← Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2016:2345

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Locatie Groningen parketnummer 18/820379-14 (vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel) raadsman: mr. W.G. ten Have beslissing van de meervoudige kamer voor behandeling van strafzaken d.d. 22 januari 2016 op een vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de zaak tegen [veroordeelde] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [woonadres] , hierna ook: veroordeelde. Deze beslissing is gegeven naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 januari 2016. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft op 7 december 2015 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag zal vaststellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 2.500,- ter ontneming van het in de zaak met parketnummer 18/820379-14 voortvloeiende wederrechtelijk verkregen voordeel. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft aangevoerd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden vastgesteld op € 2.500,-. Op dat voordeel dient de door [veroordeelde] aan [energiemaatschappij] betaalde factuur ter hoogte van € 4.944,28 in mindering te worden gebracht. Dit zo zijnde ontstaat er een negatief voordeel. De vordering van de officier van justitie dient te worden afgewezen. Beoordeling De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op het volgende bewijsmiddel: De door [veroordeelde] als verdachte ter terechtzitting van 8 januari 2016 afgelegde verklaring, inhoudende, zakelijk weergegeven: Ik had een hennepkwekerij in mijn woning. Er is vijf keer geoogst. Per oogst kreeg ik € 500,-. De rechtbank heeft [veroordeelde] bij vonnis van 22 januari 2016 in de zaak met parketnummer 18/820379-14 veroordeeld ter zake het telen van hennep, meermalen gepleegd. De rechtbank ontleent aan de inhoud van bovenstaand bewijsmiddel het oordeel dat het aannemelijk is dat veroordeelde door middel van het begaan van de feiten een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten en dat dit voordeel moet worden geschat op € 2.500,-. De rechtbank zal dit bedrag ook vaststellen. Uit de stukken in het dossier blijkt dat veroordeelde kosten heeft gemaakt ten behoeve van de hennepkwekerij, bestaande uit kosten voor elektriciteitsverbruik. Uit de stukken blijkt dat veroordeelde een bedrag van € 4.944,28 aan [energiemaatschappij] heeft voldaan. Nu dit laatste bedrag hoger is dan het (in totaal) genoten voordeel stelt de rechtbank de terugvordering vast op nihil. Gelet hierop zal de rechtbank de vordering van de officier van justitie afwijzen. Toepassing van de wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Beslissing De rechtbank: - stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op nihil; - wijst de vordering van de officier van justitie af. Deze beslissing is gegeven door mr. L.H.A.M. Voncken, voorzitter, mrs. H.L. Stuiver en S. Zwarts, rechters, bijgestaan door mr. K.E. van Rhijn, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 januari 2016.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.