Uitspraak RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Locatie Groningen parketnummer 18/930072-15 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 22 oktober 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] wonende te [woonadres] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 oktober 2015. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S. Kromdijk. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij in of omstreeks de nacht van 5 op 6 juli 2014, te [pleegplaats] , met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] ), van wie hij, verdachte, wist dat [slachtoffer] in staat van verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, een of meer handeling(
- en)heeft gepleegd, die bestond(
- en)uit of mede bestond(
- en)uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] , hebbende verdachte [slachtoffer] , meermalen, althans eenmaal, vaginaal gevingerd en/of vaginaal gepenetreerd met zijn penis; althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat hij in of omstreeks de nacht van 5 op 6 juli 2014, te [pleegplaats] , met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] ), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(
- en)heeft gepleegd, die bestond(
- en)uit of mede bestond(
- en)uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte, meermalen, althans eenmaal, zijn vinger(
- s)en/of zijn penis, in de vagina van [slachtoffer] geduwd/gebracht. Bewijsvraag Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde kan worden bewezen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat [slachtoffer] in een staat van verminderd bewustzijn was door het gebruik van alcohol. Verdachte wist dat [slachtoffer] dronken was, zoals blijkt uit de verklaring die verdachte bij de politie heeft afgelegd en uit de getuigenverklaring van [getuige 1] , en verdachte heeft gebruik gemaakt van die situatie. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Ten aanzien van het primair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw - primair - aangevoerd dat onvoldoende is gebleken dat [slachtoffer] in een gesteldheid van verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde. [slachtoffer] liep nog rond in de stad, was aanspreekbaar en ging bewust mee naar het park. Haar toestand was kennelijk niet zo zorgwekkend dat haar vriendinnen haar niet alleen durfden te laten of naar huis stuurden. Ze kon nog zoenen met verdachte en kon ook nog thuis komen met haar vriendin en bespreken wat was gebeurd. De verklaring van [slachtoffer] , dat zij slapjes was door de drank en zich daarom niet kon verzetten, wordt onvoldoende gesteund door de overige verklaringen en komt niet overeen met de handelingen waartoe zij nog wel in staat was. Bovendien is niet bewezen dat verdachte weet heeft gehad van de toestand van [slachtoffer] . Uit zijn verklaring blijkt weliswaar dat [slachtoffer] dronken leek, maar zij was anderzijds nog wel tot van alles in staat waaruit afgeleid moet worden dat zij nog wel bij bewustzijn was en geen sprake was van een weerloze toestand. Ongeremd gedrag als gevolg van alcoholgebruik staat nog niet gelijk aan bewustzijnsverlies of onmacht. Relevante factor daarbij is dat verdachte ook nog maar net 18 jaar was, zelf ook gedronken had en ook weer niet zo ervaren was dat hij toen had moeten weten dat hij beter niet verder kon gaan met [slachtoffer] . Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de seksuele handelingen geen ontuchtig karakter hebben gehad. Beoordeling van het bewijs De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen, in de wettelijke vorm opgemaakt, zakelijk weergegeven. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting: Ik heb [slachtoffer] gevingerd. Wij hebben het gedaan. Een proces-verbaal aangifte d.d. 23 september 2014, opgenomen op pagina 22 e.v. van dossier nummer PL0100-2015050899 d.d. 25 februari 2015 van Politie Eenheid Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] , geboren [geboortedatum slachtoffer] : Het is gebeurd na de voetbalwedstrijd Nederland-Costa Rica op 5 juli 2014. Ik was in de stad (de rechtbank begrijpt: [pleegplaats] ). Tijdens de wedstrijd heb ik acht shotjes gedronken. Die shotjes zijn heel sterk. Er zit volgens mij wel 30 procent alcohol in. [verdachte] vroeg aan mij of we een rondje konden gaan lopen. Wij liepen [park] in. Het was ongeveer 1.30 uur of 1.45 uur. Ik liep niet recht. Hij ging met zijn hand in mijn broek. Ik kon geen weerstand bieden, omdat ik teveel drank op had. Ik kon het niet voorkomen. Ik probeerde me te verweren maar het lukte niet. Dat kwam omdat ik drank op had. Dan word ik heel slapjes en dan kan ik me niet verweren. Zijn hand zat bij mijn vagina, in de opening, met één vinger. Zijn vinger bewoog hij op en neer, ook in die opening. Toen deed hij mijn broek naar beneden. Ik heb fysiek niets geprobeerd om die broek aan te houden. Dat kon ik niet, omdat ik heel veel drank op had. Hij deed mijn benen wijd met zijn handen. Ik kon daar niets aan doen. Ik had geen kracht meer in mijn benen en lichaam. Dat kwam van de alcohol. Hij duwde zijn penis in mijn vagina. Een proces-verbaal verhoor getuige d.d. 23 januari 2015, opgenomen op pagina 58 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 1] : [verdachte] is een hele goede vriend van mij. Hij heeft gezegd dat hij tijdens een avond tijdens het WK in de stad was. Hij heeft ook verteld dat hij die avond door [slachtoffer] gebeld was. Zij was dronken. Dit hoorde hij. Toen hebben ze ergens in [pleegplaats] seks gehad. Een proces-verbaal verhoor getuige d.d. 19 december 2014, opgenomen op pagina 39 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 2] : Het was tijdens het WK voetballen dit jaar, hier in [pleegplaats] . Ik weet niet meer hoeveel [slachtoffer] die avond heeft gedronken. Ik weet wel dat ze ver heen was. Ze wist niet meer zo goed wat ze deed. Een proces-verbaal d.d. 20 februari 2015, opgenomen op pagina 64 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte: Op 5 juli 2014 ben ik naar de stad gegaan. Ik heb toen met [slachtoffer] en een paar anderen een zoete alcoholische drank gedronken. [slachtoffer] en ik zijn achter het [park] gelopen. [slachtoffer] wist eerst niet zeker of ze het wilde doen, toen stelde ik voor om het wel te doen. Toen ging ik neuken. [slachtoffer] was eerst nog wel normaal, ze dronk ook wel mee met de bessen. Daarna gingen we een eindje lopen. Toen voelde ze wel dat ze inkakte, ze was moe en raar ineens. Met raar bedoel ik, ze had een beetje spraakgebrek, ze praatte wat raar. Het was de eerste keer dat ik [slachtoffer] dronken heb gezien of wat het ook mag zijn. Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende. Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat [slachtoffer] in staat van verminderd bewustzijn verkeerde. Anders dan de raadsvrouw stelt, gaat het blijkens de wet bij de invulling van het begrip "verminderd bewustzijn" niet om de situatie dat iemand geheel weg is. Het gaat om situaties tussen waakzaamheid en geheel van de wereld zijn in, waarbij van de persoon in redelijkheid niet kan worden verwacht dat hij of zij weerstand biedt aan de seksuele verlangens van een ander. Op grond van de bewijsmiddelen is komen vast te staan dat [slachtoffer] , een 15-jarig meisje, dronken was en dat verdachte dit wist. Verdachte heeft dit verklaard bij de politie en ook verteld aan zijn beste vriend. Bewezenverklaring Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij in de nacht van 5 op 6 juli 2014 te [pleegplaats] met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] ), van wie hij, verdachte, wist dat [slachtoffer] in staat van verminderd bewustzijn verkeerde, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] , hebbende verdachte [slachtoffer] vaginaal gevingerd en vaginaal gepenetreerd met zijn penis. De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. Strafbaarheid van het feit (de feiten) Het bewezen verklaarde levert op: primair met iemand van wie de dader weet dat hij in staat van verminderd bewustzijn verkeert handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat aannemelijk is dat het seksuele contact met instemming van [slachtoffer] heeft plaatsgehad, zodat sprake is van een rechtvaardigingsgrond. Verdachte moet daarom worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsvrouw heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van de Hoge Raad d.d. 15 juni 1982, NJ 1983/153. De rechtbank is van oordeel dat er geen rechtvaardigingsgrond is, omdat er geen sprake kan zijn van instemming op het moment dat iemand in staat van verminderd bewustzijn verkeert, zoals ook ter terechtzitting verwoord door de officier van justitie. Het in de door de raadsvrouw genoemde uitspraak beoordeelde feitencomplex is geheel anders dan het onderhavige. Het feit is dan ook strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten. Strafbaarheid van verdachte De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. Strafoplegging Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, waarvan 90 uren voorwaarde-lijk met een proeftijd van 2 jaar, onder toepassing van het jeugdstrafrecht. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft, voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring mocht komen, de rechtbank verzocht het jeugdstrafrecht toe te passen. Daarnaast heeft de raadsvrouw de gevolgen van een veroordeling benadrukt, waarbij zij heeft aangevoerd dat verdachte in dat geval te boek zal komen te staan als zedendelinquent wat in de toekomst problemen zal geven bij het verkrijgen van een VOG, stage en een baan. Tot slot heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht het incident te plaatsen tegen de achtergrond waarin het plaatsvond. Er was sprake van een feestavond waar zowel aangeefster als verdachte het nodige hadden gedronken en waardoor de grenzen gemakkelijker worden overschreden. Aangeefster heeft zelf contact gezocht met verdachte, wat tot de rest heeft geleid. Verdachte heeft niet als enige aandeel gehad in de gebeurtenissen die tot de rechtszaak hebben geleid. Het gebeurde is niet van dusdanige aard geweest dat een straf moet volgen die tot gevolg zal hebben dat verdachte de rest van zijn leven de consequenties van het gebeurde blijft ondervinden, ook lang nadat de strafrechtelijke sanctie is afgesloten. Oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft met zijn handelen misbruik gemaakt van de kwetsbare positie waarin aangeefster ten gevolge van overmatig drankgebruik verkeerde. Aangeefster was ten tijde van het voorval vijftien jaar oud en had, zoals zij zelf heeft verklaard, geen ervaring op seksueel gebied. Verdachte wist dat aangeefster onder invloed van alcohol was en heeft niettemin aangedrongen op seksuele handelingen met en door aangeefster. Aangeefster heeft in een schriftelijke slachtofferverklaring uiteengezet welk impact het feit op haar heeft gehad. Anderzijds neemt de rechtbank in aanmerking dat aangeefster heeft verklaard dat zij wijn en acht shotjes - "stuiterbal" en "sambuca" - heeft genuttigd. Daarna heeft zij volgens verdachte nog wat van de door hem meegebrachte bessenjenever gedronken. Ten gevolge van deze door haar genuttigde hoeveelheid alcohol is zij kennelijk buiten machte geraakt om adequaat te handelen. Daarmee heeft aangeefster naar het oordeel van de rechtbank een aandeel gehad in de ontstane situatie. Daar komt bij dat zij volgens getuigenverklaringen zelf, eerder die avond/nacht, toenadering tot verdachte heeft gezocht. De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. De reclassering heeft in het rapport d.d. 1 oktober 2015 uiteengezet dat bij verdachte mee heeft gespeeld dat hij omgaat met personen die één of twee jaar jonger zijn, waardoor hij zich niet direct bewust is van het feit dat hij op het moment dat hij 18 jaar werd, bij wet een volwassene is en bepaalde handelingen strafbaar werden. Daar komt bij dat verdachte hierdoor mogelijk op een net iets jongere leeftijd functioneert dan zijn kalenderleeftijd. De reclassering ziet als positief dat verdachte schoolgaand is, een bijbaantje heeft en geen schulden heeft. Daarnaast heeft hij goede en steunende contacten met zijn vrienden. Verdachte is als jongvolwassene nog in ontwikkeling en de reclassering acht het jeugdstrafrecht passend. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een deels voorwaardelijke taakstraf moet worden opgelegd van na te noemen duur, onder toepassing van het jeugdstrafrecht. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De vordering bestaat uit 329,37 aan vergoeding van materiële schade en 2,800,= aan vergoeding van immateriële schade, het totaalbedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van 1.829,37, bestaande uit 329,37 aan vergoeding van materiële schade en 1.500,= aan vergoeding van immateriële schade met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren, omdat integrale vrijspraak zou moeten volgen. Subsidiair heeft de raadsvrouw gesteld dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces met zich brengt en de vordering daarom niet-ontvankelijk is. Voor de vaststelling van de hoogte van de toe te kennen schadevergoeding is van belang te beoordelen of en in hoeverre een eigen aandeel van aangeefster in het gebeurde en in de schade dient te worden verdiscon-teerd. Mocht de rechtbank tot toewijzing van (een deel van) de schade overgaan, heeft de raadsvrouw betoogd dat onvoldoende is gebleken dat de schade aan de broek materiële schade betreft, nu de herinnering de hoofdreden was om de broek weg te gooien. Deze post dient te worden afgewezen. De uitspraak waarnaar is verwezen met betrekking tot het gevraagde smartengeld betreft een andere situatie dan waar het in deze zaak om gaat. De omstandigheden waaronder het gebeurde heeft plaatsgevonden zouden een matigende werking moeten hebben. Beoordeling Naar het oordeel van de rechtbank is uit het onderzoek ter terechtzitting komen vast te staan dat [slachtoffer] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van 108,49 aan materiële schade (de posten "jeans" en "reiskosten EMDR therapie") en 500,00 aan immateriële schade. Dit houdt in dat de vordering tot een bedrag van 608,49 zal worden toegewezen, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente. De rechtbank is van oordeel dat zij over onvoldoende informatie beschikt om de hoogte van de overige gevorderde geleden schade te kunnen beoordelen. De rechtbank zal echter niet overgaan tot schorsing van het onderzoek om de hoogte van die schade alsnog te doen aantonen. Dit zal namelijk leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom voor het overige niet- ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade. Toepasselijke wettelijke voorschriften De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77l, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 243 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde. DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT: Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verklaart verdachte daarvoor strafbaar. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Veroordeelt verdachte tot: een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 80 uren. Bepaalt, dat van deze taakstraf een gedeelte, groot 40 uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Beveelt dat voor het geval de veroordeelde het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 20 dagen zal worden toegepast. Beveelt voorts dat, indien het mocht komen tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde deel van de taakstraf, vervangende jeugddetentie voor de duur van 20 dagen zal worden toegepast, indien de veroordeelde dat deel van de taakstraf niet naar behoren verricht. Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van 608,49 (zegge: zeshonderd acht euro en negenenveertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2014. Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil. Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het [slachtoffer] , te betalen een bedrag van 608,49 (zegge: zeshonderd acht euro en negenenveertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2014, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 12 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit 108,49 aan materiële schade en 500,= aan immateriële schade. Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het [slachtoffer] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen. Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.E. Kiezebrink, voorzitter, mr. P.H.M. Smeets en mr. D.M. Schuiling, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 oktober 2015. mr. Schuiling is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen