het onder feit 9 onder A tenlastegelegde vrijgesproken. Feit 9, 930000-14, onder B primair De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen vast dat verdachte de aangevers een rekening heeft laten openen bij de ASN-bank, dat hij als enige de toegang had tot en de beschikking had over de gelden op deze rekening, dat hij beschikte over de ID-bewijzen van de aangevers en dat hij een valse arbeidsovereenkomst heeft opgemaakt op naam van [aangever 11], kennelijk met het doel om voldoende kredietwaardigheid te kunnen aantonen bij de kredietverlener. Op grond van deze bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, staat naar het oordeel van de rechtbank buiten redelijke twijfel vast dat het verdachte is geweest die het in de tenlastelegging bedoelde doorlopende krediet van € 50.000,- heeft afgesloten bij [bedrijf 6], met behulp van door hem vervalste handtekeningen, en dit bedrag vervolgens heeft laten overmaken op de door hem beheerde rekening bij de ASN-bank. De rechtbank zal derhalve het onder B primair tenlastegelegde bewezen verklaren. Feit 10, 930000-14 Op grond van de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting, de aangifte en de onderliggende schriftelijke stukken wordt de tenlastegelegde verduistering in dienstbetrekking wettig en overtuigend bewezen verklaard, zij het tot een bedrag van € 15.000,-, zijnde het bedrag dat tot heden niet door verdachte is terugbetaald. Feit 11, 930000-14 De rechtbank stelt vast dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat een bedrag van € 12.000,- is gestort op de rekening van verdachte, terwijl uit de brief van [bedrijf 14] (van 27 november 2009) blijkt dat het de bedoeling van aangever was om daarmee een extra aflossing op de hypotheek te doen. Hoewel verdachte zelf niet heeft kunnen aangeven waar het geld door hem voor is gebruikt, staat in ieder geval vast dat het niet is gebruikt voor het doel waarvoor het door aangever aan verdachte was uitgeleend, zodat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het geld zich opzettelijk wederrechtelijk heeft toegeëigend. Daarmee kan verduistering in dienstbetrekking wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. Feit 12, 930000-14 onder A Verdachte heeft gesteld dat aangever het krediet van € 17.000,- zelf heeft aangevraagd en dat hij daar geen valselijke opgemaakte aanvraag voor heeft opgesteld. Aangever heeft daar tegenover verklaard dat hij niets van dat krediet afwist en ook niet kon weten, omdat dit direct is gestort op een rekening waarvan hij het beheer had overgedragen aan verdachte. Aangever heeft tevens verklaard dat de handtekening op de aanvraag zelfs niet leek op die van hem. Op grond van de aangehaalde bewijsmiddelen voor dit feit, maar ook de overeenkomstige werkwijze van verdachte in meerdere strafbare feiten uit dit onderzoek, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat het verdachte is geweest die de kredietaanvraag heeft gedaan en daartoe die aanvraag van een valse handtekening heeft voorzien. Feit 12, 930000-14 onder B De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat aangever [aangever 15] een rekening op zijn naam heeft geopend voor verdachte en vervolgens het beheer daarvan volledig uit handen heeft gegeven aan verdachte. Dat heeft verdachte ter zitting ook bevestigd en blijkt verder uit het feit dat door de curator de bankpassen van deze rekening bij verdachte zijn aangetroffen. Uit de aangehaalde bewijsmiddelen blijkt dat deze rekening vrijwel uitsluitend gevoed werd met geldbedragen die naar het oordeel van de rechtbank uit (eigen) misdrijf afkomstig waren, nu het in alle gevallen gaat om geld dat is verkregen door middel van gedragingen die elders in dit vonnis als strafbare feiten zijn aangemerkt. Verdachte heeft vervolgens handelingen verricht om de criminele herkomst van het geld te verhullen. De tenlastegelegde doorstortingen zijn immers gedaan naar rekeningen waar verdachte ook of als enige toegang toe had, dan wel van een zodanige omschrijving voorzien dat de suggestie werd gewekt dat het geld voor een derde bestemd was, terwijl verdachte daar in werkelijkheid over kon blijven beschikken. Derhalve is sprake geweest van witwassen. Gelet op de schaal en frequentie waarmee dit is gebeurd kan bewezen worden dat verdachte hier een gewoonte van heeft gemaakt. Feit 13, 930000-14 Op grond van de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting en de overige voor dit feit aangehaalde bewijsmiddelen wordt de tenlastegelegde verduistering in dienstbetrekking wettig en overtuigend bewezen verklaard. Feit 14, 930000-14 Op grond van de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting en de overige voor dit feit aangehaalde bewijsmiddelen wordt de tenlastegelegde verduistering in dienstbetrekking wettig en overtuigend bewezen verklaard. Feit 1, 810058-11 Verdachte heeft gesteld dat aangeefsters op de hoogte waren van alle stortingen en leningen en dat daarom geen sprake kan zijn van verduistering. De raadsman heeft op grond hiervan vrijspraak bepleit. Op grond van de aangehaalde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat buiten redelijke twijfel vaststaat dat verdachte het geld gebruikt heeft voor andere doeleinden dan waarvoor dat aan hem was gegeven, nog daargelaten de vraag of de aangevers gezien hun beperkte verstandelijke vermogens in dit verband wel een afgewogen beslissing hebben kunnen nemen. Aldus heeft verdachte het geld zich opzettelijk wederrechtelijk toegeëigend. Ten aanzien van de bedragen die in de tenlastelegging onder het tweede gedachtestreepje staan vermeld heeft verdachte dat overigens ook ronduit toegegeven. Op grond van de voor dit feit aangehaalde bewijsmiddelen wordt de primair tenlastegelegde verduistering in dienstbetrekking wettig en overtuigend bewezen verklaard. Feit 2, 810058-11 Op grond van de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting en de overige voor dit feit aangehaalde bewijsmiddelen wordt de primair tenlastegelegde oplichting wettig en overtuigend bewezen verklaard. Feit 3, 810058-11 De rechtbank stelt vast dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte aan de familie [aangever 21] heeft voorgespiegeld dat hij geld van hen wilde lenen om een klantenbestand (in de verklaringen wel aangeduid als de “[bedrijf 15] portefeuille”) te kunnen overnemen voor een bedrag van € 40.000,-. Verdachte heeft echter op geen enkele manier aannemelijk gemaakt dat hem daadwerkelijk een dergelijk klantenbestand is aangeboden, noch dat hij het van de aangevers verkregen geld daaraan heeft besteed. De verklaring die verdachte in dit verband ter terechtzitting heeft afgelegd, namelijk dat hij op een parkeerplaats een contant bedrag van € 30.000,- heeft betaald aan een derde, wiens naam verdachte niet heeft willen of kunnen noemen, acht de rechtbank dermate ongeloofwaardig dat daaraan geen enkele waarde kan worden gehecht. Ook voor het overige blijkt op geen enkele wijze uit het dossier dat verdachte dit klantenbestand ooit heeft verkregen. Terzijde wijst de rechtbank er op dat uit de verklaring van de [getuige 1], accountmanager bij [bedrijf 15], kan worden afgeleid dat het zeer onwaarschijnlijk is dat voor een klantenbestand een dergelijk bedrag zou moeten worden betaald. Verder acht de rechtbank van belang dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat een aanzienlijk deel van de in verband hiermee door aangevers geleende geldbedragen zijn gebruikt voor andere zakelijke en privé-uitgaven. Door zich in strijd met de waarheid te presenteren als een bonafide financieel dienstverlener en het werkelijke doel van het geleende geld te verzwijgen voor aangevers is de rechtbank van oordeel dat verdachte gebruik heeft gemaakt van een samenweefsel van verdichtsels en een valse hoedanigheid. Ten aanzien van de € 40.000,- en € 24.621,08 is de rechtbank dan ook van oordeel dat de tenlastegelegde oplichting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Van de in de tenlastelegging opgenomen € 6.000,- is vast komen te staan dat deze door verdachte aan aangevers is gevraagd om de huur te kunnen voldoen van zijn bedrijfspand. Nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat dit bedrag door aangevers op de rekening van de eigenaar van het pand is gestort, kan ten aanzien van dit bedrag de oplichting niet worden bewezen en zal verdachte worden vrijgesproken. Van de in de tenlastelegging opgenomen € 26.515,- is tussen aangevers en verdachte afgesproken dat de lening van dit geld ziet op het 'doen van een investering in het bedrijf van verdachte'. De opsteller van de tenlastelegging heeft echter kennelijk het oog gehad op de hierboven genoemde oplichting ten aanzien van de aankoop van een klantenbestand. Het bedrag van € 26.515,- is echter een jaar later door verdachte van aangevers geleend en bovendien blijkt uit de aangifte en de verklaring van verdachte ten aanzien van dit bedrag niet van oplichting. Verdachte zal ook ten aanzien van dit bedrag partieel worden vrijgesproken. Feit 4, 810058-11 De rechtbank is op grond van de aangehaalde bewijsmiddelen van oordeel dat het krediet van € 38.000,- op naam van aangeefster is aangevraagd op grond van een daartoe valselijk opgemaakt arbeidscontract en loonstroken. Aangeefster heeft verklaard nooit bij [bedrijf 12] te hebben gewerkt en dat het haar handtekening niet is onder de aanvraag en de [medeverdachte 3] heeft verklaard dat deze documenten op verzoek van verdachte zijn opgemaakt. De onder A tenlastegelegde oplichting wordt derhalve wettig en overtuigend bewezen verklaard. De rechtbank acht verder op grond van de aangehaalde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de kredietaanvraag door verdachte op naam van aangeefster is gedaan zonder haar medeweten en dat hij haar onder valse voorwendselen – namelijk door uit hoofde van zijn beroep als haar financieel dienstverlener haar voor te houden dat er een onterechte boeking op haar rekening had plaatsgevonden – ertoe heeft bewogen om het door de kredietverlener verstrekte geld naar hem over te boeken. Op grond van de bekennende verklaring van verdachte ter zitting en de aangifte wordt de onder C tenlastegelegde verduistering in dienstbetrekking wettig en overtuigend bewezen verklaard. Feit 5, 810058-11 Op grond van de bekennende verklaring van verdachte ter zitting en de overige voor dit feit aangehaalde bewijsmiddelen wordt de tenlastegelegde bedrieglijke bankbreuk wettig en overtuigend bewezen verklaard. Bewijsmiddelen In de feiten waar de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen, steunt de beslissing dat verdachte deze feiten heeft begaan op de inhoud van de bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan. Bewezenverklaring Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 19/930000-14 onder 1, 2 primair, 3, 4, 5 primair, 6 primair, 7, 8, 9 onder B primair, 10, 11, 12 onder A en B, 13 en 14 en onder parketnummer 19/810058-11 onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 onder A primair en onder B en C en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat Onder parketnummer 19/930000-14: 1. hij in de periode van 1 december 2010 tot en met 31 januari 2011 in de gemeenten Borger-Odoorn en Emmen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse arbeidsovereenkomst - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte die arbeidsovereenkomst aan [aangever 1] heeft doen toekomen ten behoeve van de loonadministratie van een relatie van verdachte, te weten [medeverdachte 1] en haar [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2], en bestaande die valsheid hierin dat die arbeidsovereenkomst van die [medeverdachte 1] en dat bedrijf met betrekking tot de werknemer genaamd [aangever 2] geheel fictief was; 2 primair. hij in de periode van 18 mei 2010 tot en met 17 maart 2011 in de gemeenten Borger-Odoorn en Emmen, opzettelijk in totaal 20.000 euro, toebehorende aan [aangever 3], welk geld verdachte telkens anders dan door misdrijf, te weten uit hoofde van zijn beroep als financieel dienstverlener onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; 3. hij in de periode van 1 april tot en met 1 juni 2009 in de gemeenten Borger-Odoorn en Emmen, nader te noemen geschriften - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte geheel fictief, opgemaakt - een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, zogenaamd gesloten tussen verdachtes [bedrijf 3] en [aangever 4], gedateerd 1 april 2009, en - twee loonafrekeningen zogenaamd vanwege verdachtes [bedrijf 3] en gericht aan die [aangever 4] over de perioden april 2009 en mei 2009, zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; 4. hij in de periode van 1 november 2009 tot en met 17 maart 2011 in de gemeente Borger-Odoorn, opzettelijk 25.000 euro, dat toebehoorde aan [aangever 5], en welk geld verdachte anders dan door misdrijf, te weten uit hoofde van zijn beroep van financieel dienstverlener en uit een leenovereenkomst onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; 5 primair. hij in de periode van 1 september 2009 tot en met 17 maart 2011 in de gemeente Exloërveen en Borger-Odoorn, telkens met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een listige kunstgreep en door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 2] heeft bewogen tot de afgifte van 5600 euro en 25.000 euro, hebbende verdachte telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - listiglijk en in strijd met de waarheid - die [aangever 2] het voorstel gedaan om die geldbedragen te gebruiken om via verdachte en zijn [bedrijf 4] te sparen en/of vast te zetten tegen een hoge rentevergoeding, en - daartoe die [aangever 2] een folder en overeenkomst over SNS Maxisparen via verdachtes [bedrijf 4] doen toekomen ten onrechte voorzien van een SNS-bank logo, en - die [aangever 2] gezegd om die geldbedragen ter beschikking te stellen aan verdachte en dat verdachte die spaarregeling verder zou uitvoeren, en - aldus zich voorgedaan als bonafide financieel dienstverlener, waardoor die [aangever 2] telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgiften; 6 primair. hij in juni 2010 in de gemeente Borger-Odoorn, tezamen en in vereniging met een of meer medeverdachten, nader te noemen geschriften, - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt , immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met zijn medeverdachten geheel valselijk/fictief opgemaakt - een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, zogenaamd tussen het [bedrijf 12] en [aangever 6], gedateerd 21 juni 2010, en - een salarisspecificatie zogenaamd vanwege [bedrijf 12] en bestemd voor [aangever 6], over de periode van 21 juni 2010 tot en met 18 juli 2010, zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken; 7. hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 17 maart 2011 in de gemeente Borger-Odoorn, opzettelijk 21.006 euro en 24.681 euro, dat toebehoorde aan [aangever 7] en [aangever 8], en welk geld verdachte uit hoofde van zijn beroep van financieel dienstverlener en uit leenovereenkomsten onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; 8. hij in de periode 3 februari 2010 tot en met 17 maart 2011 in de gemeente Borger-Odoorn, opzettelijk 3700 euro, dat toebehoorde aan [aangever 9], en welk geld verdachte uit hoofde van zijn beroep van financieel dienstverlener en ten behoeve van een af te sluiten spaarovereenkomst onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; 9 onder B primair. hij in oktober 2011 in de gemeente Borger-Odoorn een aanvraag en overeenkomst voor een doorlopend krediet ter hoogte van 50.000 euro bij het [bedrijf 6] (contractnummer 30613812) op naam van [aangever 10] en [aangever 11] - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte zonder instemming en medeweten van [aangever 10] en [aangever 11] - die aanvraag gedaan en die overeenkomst laten opmaken, en - op die aanvraag en overeenkomst valse ondertekeningen geplaatst, zogenaamd namens de kredietnemers [aangever 10] en [aangever 11], en een bankrekeningnummer vermeld waar verdachte als enige het beheer van en de toegang toe had, zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; 10. hij in de periode van 14 december 2007 tot en met 17 maart 2011 in de gemeente Borger-Odoorn, opzettelijk 15.000 euro, dat toebehoorde aan [aangever 12] en/of [aangever 13] en welk geld verdachte uit hoofde van zijn beroep van financieel dienstverlener en ten behoeve van een fonds en uit een leenovereenkomst onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; 11. hij in de periode van 1 januari 2005 tot en met 17 maart 2011 in de gemeente Borger-Odoorn, opzettelijk 12.000 euro, dat toebehoorde aan [aangever 14] en welk geld verdachte uit hoofde van zijn beroep van financieel dienstverlener en beheerder onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; 12 A. hij in de periode van 1 december 2009 tot en met 1 maart 2010, in de gemeenten Borger-Odoorn en/of Emmen, geschriften, te weten a.
  80. a)een overeenkomst voor een doorlopend krediet ter hoogte van 17.000 euro bij het [bedrijf 7] (contractnummer 746711913) en op naam van [aangever 15], en
  81. b)een bijbehorende betalingsopdracht bestemd voor dat bedrijf, en
  82. c)een bevestiging bestemd voor dat bedrijf - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte zonder instemming en medeweten van [aangever 15] - die overeenkomst aangevraagd en gesloten en op die overeenkomst een valse ondertekening geplaatst, zogenaamd namens die [aangever 15], en - op die betalingsopdracht (behorende bij die overeenkomst) vermeld dat de uitbetaling van 17.000 euro krediet uit die overeenkomst diende te worden gedaan op [bankrekeningnummer 1] en op die opdracht een valse handtekening geplaatst, zogenaamd namens die [aangever 15], terwijl verdachte als enige de toegang tot en het beheer over genoemd bankrekeningnummer had, en - op die bevestiging, gedateerd 15 februari 2010 en bestemd voor [bedrijf 7], verklaard dat verdachte, als contactpersoon van het [bedrijf 8], persoonlijk aanwezig was geweest bij het financieringscontract inzake klant [aangever 15] en contractnummer 746711913, zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; en 12 B) hij in de periode van 2 maart 2010 tot en met 5 mei 2011, in de gemeente Emmen en Borger-Odoorn, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt immers heeft verdachte op na te noemen tijdstippen na te noemen voorwerpen, verworven en voorhanden gehad en overgedragen, te weten: - op 2 maart 2010 geldbedragen van 2100 euro en 2000 euro en 995 euro en 1100 euro, en - op 26 maart 2010 een geldbedrag van 2000 euro, en - op 31 maart 2010 een geldbedrag van 10.680 euro, en - op 1 juni 2010 een geldbedrag van 5000 euro, en - op 4 oktober 2010 een geldbedrag van 1500 euro, en - op 27 oktober 2010 een geldbedrag van 10.000 euro, zijnde die geldbedragen telkens overboekingen van [bankrekeningnummer 1] (op naam van [aangever 15]) naar [bankrekeningnummer 2] (op naam van [naam 1] en/of Erven [naam 2] en/of [naam 3]), terwijl verdachte telkens de toegang tot en het beheer had over die bankrekeningen, terwijl hij telkens wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf; 13. hij in de periode van 21 oktober 2010 tot en met 17 maart 2011 in de gemeente Borger-Odoorn, opzettelijk 10.000 euro en 25.000 euro, dat toebehoorde aan [aangever 16] en welk geld verdachte uit hoofde van zijn beroep van financieel dienstverlener onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; 14. hij in de periode van 7 augustus 2009 tot en met 17 maart 2011 in de gemeente Borger-Odoorn, opzettelijk 17.000 euro, dat toebehoorde aan [aangever 17], en welk geld verdachte uit hoofde van zijn beroep van financieel dienstverlener en ten behoeve van een spaarrekening onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend. Onder parketnummer 19/810058-11: 1. primair. hij in de periode van 27 maart 2009 tot en met 17 maart 2011 te [pleegplaats 3], telkens opzettelijk - 20.095,05 euro, dat toebehoorde aan [aangever 18], en - 5544,37 euro en 5327,37 euro en 3450 euro, die toebehoorden aan [aangever 18] en/of [aangever 19], en welk geld verdachte telkens uit hoofde van zijn beroep van financieel dienstverlener onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; 2 primair. hij in de periode van 1 december 2009 tot en met 1 februari 2010, in de gemeenten Spijkenisse en/of Borger-Odoorn, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een listige kunstgreep en door een samenweefsel van verdichtsels, telkens [aangever 20] heeft bewogen tot de afgifte van 6662,50 euro en 6500 euro, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en in strijd met de waarheid - die [aangever 20] het voorstel gedaan om haar vrij gekomen geldbedragen nog een jaar langer vast te zetten tegen een hoge(
  83. re)rente via SNS Maxisparen in een overeenkomst met verdachtes [bedrijf 4], en - daartoe aan die [aangever 20] een folder met betrekking tot SNS Maxisparen, ten onrechte voorzien van een SNS-logo, gegeven of doen toekomen, en - die [aangever 20] gezegd dat die [aangever 20] daartoe spaargeld zou dienen over te maken naar een bankrekening van verdachte en dat verdachte, na betaling, dan die spaarovereenkomst zou uitvoeren, en - aldus zich heeft voorgedaan als bonafide financieel dienstverlener, waardoor die [aangever 20] telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgiften; 3 primair. hij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 12 november 2009, te [pleegplaats 2], meermalen, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 21] en/of [aangever 22] heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, te weten 40.000 euro en 24.621,08 euro, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - bedrieglijk en in strijd met de waarheid - aan die [aangever 21] en/of [aangever 22], zijnde destijds buren van verdachte en met wie verdachte een vriendschappelijke relatie onderhield, gevraagd om hem zakelijk te helpen door hem geld te lenen ten behoeve van de aankoop/overname door verdachte van een [bedrijf 15] verzekeringsportefeuille, en - daarbij tegen die [aangever 21] en/of [aangever 22] gezegd dat verdachte voor die [aangever 21] en/of [aangever 22] de kredietrente met betrekking tot die leningen zou vergoeden en een deel van de maandelijkse hypotheekrente, en - vervolgens gevraagd om een aanvullende lening omdat er problemen zouden zijn met die aankoop/overname, en - aldus zich voorgedaan als bonafide financieel dienstverlener, waardoor die [aangever 21] en/of [aangever 22] telkens werden bewogen tot bovenomschreven afgiften; 4 A) primair. hij in de periode van 24 tot en met 25 juni 2010 in de gemeente Amsterdam, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, het bedrijf [bedrijf 11], heeft bewogen tot het aangaan van een schuld, te weten een doorlopende kredietovereenkomst, en de afgifte van 38.000 euro, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en in strijd met de waarheid - door tussenkomst van een kredietbemiddelaar - aan het [bedrijf 9] doen toekomen: - een kopie van een valselijk opgemaakte kredietovereenkomst, zogenaamd ondertekend door [aangever 23], en - een kopie van een valselijk opgemaakte betalingsopdracht, zogenaamd ondertekend door die [aangever 23], en - een kopie van een valselijk opgemaakt Krediet aanvraagformulier, zogenaamd ondertekend door die [aangever 23], en - een kopie van een rijbewijs op naam van die [aangever 23], en - een valselijk opgemaakte/fictieve arbeidsovereenkomst, gedateerd 24 mei 2010 en bijbehorende salarisstrook over periode 6, te weten 24 mei 2010 tot 20 juni 2010, zogenaamd van het [bedrijf 12] en op naam van die [aangever 23] en een bijbehorend internet bankafschrift op naam van die [aangever 23] met een creditboeking van 1525 euro salaris van dat bedrijf over de periode 6-2010, waardoor dat bedrijf werd bewogen tot het aangaan van bovenomschreven schuld en tot bovenomschreven afgifte; en 4 B) hij op 28 juni 2010 te [pleegplaats 2], met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 23] heeft bewogen tot de afgifte van 38.000 euro, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en in strijd met de waarheid, - terwijl die [aangever 23] niet wist dat er een kredietovereenkomst op haar naam was afgesloten ter hoogte van 38.000 euro, en - tegen die [aangever 23] gezegd dat er een foute boeking van 38.000 euro op de bankrekening van die [aangever 23] was gedaan en dat dat bedrag moest worden teruggestort, en - die [aangever 23] daartoe verzocht om dat bedrag op een bankrekening van verdachte te storten, en - aldus zich voorgedaan als bonafide financieel dienstverlener, waardoor die [aangever 23] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte; en 4 C) hij in de periode van 28 juni 2010 tot en met 17 maart 2011 in de gemeenten Emmen en/of Borger-Odoorn, opzettelijk 15.000 euro, dat toebehoorde aan [aangever 23] en welk geld verdachte uit hoofde van zijn beroep van financieel dienstverlener onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; 5. hij de periode van 1 januari 2011 tot en met 7 februari 2013 in de gemeenten Borger-Odoorn en Emmen, terwijl verdachte bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Assen van 17 mei 2011, in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers, A) een goed, te weten een auto, merk PT Cruiser, aan de boedel heeft onttrokken, en B) niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en te voorschijn brengen van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in dat artikel bedoeld, immers heeft verdachte niet een volledige en samenhangende administratie, als bovenbedoeld, bijgehouden en aan de curator overgelegd. De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. Strafbaarheid van de feiten Het bewezen verklaarde levert op: t.a.v. 930000-14: 1opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift 2 primair verduistering door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft, meermalen gepleegd 3valsheid in geschrift, meermalen gepleegd 4 verduistering door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft 5primairoplichting 6primairmedeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd 7 verduistering door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft, meermalen gepleegd 8 verduistering door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft 9B primairvalsheid in geschrift, meermalen gepleegd 10 verduistering door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft 11 verduistering door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft 12A) valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en B) van het plegen van witwassen een gewoonte maken 13 verduistering door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft, meermalen gepleegd 14 verduistering door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft t.a.v. parketnummer 19/810058-11: 1 primair verduistering, door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft, meermalen gepleegd 2primairoplichting, meermalen gepleegd 3 primair oplichting, meermalen gepleegd 4A) oplichting en B) oplichting en C) verduistering, door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft 5A) bedrieglijke bankbreuk en B) bedrieglijke bankbreuk Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten. Strafbaarheid van verdachte De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. Strafoplegging Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder parketnummer 18/810058-11 onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 onder A primair, B en C en 5 onder A en B alsmede onder parketnummer 18/930000-14 onder 1, 2 primair, 3, 4, 5 primair, 6, 7, 8, 9 onder A en B primair, 10, 11, 12 onder A en B, 13 en 14 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest en dat hij ontzet wordt uit zijn beroep van financieel adviseur voor de duur van 5 jaren. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft gepleit voor matiging van de door de officier van justitie gevorderde straf aangezien hij minder feiten bewezen acht en het bovendien om zeer gedateerde feiten gaat. Oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan het meermalen plegen van valsheid in geschrift, verduistering in dienstbetrekking, gewoontewitwassen, oplichting en bedrieglijke bankbreuk. Verdachte heeft meermalen valsheid in geschrift gepleegd door contracten en loonstroken uit naam van zijn slachtoffers te ondertekenen en op grond daarvan leningen en kredieten af te sluiten. De verduistering in dienstbetrekking komt er kort gezegd op neer dat verdachte zijn slachtoffers voorhield dat zij, door in zijn onderneming te investeren, een lucratief rendement op hun investering konden ontvangen. Hiervoor zijn door de diverse slachtoffers aanzienlijke leningen afgesloten of hypotheken verhoogd onder het voorwendsel dat dit voor de slachtoffers tot lagere maandlasten zou leiden. Voorts heeft verdachte sommige slachtoffers een spaarvorm voorgehouden die hij niet kon en mocht aanbieden en vervolgens dat geld niet voor zijn klanten gespaard maar opgemaakt. De slachtoffers betroffen meestal personen die klant waren bij verdachte die indertijd werkte als financieel adviseur. Verder heeft verdachte bedrieglijke bankbreuk gepleegd. Voorafgaand aan zijn faillissement heeft verdachte een auto aan de boedel onttrokken. Daarnaast heeft verdachte geen volledige administratie bijgehouden van zijn bedrijf. Het door verdachte aldus binnengehaalde geld – uiteindelijk een totaalbedrag van krap 600.000 euro – werd niet geïnvesteerd in portefeuilles of in een spaardepot gehouden, maar gebruikt voor de eigen ‘bedrijfsvoering’ en voor privéuitgaven van verdachte. Slechts een klein deel kon verdachte in de beginperiode nog aan rente terugbetalen, maar uiteindelijk is terugbetalen aan de slachtoffers niet mogelijk gebleken. Vrijwel van meet af aan moet het voor de verdachte duidelijk zijn geweest dat hij niet zou kunnen voldoen aan zijn aangegane verplichting om maandelijks een aflossing met rente aan de slachtoffers te betalen. Dit zijn zeer ernstige feiten, met ernstige en ingrijpende gevolgen voor de slachtoffers. Verdachte heeft een spoor van financiële ellende achtergelaten bij zijn slachtoffers, meestal niet bepaald kapitaalkrachtige particulieren. Zo zien deze zich ook nu nog geconfronteerd met verhoogde hypotheeklasten en aflossingen en rentebetalingen over leningen en kredieten die zij zelf niet afgesloten hebben en alle daarmee gemoeide financiële gevolgen, zorgen en stress. Verdachte heeft op grove wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen dat zijn slachtoffers in hem als financieel dienstverlener stelden. Daarnaast is, door de wijze van handelen door verdachte in zijn algemeenheid het vertrouwen in het handelsverkeer, meer in het bijzonder het vertrouwen in de financiële dienstverlening geschaad en is gepoogd de opbrengsten van vorengenoemde misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken. De verdachte heeft zich bovendien schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift, door, ter verkrijging van een leningen op naam van zijn klanten, arbeidsovereenkomsten en loonstroken daartoe valselijk op te maken. Door aldus te handelen heeft de verdachte het vertrouwen dat gesteld mag worden in een dergelijk schriftelijk stuk, dat de basis vormt voor het aangaan van een leenovereenkomst, doelbewust geschonden. Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf, is in aanmerking genomen dat de verdachte, eerder is veroordeeld, maar niet voor soortgelijke strafbare feiten. Gelet op het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank er rekening mee houden dat verdachte na de periode waarin de onderhavige feiten zijn gepleegd onherroepelijk is veroordeelde wegens een ander feit. Namens Reclassering Nederland is op 12 maart 2015 omtrent de verdachte een adviesrapport opgemaakt. Van de inhoud van dit rapport is kennisgenomen. Gelet op de aard, omvang en duur van de thans bewezen verklaarde feiten en om te voorkomen dat de verdachte in de toekomst wederom soortgelijke feiten zal plegen en aldus ter bescherming van potentiële toekomstige consumenten, zal aan de verdachte, naast de na te melden gevangenisstraf, als bijkomende straf ontzetting van de uitoefening van het beroep van financieel dienstverlener voor de duur van vijf jaren worden opgelegd. Vorderingen van de benadeelde partijen Feit 2, 930000-14 [aangever 3] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van € 31.200,- zal worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsman heeft met betrekking tot de vordering geen verweer gevoerd. Beoordeling De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade tot een bedrag van € 20.000,-, zijnde het tenlastegelegde en bewezenverklaarde bedrag, voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met de door verdachte gepleegde strafbare feiten dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering tot dat bedrag gegrond en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank zal daarbij ook bepalen dat de wettelijke rente hierover wordt toegewezen vanaf datum faillissement, in casu vanaf 17 maart 2011. De rechtbank zal de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade. Feit 3, 930000-14 [aangever 4] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van € 78.695,08 niet-ontvankelijk wordt verklaard nu de gestelde schade in een te ver verwijderd verband staat van het bewezenverklaarde grondfeit. De raadsman heeft om dezelfde reden niet-ontvankelijkheid van de vordering bepleit. Beoordeling Naar het oordeel van de rechtbank is aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde feit niet rechtstreeks schade toegebracht. De rechtbank zal daarom bepalen dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk is. De rechtbank hecht er aan op te merken dat dit oordeel los staat van een eventuele civielrechtelijke aansprakelijkheid. Feit 5, 930000-14 [aangever 2] heeft voor aanvang van de terechtzitting een aanvulling vordering benadeelde partij toegezonden, maar geen voegingsformulier ingediend. De officier van justitie heeft over deze vordering geen standpunt ingenomen. De raadsman heeft gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard vanwege het ontbreken van een voegingsformulier. Beoordeling De rechtbank stelt vast dat geen voegingsformulier, zijnde het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van geleden schade en de gronden waarop deze berust, is ontvangen. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren. Feit 7, 930000-14 [aangever 7] en [aangever 8] hebben zich tijdens de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van € 45.688,01 zal worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsman heeft met betrekking tot de vordering geen verweer gevoerd, maar heeft vrijspraak bepleit van dit tenlastegelegde feit. Beoordeling De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met de door verdachte gepleegde strafbare feiten dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank zal daarbij ook bepalen dat de wettelijke rente hierover wordt toegewezen vanaf datum faillissement, in casu vanaf 17 maart 2011. Gelet op de bewezenverklaring voor dit feit zal de rechtbank de vordering tot een bedrag van € 45.687,- toewijzen en voor het overige (€ 1,01) niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade. Feit 8, 930000-14 [aangever 9] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De gemachtigde van de benadeelde partij, [gemachtigde] heeft de vordering ter zitting toegelicht en heeft daarbij aangegeven dat de vordering strekt tot betaling van het oorspronkelijke bedrag van € 3.700,-, vermeerderd met de wettelijke rente, maar dat daarvan door de moeder van verdacht een bedrag van € 1.484,96 van is vergoed. De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van € 2.803,98,- zal worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsman heeft met betrekking tot de vordering aangevoerd dat er al een civiele procedure is gevoerd waarin vonnis is gewezen op 6 juni 2012. Daarmee heeft de benadeelde partij geen belang meer bij de vordering in deze procedure en moet deze niet-ontvankelijk worden verklaard. Beoordeling De rechtbank stelt vast dat het vonnis in de civiele procedure zich richt tegen de moeder van verdachte wegens onverschuldigde betaling. In de onderhavige strafprocedure gaat het om de schade ten gevolge van het aan verdachte tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit, hetgeen civielrechtelijk dient te gelden als onrechtmatige daad. Nu het gaat om een andere gedaagde en een andere grondslag constateert de rechtbank dat de civiele rechter nog geen oordeel geeft gegeven over de onderhavige vordering. De rechtbank is derhalve bevoegd om over deze vordering een inhoudelijk oordeel te geven. Daar komt bij dat de moeder van verdachte inmiddels is overleden waardoor verhaal niet meer mogelijk is. De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade ten bedrage van € 2.215,04 (bestaande uit € 3.700,- min € 1.484,96) voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met de door verdachte gepleegde strafbare feiten dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank zal daarbij ook bepalen dat de wettelijke rente hierover wordt toegewezen vanaf datum faillissement, in casu vanaf 17 maart 2011. De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade. Feit 9, 930000-14 [aangever 10] en [aangever 11] hebben zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De vordering strekt tot betaling van een bedrag van € 110.000,- aan materiële schade en € 1.267,74 aan advocaatkosten. Ter zitting is door de benadeelde partij toegelicht dat zij het krediet van € 50.000,- voor een bedrag van € 35.000,- bij [bedrijf 6] hebben kunnen afkopen. Deze regeling hebben zij alleen kunnen treffen door verplichte tussenkomst van een advocaat, reden waarom de advocaatkosten zijn opgevoerd. De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering tot een bedrag van € 95.000,- zal worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsman heeft met betrekking tot de vordering primair gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard nu hij vrijspraak heeft bepleit. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij ook is aangewezen omdat de vordering niet eenvoudig van aard is. Beoordeling De rechtbank acht het feit waaruit de schade ter hoogte van € 60.000,- zou zijn ontstaan niet bewezen. De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard voor dat deel van de vordering en kan deze slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Met betrekking tot het krediet van € 50.000,- dat op naam van de benadeelde partij is afgesloten komt de afkoopsom van € 35.000,- voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank is voorts van oordeel dat de advocaatkosten die de benadeelde partij heeft moeten maken om tot een afkoopsom met de kredietverstrekker te komen redelijk zijn en zal dit bedrag ook toewijzen. De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade ter hoogte van € 36.267,74 voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met de door verdachte gepleegde strafbare feiten dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering derhalve tot een bedrag van € 36.267,74 gegrond en voor toewijzing vatbaar en tot een bedrag van € 75.000,- niet-ontvankelijk. De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade. Feit 10, 930000-14 [aangever 12] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. Ter zitting is de vordering mondeling toegelicht en daaruit is gebleken dat de vordering strekt tot betaling van een bedrag van € 15.000,- en dat het bedrag voor het overige bestaat uit een eigen berekening van de rente. De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van € 15.000,- zal worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsman heeft met betrekking tot de vordering geen verweer gevoerd. Beoordeling De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade tot een bedrag van € 15.000,- voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met de door verdachte gepleegde strafbare feiten dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering derhalve tot dat bedrag gegrond en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank wijst de vordering voor het overige af, nu aan de eigen berekening van de te vergoeden rente geen waarde kan worden toegekend. Wel zal de rechtbank bepalen dat de wettelijke rente over het toegekende schadebedrag wordt toegewezen vanaf datum faillissement, in casu vanaf 17 maart 2011. De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade. Feit 11, 930000-14 [aangever 14] heeft zich voor aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 8.476,64 (€ 9.000,- schade verminderd met € 523,36, welk bedrag verdachte al heeft betaald). De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard, nu de civiele rechter over deze vordering al heeft beslist, maar dat wel de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd. De raadsman heeft met betrekking tot de vordering de niet-ontvankelijkheid bepleit omdat hij primair vrijspraak voor het tenlastegelegde feit heeft bepleit en subsidiair omdat de civiele rechter al over deze vordering een uitspraak heeft gedaan. Beoordeling Ingevolge artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht – voor zover hier van belang – kan aan degene die bij rechterlijke uitspraak wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer. Deze maatregel kan worden opgelegd indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces. Voor vergoeding komt alleen in aanmerking die schade die rechtstreeks het gevolg is van het feit zoals in de tenlastelegging is omschreven. Aangever [aangever 14] heeft een dergelijke vordering ingediend ten bedrage van € 8.467,64. De rechtbank stelt vast dat in casu sprake is van een onherroepelijke beslissing van de civiele rechter (van 24 maart 2010) waarbij is bepaald dat verdachte de door hem veroorzaakte schade ten bedrage van € 9.000,- moet vergoeden aan de benadeelde partij. Gelet daarop dient de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard. De rechtbank zal echter ambtshalve de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen voor een bedrag van € 8.467,74. Feit 12, 930000-14 [aangever 15] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering tot een bedrag van € 17.000,- zal worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en dat de vordering ten aanzien van de partneralimentatie niet-ontvankelijk wordt verklaard. De raadsman heeft met betrekking tot de vordering bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard moet worden aangezien hij vrijspraak heeft bepleit. Subsidiair stelt de raadsman dat op een aantal onderdelen van de vordering het causaal verband tussen de gestelde schade en het strafbare feit ontbreekt. Beoordeling De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade tot een bedrag van € 17.000,- voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met de door verdachte gepleegde strafbare feiten dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. Bij de post ten aanzien van de partneralimentatie is de rechtbank van oordeel dat het causale verband ontbreekt tussen de gestelde schade en het strafbare feit. Dit deel van de vordering wordt afgewezen. De rechtbank acht de vordering derhalve gedeeltelijk gegrond en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade. Feit 13, 930000-14 [aangever 16] heeft zich voor aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van € 36.304,58 zal worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsman heeft met betrekking tot de vordering geen verweer gevoerd. Beoordeling De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met de door verdachte gepleegde strafbare feiten dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet door verdachte en zijn raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade. Feit 14, 930000-14 [aangever 17] heeft zich voor aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust, vermeerderd met de wettelijke rente. De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van € 17.000,- zal worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsman heeft met betrekking tot de vordering bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard moet worden aangezien hij vrijspraak voor het strafbare feit heeft bepleit. Beoordeling De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met de door verdachte gepleegde strafbare feiten dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet door verdachte en zijn raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank zal daarbij ook bepalen dat de wettelijke rente hierover wordt toegewezen vanaf 17 maart 2011. De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade. Feit 1, 810058-11 [aangever 18] en [aangever 19] hebben zich voor aanvang van de terechtzitting beide als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten bedrage van respectievelijk € 28.122.42 en € 9.057,17, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. Ter zitting is de vordering van [aangever 19] mondeling gewijzigd in € 9.009,77. De officier van justitie heeft gevorderd dat de vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de civiele rechter over deze vorderingen al heeft beslist, maar dat wel in beide gevallen de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd. De raadsman heeft met betrekking tot de vordering de niet-ontvankelijkheid bepleit omdat hij primair vrijspraak voor het tenlastegelegde feit heeft bepleit en subsidiair omdat de civiele rechter al over deze vordering een uitspraak heeft gedaan. Beoordeling Ingevolge artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht – voor zover hier van belang – kan aan degene die bij rechterlijke uitspraak wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer. Deze maatregel kan worden opgelegd indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij kan voegen in het strafproces. Voor vergoeding komt alleen in aanmerking die schade die rechtstreeks het gevolg is van het feit zoals in de tenlastelegging is omschreven. Aangeefster [aangever 18] en aangeefster [aangever 19] hebben beide een dergelijke vordering ingediend als boven vermeld. De rechtbank stelt vast dat in casu sprake is van twee onherroepelijke beslissingen van de civiele rechter (van 8 juni 2011) waarbij is bepaald dat verdachte de door hem veroorzaakte schade ten bedrage van € 28.122,42 aan [aangever 18] en € 8.994,37 aan [aangever 19] moet vergoeden. Gelet daarop dienen de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te worden verklaard. De rechtbank zal echter ambtshalve ten aanzien van beide vorderingen de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen voor eenzelfde bedrag als geëist, grotendeels conform de beslissingen van de burgerlijke rechter. Feit 2, 810058-11 [aangever 20] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van € 13.463,97 zal worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsman heeft met betrekking tot de vordering geen verweer gevoerd. Beoordeling De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met de door verdachte gepleegde strafbare feiten dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank zal daarbij ook bepalen dat de wettelijke rente hierover wordt toegewezen vanaf 1 februari 2010. De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade. Feit 3, 810058-11 [aangever 21] en [aangever 22] hebben zich vooraf gaande aan de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van € 97.106,08 zal worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsman heeft met betrekking tot de vordering bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard moet worden aangezien hij vrijspraak voor het strafbare feite heeft bepleit. Beoordeling De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voor zover betrekking hebbende op de bewezenverklaarde bedragen voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met de door verdachte gepleegde strafbare feiten dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering derhalve voor een bedrag van € 64.621,08 (40.000,- en 24.621,08) gegrond en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank zal daarbij ook bepalen dat de wettelijke rente hierover wordt toegewezen vanaf 25 april 2008, zijnde de datum dat het eerste bedrag op de rekening van verdachte is gestort. De rechtbank zal de vordering voor het overige (€ 32.515,-) niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade. Inbeslaggenomen goederen Uit de beslaglijst blijkt dat de volgende goederen onder verdachte in beslag zijn genomen: 7 dozen administratieve bescheiden, waardepapieren, o.a. [bedrijf 4] 1. computer, HP, wachtwoord [bedrijf 4] 1. computer, kleur zwart, Asus Windows Vista De officier van justitie heeft gevorderd dat de inbeslaggenomen goederen verbeurd worden verklaard. De raadsman heeft ten aanzien van het beslag geen standpunt ingenomen. De rechtbank acht de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten 7 dozen administratieve bescheiden en 2 computers vatbaar voor verbeurdverklaring nu de strafbare feiten met behulp van deze goederen zijn begaan en deze toebehoren aan verdachte. Toepasselijke wettelijke voorschriften De rechtbank heeft gelet op de artikelen 28, 33, 33a, 36f, 57, 63, 225, 321, 322, 326, 420ter en 341 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde. DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT: Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer onder 19/930000-14 onder 9A is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder parketnummer 19/930000-14 onder 1, 2 primair, 3, 4, 5 primair, 6 primair, 7, 8, 9 onder B primair, 10, 11, 12 onder A en B, 13 en 14 en onder parketnummer 19/810058-11 onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 en 5 tenlastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verklaart verdachte daarvoor strafbaar. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Veroordeelt verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren. Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht. Bepaalt dat veroordeelde gedurende 5 jaren wordt ontzet uit het recht om het beroep van financieel dienstverlener uit te oefenen. Beslissing op de vordering van de benadeelde partij (feit 2, 19/930000-14) Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 3] toe en veroordeelt veroordeelde mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 20.000,- (zegge: twintigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2011. Veroordeelt veroordeelde in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil. Legt aan veroordeelde de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 3], te betalen een bedrag van € 20.000,- (zegge: twintigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 23 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat volledig uit materiële schade. Bepaalt daarbij dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [aangever 3], daarmee de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien veroordeelde aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen. Beslissing op de vordering van de benadeelde partij (feit 3, 19/930000-14) Verklaart de vordering van de benadeelde partij [aangever 4] niet ontvankelijk. Beslissing op de vordering van de benadeelde partij (feit 5, 19/930000-14) Verklaart de vordering van de benadeelde partij [aangever 2] niet ontvankelijk. Beslissing op de vordering van de benadeelde partij (feit 7, 19/930000-14) Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 7]/[aangever 8] toe en veroordeelt veroordeelde mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 45.687,- (zegge: vijfenveertigduizend zeshonderd zevenentachtig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2011. Verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk. Veroordeelt veroordeelde in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil. Legt aan veroordeelde de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 7]/[aangever 8], te betalen een bedrag van € 45.687,- (zegge: vijfenveertigduizend zeshonderd zevenentachtig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 53 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat volledig uit materiële schade. Bepaalt daarbij dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [aangever 7]/[aangever 8], daarmee de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien veroordeelde aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen. Beslissing op de vordering van de benadeelde partij (feit 8, 19/930000-14) Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 9] toe en veroordeelt veroordeelde mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2.215,04 (zegge: tweeduizend tweehonderd vijftien euro en vier eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2011. Veroordeelt veroordeelde in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil. Legt aan veroordeelde de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 9], te betalen een bedrag van € 2.215,04 (zegge: tweeduizend tweehonderd vijftien euro en vier eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 4 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat volledig uit materiële schade. Bepaalt daarbij dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [aangever 9], daarmee de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien veroordeelde aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen. Beslissing op de vordering van de benadeelde partij (feit 9, 19/930000-14) Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 10]/[aangever 11] toe en veroordeelt veroordeelde mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 36.267,74 (zegge: zesendertigduizend tweehonderdzevenenzestig euro en vierenzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 november 2011. Verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk. Veroordeelt veroordeelde in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil. Legt aan veroordeelde de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 10]/[aangever 11], te betalen een bedrag van € 36.267,74 (zegge: zesendertigduizend tweehonderdzevenenzestig euro en vierenzeventig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 42 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat volledig uit materiële schade. Bepaalt daarbij dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [aangever 10]/[aangever 11], daarmee de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien veroordeelde aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen. Beslissing op de vordering van de benadeelde partij (feit 10, 19/930000-14) Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 12] toe en veroordeelt veroordeelde mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 15.000,- (zegge: vijftienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2011. Veroordeelt veroordeelde in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil. Legt aan veroordeelde de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 12], te betalen een bedrag van € 15.000,- (zegge: vijftienduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 17 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat volledig uit materiële schade. Bepaalt daarbij dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [aangever 12], daarmee de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien veroordeelde aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen. Beslissing op de vordering van de benadeelde partij (feit 11, 19/930000-14) Verklaart de vordering van de benadeelde partij [aangever 14] niet ontvankelijk. Legt aan veroordeelde de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 14], te betalen een bedrag van € 8.467,74 (zegge: achtduizend vierhonderd zevenenzestig euro en vierenzeventig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat volledig uit materiële schade. Bepaalt daarbij dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [aangever 14], daarmee de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien veroordeelde aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen. Beslissing op de vordering van de benadeelde partij (feit 12, 19/930000-14) Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 15] toe en veroordeelt veroordeelde mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 17.000,- (zegge: zeventienduizend euro). Wijst de vordering voor het overige af. Veroordeelt veroordeelde in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil. Legt aan veroordeelde de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 15], te betalen een bedrag van € 17.000,- (zegge: zeventienduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat volledig uit materiële schade. Bepaalt daarbij dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [aangever 15], daarmee de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien veroordeelde aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen. Beslissing op de vordering van de benadeelde partij (feit 13, 19/930000-14) Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 16] toe en veroordeelt veroordeelde mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 36.304,58 (zegge: zesendertigduizend driehonderd vier euro en achtenvijftig eurocent). Veroordeelt veroordeelde in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil. Legt aan veroordeelde de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 16], te betalen een bedrag van € 36.304,58 (zegge: zesendertigduizend driehonderd vier euro en achtenvijftig eurocent, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 42 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat volledig uit materiële schade. Bepaalt daarbij dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [aangever 16], daarmee de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien veroordeelde aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen. Beslissing op de vordering van de benadeelde partij (feit 14, 19/930000-14) Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 17] toe en veroordeelt veroordeelde mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 17.000,- (zegge: zeventienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2011. Veroordeelt veroordeelde in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil. Legt aan veroordeelde de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 17], te betalen een bedrag van € 17.000,- (zegge: zeventienduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat volledig uit materiële schade. Bepaalt daarbij dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [aangever 17], daarmee de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien veroordeelde aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen. Beslissing op de vordering van de benadeelde partij (feit 1, 19/810058-13) Verklaart de vordering van de benadeelde partij [aangever 18] niet ontvankelijk. Legt aan veroordeelde de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 18], te betalen een bedrag van € 28.122,42 (zegge: achtentwintigduizend honderdtweeëntwintig euro en tweeënveertig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 33 dagen met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat volledig uit materiële schade. Bepaalt daarbij dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [aangever 18], daarmee de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien veroordeelde aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen. Beslissing op de vordering van de benadeelde partij (feit 1, 19/810058-13) Verklaart de vordering van de benadeelde partij [aangever 19] niet ontvankelijk. Legt aan veroordeelde de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 19], te betalen een bedrag van € 8.994,37 (zegge: achtduizend negenhonderd vierennegentig euro en zevenendertig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat volledig uit materiële schade. Bepaalt daarbij dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [aangever 19], daarmee de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien veroordeelde aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen. Beslissing op de vordering van de benadeelde partij (feit 2, 19/810058-11) Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 20] toe en veroordeelt veroordeelde mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 13.463,97 (zegge: dertienduizend vierhonderd drieënzestig euro en zevenennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2010. Veroordeelt veroordeelde in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil. Legt aan veroordeelde de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 20], te betalen een bedrag van € 13.463,97 (zegge: dertienduizend vierhonderd drieënzestig euro en zevenennegentig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 16 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat volledig uit materiële schade. Bepaalt daarbij dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [aangever 20], daarmee de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien veroordeelde aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen. Beslissing op de vordering van de benadeelde partij (feit 3, 19/810058-13) Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 21]/[aangever 22] toe en veroordeelt veroordeelde mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 64.621,08 (zegge: vierenzestigduizend zeshonderd eenentwintig euro en acht eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 april 2008. Verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk. Veroordeelt veroordeelde in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil. Legt aan veroordeelde de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 21]/[aangever 22], te betalen een bedrag van € 64.621,08 (zegge: vierenzestigduizend zeshonderd eenentwintig euro en acht eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 75 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat volledig uit materiële schade. Bepaalt daarbij dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slacht

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.