RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Leeuwarden parketnummer 18/730280-15 ad informandum gevoegd parketnummer 18/730280-15 vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 17/064944-12 vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 15 december 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [woonadres] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 december 2015. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D. Uygul, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T.H. Pitstra. Tenlastelegging Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat: 1. primair hij op of omstreeks 26 augustus 2015 te [pleegplaats] , gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd en/of op de openbare weg [straatnaam 1] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan/nabij [straatnaam 1] te nemen enig goed van zijn gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of dat weg te nemen goed onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, een of meer ramen van die woning heeft geforceerd/vernield/beschadigd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot diefstal werd gevolgd van geweld tegen politieman [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, welk geweld hierin bestond, dat verdachte tijdens zijn vlucht van de plaats van het misdrijf met de door hem bestuurde fiets tegen [slachtoffer 2] aan is gereden (waardoor [slachtoffer 2] enig letsel bekwam); art 310 Wetboek van Strafrecht subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte hij op of omstreeks 26 augustus 2015 te [pleegplaats] opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere ra(a)m(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt; en/of hij op of omstreeks 26 augustus 2015 te [pleegplaats] opzettelijk heeft mishandeld een persoon genaamd [slachtoffer 2] , hoofdagent van politie, immers is hij, verdachte, met de door hem bestuurde fiets tegen [slachtoffer 2] aangereden; 2. hij op of omstreeks 26 augustus 2015 te [pleegplaats] een of meer wapens van categorie III, te weten een gaspistool en/of een enkelschots kogelgeweer, voorhanden heeft gehad; 3. hij in of omstreeks het tijdvak omvattende 24 en 25 augustus 2015 te [pleegplaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld en/of goederen, geheel of ten dele toebehorende aan L. Boersma, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen geld en/of goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, met een schroevendraaier heeft geprobeerd een raam aan de achterzijde te forceren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad. Vordering officier van justitie De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd: - vrijspraak van het onder 1. primair ten laste gelegde; - veroordeling voor het onder 1. subsidiair, 2. en 3. ten laste gelegde; - oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 195 dagen waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren; - oplegging van de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, een behandelverplichting bij Verslavingszorg Noord Nederland en een alcohol- en drugsverbod; - omzetting van de op 24 januari 2014 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van drie maanden in een werkstraf van 180 uren; - afwijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] . Beoordeling van het bewijs Met betrekking tot feit 1. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van het onder 1. primair ten laste gelegde. Zij heeft hiertoe gesteld dat sprake was van vrijwillige terugtred. De officier van justitie acht de subsidiair ten laste gelegde vernieling en mishandeling wel bewezen. De raadsman heeft met betrekking tot het onder 1. primair ten laste gelegde feit aangevoerd dat sprake is van vrijwillige terugtred in de zin van artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht, aangezien het voorgenomen misdrijf niet is voltooid als gevolg van omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk en niet als gevolg van externe factoren. Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde mishandeling heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte probeerde de verbalisant te ontwijken nu deze in de weg ging staan. Verdachte vermeerderde zijn snelheid om om de verbalisant heen te fietsen. Nu verdachte geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, had op letsel, dient verdachte te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt het volgende. Beslissend voor de vrijwillige terugtred is de vraag of deze het gevolg was van een spontane besluitvorming en niet plaatsvond uitsluitend onder invloed van uitwendige prikkels. De rechtbank is van oordeel dat het besluit om niet verder te gaan met de inbraak tot stand gekomen is door uitwendige prikkels. Nadat het niet lukte het eerste raam open te breken, heeft verdachte geprobeerd het tweede raam open te breken. Volgens verdachtes eigen verklaring maakte dat openbreken zoveel lawaai, dat hij dacht dat hij betrapt zou worden. Dat maakte dat verdachte besloot weg te gaan. Van vrijwillige terugtred is gelet op deze omstandigheden geen sprake. De rechtbank verwerpt derhalve het primaire verweer van de raadsman. Ten aanzien van het ten laste geweld overweegt de rechtbank het volgende. Uit verdachtes verklaring, zoals hieronder weergegeven, blijkt dat verdachte heeft verklaard dat hij niet is gestopt omdat hij wilde vluchten. Hij was zich er van bewust dat wanneer hij niet zou stoppen, hij de verbalisant zou raken. Verdachte heeft derhalve (voorwaardelijk) opzet op het geweld gehad. Ook dit deel van het verweer wordt verworpen. De rechtbank past bij de beoordeling van het onder 1. primair ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe. 1. De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer 2015249895, gesloten op 30 september 2015, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder: 1.1. een ambtsedig proces-verbaal, nummer 2015249895-1, d.d. 26 augustus 2015, opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 1] : Ik doe aangifte ter zake poging inbraak woning. Mijn schoonzus belde mij vandaag 26 augustus 2015 omstreeks 07:45 uur op met de mededeling dat er gepoogd was in te breken in onze woning. Op 18 augustus 2015 omstreeks 17:00 uur was ik voor het laatst in mijn woning geweest. Ik had de woning toen slotvast en onbeschadigd achter gelaten. Na het telefoontje ben ik direct terug gegaan naar ons huis. Wij waren hier vandaag omstreeks 09:45 uur. Ik zag dat er aan de achterzijde gepoogd was een raam open te breken. Er zitten moeten in het kozijn en het uitzetijzer is vernield. Aan het andere raam, ook aan de achterzijde, is er een stuk hout afgebroken. Het latwerk is stuk. Het slotje van het middelste, het eerst genoemde raam, is afgebroken. Dat raam is ook open geweest. 1.2. een letselverklaring, op 27 augustus 2015, opgemaakt en ondertekend door [forensisch arts] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als haar verklaring: Omschrijving van de toedracht: Slachtoffer zegt in de functie van politie ambtenaar op 26 augustus 2015 betrokken te zijn geweest bij een aanhouding waarbij een verdachte tegen hem aan fietste. Zijn hand kwam daarbij ergens even klem te zitten. Ze vielen daarna samen op de grond. Hij is niet buiten bewustzijn geweest en had na het incident last van zijn rechterhand en rechterknie. Letselbeschrijving Hand Op de rechterduim een blauwe plek op het laatste kootje en bij het nagelbed. Er is een klein wondje met helderrood aspect aan de rechter zijkant van de duimnagel. De rechter duim is dikker dan de linker. De nagel van de middelvinger vertoont een speldenknoop groot defectje. Knie Op beide knieën zijn er kleine schaafwondjes en de rechter knie is dikker dan de linker. Beoordeling van de letsels: Onderhuidse bloedingen en bloedingen vanonder nagels van de rechterduim en middelvinger passend bij kneuzing. Tevens scherp perforerend geweld als oorzaak beschadiging nagel middelvinger. Schaafwonden op de knie passend bij een val, zwelling van de rechterknie passend bij vocht - of bloedophoping in het gewricht zoals kan ontstaan bij stoten, vallen of een ongelukkige beweging. Conclusie Ontstaan : de letsels zijn gezien hun aspect recent ontstaan Herstel : volledig herstel valt over 2 tot 3 weken te verwachten Blijvend letsel : zonder complicaties hoeft er geen blijvend letsel te zijn Letsel past bij : Het geconstateerde letsel kan passen bij de door slachtoffer aangegeven toedracht. 1.3. een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, nummer 2015249895-4, d.d. 26 augustus 2015, opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [verbalisant 1] : Op het moment dat ik huisnummer [nummer 1] naderde, zag ik aan mijn linkerzijde een persoon op een fiets zitten. Deze persoon stond in de voortuin van een woning. Ik kan niet exact vertellen in welke tuin deze persoon stond. Het was in ieder geval de tuin van huisnummer [nummer 1] of [nummer 2] . Ik zag dat deze persoon geheel in het donker gekleed was. Ik zag dat deze persoon een capuchon over zijn hoofd had. Het was mij direct duidelijk dat dit de verdachte was van de inbraak. Ik zag vervolgens dat de man begon te fietsen. Ik heb tegen de man geroepen: "staan blijven politie". Ik zag dat de verdachte van mij vandaan fietste op de [straatnaam 1] . Ik zag op dat moment [slachtoffer 2] staan. Ik zag [slachtoffer 2] op de rijbaan staan. Ik zag dat de verdachte harder begon te trappen. Ik zag dat hierdoor de snelheid van de fiets werd verhoogd. Ik hoorde de man schreeuwen. Ik kon niet verstaan wat de man riep. Ik zag dat [slachtoffer 2] voor de fietsende verdachte ging staan. Ik zag dat de verdachte met een behoorlijke snelheid op [slachtoffer 2] af bleef rijden. Ik zag vervolgens dat de verdachte en [slachtoffer 2] met elkaar in botsing kwamen. Ik zag vervolgens dat zowel de verdachte als [slachtoffer 2] ten val kwamen. Ik heb sterk het vermoeden dat de verdachte bewust met zijn fiets op [slachtoffer 2] in reed. Hij verhoogde bewust zijn snelheid en begon te schreeuwen. De verdachte had zijn fiets makkelijk tot stilstand kunnen brengen. 1.4. een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, nummer 2015249895-2, d.d. 26 augustus 2015, opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 2] : Ik bevond mij bij de voordeur van perceel 6 om mij te oriënteren. Terwijl ik de weg opliep hoorde ik collega [verbalisant 1] schreeuwen: "Stop, politie!" Direct hierop zag ik een persoon, geheel in het zwart gekleed, nabij perceel [straatnaam 1] [nummer 2] of [nummer 1] op een fiets van een erf afkomen. Ik zag dat de persoon in volle vaart op mij af kwam fietsen. Ik zag dat de man zowel naar links als naar rechts bewoog om mij te kunnen ontwijken. Ik stond midden op de weg en bewoog met de persoon mee, teneinde hem te kunnen doen stoppen en hem te kunnen aanhouden. Ik zag dat de man zo snel mogelijk weg probeerde te fietsen. Hierop ontstond een aanrijding tussen de persoon op de fiets en mij. Ik hoorde dat de man schreeuwde en voelde dat de man op mij botste. Ten gevolge van de aanrijding kwam de persoon hard ten val. Ik kreeg het gevoel dat de verdachte moedwillig snelheid vermeerderde en vervolgens schreeuwde om aan zijn aanhouding te kunnen ontkomen. 1.5. een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, nummer 2015249895-11, d.d. 26 augustus 2015, opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte: V: Je bent vannacht omstreeks 05:00 uur door de politie aangehouden. Waarom was dat? A: Ik stond achter huis bij een adres in [pleegplaats] . Het was in de wijk [wijknaam] . Ik weet het exacte adres niet meer. Ik ben daar via het erf van de naastgelegen woning naar toe gelopen. Ik was daar. Ik stond daar met mijn tools, daarmee bedoel ik mijn inbrekersgereedschap. Ik deed namelijk een poging om in die woning in te breken. Ik ben uiteindelijk niet de woning binnengegaan. Ik ben weggegaan. V: Heb je op het erf van de woning waar je over heen gegaan bent, nog iets vernield? A: Ja, ik heb daar een latje van een soort hekwerk aangetrokken. Dat ging daardoor kapot. Ik heb geprobeerd een raam open te breken. Het was het middelste raam. Het was volgens mij een kiepraampje, dat van onderen naar buiten toe draait. Het was niet een heel groot raam. Ik weet de afmetingen niet meer. Bij de poging het raam open te breken heb ik een koevoet en een schroevendraaier gebruikt. Deze had ik in mijn zwarte tasje meegenomen. Meer gereedschap had ik ook niet bij mij. Het eerste raam wat ik probeerde open te breken, kreeg ik niet open. Ik heb het toen bij een ander raam geprobeerd. Dat lukte wel. Het raam brak ik open. Dat openbreken maakte zoveel herrie dat ik dacht dat ik betrapt zou worden. Het kraken/breken van het hout maakte veel herrie. Toen ik besloten had om weg te gaan, in verband met de vele herrie die ik had gemaakt, ben ik op de fiets gestapt en zou ik wegfietsen. Er was toen ineens allemaal politie. Ik had mijn fiets geparkeerd op het erf van het adres waar ik wilde inbreken. V: Wat gebeurde er toen je wegging? A: Ik probeerde weg te komen. Ik zag ineens een politieman midden op de weg staan. Hij kwam vanaf de stoep rennen. De politieman sprong van links naar rechts. Ik hoorde de politieman nog roepen: "Stil blijven staan, politie!". Ik ben niet gestopt omdat ik wilde vluchten. Ik heb op het laatst nog mijn stuur schuin getrokken zodat ik de politieagent niet vol zou raken. Ik was mij er bewust van dat wanneer ik niet zou stoppen ik met hem in botsing zou komen. Met betrekking tot feit 2. De rechtbank past met betrekking tot het onder 2. ten laste gelegde feit de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering: 1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 decembe 2015; 2. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. 2015249895-21, d.d. 27 augustus 2015, inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] : 3. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. 2015249895-32, d.d. 29 september 2015, inhoudende de verklaring van [verbalisant 4] . Met betrekking tot feit 3. De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de hem ten laste gelegde poging woninginbraak, nu het onderzoek onvolledig is geweest. Er dient meer onderzoek te worden verricht naar de schroevendraaier, nu de modus operandi niet dermate specifiek is dat deze aan verdachte toe te schrijven is. Voor zover de rechtbank oordeelt dat verdachte wel bij de woning is geweest, kan vrijwillige terugtred niet worden uitgesloten. Op grond van onderstaande bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. Op 26 augustus 2015 wordt verdachte op [straatnaam 1] aangehouden op verdenking van een woninginbraak. Bij zijn aanhouding wordt een tas met gereedschappen in beslag genomen. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij tijdens voornoemde inbraak zijn 'tools' bij zich had. Hiermee bedoelt hij zijn inbrekersgereedschap. In de tas worden onder meer een schroevendraaier, een breekijzer en een kopkniptang aangetroffen. Op 25 augustus 2015 doet [slachtoffer 3] aangifte van een poging inbraak in zijn woning aan [straatnaam 2] . Uit zijn aangifte blijkt dat twee kozijnen aan de achterkant van zijn woning beschadigd zijn. Een sporenonderzoek wordt uitgevoerd en in de kozijnen en ramen van de woning worden werktuigsporen van een schroevendraaier en een breekijzer gevonden. Twee indrukken in de kopse kant van het openslaande raam van de garage worden veiliggesteld. Op 2 september 2015 wordt een vergelijkend werktuigsporenonderzoek verricht. Uit voornoemd onderzoek blijkt dat de afgevormde werktuigsporen zeer waarschijnlijk zijn veroorzaakt met de onder verdachte inbeslaggenomen schroevendraaier. Tot slot stelt de rechtbank vast dat de bezochte woningen beide in de wijk [wijknaam] liggen, ongeveer een kilometer van elkaar verwijderd. Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, en gelet op de omstandigheid dat door verdachte voor bovenstaande feiten en omstandigheden in het geheel geen redelijke verklaring is gegeven, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte betrokken is geweest bij de onder 3. ten laste gelegde poging tot inbraak. Met betrekking tot het subsidiaire beroep op vrijwillige terugtred overweegt de rechtbank het volgende. Nu verdachte ter zitting en bij de politie heeft ontkend het ten laste gelegde feit te hebben gepleegd, is niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van vrijwillige terugtred. Een beroep op vrijwillige terugtred kan dan ook niet slagen. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. De rechtbank past bij de beoordeling van het onder 3. ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe. 1. De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer 2015249895, gesloten op 30 september 2015, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder: 1.1. een ambtsedig proces-verbaal, nummer 2015248880-1, d.d. 25 augustus 2015, opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 3] : Gisteren, 24 augustus 2015 om ongeveer 16:30 uur zijn mijn vrouw en ik vertrokken. Er was niemand thuis. Wij kwamen gisteravond om ongeveer 22:00 uur weer thuis. Ik ben niet meer achter de woning geweest. Vanmorgen rond 08:30 uur ontdekte ik dat er aan de achterkant van onze woning was geprobeerd in te breken. Twee kozijnen aan de achterkant van mijn woning zijn beschadigd, omdat er met een breekvoorwerp is geprobeerd de ramen open te breken. Een buitenlamp met sensor aan de achterkant van de woning is uitgeschakeld door de dader(s): de kap en de lamp zijn losgedraaid en de sensor is vernield. Achter mijn woning staat een vrij staande houten schuur. De deur daarvan is tussen genoemde tijden met een breekvoorwerp geforceerd. In het eerste of voorste deel van de schuur staat (tuin)gereedschap, in het achterste deel zitten vogels. Vanuit het voorste deel van de schuur is een werphengel weg gehaald. Deze trof ik aan tegen de achtermuur van mijn woning. In de schuur is verder een gereedschapskast geopend en zijn wat goederen als een opblaasbadje verplaatst. Ik mis niets uit mijn schuur. In mijn woning is men niet geweest. Wel hebben de dader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.