vonnis RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling privaatrecht Locatie Leeuwarden zaaknummer / rolnummer: C/17/134759 / HA ZA 14-206 Vonnis van 2 september 2015 in de zaak van de coöperatie RABOBANK HEERENVEEN-ZUIDOOST FRIESLAND U.A., gevestigd te Heerenveen, eiseres, advocaat mr. R.M. Goudberg te Heerenveen, tegen [A] , wonende te [woonplaats] , gedaagde, advocaat mr. H.A.M.J. Loeffen te Geldrop. Partijen zullen hierna de Rabobank en [A] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding de conclusie van antwoord de conclusie van repliek de conclusie van dupliek de akte overlegging productie van de Rabobank. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. De Rabobank is de rechtsopvolgster van de coöperatieve Rabobank De Stellingwerven U.A. 2.2. Bij overeenkomst van geldlening van 1 april 2010 heeft de Rabobank aan de besloten vennootschap [bedrijf A] (tevens handelende onder de naam [bedrijf B] , hierna verder te noemen [bedrijf A] ) een tweetal geldleningen verstrekt van in totaal € 300.000,00. In de overeenkomst is onder meer bepaald dat de volgende algemene voorwaarden van de Rabobank op de overeenkomst van toepassing zijn: de Algemene voorwaarden voor zakelijke geldleningen van de Rabobank 2008; de Bijzondere voorwaarden voor zakelijke geldleningen van de Rabobank maart 2009; de Algemene Bankvoorwaarden. In artikel 2 van de Algemene voorwaarden voor zakelijke geldleningen 2008 is bepaald dat de debiteur niet bevoegd is tot opschorting, inhouding, korting of verrekening van enige betalingsverplichting. 2.3. Bij overeenkomst van eveneens 1 april 2010 is een rekening-courant-overeenkomst tussen de Rabobank en [bedrijf A] tot stand gekomen. In de overeenkomst is bepaald dat de Algemene voorwaarden voor rekening-courant en krediet van de Rabobank 2009 op de overeenkomst van toepassing zijn. In artikel 45 van deze voorwaarden is bepaald dat de kredietnemer niet bevoegd is tot opschorting, inhouding, korting of verrekening van enige betalingsverplichting. 2.4. [A] is mede-aandeelhouder van [bedrijf A] . Zijn vader, [B] , is bestuurder van deze vennootschap. 2.5. [bedrijf A] heeft tot zekerheid van nakoming van de financierings-overeenkomsten een aantal zekerheden gesteld. Daarnaast heeft [A] zich voor al hetgeen de Rabobank uit hoofde van onder meer de geldleningen (zoals in rechtsoverweging 2.2. en 2.3. vermeld) te vorderen heeft, bij overeenkomst van borgtocht van 1 april 2010 borg gesteld voor een bedrag van € 37.500,00. In de akte van borgtocht wordt vermeld dat op deze borgtocht de Algemene voorwaarden voor borgtocht van de Rabobank voor bedrijfsfinancieringen 2009 en de Algemene Bankvoorwaarden, die gelden tussen de bank en haar klanten, van toepassing zijn. Voorts heeft het ministerie van Economische zaken (de Staat der Nederlanden) zich voor een bedrag van € 150.000,00 voor [bedrijf A] borg gesteld jegens de Rabobank. 2.6. In maart 2012 heeft [bedrijf A] met een medewerker van Rabobank ( [C] ) een gesprek gevoerd over de financieringsmogelijkheid om een overname van [bedrijf C] te [vestigingsplaats] door [bedrijf A] mogelijk te maken. [D] , eveneens medewerker bij de Rabobank, heeft in een ongedateerde e-mail aan [bedrijf A] - voor zover hier van belang - meegedeeld: (…) Zoals telefonisch besproken is het niet mogelijk om het huidige plan bancair te financieren. Hier wil ik bij benadrukken dat dit gaat om de huidige insteek op basis van het eerder ingediende verzoek. Indien er nog wijzigingen voortkomen uit de huidige onderhandelingen zijn wij uiteraard bereid om opnieuw naar de plannen te kijken / de plannen te herbeoordelen. Ik wil u hierbij aangeven dat bij het huidige plan (financieringsverzoek) het gehele risico bij de bank komt te liggen Wellicht heeft u contacten met partijen in bijvoorbeeld de veevoederindustrie die belang hebben bij het voortbestaan van de [bedrijf D] , die bereid zijn een (gedeelte) van de financiering te verstrekken. Te denken valt aan een verdeling van 50/50 (financiering van een derde / bancaire financiering). Ik wil hierbij wel benadrukken dat het beschikbaar komen van een financiering van een derde geen zekerheid geeft tot het goedkeuren van uw bancaire financieringsverzoek, het gehele plan dient in alle gevallen opnieuw beoordeelt te worden. (…) 2.7. [bedrijf A] heeft bij brief van 23 augustus 2012 - voor zover hier van belang - over de geweigerde financieringsaanvraag aan de Rabobank geschreven: (…) U was zeer positief over de aanvraag en vond het zeer goed bij onze bedrijven passen,ook op de vraag van onze accountant [E] of nog eigen geld benodigd was hebt u aangegeven dat dit niet nodig was,ik heb dezelfde week alle stukken ingeleverd en wij zijn in onderhandeling gegaan met de [bedrijf D] , (…). Wat er daarna gebeurd is kan ik enkel gissen,u was onbereikbaar en na 4 weken werd de aanvraag via een mailtje afgewezen Het recht van verkoop werd toegewezen aan een andere klant van u via kavelruil Hoe het ook zij, door uw verwijtbaar optreden heeft ons bedrijf veel schade geleden. Hierbij stel ik de Rabobank Stellingwerfen en dhr [C] aansprakelijk voor de geleden en nog te lijden schade. (…) 2.8. Bij brief van 7 september 2012 heeft de Rabobank, voor zover hier van belang, als volgt gereageerd op de brief van 23 augustus 2012 van [bedrijf A] : (…) De eerste indruk van de aanvraag was inderdaad positief. Uiteraard moeten wij vervolgens altijd nog de aanvraag analyseren, voordat wij een oordeel kunnen geven. Wij hebben na ontvangst van de stukken een beoordeling gemaakt over de positie van uw bedrijf en dit ook in perspectief gesteld van de financieringsaanvraag. Een van de conclusies hieruit was dat op basis van de bestaande vermogenspositie van de BV, het niet acceptabel was het gehele risico (100% financieren van de overname) bij de bank neer te leggen. Dit hebben wij vervolgens naar u gecommuniceerd. (…) 2.9. Vanaf 1 oktober 2012 heeft [bedrijf A] niet meer aan haar rente- en aflossingsverplichtingen jegens Rabobank voldaan. 2.10. Bij brief van 3 mei 2013 heeft de Rabobank - voor zover hier van belang - aan [bedrijf A] meegedeeld: Op dinsdag 9 april jl. heb ik u bezocht en hebben wij elkaar gesproken over de bestaande financiering van [bedrijf B] . Het beheer van deze post is intern overgedragen naar afdeling Bijzonder Beheer, vanwege het feit dat de [rekeningcourantnr] al langere tijd een structurele overstand vertoont, de omzet op de rekening is opgedroogd en er sprake is van achterstanden in het betalen van rente en aflossing op de 2 leningen. ook is er sprake van een achterstand in de aanlevering van jaarcijfers 2012 van [bedrijf B] . In het gesprek gaf u aan dat u geen omzet meer via de rekening bij onze bank te laten binnenkomen vanwege een bestaande klacht. U uitte uw ongenoegen over de gang van zaken rond uw financieringsaanvraag begin 2012, voor de aankoop van de [bedrijf C] te [vestigingsplaats] . Naar uw mening bent u door de afwijzing van uw financieringsverzoek begin mei 2012 direct benadeeld en heeft de bank een rol gespeeld in het gunningstraject. (…) De directie begrijpt uw teleurstelling over de afwijzing van uw financiering, maar blijft bij haar standpunt dat uw financieringsverzoek correct in behandeling is genomen en vervolgens is afgehandeld. De bank heeft geenszins een rol gespeeld in het gunningstraject. Gezien de brief d.d. 7 september 2012 beschouwt de directie uw klacht als afgehandeld. (…) 2.11. Bij brief van 22 augustus 2013 heeft de Rabobank - voor zover van belang - aan [bedrijf A] geschreven: Op 19 augustus jl. hadden wij met u en uw accountant de heer [E] een gesprek op ons kantoor. (…) U gaf aan dat de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf A] inmiddels zijn gestaakt c.q. zijn opgeschort in afwachting van betere tijden. (…) 2.12. Bij brief van 12 september 2013 heeft de Rabobank - voor zover hier van belang - aan [bedrijf A] geschreven: (…) Al geruime tijd komt u uw financiële verplichtingen jegens onze bank niet na. Uw leningen vertonen per vandaag een achterstand van € 10.875,10 aan rente en € 53.736,00 aan aflossing. Uw rekening-courant (…) vertoont per heden een ongeoorloofde debetstand van € 20.160,59. (…) Verder gaf u tijdens het gesprek op 19 augustus jl. met de heren [F] en [G] aan dat de activiteiten van uw bedrijf zijn gestaakt. Er vindt daarom ook geen betalingsverkeer meer plaats via onze bank. U toonde afgelopen maanden geen enkele bereidheid om in overleg met de bank tot een oplossing te komen. Dit werd nog een nadrukkelijk door u aangegeven in het gesprek van 19 augustus jl. Voor de bank zijn bovengenoemde zaken thans voldoende reden om tot opzegging van de verstrekte financiering over te gaan. Op grond van het bovenstaande zeggen wij u bij deze dan ook de verstrekte financiering met onmiddellijke ingang op en sommeren wij u binnen veertien dagen na vandaag aan onze bank te voldoen al hetgeen wij van u te vorderen hebben. (…) Het totaal door u te betalen bedrag bedraagt per vandaag €228.041,69 te vermeerderen met p.m. gestelde posten. (…) 2.13. Bij brief van eveneens 12 september 2013 heeft de Rabobank [A] op de hoogte gesteld van de inhoud van de brief als bedoeld in rechtsoverweging 2.12. 2.14. [bedrijf A] is niet tot betaling van de vordering van Rabobank overgegaan. 2.15. Bij brief van 4 april 2014 heeft de Rabobank de borgstelling jegens [A] ingeroepen en hem verzocht om binnen veertien dagen een bedrag van € 37.500,00 aan haar te voldoen. [A] heeft aan dit verzoek, ook niet na nadere sommatie, geen gevolg gegeven. 2.16. De Rabobank heeft na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank ten laste van [A] conservatoir beslag gelegd op aandelen op naam, op een onroerende zaak en onder de SNS Bank. 2.17. [bedrijf A] heeft een (bodem) procedure tegen de [bedrijf C] geëntameerd. Deze procedure is thans aanhangig bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. 3De vordering 3.1. De Rabobank vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 1. [A] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 37.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 24 april 2014; 2. [A] veroordeelt in de proceskosten, waaronder de kosten verbonden aan de gelegde beslagen. 3.2. [A] voert verweer. Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4Het geschil en de beoordeling daarvan 4.1. De Rabobank legt aan haar vordering ten grondslag dat zij door de opzegging van de financiering van [bedrijf A] een opeisbare vordering op deze vennootschap heeft ter hoogte van € 228.041,60 (+ p.m.). Deze opzegging houdt verband met het niet nakomen van de verplichtingen jegens de Rabobank en de mededeling van [bedrijf A] op 19 augustus 2013 dat zij haar activiteiten heeft gestaakt. De vordering kan niet worden voldaan door uitwinning van de door [bedrijf A] verstrekte zekerheden. Gelet hierop kan Rabobank thans [A] uit hoofde van de overeenkomst van borgtocht aanspreken tot betaling van het volledige bedrag, waarvoor hij borg staat jegens de Rabobank. [A] heeft diverse verweren tegen deze vordering gevoerd. De rechtbank zal hierna aan de hand van het partijdebat de vordering en de daartegen gerichte verweren bespreken. Hierbij wordt thans reeds overwogen dat tussen partijen niet (langer) in geschil is dat de overeenkomst van borgtocht een borgtocht betreft, die is aangegaan buiten beroep of bedrijf en dat de algemene voorwaarden voor zover deze op de zakelijke borg zien, niet tussen partijen van toepassing zijn. 4.2.1. De kern van het verweer van [A] houdt in dat [bedrijf A] schade heeft geleden door toedoen van de Rabobank en dat zij om die reden haar betalingsverplichtingen jegens de Rabobank heeft opgeschort (blijkens sub 24 conclusie van dupliek is een beroep op verrekening niet meer aan de orde). [bedrijf A] is dan ook niet tekortgeschoten in haar verplichtingen jegens Rabobank en dat brengt mee dat Rabobank, gelet op het bepaalde in art. 7:855 lid 1 BW, [A] thans niet uit hoofde van de overeenkomst van borgtocht kan aanspreken. [A] heeft hiertoe in essentie aangevoerd dat de Rabobank - in de persoon van [C] - aanvankelijk zeer positief stond ten opzichte van de wens van [bedrijf A] om de (mogelijke) aankoop van de [bedrijf C] te laten financieren door de Rabobank. Desgevraagd is meegedeeld dat geen eigen geld ingebracht hoefde te worden en dat de Rabobank over zou gaan tot financiering van het gehele bedrag, gelet op de goede rendementen van [bedrijf A] en de andere vennootschappen van [B] . Vervolgens heeft [bedrijf A] een financieringsaanvraag met de daarbij behorende stukken ingediend en is zij in bespreking gegaan met [bedrijf C] voor de koop van de onderneming. Enkele weken later ontving [bedrijf A] - die in het gerechtvaardigde vertrouwen verkeerde dat een financieringsovereenkomst tot stand zou komen - het bericht dat de aanvraag werd afgewezen op een grond, waarvan [C] namens de bank eerder had aangegeven dat dat geen probleem zou zijn ("geen eigen geld nodig"). Vervolgens is de [bedrijf C] aan een derde gegund en de Rabobank heeft daarbij een actieve rol gespeeld. Door dit alles heeft [bedrijf A] schade geleden en de Rabobank is hiervoor aansprakelijk, aldus nog steeds [A] . Hij heeft hieraan toegevoegd dat [bedrijf A] vanwege de afwijzende reactie van de Rabobank op haar aansprakelijkstelling ervoor heeft gekozen om de inkomsten van de vennootschap over een betaalrekening bij een andere bank te laten lopen en de betalingen van aflossing en rente van de bestaande financiering aan Rabobank op te schorten. Desalniettemin heeft Rabobank de bestaande financiering opgezegd, waaraan zij ten onrechte mede ten grondslag heeft gelegd dat [bedrijf A] haar activiteiten had gestaakt. [A] betwist dat [B] dit tegenover de Rabobank op 19 augustus 2013 zou hebben verklaard. [bedrijf A] heeft haar activiteiten volgens [A] niet gestaakt. 4.2.2. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Op grond van art. 7:852 lid 3 BW geldt dat, zolang de hoofdschuldenaar bevoegdelijk de nakoming van zijn verbintenis opschort, ook de borg bevoegd is de nakoming van zijn verbintenis op te schorten. Gelet op de omstandigheid dat de in geding zijnde overeenkomst van borgtocht een particuliere borgtocht betreft, kan niet ten nadele van de borg van deze bepaling worden afgeweken. 4.2.3. Voor wat betreft de vraag of [bedrijf A] bevoegd was en is om een beroep te doen op een haar toekomend opschortingsrecht is de rechtbank van oordeel dat het antwoord hierop ontkennend moet luiden. Dit is reeds het geval vanwege het volgende. De Rabobank heeft naar aanleiding van het door [A] omtrent het volgens hem tot schadevergoeding verplichtende handelen van de Rabobank gesteld dat het [bedrijf A] op grond van de op de financiering van toepassing zijnde algemene voorwaarden niet was toegestaan om betalingen op te schorten. [A] heeft daar tegen ingebracht dat de van toepassing zijnde algemene voorwaarden - voor zover hem bekend - niet aan [bedrijf A] ter hand zijn gesteld. [bedrijf A] zal daarom, voor zover nog nodig of vereist, de vernietiging van de bedingen op grond van artikel 6:233 juncto artikel 6:234 BW inroepen, aldus [A] . Dit verweer kan hem echter niet baten. Op grond van artikel 7:852 BW kan de borg verweermiddelen, die de schuldenaar jegens de schuldeiser heeft, inroepen voor zover zij het bestaan, de inhoud of het tijdstip van de verbintenis van de hoofdschuldenaar betreffen. Hierbij heeft evenwel te gelden dat, indien de schuldenaar een bevoegdheid tot vernietiging nog niet heeft uitgeoefend, de borg zich terzake nog niet jegens de schuldeiser op een (nog niet bestaand) verweermiddel kan beroepen (HR 6 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8690). Dit betekent dat, zolang [bedrijf A] de bevoegdheid tot vernietiging van de (bedingen in
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.