vonnis RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Privaatrecht Locatie Leeuwarden zaaknummer / rolnummer: C/17/141474 / HA ZA 15-114 Vonnis van 8 juni 2016 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser, advocaat: mr. R.J.M. van Dalen, tegen 1 [gedaagde 1] , wonende te [woonplaats] , 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 2] , gevestigd te [vestigingsplaats] , gedaagden, advocaat: mr. R.G.M. van der Pas. Partijen zullen hierna afzonderlijk [eiser] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden. Gedaagden zullen gezamenlijk [gedaagde 1 en 2] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure volgt uit: de dagvaarding van de zijde van [eiser] , de conclusie van antwoord van de zijde van [gedaagde 1 en 2] , de conclusie van repliek van de zijde van [eiser] , de conclusie van dupliek van de zijde van [gedaagde 1 en 2] , de door [eiser] voorafgaand aan het mondelinge pleidooi gebrachte aanvullende producties, het mondelinge pleidooi gehouden op 1 april 2016, ter gelegenheid waarvan partijen hun stellingen en verweren nader hebben toegelicht, voor wat betreft [eiser] aan de hand van een pleitnota. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [gedaagde 2] was (tot 22 november 2013, zie hierna rechtsoverweging 2.9) enig bestuurder en aandeelhoudster van de besloten vennootschap [naam bedrijf 1] te [vestigingsplaats] (hierna te noemen: [naam bedrijf 1] ). In november 2002 is [eiser] met [naam bedrijf 1] overeengekomen dat hij aandelen in het kapitaal van de besloten vennootschap [naam bedrijf 2] (hierna te noemen: [naam bedrijf 2] ) geleverd zou krijgen. Na eerst een nietige levering van voornoemde aandelen, heeft [naam bedrijf 1] op 10 december 2003 aan [eiser] toegezegd hem zogenoemde stock appreciation rights toe te kennen in verband met de hiervoor vermelde nietige levering. Hieraan is geen uitvoering gegeven. 2.2. Op 19 juli 2005 heeft [naam bedrijf 1] haar aandelen in [naam bedrijf 2] verkocht aan de besloten vennootschap [naam bedrijf 3] voor een bedrag van € 5.000.000,00. De levering van deze aandelen heeft op 25 juli 2005 plaatsgevonden. De netto ontvangen koopsom heeft [naam bedrijf 1] (deels) aangewend om een zogenoemde “lening u/g” te verstrekken aan [gedaagde 1] ter grootte van € 385.308,00. 2.3. Bij vonnis van 4 april 2007 heeft de voormalige rechtbank ’s-Hertogenbosch voor recht verklaard dat [naam bedrijf 1] aansprakelijk is voor de schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van het niet nakomen van de toezegging tot levering van de stock appreciation rights in een zodanige omvang dat [eiser] daardoor in dezelfde financiële situatie zou worden gebracht als ware hij eigenaar van de aandelen zoals genoemd in rechtsoverweging 2.1, nader op te maken bij staat. [naam bedrijf 1] is van dit vonnis in appel gegaan. Bij arrest van 19 oktober 2010 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch het vonnis van 4 april 2007 van de rechtbank ’s-Hertogenbosch bekrachtigd. Op 15 februari 2012 heeft [eiser] een schadestaatprocedure opgestart bij de rechtbank ’s-Hertogenbosch. Bij vonnis van 11 april 2012 heeft voornoemde rechtbank [naam bedrijf 1] bij verstek veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 529.791,66 aan [eiser] , tegen welk vonnis [naam bedrijf 1] verzet heeft ingesteld. Bij vonnis van 5 juni 2013 heeft (na de invoering van de Wet Herziening Gerechtelijke Kaart op 1 januari 2013) de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, [naam bedrijf 1] veroordeeld tot onder andere betaling van een bedrag van € 161.229,70 aan [eiser] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 juli 2005. 2.4. In een in april 2010 opgemaakte akte van cessie, die niet eerder dan in de jaarstukken van 2012 van beide vennootschappen is verwerkt, zijn [naam bedrijf 1] als verkoper en [gedaagde 2] als koper onder andere het volgende overeengekomen: 1. Verkoper verklaart per 1 januari 2009 te hebben verkocht en hierbij in eigendom over te dragen aan koper (…) de vordering die verkoper uit hoofde van een rekening-courantverhouding heeft op (…) [gedaagde 1] (…) ten bedrage van € 385.308,00 (…). 2. De vordering is verkocht en is overgedragen tegen haar nominale waarde. De koopsom wordt voldaan doordat verkoper voor het gehele bedrag van de vordering wordt gecrediteerd op de voor haar in de boeken van koper aangehouden rekening-courant, zodat verkoper daarvoor bij deze aan koper kwijting verleent. 2.5. In de jaarrekening 2011 van [gedaagde 2] zijn onder andere de navolgende posten opgenomen: aan vorderingen een bedrag van € 32.466,00; aan schulden een bedrag van € 63.217,00. In de jaarrekening 2012 van [gedaagde 2] zijn onder andere de navolgende posten opgenomen: aan vorderingen een bedrag van € 360.230,00; aan schulden een bedrag van € 419.972,00. 2.6. In de jaarrekening 2011 van [naam bedrijf 1] zijn onder andere de navolgende posten opgenomen: aan vorderingen een bedrag van € 459.261,00; aan schulden een bedrag van € 87.843,00; aan voorzieningen een bedrag van € 101.258,00. In de jaarrekening 2012 van [naam bedrijf 1] zijn onder andere de navolgende posten opgenomen: aan vorderingen een bedrag van € 450.766,00; aan schulden een bedrag van € 78.237,00; aan overige reserves een bedrag van € 254.592,00; aan voorzieningen een bedrag van € 103.391,00. In de toelichting op de jaarrekening 2012 van [naam bedrijf 1] staat - voor zover relevant - het volgende: Voorzieningen Een voorziening wordt gevormd voor verplichtingen waarvan het waarschijnlijk is dat zij moeten worden afgewikkeld en waarvan de omvang redelijkerwijs is te schatten De omvang van de voorziening wordt bepaald door de beste schatting van de bedragen die noodzakelijk zijn om de desbetreffende verplichtingen en verliezen per balansdatum af te wikkelen Voorzieningen worden gewaardeerd tegen nominale waarde. Voorziening voor pensioenen De voorziening voor pensioenen is getroffen voor toegezegde pensioenrechten voor zover deze in eigen beheer worden opgebouwd. De pensioenvoorzieningen worden gewaardeerd tegen actuariële waarde. 2.7. Van de binnen [naam bedrijf 1] aanwezige overige reserves ad € 254.592,00 is in 2012 blijkens de concept-jaarrekening 2013 van [gedaagde 2] een bedrag van € 220.000,00 aan dividend uitgekeerd aan [gedaagde 2] . Het dividend is deels betaald in contanten en deels door verrekening met de op dat moment bestaande vordering in rekening-courant van [naam bedrijf 1] op [gedaagde 2] . Tevens heeft [gedaagde 2] de binnen [naam bedrijf 1] aanwezige schulden ad € 78.237,00 overgenomen, onder verrekening met genoemde vordering in rekening-courant van [naam bedrijf 1] op [gedaagde 2] . 2.8. [gedaagde 1] heeft in 2013 de bij hem (in privé) berustende intellectuele eigendomsrechten op handboeken met betrekking tot de luchtvaartsector overgedragen aan [gedaagde 2] , die deze rechten op haar beurt weer heeft overgedragen aan [naam bedrijf 1] onder verrekening van eerdergenoemde vordering in rekening-courant van [naam bedrijf 1] op [gedaagde 2] . Daarna resteerde er nog een rekening-courantschuld van € 28.213,00 van [gedaagde 2] aan [naam bedrijf 1] . 2.9. Bij notariële akte van 22 november 2013 heeft [gedaagde 1] als bestuurder van [gedaagde 2] de door haar gehouden aandelen in [naam bedrijf 1] aan [koper] te Roemenië (hierna te noemen: [koper] ) geleverd. [koper] heeft de aandelen gekocht voor een bedrag van € 29.213,00. In de akte staat - voor zover relevant - het volgende: B Koopsom De koopsom voor de aandelen bedraagt (…) ( € 29.213,00 ). De koper heeft de koopsom voldaan als volgt: - koper heeft voldaan door storting op een rekening van mij, notaris, een gedeelte van voormelde koopsom, te weten een bedrag (…) groot (…) ( 1.000,00 ); - ter voldoening van het resterend gedeelte van de koopsom (…) neemt koper bij deze voor zijn rekening (…) de schuld in rekening courant ad (…) € 28.213,00 ten laste van verkoper en ten behoeve van de vennootschap (…). 2.10. Op 9 december 2014 heeft ten overstaan van deze rechtbank op verzoek van [eiser] een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden in een zaak tussen [eiser] en [gedaagde 1] (bekend onder zaaknummer/rekestnummer: C/17/133228 HA RK 14-42). Ter gelegenheid hiervan heeft [naam medewerker] (hierna te noemen: [naam medewerker] ), registeraccountant en belastingadviseur, onder andere het volgende verklaard: De koopprijs met aftrek van de claims is volgens mij in 2005 betaald aan [naam bedrijf 1] , want die was de aandeelhouder. Uit de opbrengst (van de verkoop van aandelen in [naam bedrijf 2] , toevoeging van de rechtbank) is een lening u/g aan [vader van gedaagde 1] (de vader van [gedaagde 1] , toevoeging van de rechtbank) en [gedaagde 1] verstrekt naar rato van hun aandeelhouderschap: 90% van [vader van gedaagde 1] en 10% van [gedaagde 1] . De reden was dat zij hiermee in privé wilden gaan beleggen (....). Wat betreft de lening van [naam bedrijf 1] aan [gedaagde 1] : volgens mij staat die nog steeds in de boeken. In elk geval in de jaarrekening van 2012. Nu u dit dicteert wil ik opmerken dat ik niet helemaal zeker weet of de lening van [naam bedrijf 1] aan [gedaagde 1] in [naam bedrijf 1] is gebleven of dat deze is overgedragen aan [gedaagde 2] (…). (…) Voor wat betreft de vordering uit hoofde van de lening uit [naam bedrijf 1] aan [gedaagde 1] : zoals gezegd weet ik niet of er een cessie (…) bij [gedaagde 2] heeft plaatsgevonden. Dit zou ik op kantoor eenvoudig kunnen nakijken. Als die cessie al zou hebben plaatsgevonden dan zou er daarbij tegen nominale waarde verrekend zijn. [naam bedrijf 1] zou dan een vordering op [gedaagde 2] hebben verkregen en deze laatste op haar beurt aan [gedaagde 1] . Er zou dan geen afboeking of afwaardering hebben plaatsgevonden. Dat weet ik zo zeker omdat ik mij dat zou herinneren omdat dat fiscale consequenties zou hebben en een overleg met de belastingdienst nodig zou zijn. Met nominale waarde zou de belastingdienst geen problemen hebben omdat er per saldo niks verandert. 2.11. [eiser] heeft op 29 januari 2015 onder [gedaagde 1 en 2] executoriaal derdenbeslag laten leggen voor een bedrag van € 214.220,21. De beslagexploten zijn uitgebracht uit kracht van voornoemd vonnis van 5 juni 2013 van de rechtbank Oost-Brabant (rechtsoverweging 2.3). 2.12. Op 19 februari en 9 april 2015 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , elk voor zich, jegens de deurwaarder een schriftelijke verklaring afgelegd. In beide verklaringen staat onder andere het volgende: (…) dat er tussen ondergetekende en de schuldenaar (lees: [naam bedrijf 1] , toevoeging van de rechtbank) geen enkele rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan, uit hoofde waarvan de schuldenaar op het tijdstip van het beslag nog iets van de ondergetekende had te vorderen, nu te vorderen heeft of nog te vorderen kan krijgen. 2.13. Bij conclusie van repliek van 26 oktober 2015 heeft [eiser] de cessie (rechtsoverweging 2.4), de dividenduitkering en de daarop volgende verrekening (rechtsoverweging 2.7), alsmede de overdracht van de aandelen in [naam bedrijf 1] aan [koper] (rechtsoverweging 2.9) buitengerechtelijk vernietigd. De buitengerechtelijke vernietiging van voormelde rechtshandelingen is bij brief van dezelfde datum ook tegen [naam bedrijf 1] ingeroepen. 3De vorderingen 3.1. De vorderingen van [eiser] strekken ertoe, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. [gedaagde 1 en 2] veroordeelt een schriftelijke en door hem ondertekende gerechtelijke verklaring af te leggen, met inachtneming van hetgeen [eiser] in deze dagvaarding heeft gesteld, van hetgeen elk van gedaagden aan [naam bedrijf 1] verschuldigd is en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding van [naam bedrijf 1] zal verkrijgen en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding aan [naam bedrijf 1] verschuldigd zal worden; II. [gedaagde 1 en 2] veroordeelt, nadat die verklaring door [gedaagde 1 en 2] zal zijn afgelegd en door de rechtbank zal zijn bepaald hetgeen [gedaagde 1 en 2] onder zich heeft en/of aan [naam bedrijf 1] verschuldigd is en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding van [naam bedrijf 1] zal verkrijgen en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding aan [naam bedrijf 1] verschuldigd zal worden, tot het ter tenuitvoerlegging af- en overdragen van zodanige gelden, voor zover deze niet overtreffen het totale bedrag dat [eiser] uit hoofde van het vonnis van 5 juni 2013 van de rechtbank Oost-Brabant, locatie’s-Hertogenbosch, van [naam bedrijf 1] te vorderen heeft; III. [gedaagde 1 en 2] veroordeelt in de kosten van deze procedure. 3.2. [gedaagde 1 en 2] voert verweer, waarbij hij heeft geconcludeerd tot afwijzing van het gevorderde met veroordeling van [eiser] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - in de kosten van de procedure. 3.3. Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4Het geschil en de beoordeling daarvan Beroep op nietigheid 4.1. De rechtbank merkt op dat aan het door [eiser] gedane (subsidiaire) beroep zowel op artikel 3:40 BW (nietige cessie en dividenduitkering/verrekening op grond van strijdigheid met de goede zeden of de openbare orde) als op artikel 2:216 BW (nietig besluit tot dividenduitkering) voorbij zal worden gegaan. De rechtbank stelt vast dat [eiser] tijdens het mondelinge pleidooi voor het eerst een beroep heeft gedaan op voornoemde wetsartikelen. Gelet op de omstandigheid dat partijen alle schriftelijke conclusies al hebben genomen zonder dat [eiser] zich daarbij heeft beroepen op voornoemde bepalingen hoefde [gedaagde 1 en 2] er niet meer op bedacht te zijn dat [eiser] deze stelling nog zou gaan innemen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat bedoeld beroep - wat daar verder ook van zij - bij de huidige stand van de procedure als tardief moet worden aangemerkt. Het (subsidiaire) beroep zal daarom verder buiten beschouwing worden gelaten. Betwisting van de verklaringen van [gedaagde 1 en 2] 4.2. Ingevolge artikel 477a lid 2 Rv is de executant bevoegd indien de derde-beslagene een verklaring heeft afgelegd, deze geheel of ten dele te betwisten dan wel aanvulling daarvan te eisen door de derde binnen twee maanden na zijn verklaring te dagvaarden tot het doen van gerechtelijke verklaring en tot betaling of afgifte van hetgeen volgens de vaststelling door de rechter aan de executant zal blijken toe te komen. Daarbij geldt dat de derden-beslagene zijn verklaring ingevolge artikel 476a lid 2 en 476b Rv zoveel mogelijk dient te staven met gegevens en bescheiden. Het doel hiervan is om de verhaalsmogelijkheden van de beslaglegger die beschikt over een executoriale titel zoveel als mogelijk in stand te laten en niet te doen frustreren door onwillige derden-beslagenen. 4.3. Vast staat dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op 19 februari 2015 respectievelijk 9 april 2015 hebben verklaard dat tussen hen en [naam bedrijf 1] geen enkele rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan, uit hoofde waarvan [naam bedrijf 1] op het tijdstip van het beslag nog iets van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] had te vorderen, te vorderen heeft of nog te vorderen kan krijgen. Voorts staat vast dat [eiser] bij dagvaarding van 17 april 2015 [gedaagde 1 en 2] heeft gedagvaard tot onder andere het doen van een gerechtelijke verklaring. De rechtbank stelt vast dat [eiser] derhalve binnen de in artikel 477a Rv genoemde termijn van twee maanden zijn vordering heeft ingesteld. 4.4. De rechtbank ziet zich gelet op de vorderingen voor de vraag gesteld of er op 29 januari 2015, het moment waarop [eiser] executoriaal derdenbeslag heeft laten leggen onder [gedaagde 1 en 2] (rechtsoverweging 2.11), een vordering van [naam bedrijf 1] op [gedaagde 1] dan wel [gedaagde 2] bestond uit hoofde waarvan [naam bedrijf 1] nog iets van [gedaagde 1 en 2] had te vorderen, heeft te vorderen of te vorderen kan krijgen. 4.5. [eiser] stelt dat zulks het geval is, daarbij verwijzend naar (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.