beslissing RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Meervoudige wrakingskamer Zittingsplaats Groningen zaaknummer / rekestnummer: C/18/170180 / PR RK 16-363 Beslissing van 26 september 2016 op het verzoek van [A] , wonende te Tijnje, verzoeker advocaat mr. N.H.M. Poort. 1De procedure 1.
- Bij brief d.d. 19 september heeft verzoeker het verzoek tot wraking ingediend van mr. P.J. Duinkerken, die de procedure van [A] tegen [B] met zaaknummer C/18/124045/ HA ZA 11-64 behandelt als rechter.Mr. Duinkerken heeft aangegeven niet te berusten in het wrakingsverzoek en heeft zijn standpunt bij schrijven van 20 september 2016 schriftelijk toegelicht. 1.
- Hierop is een wrakingskamer geformeerd, bestaande uit mr. C.H. de Groot, mr. Th.A. Wiersma en mr. S. Dijkstra. 2
- Beoordeling 2.
- Ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.Ingevolge artikel 37, eerste lid, Rv wordt het verzoek gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Dit laatstbedoelde artikellid borgt daarmee dat het ernstige gebrek dat aan de behandeling van een zaak kleeft wanneer de onpartijdigheid van een rechter in twijfel wordt getrokken, direct kenbaar wordt gemaakt. 2.
- In de wetsgeschiedenis van artikel 37, eerste lid, Rv (MvT, Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 66) staat dienaangaande dat een wrakingsverzoek kan worden ingediend in elke stand van het geding, dus ook nog na afloop van de behandeling. Het is namelijk zeer wel mogelijk dat dan pas feiten of omstandigheden blijken waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uit de toelichting volgt dat de mogelijkheid om na afloop van de behandeling een wrakingsverzoek in te dienen in beginsel niet geboden hoeft te worden indien terstond tijdens de zitting zich dergelijke feiten of omstandigheden voordoen. 2.
- Uit het verzoekschrift en de reactie daarop van mr. Duinkerken is gebleken dat de grond voor het wrakingsverzoek is gebaseerd op het in de hoofdprocedure gewezen tussenvonnis van 27 juli
- Het wrakingsverzoek is op 20 september 2016 ingediend. Daarmee is het verzoek niet gedaan zodra die feiten en omstandigheden bekend zijn geworden. Dat klemt te meer daar verzoeker in zijn verzoek geen reden heeft aangegeven op grond waarvan het wrakingsverzoek eerst op 20 september 2016 is gedaan.Bijzondere feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel nopen, zijn gesteld noch gebleken. 2.
- Een en ander in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt tot de slotsom dat verzoeker als kennelijk niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking zal worden verklaard. Daarmee behoeft het (overige) verweer van de zijde van mr. Duinkerken geen bespreking. 2.
- Voor een mondelinge behandeling als bedoeld in artikel 39 lid 1 Rv bestaat geen aanleiding. Het in deze bepaling als vanzelfsprekend opgenomen recht op hoor en wederhoor is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek. Aan dat onderzoek komt de rechtbank niet toe omdat het verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard. 2.
- Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt. 3
- De beslissing De rechtbank -verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking. Deze beslissing is gegeven door mr. C.H. de Groot, mr. Th.A. Wiersma en mr. S. Dijkstra en in het openbaar uitgesproken op 26 september
- js