RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Leeuwarden parketnummer 18/016382-15 vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 24 maart 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats] , [adres] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 maart
(6)Eindconclusie (6.1) Vermoedelijke toedracht: Het ongeval is vrijwel zeker te wijten geweest aan bestuurdersafhankelijke factoren aangaande de bestuurder van de Golf (de rechtbank begrijpt: verdachte). Hij reed op 21 januari 2015 met het door hem bestuurde voertuig op de [straat] te [pleegplaats] in oostelijke richting. Hij naderde een bocht naar rechts. Hij reed deze bocht door met een dusdanige snelheid dat hij na de bocht niet meer voldoende rechts reed en geheel op de voor hem linker weghelft terechtkwam. Uit tegengestelde richting naderde de fietser (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] ) over de rijbaan van de [straat] . Uit de aangetroffen sporen bleek ons dat hij, gezien in zijn rijrichting, op het moment van de botsing voldoende rechts reed. Er vond een frontale botsing plaats ten gevolge waarvan de fietser zwaar gewond raakte. Snelheid: Naar de snelheid van de bestuurder van de Golf werd een onderzoek ingesteld. Uit door mij, [verbalisant] , gehouden rijproeven met een soortgelijk voertuig en onder nagenoeg soortgelijke omstandigheden, bleek mij dat bij een tellersnelheid van ongeveer 40 km/u. het voertuig na de bocht ongeveer op het midden van de rijbaan uitkwam. Bij een tellersnelheid van ongeveer 50 km/u. kwam het voertuig helemaal op de linker weghelft uit, ongeveer daar waar de botsing plaatsvond. Zicht: Tijdens de gehouden rijproeven bleek dat het zicht op het traject direct na/achter de bocht gelegen door de heg, het hek (met paaltjes) en bomen in combinatie met de duisternis slecht was. Gezien het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de bestuurder van de Golf de bocht naar rechts met een te hoge snelheid, namelijk tussen de 40 en 55 km/u, is doorgereden, waardoor hij op de linker weghelft terechtkwam. Gezien zijn verklaring dat hij in, of aan het eind van de bocht de controle over het door hem bestuurde voertuig even kwijt was, kan op basis van de uitkomst van de door mij, [verbalisant] , gehouden rijproeven worden gesteld dat een snelheid van ongeveer 55 km/u. meer waarschijnlijk is geweest dan de snelheid van 40 km/u..
- Een brief d.d. 3 november 2015, opgesteld door [verzekeringsarts] , voor zover inhoudende: Een weergave - naar aanleiding van de bestudering door haar van het medisch dossier van [slachtoffer] - van het letsel dat [slachtoffer] door het verkeersongeval op 21 januari 2015 heeft opgelopen. Dit letsel bestond onder meer uit een gebroken kaak, gebroken oogkassen, een gebroken neus en gebitsletsel. Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende. Bij het vaststellen van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 komt het aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. In dat kader overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat verdachte als bestuurder van zijn auto met een te hoge snelheid een bocht in is gereden. Ter plaatse gold een maximum snelheid van 30 kilometer per uur terwijl de snelheid waarmee verdachte ten tijde van het ongeval reed, gelet op de uitkomsten van de rijproeven, ten minste 50 kilometer per uur moet hebben bedragen. De rechtbank baseert dit op het standpunt van [verbalisant] , dat hij bij een snelheid van 50 kilometer per uur op de zelfde plaats op de weg is uitgekomen als verdachte en dat in verband hiermee een snelheid van ongeveer 55 kilometer per uur meer waarschijnlijk is geweest dan de snelheid van 40 kilometer per uur. De rechtbank volgt derhalve de verdediging niet in het verweer ter zake van de snelheid die verdachte gereden moet hebben. De raadsman heeft zijn stelling omtrent het verlaagd zijn van de auto van verdachte overigens ook niet met stukken onderbouwd, in het bijzonder niet met een onderzoek van een deskundige op dit gebied. Dit betekent dat de toegestane snelheid in ieder geval met 20 kilometer per uur moet zijn overschreden, zijnde een overschrijding van 66%. Dit klemt temeer nu de bocht, waarin verdachte de macht over het stuur is kwijtgeraakt, onoverzichtelijk was, mede in aanmerking genomen dat het donker was. Verdachte die ter terechtzitting heeft verklaard ter plaatse bekend te zijn en te weten dat het een gevaarlijke bocht betreft, had zijn snelheid ter plaatse daarom moeten aanpassen. De rechtbank heeft uit de stukken niet kunnen afleiden dat de omstandigheden dat het wegdek ter plaatse uit klinkers bestond en de buitentemperatuur was gelegen rond het vriespunt, mede van invloed zijn geweest op het ontstaan van het ongeval, zodat verdachte van deze onderdelen van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken. De rechtbank beoordeelt het handelen van verdachte met de raadsman en anders dan de officier van justitie als aanmerkelijk onvoorzichtig. Deze handelwijze heeft geleid tot een ongeval waarbij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Bewezenverklaring De rechtbank acht het primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat: hij op 21 januari 2015 te [pleegplaats] , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, een personenauto, merk VW, daarmede rijdende over de [straat] zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig met het door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig, een flauwe bocht in genoemde weg te nemen met een snelheid die hoger lag dan gelet op de omstandigheden ter plaatse verantwoord was, ten gevolge waarvan verdachte met het door hem bestuurde motorrijtuig is geslipt en op het weggedeelte voor het tegemoetkomende verkeer is gaan rijden, waardoor een aanrijding/botsing is ontstaan met [slachtoffer] , die zich toen aldaar (in tegengestelde richting) op een fiets verplaatste, ten gevolge waarvan genoemde [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak en gebroken oogkassen en gebroken neus en gebitsletsel, werd toegebracht. De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht. Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten. Strafbaarheid van verdachte De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. Strafmotivering Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot - een taakstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis; - een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 12 maanden. Standpunt van de verdediging De raadsman acht het verwijt dat aan verdachte kan worden gemaakt minder ernstig dan de officier van justitie en heeft op grond daarvan de oplegging van een lagere straf dan door de officier van justitie gevorderd bepleit, te weten een taakstraf van maximaal 80 uren, waarvan de helft voorwaardelijk, en een geheel voorwaardelijke rijontzegging. De raadsman heeft daarbij gewezen op de omstandigheid dat verdachte in [plaats] werkt en zijn rijbewijs voor woon- en werkverkeer nodig heeft. Oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft door de wijze waarop hij aan het verkeer heeft deelgenomen onvoldoende verantwoordelijkheidsbesef getoond ten opzichte van andere weggebruikers, door met de door hem bestuurde personenauto met een - gelet op de omstandigheden - veel te hoge snelheid een bocht naar rechts in te rijden, daardoor op de verkeerde weghelft terecht te komen en in volle vaart een fietser aan te rijden. Het slachtoffer heeft door het aanmerkelijk onvoorzichtig handelen van verdachte zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waaronder ernstig hersenletsel. Het slachtoffer zal op neurologisch en neuropsychologisch gebied waarschijnlijk niet meer volledig herstellen. Verder is er bij hem sprake van een forse achteruitgang in cognitief functioneren, is hij blijvend doof aan het rechteroor en is er bij hem sprake van stemmings- en verwerkingsproblematiek. Uit de ter terechtzitting (door de echtgenote) voorgedragen slachtofferverklaring blijkt welke forse gevolgen het verkeersongeval voor het slachtoffer en zijn gezin hebben gehad en welke impact het nog altijd heeft, vooral ook omdat medisch nog geen eindsituatie is ontstaan. De rechtbank acht gelet hierop, alsmede op de oriëntatiepunten die de rechtspraak hanteert bij de bestraffing van feiten als deze, de oplegging van een taakstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid van na te noemen duur en beide in onvoorwaardelijke zin, passend en geboden. De rechtbank komt daarbij tot een lagere straf dan de officier van justitie, die zijn eis heeft gebaseerd op een grotere mate van schuld dan de rechtbank bewezen acht. Een strafafdoening als bepleit door de raadsman van verdachte doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de ernst van de feiten. Het verweer dat verdachte, kort gezegd, het rijbewijs niet kan missen in verband met zijn werk wordt door de rechtbank verworpen, nu dit verweer ook niet nader is onderbouwd. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht, en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde. DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT: Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Veroordeelt verdachte tot: Een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 90 uren onbetaalde arbeid. Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 45 dagen zal worden toegepast. Een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen -bromfietsen daaronder begrepen- voor de tijd van 6 maanden. Bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde vóór het tijdstip waarop de uitspraak voor wat betreft de bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van die bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht. Dit vonnis is gewezen door mr. L.G. Wijma, voorzitter, mr. A.H.M. Dölle en mr. K. Bunk, rechters, bijgestaan door W. Brandsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 maart
- De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Rapport, opgemaakt naar aanleiding van het onderzoek van dhr. [slachtoffer] op 27-10-2015/30-10-2015, door drs. M.E. Scheenen, neuropsycholoog, en prof. J.M..Spikman, klinisch neuropsycholoog.