RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Privaatrecht Locatie Groningen zaak-/rolnummer: 4757832 \ CV EXPL 16-504 vonnis d.d. 15 november 2016 inzake 1. [eiser, sub 1], wonende te [woonplaats] , 2. [eiser, sub 2] wonende te [woonplaats] , eisers in conventie, verweerders in reconventie, gemachtigde: mr. A.A. Westers, tegen 1. [gedaagde, sub 1] , wonende te [woonplaats] , 2. [gedaagde, sub 2], wonende te [woonplaats] , 3. [gedaagde, sub 3], wonende te [woonplaats] , 4. [gedaagde, sub 4], wonende te [woonplaats] , 5. [gedaagde, sub 5], wonende te [woonplaats] , gedaagden in conventie, eisers in reconventie, gemachtigde: D.J. Ruessink, Partijen zullen hierna gezamenlijk respectievelijk verhuurder en huurders worden genoemd. 1De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord in conventie tevens voorwaardelijke eis in reconventie - de conclusie van repliek in conventie tevens antwoord in voorwaardelijke reconventie - de conclusie van dupliek in conventie tevens repliek in voorwaardelijke reconventie - de conclusie van dupliek in voorwaardelijke reconventie 1.2 Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1 In deze procedure wordt van de volgende vaststaande feiten uitgegaan. 2.2. Verhuurder is sedert 16 april 2014 eigenaar van het appartementencomplex aan de [adres] . Nadat verhuurder eigenaar was geworden, is het appartementencomplex door hem gerenoveerd. 2.3. Huurders huren sedert 1 januari 2015 een zelfstandig appartement van verhuurder in voormeld appartementencomplex. 2.4. Op 30 juni 2015 hebben huurders conform artikel 7: 249 BW de Huurcommissie verzocht uitspraak te doen over de aanvangshuurprijs. 2.5. Verhuurder is bij brief van 2 juli 2015 door de gemachtigde van huurders omtrent dit verzoek geïnformeerd met het verzoek contact op te nemen voor het geval hij open zou staan voor een onderhandse afhandeling van de procedure. 2.6. Blijkens het rapport van het voorbereidend onderzoek d.d. 18 augustus 2015 heeft de rapporteur van de Huurcommissie - [naam] - bij de bepaling van de maximale huurprijsgrens een toeslag van 15% toegekend met de volgende toelichting: De woonruimte is gelegen in een woongebouw dat ligt in een gebied met een status van beschermd stadsgezicht. De verhuurder heeft het woongebouw in 2014 in zijn geheel verbouwd en gerenoveerd. Hierbij zijn onder andere de karakteristieke elementen, zoals glas en lood ruiten in de vensters, behouden. De rapporteur heeft op basis van deze situatie en het beleid van de huurcommissie gemeend 15% toeslag toe te kennen boven op de "reguliere" huurprijs. 2.7. De Huurcommissie heeft in haar uitspraak van 6 november 2015 de toeslag van 15% afgewezen en de aanvangshuurprijs lager vastgesteld dan de overeengekomen huurprijs. De huurcommissie heeft daartoe het volgende overwogen: Verhuurder stelt onder meer dat sprake is van toepassing van kwalitatief hoogwaardige en dure materialen die een passende uitstraling hebben in het beschermde stadsgezicht en huurder bestrijdt dat het aangevoerde iets zegt over de eis dat in de monumentale waarde dient te zijn geïnvesteerd. Ook de commissie is van oordeel dat niet wordt voldaan aan de eis dat de investeringen zijn gedaan ten behoeve van de instandhouding van de monumentale waarde van het pand dan wel investeringen zijn gedaan die de normale te verwachten kosten te boven gaan. Dure materialen, hoogwaardig, duurzaam en met een passende uitstraling, alsmede extra fundering zeggen veel over de uitstekende wijze waarop het pand is gerenoveerd, maar niets over de meergenoemde wettelijke eis. Bovendien blijkt dat laatste zeker niet uit de facturen zelf. Zij acht een bijtelling van 15% daarom niet op zijn plaats. 3De vordering in conventie 3.1. Verhuurder vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: 1. voor recht zal verklaren dat de maximale huurprijsgrens inzake de verhuur van de zelfstandige woonruimte aan de [adres] op grond van artikel 8a Besluit Huurprijzen Woonruimte met 15% mag worden vermeerderd; 2. voor recht zal verklaren dat de huurprijs bij aanvang huur de op grond van de huurovereenkomst overeengekomen huurprijs bedraagt, althans rekening houdend met de maximale huurprijs, deze te vermeerderen met 15% op grond van artikel 8a BHW; met veroordeling van huurders in de kosten van de procedure. 3.2. Huurders verweren zich met conclusie dat verhuurder niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, althans diens vorderingen moeten worden afgewezen. Daarnaast vorderen huurders primair dat de kantonrechter: a. voor recht zal verklaren dat inzake de verhuur van de zelfstandige woonruimte aan de [adres] de maximale huurprijsgrens niet op grond van artikel 8 a Bhw mag worden verhoogd; b. voor recht zal verklaren dat de kale huurprijzen van de woonruimten met ingang van de huurovereenkomsten, conform de uitspraken van de Huurcommissie, bedragen als volgt: i. voor [gedaagde, sub 5] € 522,98 ii. voor [gedaagde, sub 2] € 517,66 iii. voor [gedaagde, sub 3] € 480,65 iv. voor [gedaagde, sub 1] € 470,08 v. voor [gedaagde, sub 4] € 549,41 en subsidiair, voor zover de maximale huurprijsgrenzen met 15% worden verhoogd: c. voor recht zal verklaren dat de kale huurprijzen van de woonruimte met ingang van de huurovereenkomsten, conform de uitspraken van de huurcommissie en vermeerderd met 15%, bedragen als volgt: i. voor [gedaagde, sub 5] € 601,43 ii. voor [gedaagde, sub 2] € 595,31 iii. voor [gedaagde, sub 3] € 552,75 iv. voor [gedaagde, sub 1] € 540,59 v. voor [gedaagde, sub 4] € 631,82 met veroordeling van verhuurder in de kosten van de procedure. in voorwaardelijke reconventie 3.3. Huurders vorderen voorwaardelijk, voor zover de kantonrechter niet voor recht zal verklaren dat de kale huurprijzen bij aanvang van de huurovereenkomsten de toen overeengekomen prijzen bedragen, in reconventie dat de kantonrechter, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: Primair: 1. verhuurder zal veroordelen tot terugbetaling van de door huurders tot heden (17 februari 2016) teveel betaalde kale huur, vermeerderd met de wettelijke rente, begroot op: i. voor [gedaagde, sub 5] € 1.358,28 ii. voor [gedaagde, sub 2] € 1.852,76 iii. voor [gedaagde, sub 3] € 1.299,15 iv. voor [gedaagde, sub 1] € 2.168,88 v. voor [gedaagde, sub 4] € 1.265,31 Subsidiair, in geval de kantonrechter de kale huurprijzen met 15% verhoogt: 2. verhuurder zal veroordelen tot terugbetaling van de door huurders tot heden (17 februari 2016) teveel betaalde kale huur, vermeerderd met de wettelijke rente, begroot op: i. voor [gedaagde, sub 5] € 260,02 ii. voor [gedaagde, sub 2] € 765,67 iii. voor [gedaagde, sub 3] € 650,27 iv. voor [gedaagde, sub 1] € 1.181,71 v. voor [gedaagde, sub 4] € 523,61 met veroordeling van verhuurder in de kosten van de procedure. 3.4. Verhuurder verweert zich tegen deze vorderingen. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling In conventie en in voorwaardelijke reconventie 4.1. Gelet op de verwevenheid van de vorderingen in conventie en in voorwaardelijke reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld. 4.2. Nu niet anders is gebleken, gaat de kantonrechter ervan uit dat verhuurder tijdig is opgekomen tegen de beslissingen van de Huurcommissie, verzonden op 19 juni 2015. 4.3. Verhuurder komt op grond van het bepaalde in artikel 7:262 BW op tegen de beslissingen van de Huurcommissie d.d. 6 november 2015 met de respectievelijke zaaknummers ZKN-2015-003993, ZKN-2015-0040234, ZKN-2015-014022, ZKN-2015-004021, ZKN-2015-004022 en ZKN-2015-004029 (hierna gezamenlijk te noemen: de uitspraak). 4.4. Partijen zijn gebonden aan de uitspraak van de Huurcommissie alsof zij hetgeen de Huurcommissie heeft bepaald zelf zijn overeengekomen. De binding aan de uitspraak van de Huurcommissie gaat direct in en niet pas na ommekomst van de termijn van acht weken, zodat partijen gelijk uitvoering moeten geven aan de gevolgen van de uitspraak. De binding aan de uitspraak vervalt wanneer een van partijen binnen acht weken na verzending van de uitspraak een vordering bij de kantonrechter heeft ingesteld over het onderwerp waarover de Huurcommissie uitspraak heeft gedaan. 4.5. Nu verhuurder is opgekomen tegen de uitspraak van de Huurcommissie met voormelde zaaknummers is de fictieve wilsovereenstemming komen te vervallen en dient de kantonrechter het geschil in volle omvang te beoordelen. Ondanks bedoelde zelfstandige taak zal bij de beoordeling van het geschil in beginsel als uitgangspunt worden genomen het (rapport van) voorbereidend onderzoek dat tijdens de procedure bij de Huurcommissie heeft plaatsgevonden. 4.6. Voor zover verhuurder stelt dat de huurders hem rauwelijks in de procedure bij de Huurcommissie hebben betrokken en in die zin niet-ontvankelijk hadden behoren te worden verklaard, passeert de kantonrechter dit verweer. Het bij artikel 7:246 BW verlangde vooroverleg is -weliswaar gelijktijdig met de indiening van het verzoek aan de Huurcommissie- bij brief van 2 juli 2015 immers wel aan verhuurder aangeboden, zodat de procedure bij de Huurcommissie had kunnen worden beëindigd wanneer partijen daartoe alsnog overeenstemming zouden hebben bereikt. Nu partijen nog steeds van inzicht verschillen met betrekking tot de aanvangshuurprijs, is de procedure bij de Huurcommissie niet tevergeefs gevoerd en zal thans het geschil in volle omvang worden beoordeeld. 4.7. In geschil is of de aanvangshuurprijs redelijk is. De kantonrechter stelt vast dat verhuurder niet is opgekomen tegen de door de huurcommissie vastgestelde puntenwaardering, zodat daarvan thans in rechte wordt uitgegaan. 4.8. Het geschilpunt in deze zaak betreft de vraag of verhuurder aanspraak kan maken op een toeslag van 15% op de huurprijs, gebaseerd op artikel 8a Besluit Huurprijzen Woonruimte (Bhw). Dit artikel luidde op 1 januari 2015 als volgt: De huurprijs van een woonruimte wordt vermeerderd met 15% van de maximale huurprijsgrens, behorende bij de kwaliteit van die woonruimte, indien: a. deze behoort tot een beschermd stads- en dorpsgezicht als bedoeld in artikel 1, onder g, van de Monumentenwet 1988 , b. deze niet bestaat uit of deel uitmaakt van een beschermd monument als bedoeld in artikel 1, onder d, van die wet, c. deze is gebouwd voor 1945 en d. door de verhuurder noodzakelijkerwijs gelden zijn besteed voor de instandhouding van de monumentale waarde van die woonruimte. 4.9. Tussen partijen is in confesso dat het pand van verhuurder ligt in een gebied met de status van beschermd stadsgebied als bedoeld in artikel 1, onder g, van de Monumentenwet 1988 en in die zin valt onder de reikwijdte van voormelde bepaling. Partijen twisten over de vraag of voldaan is aan de norm (sub
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.