RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: LEE 15/4909 en LEE 16/1036 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 29 november 2016 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser, en de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Arnhem, verweerder, (gemachtigde: [naam] ). Procesverloop De inspecteur heeft aan [de voormalig echtgenote van eiser] voor het jaar 2002 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV), berekend naar een belastbaar inkomen uit uitsluitend werk en woning van € 34.
(2)het feit dat er geen sprake is geweest van (een al dan niet terechte) toerekening op grond van de partnerregeling (zie 11.4), zou bij een eigendom van 38 % ook (maximaal) 38 % van de hypotheekrente voor aftrek in aanmerking komen in de aanslag van [de voormalig echtgenote van eiser] . Nu er daadwerkelijk rekening is gehouden met 50 %, zou dat dus betekenen dat er ten onrechte 12 %-punt te veel in aanmerking is genomen. 13.4 Eisers standpunt komt er in wezen op neer, dat die 12 %-punt belastbare (negatieve) inkomsten uit eigen woning betreffen die aan hem toebehoren, zodat daarmee de toepasselijkheid van artikel 26a, tweede lid, van de AWR gegeven is. 13.5 Naar het oordeel van de rechtbank zou een letterlijke interpretatie van de wettekst (zoals eiser voorstaat) inderdaad tot deze conclusie leiden. Er is immers sprake van een inkomensbestanddeel van eiser (een deel van de hypotheekrenteaftrek) dat is begrepen in het voorwerp van de belasting (belastbaar inkomen uit werk en woning) waarop de aanslag van [de voormalig echtgenote van eiser] betrekking heeft. 13.6 De rechtbank acht die letterlijke interpretatie echter niet de juiste. Naar het oordeel van de rechtbank moet de tekst van de wet worden bezien in het licht van het doel en de strekking van de bepaling van artikel 26a, tweede lid, van de AWR. Daarbij komt in dit verband bijzondere betekenis toe aan de woorden 'van wie'. 13.7 Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid, dat de wetgever het oog heeft gehad op situaties waarin iemands inkomen of vermogen door toerekening terecht komt in de aanslag van een ander (zie 6.2 en 6.3). Degene om wiens inkomen of vermogen het gaat, zou dan niet in rechte kunnen opkomen tegen de wijze waarop zijn inkomen of vermogen wordt belast (zij het dat die belasting plaatsvindt bij de ander). Van cruciaal belang hierbij is dat de wetgever daarbij steeds als uitgangspunt heeft genomen, dat er voor de toerekening die veroorzaakt dat het inkomen of vermogen bij de ander wordt belast, een wettelijke basis bestaat (vgl. Hof Den Bosch 7 januari 2016, ECLI:NL:GHSHE: 2016:10). Dit blijkt ook duidelijk uit de gegeven voorbeelden in de wetsgeschiedenis: het betreft daar steeds toerekening tussen partners onderling of van minderjarige kinderen aan hun ouders; situaties waarin de wet voorzag (en overigens nog steeds voorziet, zie artikel 2.15 en 2.17 van de Wet IB 2001) in toerekening. 13.8 De rechtbank is van oordeel dat eisers situatie nu juist op dit cruciale punt afwijkt van de situatie die de wetgever voor ogen heeft gehad. In dit geval is er immers geen sprake van enige wettelijk geregelde toerekening. Eiser en [de voormalig echtgenote van eiser] waren niet elkaars fiscale partner en de aanslag van [de voormalig echtgenote van eiser] is ook niet op die basis opgelegd (zie 11.4). Dat betekent dat [de voormalig echtgenote van eiser] alleen aangifte heeft kunnen doen van haar eigen inkomens- en vermogensbestanddelen, voor zover hier van belang dus alleen van het bij haar eigendom behorend aandeel van de inkomsten uit eigen woning. Vanwege het ontbreken van fiscaal partnerschap kon het aandeel van eiser eenvoudigweg niet in de aanslag van [de voormalig echtgenote van eiser] zijn begrepen (vgl. Hoge Raad 10 april 2015, ECLI:NL:HR: 2015:848). De door eiser voorgestane economische eigendomsverhouding volgend, zou er dan sprake zijn van de situatie dat het eigen inkomensbestanddeel van [de voormalig echtgenote van eiser] in de aanslag is overschat. Dit zou vervolgens hebben geleid tot een ten onrechte door [de voormalig echtgenote van eiser] genoten bedrag aan hypotheekrenteaftrek. De eventuele consequenties daarvan zijn dan echter ook alleen voor [de voormalig echtgenote van eiser] . Eiser staat daar buiten: de betreffende belasting hangt immers niet samen met eisers inkomensbestanddeel, maar met het inkomensbestanddeel van [de voormalig echtgenote van eiser] . Het zijn en blijven haar aanslag en haar belastingschuld (of -teruggave). Bovendien zal die belastingschuld niet kunnen leiden tot enig verhaal op of aansprakelijkheid voor eiser (vgl. Hoge Raad 14 juli 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6508, Hof Arnhem-Leeuwarden 2 augustus 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:6270 en Hof Den Bosch 15 april 2016, ECLI:NL: GHSHE:2016: 1479). Dat er wellicht (bijvoorbeeld uit hoofde van de afwikkeling of nasleep van de echtscheiding) een afgeleid belang voor eiser denkbaar is of was, doet daaraan niet af (zie Hoge Raad 28 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS4111). 13.9 Een andersluidende opvatting zou bovendien tot gevolg hebben, dat wanneer een belastingplichtige geheel ten onrechte enig inkomens- of vermogensbestanddeel van een ander in zijn eigen aangifte verantwoordt, die ander, door dat enkele feit, dan tegen de aanslag van die belastingplichtige in rechte zou kunnen opkomen, terwijl daar geen enkele aanleiding voor zou zijn. Een dergelijk gevolg kan de wetgever naar het oordeel van de rechtbank niet hebben beoogd. 13.10 Uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, volgt dat het in deze situatie niet zo is, dat eiser door de - in zijn ogen - onjuiste (te hoge) verantwoording in de aanslag van [de voormalig echtgenote van eiser] , op enigerlei wijze zou zijn geraakt in zijn eigen fiscale belang ten aanzien van de eerdergenoemde 12 %-punt. Die onjuiste verantwoording laat immers onverlet dat eiser aangifte had kunnen doen op basis van de volgens hem juiste economische eigendomsverhouding en daarbij dus 62 % van het totaal als hypotheekrente had kunnen aangeven. Zo nodig had hij vervolgens bezwaar en beroep in kunnen stellen tegen de aan hemzelf opgelegde aanslag (wat hij overigens ook heeft gedaan, zij het zonder het gewenste resultaat (zie 1.13). Eiser bevond zich dus niet in de situatie dat zijn eigen inkomensbestanddeel op grond van enige wettelijke regeling terecht was gekomen in de aanslag van [de voormalig echtgenote van eiser] , waardoor hij alleen door tegen die aanslag op te komen de daarover te heffen belasting ter discussie zou kunnen stellen. In de woorden van de wetgever zou hij zonder een dergelijke voorziening dus niet verstoken blijven van de mogelijkheid van bezwaar en beroep. Het probleem dat de regeling van artikel 26a, tweede lid, van de AWR beoogt te voorkomen, doet zich dan ook niet voor. 13.11 Naar het oordeel van de rechtbank is eiser in dit geval dus niet aan te merken als 'degene van wie' een inkomensbestanddeel is begrepen in het voorwerp van de belasting waarop de belastingaanslag van [de voormalig echtgenote van eiser] betrekking heeft. Er is geen inkomensbestanddeel van eiser in die aanslag begrepen; hoogstens is het inkomensbestanddeel van [de voormalig echtgenote van eiser] zelf daarin tot een te hoog bedrag in aanmerking genomen. 13.12 De uitleg die de rechtbank aldus aan de formulering van artikel 26a, tweede lid, van de AWR geeft, past naar het oordeel van de rechtbank bij het doel en de strekking zoals die uit de wetsgeschiedenis naar voren komt. Ook is deze uitleg in lijn met de beperking van het belanghebbendebegrip zoals dat, in afwijking van de Awb, in fiscale zaken heeft te gelden. Artikel 26a, tweede lid, van de AWR is daarop een uitzondering en gelet op de wettelijke systematiek ligt een meer restrictieve uitleg dan eerder voor de hand dan een meer ruime uitleg. - de conclusie 14.1 Al het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat eiser geen beroep kan instellen op grond van artikel 26a, tweede lid, van de AWR tegen (de uitspraak op bezwaar ter zake van) de aanslag IB/PVV 2002, die de inspecteur heeft opgelegd aan [de voormalig echtgenote van eiser] . Eiser is geen derde-belanghebbende in de zin van die bepaling. De rechtbank zal eiser daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn beroep. 14.2 Nu de rechtbank eiser niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn beroep, dienen de overige stellingen van partijen onbesproken te blijven. Dit betekent dat de rechtbank onder meer de door eiser opgeworpen vraag of verweerder heeft voldaan aan zijn verplichting om op grond van artikel 8:42 van de Awb de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter te zenden (waaronder de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan het opleggen van de aanslag IB/PVV 2002 aan [de voormalig echtgenote van eiser] ), verder onbeantwoord zal laten. Hoewel deze stukken mogelijkerwijs een nader licht zouden kunnen werpen op de vraag of en in hoeverre bij het opleggen van de aanslag uit is gegaan van de juisteeigendomsverhouding van de woning, kan dat gelet op het voorgaande immers niet leiden tot een ander oordeel over de hier aan de orde zijnde ontvankelijkheidsvraag. Hetzelfde geldt voor de vraag of de uitspraak op bezwaar waartegen eiser in beroep is opgekomen, genomen is door de bevoegde inspecteur. Ook de vraag of eiser tijdig bezwaar heeft gemaakt, zal derechtbank onbesproken laten.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Nu de rechtbank het beroep niet gegrond verklaart, kan de rechtbank geen veroordeling tot schadevergoeding uitspreken. Het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit (LEE 15/4909)
- De rechtbank stelt vast dat op het moment dat eiser verweerder in gebreke heeft gesteld (21 augustus 2015), de beslissingstermijn uit artikel 7:10, eerste lid, van de Awb voorbij was én dat vervolgens twee weken zijn verstreken zonder dat een beslissing is gevolgd. Dat betekent in beginsel dat de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd werd, 5 september 2015 was. Vervolgens zijn meer dan 42 dagen verstreken zonder dat verweerder een beslissing heeft genomen (zie procesverloop). In beginsel is verweerder dan ook de maximale dwangsom aan eiser verschuldigd. Op grond van artikel 4:17, zesde lid, van de Awb is dit slechts anders indien: a. het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld; b. de aanvrager geen belanghebbende is; of c. de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is. 18.1 In de gegeven situatie heeft verweerder primair gesteld dat eiser kennelijk niet ontvankelijk is in zijn bezwaar en subsidiair dat eiser, onder verwijzing naar de zaak met nummer LEE 16/1036, geen belanghebbende is. De rechtbank begrijpt dat verweerder daarmee van mening is dat in dit geval het belanghebbendebegrip dat wordt gebruikt in artikel 4:17, zesde lid, van de Awb, inhoudelijk gelijk is aan het (mede-)belanghebbendebegrip uit artikel 26a van de AWR. 18.2 Volgens eiser is verweerder wel een dwangsom verschuldigd.
- De rechtbank is allereerst van oordeel dat het bezwaar van eiser niet kennelijk niet-ontvankelijk is. Niet alleen heeft verweerder dit niet als zodanig vermeld in de uitspraak op bezwaar, maar gelet op het debat dat partijen over deze in juridische zin complexe aangelegenheid hebben gevoerd, is die conclusie ook overigens niet gerechtvaardigd. Dit moge ook blijken uit de uitgebreide behandeling van de zaak ter zitting en de overwegingen dienaangaande in de zaak LEE 16/1036, zoals de rechtbank die hiervoor heeft gegeven. Daarnaast speelde ook nog de vraag naar de toepassing van artikel 6:11 van de Awb.
- Met betrekking tot de vraag of eiser belanghebbende is, als bedoeld in artikel 4:17, zesde lid, van de Awb overweegt de rechtbank als volgt.
- Naar de letter van artikel 4:17, zesde lid, onder b, van de Awb is de dwangsom-regeling open toepasbaar. In de gewijzigde Memorie van Toelichting heeft de wetgever uitdrukkelijk overwogen dat geen dwangsom verschuldigd is indien de aanvrager geen belanghebbende is in de zin van de Awb (Kamerstukken II 2004-2005, 29 934, nr. 3, p. 8). Tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit, kunnen echter slechts rechtsmiddelen worden ingesteld door de in artikel 26a, eerste en tweede lid, van de AWR genoemde (mede-)belanghebbenden. De rechtbank ziet zich dan ook gesteld voor de vraag of voor de toepassing van de dwangsomregeling in deze zaak aansluiting moet worden gezocht bij het (mede-)belanghebbendebegrip uit artikel 26a van de AWR, dan wel bij het belanghebbendebegrip uit artikel 1:2 van de Awb. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt. 22.1 Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2002, die is opgelegd aan [de voormalig echtgenote van eiser] . Uiteindelijk heeft verweerder: - beslist dat eiser geen mede-belanghebbende is in de zin van artikel 26a, tweede lid, van de AWR; en - betoogd dat, nu eiser geen mede-belanghebbende is in voormelde zin, eiser evenmin als belanghebbende in de zin van artikel 4:17, zesde lid, onder b, van de Awb kan worden aangemerkt, zodat verweerder aan hem geen dwangsom verschuldigd is. Gevolg van deze zienswijze zou zijn dat verweerder voormelde beslissing kon nemen op het door hem gewenste moment, zonder dat eiser op enige manier (een spoedige) besluitvorming had kunnen afdwingen. Die zienswijze geeft naar het oordeel van de rechtbank geen pas en is niet in lijn met doel en strekking van de wettelijke regeling van de dwangsom op dit punt. 22.
- Dat geldt te meer nu de dwangsomregeling is bedoeld als een financiële prikkel voor bestuursorganen om te besluiten binnen de geldende beslistermijnen, terwijl artikel 4:17, zesde lid, van de Awb als doel heeft om misbruik van de dwangsommogelijkheid tegen te gaan. De wetgever stond slechts voor ogen te voorkomen dat het lucratief zou worden om zoveel mogelijk beschikkingen aan te vragen en bezwaren in te dienen in de hoop dat er zo hier en daar een bestuursorgaan niet tijdig zou kunnen beslissen (Kamerstukken II 2004-2005, 29 934, nr. 6, p. 13). Die situatie doet zich in dit geval geenszins voor. 22.3 Daarbij heeft de wetgever evenmin voor ogen gestaan dat bestuursorganen de onder
- genoemde uitzonderingen als uitweg zouden gebruiken om te ontkomen aan de verplichting om tijdig te beslissen. De memorie van toelichting vermeldt in dat verband dat de wetgever erop vertrouwt dat bestuursorganen zullen handelen in de geest van de wet (Kamerstukken II 2004/05, 29934, nr. 6, p. 3). 22.4 Tot slot heeft de rechtbank in haar overwegingen betrokken dat een lex specialis van artikel 4:17, zesde lid, onder b, van de Awb ontbreekt voor fiscale aangelegenheden.
- Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat waar het gaat om (het afdwingen van) ingevolge de belastingwet genomen kwalificerende besluiten, voor de toepassing van artikel 4:17, zesde lid, onder b, van de Awb aansluiting moet worden gezocht bij het belanghebbendebegrip als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb. Gelet hierop moet eiser als belanghebbende worden aangemerkt indien zijn belang rechtstreeks is betrokken bij het besluit. Dat is naar het oordeel van de rechtbank het geval nu het immers eiser is die een beslissing wil over de vraag of hij medebelanghebbende is in de zin van artikel 26a, tweede lid, van de AWR.
- Dat een bezwaarschrift is ingediend door iemand die geen belanghebbende is in de zin van artikel 26a AWR, (of beter gezegd: blijkt te zijn) neemt naar het oordeel van de rechtbank dus niet weg dat (tijdig) op het bezwaar moet worden beslist (vgl. Hoge Raad 31 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:170).
- Al het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat zich in de gegeven situatie geen van de in artikel 4:17, zesde lid, van de Awb genoemde uitzonderingen voordoet. Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:55c van de Awb stelt de rechtbank dan ook vast dat verweerder een dwangsom aan eiser is verschuldigd over de maximale periode van 42 dagen (zie 18.) tot een bedrag van in totaal € 1.
- Omdat de rechtbank gelet op het voorgaande voorts het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van eiser gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
- Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep met nummer LEE 15/4909, gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van eiser, gegrond; - stelt vast dat verweerder als gevolg van het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiser een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb heeft verbeurd van in totaal € 1.260; - bepaalt dat verweerder aan eiser het in deze zaak betaalde griffierecht van € 45 vergoedt; - verklaart eiser niet-ontvankelijk in zijn beroep met nummer LEE 16/1036, gericht tegen de uitspraak op bezwaar inzake de aanslag IB/PVV 2002, opgelegd aan [de voormalig echtgenote van eiser] . Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Heidekamp, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Zomer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 november
- (w.g.) griffier (w.g.) rechter Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.