vonnis RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Privaatrecht Locatie Leeuwarden zaaknummer / rolnummer: C/17/142225 / KG ZA 15-148 Vonnis in kort geding van 22 juli 2015 in de zaak van 1 [A] , wonende te [woonplaats] , 2. [B], wonende te [woonplaats] , 3. [C], wonende te [woonplaats] , 4. de vennootschap onder firma [D] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eisers, hierna afzonderlijk te noemen: [A] , [B] , [C] en [D] en gezamenlijk: [eisers] , advocaten: mr. H.J. Bos en mr. E. van der Meulen te Amsterdam, tegen de coöperatie COÖPERATIEVE RABOBANK SNEEK-ZUIDWEST FRIESLAND U.A., gevestigd te Sneek, gedaagde, hierna te noemen: Rabobank, advocaten: mr. B.S. Matser en mr. D.S. van Lith te Utrecht. 1De procedure 1.1. [eisers] hebben Rabobank in kort geding doen dagvaarden tegen de openbare terechtzitting van 8 juli 2015. 1.2. [eisers] hebben toen op de bij dagvaarding geformuleerde gronden gevorderd dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: I. Rabobank gebiedt om kredietovereenkomsten met [eisers] na te komen voor de overeengekomen duur van de betreffende kredietovereenkomst, althans voor een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen duur, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag dat zij daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 3.650.000,-; II. Rabobank verbiedt om betaalrekeningen te blokkeren en/of betaalopdrachten niet uit te voeren en/of bankrekeningen van [eisers] te beëindigen, zolang de bancaire relatie met [eisers] voortduurt, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per overtreding, met een maximum van € 200.000,-; III. Rabobank verbiedt om executiemaatregelen jegens [eisers] te nemen, zolang de bancaire relatie met [eisers] voortduurt, in het bijzonder Rabobank verbiedt om het woonhuis van [A] en [B] en/of het bedrijfspand en de woning van [C] en/of [D] executoriaal te veilen alsmede daarvan aanzeggingen en publicaties te doen uitgaan; IV. Rabobank veroordeelt in de kosten van deze procedure en de buitengerechtelijke kosten, alsmede de nakosten ad € 131,- voor (na)salaris advocaat, te vermeerderen voor het geval betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden met € 68,- voor (na)salaris advocaat en de werkelijk gemaakte kosten voor het doen uitbrengen van het exploot of de exploten van betekening, met bepaling dat indien betaling van de verschuldigde bedragen niet binnen zeven dagen plaatsvindt over deze bedragen de wettelijke rente zal zijn verschuldigd vanaf bedoelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening. 1.3. Ter terechtzitting hebben partijen hun standpunten toegelicht, waarbij hun advocaten gebruik hebben gemaakt van pleitnotities. Rabobank heeft geconcludeerd tot afwijzing van de gevraagde voorzieningen, met veroordeling van [eisers] in de kosten van de procedure. 1.4. Beide partijen hebben producties overgelegd. 1.5. Ten slotte is vonnis bepaald op heden. 2De feiten 2.1. [A] is gehuwd met [B] . Zij zijn de ouders van [C] 2.2. Zowel [A] als [C] onderhoudt een bancaire relatie met Rabobank. [C] bankiert bij Rabobank ten behoeve van het door hem geëxploiteerde [F] , als vennoot van de vennootschap onder firma [D] (een reclamebureau) en hij heeft een gezamenlijke hypothecaire lening met [G] bij Rabobank afgesloten. In [D] participeert [C] samen met twee andere vennoten, [H] en [I] . 2.3. [eisers] bankierden aanvankelijk bij Friesland Bank. De bancaire relatie met [A] en [B] viel laatstelijk onder de afdeling Bijzonder Beheer van die bank. 2.4. Friesland Bank heeft aan [A] en [B] twee aflossingsvrije leningen tot bedragen van respectievelijk EUR 316.000,- en EUR 184.000,- ter financiering van hun woonhuis, alsmede een krediet in rekening-courant ad EUR 250.000,- verstrekt. De zekerheid voor Friesland Bank bestond uit een eerste hypothecaire inschrijving tot een bedrag van EUR 1.000.000,- op de onroerende zaak (woonhuis) aan de [adres] en een aantal percelen weiland, kadastraal bekend als [kadastrale aanduiding] . 2.5. Friesland Bank is onderdeel geworden van de Rabobank Groep en heeft als gevolg daarvan haar actieve dienstverlening in juli 2014 definitief gestaakt. De producten en diensten van de (voormalige) klanten van Friesland Bank zijn overgegaan naar lokale Rabobanken of andere onderdelen van de Rabobank Groep. Aan de klanten van Friesland Bank zijn tussen 1 april 2012 en 1 april 2014 door lokale Rabobanken aanbiedingen gedaan voor dienstverlening. Indien deze aanbieding niet werd geaccepteerd, dan werd door Friesland Bank vóór 1 april 2014 de bancaire relatie opgezegd. 2.6. Rabobank heeft [A] bij brief van 21 januari 2014, met als onderwerp "De overgang van Friesland Bank naar Rabobank" onder meer als volgt bericht: Op woensdag 15-01-2014 spraken wij elkaar over de overgang van uw Friesland Bank-producten naar Rabobank Sneek-Zuidwest Friesland. Wij streven ernaar deze overdracht op 03 februari 2014 (overgangsdatum) te realiseren. Daaraan voorafgaand hebben we een afspraak met u gemaakt voor het ondertekenen van de documenten die hiervoor nodig zijn. U treft deze documenten alvast ter informatie aan in de bijlagen. Wat gaat er gebeuren? De overgang van Friesland Bank naar Rabobank gebeurt zoveel mogelijk door middel van 'contractoverneming en wijziging van voorwaarden'. Dit betekent dat Rabobank alle rechten en verplichtingen uit uw contracten met Friesland Bank overneemt en dat voor deze contracten de (algemene) voorwaarden van Rabobank gaan gelden. Friesland Bank heeft Rabobank gemachtigd om alles te regelen in het kader van de contractoverneming en namens haar te tekenen. In artikel 36 van de Algemene Bankvoorwaarden is geregeld dat u instemt met deze contractoverneming. Contractoverneming In de bijlagen is een overzicht opgenomen van uw producten bij Friesland Bank, die met contractoverneming worden overgedragen. Per product is aangegeven welk product u van de Rabobank krijgt. (…) Voor sommige producten moet een aparte (wijzigings-)overeenkomst of ander document worden getekend. Ook vragen we u te tekenen als blijk van uw instemming met de contractoverneming en wijziging van voorwaarden. Dit betreft: - Instemming contractoverneming - Erkenning borgtocht van Friesland Bank aan Rabobank - Akte verpanding creditgelden ten gunste van Friesland Bank (…) Hoe nu verder? Wij vragen u de bijgevoegde informatie door te nemen. De documenten moeten in elk geval uiterlijk op de hiervoor vermelde overgangsdatum zijn getekend. De contractoverneming gaat dan in op die overgangsdatum. Als een of meer documenten later worden getekend, betekent dit dat de overgangsdatum kan wijzigen. (…). 2.7. In reactie op deze brief heeft [A] Rabobank bij brief van 24 januari 2014 onder meer medegedeeld: "(…) Tijdens het telefoongesprek dat mijn vrouw d.d. 14 januari en ik d.d. 15 januari jl. met u hebben gevoerd, hebt u aangegeven dat wij d.d. 21 januari een gesprek met [K] zouden voeren. Tijdens het gesprek dat wij met u hebben gehad, hebt u noch aangegeven dat uw bank voornemens was om ons dossier in handen te geven van de afdeling 'bijzonder beheer' noch dat van ons werd verwacht dat wij tijdens het gesprek met [K] verschillende documenten zouden tekenen. (…) Tot op de dag van vandaag zijn wij klant van de juridische entiteit die Friesland Bank N.V. heet. Zolang deze entiteit bestaat en zolang wij geen toestemming geven onze bankgegevens over te dragen aan derden, heeft de Friesland Bank N.V. haar bankgeheim te handhaven en is het haar niet toegestaan privacygevoelige informatie vrij te geven. Uw collegae gaven aan dat zij slechts in beperkte mate beschikten over informatie die van de Friesland Bank was ontvangen. (…) Afgezien van de hautaine wijze waarop mijn vrouw en ik te woord zijn gestaan en afgezien van de op basis van beperkte informatie getrokken conclusies, werd van ons verwacht ter plekke alle door uw bank noodzakelijk geachte documenten voor de migratie naar de Rabobank te tekenen. Over het ondertekenen van documenten hebt u tijdens ons onderhoud van 15 januari jl. geheel niet gesproken. (…) Ik heb [K] en haar collega medegedeeld bereid te zijn een relatie met de Rabobank aan te gaan indien voldaan wordt aan voornoemd schrijven d.d. 10 december jl. (…) Indien ook uw bank inzet op een duurzame relatie met mijn vrouw en ondergetekende vraag ik u vriendelijk mij een accountmanager toe te wijzen, zijnde een accountmanager die niet verbonden is aan de afdeling 'bijzonder beheer', opdat ik met hem of haar een soepele overgang richting uw organisatie kan bewerkstelligen. (…)". 2.8. Rabobank heeft [A] hierna bij brief van 3 februari 2014 onder meer medegedeeld: "(…) Ik heb getracht u uit te leggen wat er gaat gebeuren indien u niet tekent. Kort samengevat betekent dit dat wij u dan niet als klant kunnen en willen ontvangen en dat naar verwachting de Friesland Bank u dan de financiering zal opzeggen, daar die bank ophoudt te bestaan. (…) Om een overstap naar de Rabobank uit te kunnen voeren is ondertekening voor 17 februari aanstaand vereist. Graag verneem ik van u of u op basis van mijn toelichting voor genoemde datum wilt ondertekenen, anders bericht ik de Friesland Bank dat u niet wenst over te komen. (…)". 2.9. [A] is niet tot ondertekening van de door Rabobank verlangde documenten inzake de overgang van Friesland Bank naar Rabobank overgegaan. 2.10. Friesland Bank heeft [A] bij brief van 24 februari 2014 medegedeeld dat zij vanwege het door [A] niet willen voortzetten van de relatie met Friesland Bank met de Rabobank het aan [A] verstrekte krediet opeist. Daartoe meldt Friesland Bank in deze brief: "(…) U heeft aangegeven niet te zullen tekenen. U heeft tot 17 februari 2014 de tijd gehad om alsnog over te gaan tot ondertekening. Dit is niet gebeurd. Zoals u weet, zal Friesland Bank op 1 april 2014 haar activiteiten beëindigen en deze worden voortgezet door Rabobank. Aangezien u de relatie niet verder wenst voort te zetten met Rabobank, zijn wij genoodzaakt om over te gaan tot directe opeising van de overeenkomsten van het totaal verschuldigde per 21 februari 2014 volgens onderstaande specificatie: Rekening Courant tnv [A] (…) - € 251.490,15 Prive-Rek tnv [A] (…) - € 1.664,25 Lening Aflossingsvrij (…) - € 316.000,00 Lening Aflossingsvrij (…) - € 184.000,00 Rente PM -------------------- Totaal (behoudens PM) - € 753.154,40 Laatst genoemd bedrag vermeerderd met de lopende rente dient voor 31 maart 2014 op uw rekening 29.72.49.371 te worden gestort. (…)". 2.11. Het gevolg van deze opzegging was dat Rabobank, conform de afspraken die zij daaromtrent met Friesland Bank had gemaakt, werd gecedeerd in de opeisbare vorderingen van Friesland Bank op [A] 2.12. [C] heeft ingestemd met overname van de overeenkomsten met Friesland Bank door Rabobank. Nadien had [C] privé/zakelijk de volgende overeenkomsten met Rabobank: A. een vijftal leningen en een rekening courant krediet voor [C] tevens h.o.d.n. [F] , voor in totaal (per datum 19 november 2014) een bedrag van EUR 530.145,80; B. een viertal leningen en een rekening courant krediet voor [D] voor in totaal (per datum 5 maart 2015) een bedrag van EUR 405.821,95; C. een lening en een rekening courant krediet van [C] en [G] gezamenlijk voor in totaal (per datum 5 maart 2015) een bedrag van EUR 340.983,70. 2.13. De betaalrekeningen en de rekening-courant van [A] en [B] zijn - ten behoeve van de continuering van het betaalproces - overgezet naar de Rabobank. Rabobank heeft hen daarover in mei 2014 bericht. 2.14. Op 20 mei 2014 heeft een gesprek tussen Rabobank en [A] plaatsgevonden ten kantore van Rabobank. Naar aanleiding van dit gesprek heeft Rabobank [A] bij e-mail van 28 mei 2014 medegedeeld: (…) In het gesprek hebben wij naar u aangegeven dat u een andere bank dient te zoeken voor al uw producten. Hierbij hebben we uitgesproken dat de termijn die we u stellen ruim wordt genomen, daar we inschatten dat u in uw huidige situatie niet gemakkelijk financierbaar bent bij andere banken. Daarbij denken we aan een periode van 2 jaar om uw producten allemaal bij een andere bankinstelling dan Rabobank onder te brengen. U bent door cessie van de vordering van Rabobank klant bij ons geworden, u dient de Rabobank tijdig uw renteverplichtingen te voldoen om aan voormelde afspraak geldigheid te ontlenen. Wij verstrekken u en uw vrouw een bankpas op de betaalrekening om normaal betalingsverkeer mogelijk te maken tot u een andere bank heeft, u kunt internetbankieren indien gewenst. (…) Ten slotte willen we u laten weten dat we bij eventuele vervolggesprekken de aanwezigheid van uw zoon ( [C] , toevoeging voorzieningenrechter) niet op prijs stellen. Zijn aanwezigheid wordt in relatie tot uw bankzaken vanaf heden geweigerd.. 2.15. Voorts heeft Rabobank [A] bij brief van 13 juni 2014 medegedeeld: Naar aanleiding van het gesprek d.d. 20 mei 2014, bevestigen wij u het volgende. (…) Doel van het gesprek was om u te informeren over de wijze waarop uw overeenkomsten migreren van Friesland Bank naar Rabobank. De vordering die Friesland Bank op u heeft, zal via een akte van cessie overgaan naar Rabobank Sneek-Zuidwest Friesland. Wij hebben aan u uiteengezet dat daarvoor uw handtekening niet meer nodig is. Dit, omdat u niet bent overgegaan tot het ondertekenen van de aangeboden overeenkomsten in een eerder stadium en waartoe Rabobank u ruimschoots in de gelegenheid heeft gesteld. Dit had tot gevolg dat Friesland Bank de overeenkomsten met u heeft opgezegd. Het contact met Rabobank Sneek-Zuidwest Friesland zal verlopen via de afdeling Bijzonder Beheer met ondergetekende als uw accountmanager. (…) Met betrekking tot eventuele toekomstige gesprekken die u met ons zou hebben, is het wenselijk dat [C] niet meer participeert en is daarom ook niet welkom. Het heeft een escalerende werking op de voortgang van het gesprek en daardoor geen enkele toegevoegde waarde. (…). 2.16. [A] heeft Rabobank bij brief van 17 juni 2014 bericht dat hij noch zijn vrouw impliciet dan wel expliciet te kennen heeft gegeven geen relatie met Rabobank aan te gaan. Voorts meldt [A] in deze brief bezwaar te maken tegen de beslissing van Friesland Bank om de overeenkomsten van partijen op te zeggen en bezwaar te maken tegen de beslissing van Rabobank om geen langdurige relatie met hem aan te gaan. 2.17. In 2009 is de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa), thans de Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM, ook als daarmee wordt gedoeld op de NMa), een onderzoek gestart naar vermeende kartelvorming op executieveilingen. [A] was één van de handelaren op wie dit onderzoek zich richtte. 2.18. Bij besluit van 13 december 2011 heeft de Raad van Bestuur van de ACM boetes opgelegd aan vijftien handelaren in de zogenoemde "eerste tranche" wegens een overtreding van artikel 6 Mw. Een van deze besluiten richtte zich tot [A] Aan hem is een boete opgelegd van EUR 450.000,-. Daartoe overwoog de Raad van Bestuur van de ACM in voormeld besluit onder meer als volgt: (…) 2.2.10. 2.2.10. Conclusie 157. Aan de hand van voorgaande verklaringen stelt de Raad vast dat de gedragingen van de groep handelaren zich laten onderscheiden naar gelang de fase van een executieveiling. 158. Voorafgaande aan de executieveiling is de groep handelaren actief om eventuele outsiders te identificeren en – al dan niet met vormen van dwang – te betrekken bij hun gedragingen. 159. Tijdens de inzetfase wordt door handelaren niet of nauwelijks tegen elkaar opgeboden waardoor de inzetprijs doelbewust zo laag mogelijk wordt gehouden. Handelaren weten dat zij kunnen aangeven mee te kunnen doen met de inzetprijs waardoor zij delen in de inzetpremie. Die wetenschap disciplineert hun gedrag in de inzetfase en ontneemt aldus de prikkel tot oprecht en serieus opbieden in de inzetfase; het kunnen meedoen met de inzetprijs en het daardoor delen in de inzetpremie is een beloning voor het niet-bieden. 160. Van de ingevulde inzetlijsten gaat vervolgens een disciplinerende werking uit naar het biedgedrag van handelaren in de afmijnfase. Handelaren zijn op grond van loyaliteit namelijk niet meer vrij om een door hen afzonderlijk afgemijnde woning uitsluitend voor zichzelf te houden. Zij dienen andere handelaren in de gelegenheid te stellen die woning tijdens een naveiling alsnog te verwerven. Als gevolg hiervan komt eerst op die naveiling de definitieve prijs tot stand. 161. De gedragingen waren voorts onder invloed van sanctiemechanismen. Handelaren konden worden uitgesloten van het delen in de inzetpremie, indien zij in de afmijnfase – in strijd met de loyaliteit – woningen uitsluitend voor zichzelf afmijnen. Indien handelaren in de inzetfase de prijs van een woning opdreven door actief te bieden, werd daarop in de afmijnfase gereageerd door niet af te mijnen. De woning liep dan slag en de handelaar die voor de prijsopdrijving verantwoordelijk was, bleef zodoende alleen “hangen” aan de woning. Dat moet bewerkstelligen dat hij zich conformeert aan de gedragingen van de groep handelaren. 162. De Raad stelt vast dat de hier beschreven gedragingen van de groep handelaren onderling verweven zijn en in een terugkerend patroon op executieveilingen worden vertoond. (…) Mededingingsbeperking (…) 206. De Raad stelt vast dat op executieveilingen de prijs de enige relevante concurrentieparameter is. Enkel door de hoogte van zijn bod kan een bieder zich onderscheiden van andere bieders. 207. Tevens stelt de Raad vast dat de afspraak, zoals omschreven in paragraaf 3.3.2, deze concurrentieparameter rechtstreeks in negatieve zin beïnvloedt. De afspraak tussen de handelaren die tot de groep behoren heeft het doel om de prijs op de executieveiling zo laag mogelijk te houden. Dit gaat ten koste van de particulier, wiens woning wordt verkocht, de bank en/of het WEW. Om dit doel te bereiken hebben de handelaren die tot de groep behoren de – normale en gebruikelijke – risico’s van onderlinge concurrentie welbewust vervangen door een vorm van samenwerking. 208. De handelaren hebben door een groep te vormen het aantal potentiële bieders op de executieveiling kunstmatig verkleind door zich gezamenlijk op te stellen. Zodoende hebben deze handelaren maatregelen genomen om te verzekeren dat er op de officiële executieveilingen – tijdens de inzetfase en de afmijnfase – geen daadwerkelijke concurrentie is te duchten vanuit de door hen gevormde groep. Door hun gedragingen is het voor handelaren immers niet meer nodig om rekening te houden met onderlinge concurrentie. Dit betekent concreet dat deze handelaren, door zich gezamenlijk op te stellen, bij het uitbrengen van een bod niet langer het bedrag dat zij zélf de woning waard vinden, bepalend laten zijn voor hun biedgedrag, maar hun loyaliteit aan de groep. 209. Op deze wijze hebben de betreffende handelaren direct de vrije prijsvorming op de executieveiling gefrustreerd. Het is naar het oordeel van de Raad van belang in ogenschouw te nemen dat de inzetprijs bepalend is voor de hoogte van de afmijnprijs (…). Door de opstelling van de handelaren, die erop is gericht om op de officiële veiling de (onderlinge) concurrentiedruk in te dammen, hebben zij het (normale) verloop van de executieveiling verstoord en gefrustreerd. Zoals beschreven in paragraaf 2.1.3 is een afname van het aantal potentiële bieders bij uitstek geschikt om te leiden tot een lagere prijs op de officiële executieveiling. De Raad stelt vast dat als gevolg van de afspraak een lagere prijs op de executieveiling tot stand komt dan in het geval van normale concurrentie tussen handelaren het geval zou zijn geweest, ten koste van de particulier, wiens woning wordt verkocht, de bank en/of het WEW. 210. De Raad stelt op basis van het voorgaande vast dat de afspraak concreet geschikt is om de mededinging te beperken en te vervalsen en aldus een mededingingsbeperkende strekking heeft waarbij het veilingproces (negatief) wordt beïnvloed. Merkbaarheid (…) 212. Het dossier bevat aanwijzingen dat een grote groep (individuele) handelaren betrokken is bij de afspraak. In totaal heeft de afspraak over een periode van circa negen jaar daadwerkelijk gefunctioneerd waarbij het de groep handelaren bij ten minste 2000 woningen gelukt is om de executieveiling in de inzetfase te vervalsen en de mededinging te beperken. Onder deze omstandigheden is evident geen sprake van een zodanig "zwakke positie" van de groep handelaren dat de concurrentie niet in mededingingsrechtelijk relevante mate is beperkt als het gevolg van de afspraak. (…) 3.7. Individuele betrokkenheid (…) 224. Voor de betrokkenheid van [A] verwijst de Raad naar de Bijlage 1 bij dit besluit. Uit deze bijlage blijkt dat [A] bij 769 woningen betrokken is geweest waarop de afspraak ziet. Tevens volgt uit deze bijlage dat [A] bij de afspraak betrokken is geweest gedurende de periode van 13 juni 2000 tot 9 september 2009. 225. De Raad roept de afspraak in herinnering, te weten om op de executieveilingen een zo laag mogelijke prijs van een woning tot stand te laten komen. De Raad constateert dat [A] een tegenprestatie ontving voor de door hem geleverde bijdragen aan de afspraak. Het betreft een tegenprestatie voor zijn loyaliteit die kan bestaan uit een deel van het plokgeld, een deel van de uitkoopsom of de eigendom van de woning. Uit de wijze waarop [A] zich met betrekking tot de in Bijlage 1 bij dit besluit genoemde woningen heeft gedragen, blijkt dat hij aan dit doel - en dus aan de afspraak - een bijdrage heeft geleverd en heeft willen leveren. Deze bijdrage van [A] , gebaseerd op loyaliteit jegens elkaar, is immers van belang voor het functioneren van de afspraak. Deze omstandigheden brengen de Raad tot het oordeel dat [A] kennelijk ook heeft gewild om zich loyaal te gedragen en zijn bijdragen aan de afspraak te leveren, teneinde die tegenprestatie te ontvangen. 226. Naar het oordeel van de Raad volgt uit de omstandigheid dat [A] bij herhaling heeft deelgenomen aan de hier bedoelde gedragingen ten aanzien van een concrete woning, dat [A] noodzakelijkerwijs ook kennis heeft gehad van de gedragingen van de andere handelaren die tot de groep behoren. 3.8. Conclusie 227. De Raad stelt vast dat [A] betrokken is bij de afspraak en zodoende wordt aangemerkt als "betrokken handelaar. (…) 2.19. Tegen voormeld besluit heeft [A] bezwaar aangetekend bij de Raad van Bestuur van de ACM. Bij besluit van 7 januari 2013 zijn de bezwaren van [A] tegen het besluit in primo gedeeltelijk gegrond verklaard en is aan [A] na heroverweging een boete van EUR 411.000,00 opgelegd. Het bestreden besluit is voor het overige gehandhaafd. In het besluit op bezwaar overweegt de Raad van Bestuur van de ACM onder meer: (…) 252. De Raad is van oordeel dat een handelaar, in het geval hij heeft geprofiteerd van een naveiling, niet kan volhouden niet op de hoogte te zijn geweest van de schadelijkheid van de afspraak. Dit geldt a fortiori als het een naveiling betreft nadat in een officiële veiling is ingezet en afgemijnd door andere handelaren. In Bijlage 1 heeft de Raad opgesomd dat [A] in 43 gevallen heeft geprofiteerd van een naveiling nadat het pand is afgemijnd. In dergelijk gevallen werd het pand in de naveiling voor een hogere prijs verkocht dan in de officiële veiling (waar dezelfde handelaren al aanwezig waren). In elk van deze gevallen moet het voor [A] evident zijn geweest dat de afspraak om 'mee te doen' leidt tot benadeling van de particulier, de bank en/of het WEW doordat op de officiële veiling een lagere prijs tot stand komt dan de prijs die de handelaren in de naveiling overeenkomen. 253. Met het voorgaande is de Raad van oordeel dat het standpunt van [A] - dat de afspraak uitsluitend een vorm van risicospreiding is - onhoudbaar is. 2.20. Op 11 september 2014 heeft er wederom een gesprek plaatsgevonden tussen Rabobank en [A] In dit gesprek is onder meer de aan [A] door de ACM opgelegde boete aan de orde gekomen. Naar aanleiding van het gesprek heeft Rabobank [A] en [B] bij brief van 25 september 2014 medegedeeld: (…) U heeft ons aangegeven dat er discussie is ontstaan in het kader van de overgang van Friesland Bank naar Rabobank over onder meer de op EURIBOR gebaseerde rente en de wens van de bank om een door u bekostigde taxatie te willen ontvangen. Dit heeft ertoe geleid dat u heeft geweigerd de noodzakelijke migratiedocumenten te ondertekenen die het gevolg zijn van de overgang van Friesland Bank naar Rabobank. Het gevolg daarvan is een opzegging van de u verstrekte financieringen geweest, waarbij de bank heeft gemeend niet meer toe te hoeven komen aan de door ACM beboete activiteiten op veilingen van woonhuizen van [A] . Zoals u bekend heeft Rabobank ingezet op beëindiging van de bancaire relatie met degenen die door de ACM zijn beboet. Wij hebben u in de bespreking aangegeven dat wij de door de bank gewenste beëindiging van de bancaire relatie op grond van de door de ACM beboete activiteiten liefst in onderling overleg vormgeven en daarvoor een periode van twee jaar te willen uittrekken, zodat de relatie uiterlijk per 1 oktober 2016 zal zijn beëindigd. U heeft ons in dat verband aangegeven het met de op deze opzeggingsgrond voorgenomen beëindiging van de bancaire relatie niet eens te zijn en u heeft er op aangedrongen dat de bank een besluit tot beëindiging eerst overweegt dan nadat de rechter definitief heeft beslist op de lopende procedures van de gezamenlijke huizenhandelaren tegen de ACM. Wij hebben u meegedeeld dat wij vooralsnog slechts bereid zijn de lopende juridische procedure te willen afwachten, waarvan het vonnis dit najaar wordt verwacht. (…) Op grond van de omstandigheid dat de vordering van Frieslandbank aan Rabobank is gecedeerd dient u er rekening mee te houden dat de door Rabobank aangevoerde opzeggingsgrond later dit jaar (nadat vonnis is gewezen op de thans lopende procedure) u nog formeel zal worden bericht onder handhaving van de hierboven verruimde opeisingstermijn (ergo 1 oktober 2016). (…). 2.21. [A] heeft Rabobank vervolgens bij brief van 21 oktober 2014 medegedeeld: (…) Ik houd van duidelijkheid. Uw brief alsmede het door uw bank gevoerde beleid acht ik inconsistent en onduidelijk. Ik loop ook in spreekwoordelijke zin lang genoeg mee om te weten dat u en uw collegae, evenals veel mensen, van natura geneigd zijn zich te verschuilen achter de regels en het beleid van de organisatie waarvoor zij werken. De gedeelde verantwoordelijkheid van mensen binnen een organisatie leidt in de praktijk veelal tot geen enkele verantwoordelijkheid. Ik houd daarom [L] en [M] persoonlijk aansprakelijk voor alle schade, materiële en immateriële, die uw bank aanricht. Niet uit wrok of wroeging, maar naar mijn stellige overtuiging dat het leeuwendeel van de mensen zich pas voelt aangesproken indien zij persoonlijk worden aangesproken. (…). 2.22. In reactie op deze brief van [A] heeft Rabobank hem bij brief van 6 november 2014 medegedeeld dat zij in verband met een hierdoor ontstane ernstige vertrouwensbreuk tussen partijen de eerdere opzegging van de bancaire relatie (door Friesland Bank) handhaaft, en thans nogmaals opzegt, ditmaal per 31 maart 2015, per welke datum [A] de ingevolge de verstrekte financieringen verschuldigde bedragen aan de bank dient af te lossen. Rabobank meldt hiertoe in haar brief onder meer: Uw afsluitende passage in voornoemde brief markeert een nieuw dieptepunt in de verhoudingen. Nu u zover meent te moeten gaan dat u de mensen, de regels en het beleid van onze bank meent te moeten schofferen, heeft de bank zich opnieuw beraden over haar bancaire relatie met u. Wij stellen vast dat er sprake is van een ernstige vertrouwensbreuk. Vertrouwen over en weer is noodzakelijk voor het op de juiste wijze onderhouden van een bancaire relatie. Het verder voortzetten van de bancaire dienstverlening, is voor Rabobank niet langer acceptabel. De relatie is door uw opstelling verder verstoord, en heeft de bank doen concluderen dat nader overleg niet zinvol is. Tevens zien wij niet langer aanleiding om een pas op de plaats te maken voor wat betreft de door de bank gewenste beëindiging van de bancaire relatie. (…). 2.23. Op 7 november 2014 heeft een telefoongesprek tussen [C] en de secretaresse van de Raad van Bestuur van Rabobank Sneek-ZWF plaatsgevonden, waarin [C] onder meer heeft gezegd (zie de gecursiveerde gedeeltes van het transcript): (…) Oké….Ik wil niet vervelend doen maar ik doe al een aantal pogingen om met [M] om een gesprek met hem te hebben maar het lijkt bijna als moet ik op audiëntie en daar pas ik voor. Ja. Daar pas ik echt voor want ik weiger dat mensen hun verantwoordelijkheid niet nemen en gesprekken ontwijken. Ik heb eerder al gezegd [plaats] is dicht bij [plaats] voor mij, dus er komt linksom of rechtsom een gesprek. Ja. En hetzelfde geldt ik heb gezegd [N] hij woont een eindje uit de buurt met zijn vrouw en twee kinderen, maar ik rijd er zo naar toe. Als hij mij weer belt dan ben ik bij hem. Dat is bedreigen wat u nu doet. Nee dat is niet bedreigend. Ja dat is bedreigen. Ja het feit is, dat u weet waar [N] woont met zijn vrouw en kinderen en u rijdt daar naar toe dan vind ik dat bedreigen en daarmee wil ik dit gesprek nu beëindigen. Dag [C] . (…) 2.24. Naar aanleiding van de uitlatingen van [C] tijdens dit telefoongesprek heeft Rabobank [C] bij brief van 19 november 2014 bericht dat zij op grond van de daardoor voor Rabobank ontstane ernstige vertrouwensbreuk de aan [F] verstrekte financieringen met onmiddellijke ingang opzegt en heeft zij [C] gesommeerd om uiterlijk op 31 maart 2015 het krediet in te lossen. Daartoe meldt Rabobank in deze brief onder meer: (…) In het telefoongesprek dat wij als "drammerig" zouden willen karakteriseren, werd door u op enig moment dreigende taal geuit jegens een van de medewerkers van de bank. Concreet gaf u aan dat - indien u weer door de betreffende bankmedewerker wordt gebeld - u zo bij hem op de stoep zou staan omdat u weet waar de betreffende medewerker met zijn vrouw en twee kinderen woont. (…) Met name het specifiek noemen van de gezinssituatie en het noemen van uw bekendheid met het woonadres van deze medewerker maakt dat u met deze mededeling de grens van het betamelijke ver heeft overschreden. Uw houding en uw uitlatingen zijn voor ons absoluut onacceptabel en hebben geleid tot een ernstige vertrouwensbreuk op grond waarvan wij van mening zijn dat onze wegen zich dienen te scheiden. (…). Ter zake de financieringen aan [D] en [G] / [C] stelt de bank in deze brief dat [C] ook voor die financieringen voor Rabobank niet langer aanvaardbaar is als klant, maar dat - gezien de betrokkenheid van derden - de bank meer tijd voor een oplossing aan [C] wil gunnen en stelt Rabobank voor dat de wegen van betrokkenen zich per 30 juni 2015 zullen scheiden. 2.25. Van de vijftien handelaren op executieveilingen die in de eerste tranche door de ACM zijn beboet, bankierden elf bij Rabobank, waaronder [A] 2.26. De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 18 december 2014, voor zover het betreft het door [A] ingestelde beroep tegen het besluit op bezwaar van de Raad van Bestuur van de ACM, geoordeeld dat het beroep gegrond is, voor zover het de (hoogte van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.