← Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2016:3139

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Locatie Groningen parketnummer 18/820332-14 beslissing van de meervoudige kamer voor behandeling van strafzaken d.d. 17 juni 2016 op een vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de zaak tegen [naam] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , hierna ook: veroordeelde, raadsman: mr. H.J. Veen. Deze beslissing is gegeven naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 juni

  1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft d.d. 1 maart 2016 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag zal vaststellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 34.978,- ter ontneming van het uit de zaak met parketnummer 18/820332-14 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft aangevoerd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden vastgesteld op € 2.500,-, nu veroordeelde en medeveroordeelde [naam] samen een bedrag van € 5.000,- hebben gekregen. Beoordeling De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op het volgende bewijsmiddel: De door veroordeelde op de terechtzitting van 3 juni 2016 afgelegde verklaring, inhoudende, zakelijk weergegeven: Mijn vader en ik hebben € 5.000,- gekregen voor 5 oogsten. De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 17 juni 2016 in de zaak met parketnummer 18/820332-14 veroordeeld ter zake het medeplegen van opzettelijk aanwezig hebben van hennep, meermalen gepleegd. De rechtbank ontleent aan de inhoud van bovenstaand bewijsmiddel het oordeel dat het aannemelijk is dat veroordeelde door middel van het begaan van de feiten een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten en dat dit voordeel moet worden geschat op € 2.500,- (waarbij de rechtbank ervan uitgaat dat het bedrag van € 5.000,- gelijkelijk is verdeeld tussen veroordeelde en medeveroordeelde [naam] ). De rechtbank zal dit bedrag ook vaststellen. De rechtbank komt op een ander bedrag dan de officier van justitie heeft gevorderd, omdat de rechtbank veroordeelde heeft veroordeeld voor het aanwezig hebben van hennep en de officier van justitie is uitgegaan van het medeplegen van telen van hennep. Toepassing van de wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Beslissing De rechtbank: - stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 2.500,-; - legt aan veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze beslissing is gegeven door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mrs. M. Haisma en N.A. Vlietstra, rechters, bijgestaan door mr. K.E. van Rhijn, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 juni
  2. Mr. Vlietstra is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.