RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Leeuwarden parketnummer 18/740060-14 vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 28 april 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 april 2015. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.R. Logemann, advocaat te Harlingen. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.A. van der Vliet. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij op of omstreeks 16 november 2014 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (met kracht): - ( meermalen en/of met geschoeide voet) tegen het gezicht en/of hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geschopt en/of getrapt, terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag en/of - bovenop die [slachtoffer 1] is gaan zitten/liggen, terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag en/of (daarbij) (meermalen) tegen het gezicht en/of hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat hij op of omstreeks 16 november 2014 te Drachten, althans te Nederland, op of aan de openbare weg, de [adres] , in elke geval op of aan een openbare weg en/of op een voor publiek toegankelijke plaats, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] , welk geweld bestond uit het: - meermalen, althans éénmaal (met geschoeide voet) tegen het gezicht en/of het hoofd van die [slachtoffer 1] te schoppen/te trappen, terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag en/of - bovenop die [slachtoffer 1] te gaan zitten/liggen, terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag en/of (daarbij) meermalen, althans éénmaal die [slachtoffer 1] tegen het gezicht en/of het hoofd, althans tegen het lichaam te slaan en/of stompen; althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat hij op of omstreeks 16 november 2014 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 1] heeft mishandeld door - meermalen, althans éénmaal (met geschoeide voet) tegen het gezicht en/of het hoofd van die [slachtoffer 1] te schoppen/te trappen, terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag en/of - bovenop die [slachtoffer 1] te gaan zitten/liggen, terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag en/of (daarbij) meermalen, althans éénmaal die [slachtoffer 1] tegen het gezicht en/of het hoofd, althans tegen het lichaam te slaan en/of stompen; 2. hij op of omstreeks 16 november 2014 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, althans te Nederland, op of aan de openbare weg, de [adres] , in elke geval op of aan een openbare weg en/of op een voor publiek toegankelijke plaats, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , welk geweld bestond uit het slaan en/of stompen tegen de/het hoofd, althans de/het lichaam van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] voornoemd; althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat hij op of omstreeks 16 november 2014 te Drachten, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] voornoemd tegen het hoofd, althans tegen het lichaam te slaan en/of te stompen. In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad. Vordering officier van justitie De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd: - veroordeling voor het onder 1. primair ten laste gelegde in de vorm van poging tot doodslag en het onder 2. primair ten laste gelegde; - oplegging van een jeugddetentie van 26 dagen met aftrek van voorarrest; - oplegging van een werkstraf van 200 uren, waarvan 100 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren; - oplegging van de bijzondere voorwaarden van een meldplicht en deelname aan het traject Intensieve Trajectbegeleiding (ITB) Harde Kern gedurende de eerste zes maanden van de proeftijd; - hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot een bedrag van € 501,00 onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en niet-ontvankelijkverklaring van die vordering voor het overige; - opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Beoordeling van het bewijs Vrijspraak van het onder 1. primair ten laste gelegde medeplegen van poging tot doodslag De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1. primair ten laste gelegde medeplegen van poging tot doodslag, omdat verdachte geen opzet had op de dood van het slachtoffer en er geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) gericht op de dood van het slachtoffer. Daartoe is aangevoerd dat verdachte [medeverdachte] niet heeft gezien, dat verdachte volkomen verrast werd door de trap op het hoofd van het slachtoffer en dat verdachte deze trap volstrekt onnodig vond. Er was sprake van een plotselinge escalatie. Het door [medeverdachte] uitgeoefende geweld was voor verdachte niet te voorzien en hij kon zich daarvan ook niet distantiëren. De rechtbank overweegt naar aanleiding van dit verweer het volgende. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het slachtoffer tegen het hoofd en/of elders tegen het lichaam heeft geschopt, terwijl het slachtoffer op de grond lag. Enkele getuigen hebben verklaard dat alle drie de verdachten het slachtoffer hebben geschopt. Getuige (en tevens aangeefster) [slachtoffer 2] heeft als enige verklaard dat verdachte zelfs degene was die het vaakst heeft geschopt en ook de laatste trap tegen het hoofd van het slachtoffer heeft gegeven. De meeste getuigen spreken echter over één persoon die het op de grond liggende slachtoffer heeft geschopt en uit hun verklaringen kan worden afgeleid dat deze persoon niet verdachte maar één van de medeverdachten was. Bovendien blijkt uit meerdere verklaringen dat verdachte bovenop het slachtoffer zat, zodat het voor hem ook niet of nauwelijks mogelijk was het slachtoffer te schoppen. Een aantal getuigen heeft verklaard dat het slachtoffer meerdere malen tegen het hoofd is geschopt. Dit betreft echter voornamelijk getuigen uit de groep waartoe het slachtoffer behoorde. De meeste getuigen die niet tot de groep van het slachtoffer of de verdachte behoorden, spreken over één enkele schop tegen het hoofd. De rechtbank hecht veel waarde aan de verklaringen van deze onafhankelijke getuigen. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat het slachtoffer eenmaal tegen het hoofd is geschopt door een medeverdachte. De rechtbank acht echter niet bewezen dat verdachte deze schop heeft kunnen voorzien, noch dat zijn opzet was gericht op het geven van deze schop. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit de verklaringen van een aantal onafhankelijke getuigen kan worden afgeleid dat de verdachten (vrijwel) direct na deze schop zijn weggelopen en het geweld toen dus is geëindigd. Daarom acht de rechtbank niet bewezen dat het opzet van verdachte gericht was op het tegen het hoofd schoppen van het slachtoffer. De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte het slachtoffer in ieder geval eenmaal met grote kracht tegen het hoofd heeft gestompt, terwijl het slachtoffer op de grond lag en verdachte bovenop hem zat. De rechtbank acht niet bewezen dat deze stomp op zich de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat het slachtoffer ten gevolge daarvan het leven zou verliezen. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (het medeplegen van) de onder 1. primair ten laste poging tot doodslag. Daarom zal de rechtbank verdachte hiervan vrijspreken. Bewijsoverwegingen ten aanzien van de onder 1. primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder. 1 primair ten laste gelegde medeplegen (van poging tot zware mishandeling). Naar aanleiding van dit verweer overweegt de rechtbank het volgende. Kort gezegd is ten laste gelegd dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot zware mishandeling van het slachtoffer door het slachtoffer, terwijl hij op de grond lag (meermalen) tegen het hoofd te trappen en/of bovenop het slachtoffer te gaan zitten en het slachtoffer, terwijl hij op de grond lag (meermalen) tegen het hoofd te slaan. Medeplegen veronderstelt een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte(n), welke samenwerking - in dit geval - moet zijn gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer. Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte het slachtoffer heeft geslagen, (mede) waardoor het slachtoffer op de grond is gevallen, dat verdachte bovenop het slachtoffer is gaan zitten en dat verdachte het slachtoffer vervolgens in ieder geval één vuistslag tegen het hoofd heeft gegeven. In de bewijsmiddelen zijn aanwijzingen te vinden dat door verdachte en/of de medeverdachten meer geweldshandelingen zijn uitgeoefend tegen het slachtoffer. Ten aanzien van de vraag welke geweldshandelingen dit zijn geweest, door wie deze zijn verricht en of het slachtoffer tijdens die handelingen al op de grond lag, lopen de verklaringen echter sterk uiteen. Daardoor is de rol van de verschillende verdachten niet duidelijk en kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte en de medeverdachte(
- n)zodanig bewust en nauw hebben samengewerkt dat sprake is van medeplegen van poging tot zware mishandeling. Daarom zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het medeplegen. Ten aanzien van het opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel overweegt de rechtbank het volgende. Uit het dossier en hetgeen verdachte ter zitting heeft verklaard, volgt niet dat verdachte de uitdrukkelijke bedoeling heeft gehad om het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank acht derhalve niet bewezen dat verdachte zogenoemd "vol" opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Daarom moet worden beoordeeld of verdachte voorwaardelijk opzet had op dat gevolg. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - in dit geval het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel - is aanwezig indien de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Of in een concreet geval sprake is van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van verdachte en/of eventuele getuigenverklaringen onvoldoende inzicht geven over wat ten tijde van de gedraging in verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval, waarbij de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht van belang zijn. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen acht zij - op grond van de onderstaande bewijsmiddelen - bewezen dat verdachte met grote kracht tegen het hoofd van het slachtoffer heeft gestompt, terwijl het slachtoffer op de grond lag en verdachte bovenop hem zat. Dat verdachte met grote kracht heeft geslagen leidt de rechtbank af uit de omstandigheid dat het slachtoffer - blijkens verdachtes eigen verklaring - door de vuistslag van verdachte bewusteloos is geraakt. Naar algemene ervaringsregels roept het met grote kracht tegen het hoofd van een op de grond liggend persoon stompen de aanmerkelijke kans in het leven dat daardoor bij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel ontstaat. Dit geldt te meer indien het slachtoffer zich niet vrij kan bewegen doordat er iemand bovenop hem zit en indien degene die stompt een geoefende kickbokser is. Verdachte moet zich daarvan bewust zijn geweest. Doordat verdachte toch op zodanige wijze tegen het hoofd van het slachtoffer heeft gestompt, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer door zijn vuistslag zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Feiten of omstandigheden waaruit het tegendeel zou kunnen worden afgeleid, zijn gesteld noch gebleken. Bewijsmiddelen ten aanzien van de onder 1. primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling De rechtbank past ten aanzien van de onder 1. ten laste gelegde poging tot zware mishandeling de volgende bewijsmiddelen toe. 1. De door verdachte op de terechtzitting van 14 april 2015 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Ik heb [slachtoffer 1] een vuistslag tegen zijn kin gegeven, terwijl hij op de grond lag en ik bovenop hem zat. Toen was hij bewusteloos. 2. De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer 2014151684, gesloten op 23 december 2014, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder: 2.1. een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0100-2014151684-11, d.d. 16 november 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte: Op 16 november 2014 gingen we naar de [adres] in Drachten. De grote Friese jongen viel op de grond. Ik zat toen bovenop hem. Ik gaf hem een "hoek", precies op zijn kaak. Ik zag dat hij ten gevolge van die klap bewusteloos raakte. Ik zag namelijk dat zijn ogen dicht gingen. Ik zag en voelde dat zijn lichaam slap werd. 2.2. een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0100-2014151684-1, d.d. 18 november 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 1] : Ik ben in staat om een verklaring af te leggen over wat er zondagochtend 16 november 2014 is gebeurd. Ik doe aangifte van zware mishandeling/poging doodslag. Ik weet dat ik een keer even "wakker" werd en dat er iemand boven op me zat. Ik herinner me dat ik ook even "wakker" werd in de ambulance. Het volgende moment dat ik "wakker" werd, was op de intensive care in het ziekenhuis. 2.3. een ambtsedig proces-verbaal, nummer [nummer] , d.d. 18 november 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte: Ik beoefen de sport kickboksen al twee jaar. Het eerste anderhalf jaar trainde ik ongeveer drie keer per week. Het laatste half jaar heb ik wedstrijden gedaan. 2.4. een ambtsedig proces-verbaal, nummer [nummer] , d.d. 27 november 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [naam] : Ik was op 16 november 2014 op de [adres] te Drachten. Ik heb een foto van de jongen die sloeg. Het is die jongen in het licht grijze shirt. Toen het slachtoffer op de grond lag, zag ik dat hij op het hoofd werd geslagen. Die ene jongen met het licht grijze shirt heeft geslagen. 2.5. een ambtsedig proces-verbaal, nummer [nummer] , d.d. 15 december 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisant [verbalisant] : Getuige [naam] sprak in haar verklaring over een jongen in een licht grijs shirt. Bij de verklaring van getuige [naam] werd een door haar aangeleverde foto gevoegd, waarbij de jongen in het grijze shirt door haar werd aangewezen door middel van een getekend pijltje. Ik verklaar dat deze jongen op de foto de verdachte [verdachte] betreft. 3. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat de plaats Drachten is gelegen in de gemeente Smallingerland. Vrijspraak van het onder 2. primair en subsidiair ten laste gelegde De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2. primair en subsidiair ten laste gelegde, omdat niet bewijsbaar is dat hij geweld heeft gebruikt tegen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] . De rechtbank overweegt naar aanleiding van dit verweer het volgende. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte of de medeverdachten [slachtoffer 3] opzettelijk tegen het hoofd en/of (elders) tegen het lichaam hebben geslagen of gestompt. Alleen [slachtoffer 3] zelf heeft verklaard dat hij een paar vuistslagen tegen zijn hoofd heeft gekregen. Van wie hij deze vuistslagen heeft gekregen, heeft [slachtoffer 3] niet verklaard. Verdachte en de medeverdachten hebben ontkend [slachtoffer 3] te hebben geslagen. Bovendien heeft geen van de vele getuigen van de vechtpartij dit waargenomen. De rechtbank is van oordeel dat de in het dossier aanwezige foto van (het letsel aan) het voorhoofd van [slachtoffer 3] onvoldoende steunbewijs geeft om tot een wettige en overtuigende bewezenverklaring te kunnen komen van het geweld dat volgens de tenlastelegging op [slachtoffer 3] is uitgeoefend. De rechtbank acht evenmin bewezen dat verdachte of de medeverdachten [slachtoffer 2] opzettelijk tegen het hoofd en/of (elders) tegen het lichaam hebben geslagen of gestompt. Verdachte heeft deze mishandeling ontkend. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat verdachte haar opzettelijk en met kracht op haar linkeroog heeft geslagen. In de toelichting op de vordering die [slachtoffer 2] als benadeelde partij heeft ingediend, wordt echter gesproken over "een blauw oog (rechts)", terwijl in de daarbij gevoegde informatie van de huisarts van twee dagen na het voorval niet wordt gesproken over een blauw oog. Van de vele getuigen die de vechtpartij hebben waargenomen, heeft alleen [naam] , die tot de (vrienden)groep van [slachtoffer 2] behoorde, verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte [slachtoffer 2] een vuistslag met de rechterhand tegen haar gezicht gaf. Gelet op de voorgaande overwegingen bestaat er bij de rechtbank gerede twijfel ten aanzien van het onder 2. primair en subsidiair ten laste gelegde en acht zij dit niet wettig en overtuigend bewezen. Daarom zal de rechtbank verdachte hiervan vrijspreken. Redengeving bewezenverklaring De rechtbank acht de in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden redengevend voor hetgeen bewezen is verklaard en op grond daarvan heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan. Bewezenverklaring De rechtbank acht het onder 1. primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat: hij op 16 november 2014 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet bovenop die [slachtoffer 1] is gaan zitten, terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag, en daarbij tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. Kwalificatie van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: 1. primair poging tot zware mishandeling. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde De verdediging heeft een beroep gedaan op noodweer, dan wel noodweerexces. Daartoe is aangevoerd dat het slachtoffer (opnieuw) heeft geprobeerd verdachte te slaan op het moment dat verdachte aangaf dat hij wilde stoppen en het slachtoffer ruimte gaf, zodat verdachte van hem af zou kunnen gaan. Daarop heeft verdachte het slachtoffer in paniek nog een klap gegeven. Volgens de verdediging was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdediging noodzakelijk was. De situatie was voor verdachte zo dreigend dat hij geen andere mogelijkheid had dan op deze wijze de aanval te kiezen. De rechtbank overweegt naar aanleiding van dit verweer het volgende. Voor een geslaagd beroep op noodweer dient sprake te zijn van een onmiddellijk (dreigende) wederrechtelijke aanranding waartegen verdediging noodzakelijk en geboden is. De rechtbank is van oordeel dat, voor zover in eerdere instantie al sprake was van een wederrechtelijke aanranding van verdachte en/of de medeverdachten door het slachtoffer, deze wederrechtelijke aanranding reeds was geëindigd op het moment dat het slachtoffer op de grond lag en verdachte bovenop hem zat. Voorts acht de rechtbank niet aannemelijk dat het slachtoffer al liggende heeft geprobeerd verdachte te slaan. Geen van de vele getuigen die een verklaring hebben afgelegd over de vechtpartij, heeft dit waargenomen. Daarom is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat, terwijl het slachtoffer al op de grond lag en verdachte bovenop hem zat, sprake was van een (nieuwe) noodweersituatie. Daarom verwerpt de rechtbank het beroep op noodweer. Voor een geslaagd beroep op noodweerexces dient sprake te zijn van een overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging als onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt. Ter onderbouwing van het beroep op noodweerexces heeft de verdediging enkel aangevoerd dat verdachte in paniek heeft gehandeld. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de verklaringen die verdachte bij de politie heeft afgelegd niet dat hij in paniek was op het moment dat hij het slachtoffer de vuistslag gaf. Uit die verklaringen lijkt eerder te kunnen worden afgeleid dat verdachte tijdens de vechtpartij juist rustig was en probeerde het slachtoffer ook rustig te krijgen. Verdachte heeft in algemene zin verklaard dat hij die avond geen alcohol had gedronken en hartstikke rustig was. Zelfs nadat een medeverdachte het slachtoffer tegen het hoofd had geschopt en een aantal personen op verdachte en de medeverdachte afkwamen, heeft verdachte - naar zijn zeggen - eerst nog geprobeerd normaal met hen te praten. Dit getuigt niet van paniek of een (andere) hevige gemoedsbeweging. Daarom acht de rechtbank, voor zover al sprake is geweest van een wederrechtelijke aanranding van verdachte en/of de medeverdachten door het slachtoffer en/of andere tot diens groep behorende personen, niet aannemelijk dat dit bij verdachte een hevige gemoedsbeweging heeft veroorzaakt. Daarom verwerpt de rechtbank ook het beroep op noodweerexces. Het bewezen verklaarde feit is strafbaar nu ook overigens geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten. Strafbaarheid van verdachte De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. Strafmotivering Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft tijdens een ruzie op straat een jongeman een harde vuistslag tegen zijn hoofd gegeven, terwijl deze jongeman op de grond lag en verdachte bovenop hem zat. Het slachtoffer is door deze vuistslag bewusteloos geraakt en ten gevolge van het door verdachte en de medeverdachte(
- n)uitgeoefende geweld in het ziekenhuis terecht gekomen. Door zijn handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem veel pijn bezorgd. Doordat de mishandeling heeft plaatsgevonden in de nacht van zaterdag op zondag in het uitgaanscentrum van Drachten, zijn veel mensen daarvan (tegen hun wil) getuige geweest. Ook hun gevoel van veiligheid is door verdachtes handelen aangetast. Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor vergelijkbare feiten. De psycholoog die verdachte heeft onderzocht, heeft geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in de vorm van een posttraumatische stress-stoornis (hierna: PTSS) die hij heeft ontwikkeld door het overlijden van een goede vriendin van het gezin. Daardoor is sprake van een gebrekkige woedebeheersing. Volgens de psycholoog heeft dit ook een rol gespeeld bij het bewezen verklaarde feit. Toen verdachte in een vechtpartij betrokken raakte en zich bedreigd voelde door het slachtoffer en de groep om hem heen, heeft verdachte in zijn paniek onbewust hard van zich afgeslagen, aldus de psycholoog. De psycholoog heeft de rechtbank geadviseerd verdachte het feit enigszins verminderd toe te rekenen en hem als voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf intensief reclasseringstoezicht op te leggen in de vorm van het traject Intensieve Trajectbegeleiding (ITB) Harde Kern. De psycholoog acht het niet (langer) nodig daaraan Elektronisch Toezicht te koppelen, omdat verdachte zich goed houdt aan de in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis gemaakte afspraken. Daarnaast acht de psycholoog het nodig dat verdachte iets doet aan de verwerking van zijn trauma. In dat kader is hij aangemeld bij een praktijk voor psychosociale therapie. De psycholoog verwacht dat verdachte niet meer vanwege agressie in aanraking zal komen met Justitie wanneer hij wordt begeleid bij zijn traumaverwerking. De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) acht de kans op herhaling groot, omdat verdachte op sommige momenten onvoldoende controle heeft over zijn gedrag. De Raad heeft de rechtbank geadviseerd verdachte te veroordelen tot een deels voorwaardelijke werkstraf en daarbij te bepalen dat verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen in het kader van de maatregel Toezicht & Begeleiding en hem het traject ITB Harde Kern op te leggen. De Raad heeft er bewust voor gekozen geen (voorwaardelijke) jeugddetentie te adviseren, omdat verdachte de afgelopen periode aan zichzelf heeft gewerkt en sprake is van een positieve ontwikkeling. De Raad verwacht dat het opleggen van voorwaardelijke jeugddetentie dit teniet zal doen. De vertegenwoordiger van de jeugdreclassering heeft ter terechtzitting verklaard dat het op dit moment goed gaat met verdachte. Verdachte doet goed zijn best, behaalt op school goede resultaten en heeft - mede door de het contact met de therapeut - meer inzicht gekregen in zijn eigen functioneren. Uit het ter terechtzitting overgelegde verslag van de verlies- en rouwtherapeut d.d. 9 april 2015 blijkt dat zij inmiddels zeven sessies met verdachte heeft gehad, waaraan hij goed heeft meegewerkt. Hoewel de rechtbank op grond van het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken niet aannemelijk acht dat verdachte in paniek heeft gehandeld, neemt zij de conclusie van de psycholoog dat verdachtes handelen ten tijde van het bewezen verklaarde feit werd beïnvloed door de PTSS en dit feit hem daarom in enigszins verminderde mate kan worden toegerekend wel over. De rechtbank is van oordeel dat voor het bewezen verklaarde feit in beginsel een onvoorwaardelijke jeugddetentie van meerdere maanden op zijn plaats is. De rechtbank ziet echter aanleiding om hiervan af te wijken op grond van verdachtes hiervoor beschreven persoonlijke omstandigheden. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat verdachte door het traject ITB Harde Kern en de daaraan gekoppelde elektronische controle, die hem zijn opgelegd in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis, al ongeveer vijf maanden fors in zijn vrijheid is beperkt. Daarom zal zij verdachte overeenkomstig de eis van de officier van justitie veroordelen tot een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft gezeten en een forse werkstraf, waarvan een deel voorwaardelijk. Aan het voorwaardelijke deel zal de rechtbank de door de Raad geadviseerde en door de officier van justitie geëiste bijzondere voorwaarden verbinden. Daarbij acht de rechtbank het niet langer noodzakelijk dat veroordeelde onder elektronische controle staat. Ook het in het kader van de schorsingsvoorwaarden opgelegde algemene gebiedsverbod voor de [adres] te Drachten acht de rechtbank als voorwaarde niet langer noodzakelijk. Wel acht de rechtbank het wenselijk dat het reeds lopende traject ITB Harde Kern na de uitspraak zonder onderbreking doorloopt. Daarom zal de rechtbank de aan de voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaren. De rechtbank zal een enigszins kortere werkstraf opleggen dan is geëist, omdat zij - anders dan de officier van justitie - de ten laste gelegde poging tot doodslag en het onder 2. ten laste gelegde feit niet bewezen acht. Benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 2. ten laste gelegde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De rechtbank acht het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen. Daarom zal zij de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op de artikelen 45, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77za, 77aa, 77gg en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde. DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT: Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2. primair en 2. subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1. primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot: Een jeugddetentie voor de duur van 26 dagen. Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht. Een werkstraf, bestaande uit het verrichten van 150 uren onbetaalde arbeid. De arbeid moet binnen twaalf maanden zijn verricht. Bepaalt dat van deze werkstraf een gedeelte, groot 70 uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd. Beveelt dat voor het geval de veroordeelde het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 40 dagen zal worden toegepast. Beveelt voorts dat, indien het mocht komen tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde deel van de werkstraf, vervangende jeugddetentie voor de duur van 35 dagen zal worden toegepast, indien de veroordeelde dat deel van de werkstraf niet naar behoren verricht. Stelt als algemene voorwaarden: a. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; b. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; c. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen. Stelt als bijzondere voorwaarden: a. dat de veroordeelde zich binnen veertien dagen na het onherroepelijk worden van de uitspraak meldt bij het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid op het adres Tesselschadestraat 2 te Leeuwarden en zich daarna gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen dient te blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zo lang die instelling dat noodzakelijk acht; b. dat de veroordeelde gedurende de eerste zes maanden van de proeftijd zal deelnemen aan een gedragsinterventie, bestaande uit het traject Individuele Trajectbegeleiding (ITB) Harde Kern, aangeboden door de hiervoor genoemde instelling, en dat de veroordeelde zich houdt aan de voorschriften en aanwijzingen die hem in dat kader door of namens de hiervoor genoemde instelling worden gegeven. Draagt het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid, als gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Beveelt dat de op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen. Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. Th.A. Wiersma en mr. L.G. Wijma, kinderrechters, bijgestaan door mr. F.F. van Emst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 april 2015. w.g. Dölle VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT Wiersma de griffier van de rechtbank Noord-Nederland, Wijma locatie Leeuwarden, Van Emst