RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Locatie Groningen Parketnummer: 18/820233-15 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 22 januari 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [woonadres] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 januari 2016. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. L.A.A. Ongenae, advocaat te Paterswolde. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H. Super. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2013 t/m 8 oktober 2014 te [pleegplaats] , gemeente Oldambt, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, telkens opzettelijk, meermalen heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in de woning [adres] ) een hoeveelheid die van (in totaal) ongeveer 326, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II. Bewijsvraag Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft aangevoerd dat het ten laste gelegde wettig kan worden bewezen op grond van de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Het wettig bewijs is voorts overtuigend, nu de verklaringen van de medeverdachten op hoofdlijnen overeen komen en [medeverdachte 1] niet alleen verdachte, maar ook zichzelf belast. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft betoogd dat verdachte bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Beoordeling van het bewijs Vrijspraak Aan de verdachte is - kort gezegd - tenlastegelegd dat hij zich tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, schuldig heeft gemaakt aan het telen dan wel aanwezig hebben van hennepplanten. De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte enige bemoeienis heeft gehad met het telen en de aanwezigheid van hennepplanten op het adres [adres] te [pleegplaats] . Naar het oordeel van de rechtbank kan echter niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte dit feit alleen heeft gepleegd dan wel dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en één of meer medeverdachten. Weliswaar geven medeverdachten aan dat verdachte een grote rol heeft gespeeld in de hennepkwekerij zoals in hun woning aangetroffen, maar verdachte ontkent een dergelijk aandeel. Hij heeft aangegeven vanuit zijn deskundigheid als growshophouder en als kennis van medeverdachten aan medeverdachten wel advies te hebben gegeven. De rechtbank is, op basis van de summiere inhoud van het dossier echter niet tot de overtuiging gekomen dat de rol van verdachte op basis hiervan als medepleger kan worden gekwalificeerd. De rechtbank acht het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT: Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door mr. L.H.A.M. Voncken, voorzitter, mrs. H.L. Stuiver en S. Zwarts, rechters, bijgestaan door mr. K.E. van Rhijn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 januari 2016.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.