RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Groningen parketnummer 18/840059-16 vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 21 april 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte], geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], [straatnaam]. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de besloten terechtzitting van 7 april 2017. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.S. de Groene, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A. van den Oever. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 07 november 2016 te Veendam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] heeft opgezocht en/of (vervolgens) met kracht en/of plotseling/onverhoeds een arm om (hoofd van) die [slachtoffer] heeft geslagen en/of die [slachtoffer] achterover heeft getrokken, waardoor die [slachtoffer] (hard) met zijn hoofd tegen de grond is gekomen/gevallen, en/of (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) met hard/stevig schoeisel ("kisten", model legerlaarzen) een of meermalen in/tegen/op het gezicht/hoofd van die [slachtoffer] heeft getrapt en/of geschopt en/of geveegd/geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat hij op of omstreeks 07 november 2016 te Veendam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet [slachtoffer] voornoemd (met kracht) een arm om (het hoofd van) die [slachtoffer] heeft geslagen en/of die [slachtoffer] achterover heeft getrokken, waardoor die [slachtoffer] (hard) met zijn hoofd tegen de grond is gekomen/gevallen, en/of (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag), met hard/stevig schoeisel ("kisten", model legerlaarzen) één of meermalen in/tegen/op het gezicht /hoofd van die [slachtoffer] heeft getrapt en/of geschopt en/of heeft geveegd/geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat hij op of omstreeks 07 november 2016 te Veendam [slachtoffer] heeft mishandeld door een arm om (het hoofd van) die [slachtoffer] te slaan en/of die [slachtoffer] achterover te trekken, waardoor die [slachtoffer] (hard) met zijn hoofd tegen de grond is gekomen/gevallen, en/of (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag), met hard/stevig schoeisel ("kisten", model legerlaarzen) één of meermalen in/tegen/op het gezicht /hoofd van die [slachtoffer] te trappen en/of schoppen. Beoordeling van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie Ten aanzien van het primair ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. De officier van justitie overweegt daartoe dat zij uitgaat van de verklaring van verdachte waaruit volgt dat hij heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van de poging tot moord. De officier van justitie heeft op grond van de verklaringen van verdachte en de getuigen [naam] en [naam] gerekwireerd tot bewezenverklaring van poging doodslag. Door tweemaal met kracht met legerlaarzen met verstevigde voorzijde tegen het hoofd van aangever te trappen, terwijl aangever op de grond lag, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever ten gevolge van dergelijk handelen zou komen te overlijden. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van poging moord omdat niet kan worden bewezen dat verdachte de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn handelen en dat hij zich daar rekenschap van heeft gegeven. Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad op de dood van aangever. Het was de bedoeling van verdachte om aangever pijn te doen. Daaruit volgt dat verdachte niet uit was op de dood van aangever. Volgens de Hoge Raad is voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en weten heeft blootgesteld aan die kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijk kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat op grond van de aard van de trap en het verstevigde schoeisel dat verdachte droeg kan worden geconcludeerd dat er sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood. Hoewel verdachte misschien in algemene zin wist dat het geweld dat hij gebruikt heeft tot de dood kan leiden, heeft hij te zeer in een opwelling gehandeld om zich tijdens het schoppen rekenschap te geven van die aanmerkelijke kans. Uit verdachtes verklaring is duidelijk dat hij aangever pijn heeft willen doen. Het is duidelijk dat dit zijn enige doel was. Er is geen sprake van dat verdachte de kans dat aangever door zijn handelen dood zou gaan heeft aanvaard. Op grond van het voorgaande kan derhalve niet worden bewezen dat verdachte heeft gehandeld met voorwaardelijk opzet en dient verdachte te worden vrijgesproken van poging doodslag. Ten aanzien van de primair ten laste gelegde zware mishandeling heeft de raadsvrouw aangevoerd dat uit de medische rapportage volgt dat er geen sprake is van letsel dat voldoet aan de omschrijving van artikel 82 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van zware mishandeling. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wel wettig en overtuigend kan worden bewezen. Het oordeel van de rechtbank Vrijspraak Voorbedachte raad De rechtbank overweegt dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft (kunnen) beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de feiten en omstandigheden zoals deze uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting naar voren zijn gekomen niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. De rechtbank overweegt daartoe dat op grond van verdachtes verklaring, waar ook de officier van justitie bij haar oordeelsvorming vanuit is gegaan, kan worden geconcludeerd dat hij heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Gelet hierop zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de primair ten laste gelegde poging tot moord. Voorwaardelijk opzet op de dood Ten aanzien van de primair ten laste gelegde poging doodslag overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood - aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo'n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat verdachte zijn arm om het hoofd van aangever heeft geslagen en aangever achterover heeft getrokken waardoor aangever hard met zijn hoofd op de grond is gevallen. Terwijl aangever op de grond lag, heeft verdachte met stevig schoeisel (model legerlaarzen) tweemaal tegen het hoofd van aangever getrapt. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar en vitaal deel is van het menselijk lichaam. Door tweemaal met een legerlaars met verstevigde neus tegen het hoofd van aangever te trappen terwijl deze op de grond lag, is er sprake geweest van een aanmerkelijke kans op de dood van aangever. Het handelen van verdachte lijkt naar zijn uiterlijke verschijningsvorm te zijn gericht op de dood van aangever, hetgeen - behoudens contra-indicaties - tot het oordeel zou kunnen leiden dat verdachte het gevolg bewust heeft aanvaard. Ter zake deze beoordeling neemt de rechtbank de verklaring van verdachte als uitgangspunt, hetgeen het navolgende feitelijk verloop oplevert. Verdachte wilde met aangever praten omdat deze zijn broertje had bedreigd en wilde aangever een waarschuwingsklap geven, indien er niet gepraat kon worden. Toen aangever onverwacht voor verdachte stil bleef staan, raakte verdachte in een soort paniek en wilde hij snel iets doen. Hij heeft toen zonder verder na te denken aangever naar de grond gewerkt en hem tweemaal tegen zijn hoofd getrapt. Verdachte heeft van te voren niet bepaald waar op het lichaam hij aangever wilde raken; hij wilde aangever slechts pijn doen zodat zijn broertje met rust zou worden gelaten. Verdachte heeft tegen het hoofd van aangever getrapt omdat het slachtoffer met zijn handen zijn buik beschermde en heeft op dat moment niet bewust nagedacht. Hij heeft aangever een tweede keer tegen het hoofd getrapt omdat hij wilde dat aangever wegging. De rechtbank overweegt dat uit verdachtes verklaring volgt dat hij te zeer in een opwelling heeft gehandeld om zich tijdens het trappen tegen het hoofd rekenschap te geven van de aanmerkelijke kans op de dood. Gebleken is dat het verdachtes (enige) doel was om het slachtoffer pijn te doen, wanneer een gesprek onbevredigend zou verlopen. De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer bewust heeft aanvaard, nu de gemoedstoestand waarin verdachte ten tijde van de geweldpleging heeft verkeerd een contra-indicatie oplevert voor de conclusie dat er sprake is van de vereiste bewuste aanvaarding. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de poging doodslag. Zware mishandeling De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken in het dossier onvoldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen van zware mishandeling nu uit het medisch rapport volgt dat er geen letsel bij het slachtoffer is vastgesteld zoals opgenomen in artikel 82 Sr. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. 1. De door verdachte op de terechtzitting van 7 april 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende: Het was mijn bedoeling om [slachtoffer] aan te spreken en om hem een waarschuwingsklap te geven omdat hij mijn broertje had bedreigd. Op 7 november 2016 bleef [slachtoffer] onverwacht stil staan en toen ging het mis. Ik wist alleen dat ik iets wilde doen en snel. Ik heb niet nagedacht en ik heb mijn arm om [slachtoffer] heen geslagen en vervolgens heb ik hem achterover getrokken waardoor [slachtoffer] met zijn hoofd op de grond viel. Vervolgens heb ik [slachtoffer], toen hij op de grond lag, met mijn legerlaarzen twee keer tegen zijn hoofd getrapt. Ik heb [slachtoffer] tegen zijn hoofd getrapt omdat hij zijn buik met zijn handen beschermde. Ik wilde [slachtoffer] ergens raken waar hij het zou voelen. 2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 11 november 2016, opgenomen op pagina 1 van het dossier met nummer PL0100-2016317056 d.d. 30 november 2016, inhoudende als verklaring van [slachtoffer]: Op maandag 7 november 2016 liep ik van mijn school naar de Raadsgildenlaan 1 te Veendam. Onderweg zag ik een aantal bekenden staan. De volgende personen stonden daar: [verdachte], [naam], [naam], [naam] en [naam]. Toen ik hier net was aangekomen voelde ik dat ik van achteren een arm om mijn hoofd heengeslagen kreeg. Uit reactie kneep ik mijn ogen dicht. Ik voelde dat ik achterover werd getrokken en ik een harde klap kreeg op mijn achterhoofd. Hierna kan ik mij niks meer herinneren. Na enige tijd werd ik wakker op de grond. Ik besefte mij dat ik enige tijd het bewustzijn had verloren en kon niet goed plaatsen wat er was gebeurd. Ik ben vervolgens het hoofdgebouw ingelopen richting het toilet. Hier keek ik in de spiegel en zag ik mijn verwondingen in mijn gezicht. Ik voelde continu hevige pijn aan mijn rechteroogkas, beide slapen en op mijn achterhoofd. Vervolgens heeft mijn moeder mij zo snel mogelijk naar onze huisarts gebracht. Onderweg werd ik erg misselijk en eenmaal bij de arts aangekomen nam dit alleen maar toe samen met de hoofdpijn. Ik begon meerdere malen hevig te braken en de arts heeft direct een ambulance laten komen. Deze heeft mij naar het ziekenhuis in Stadskanaal gebracht waar ik vervolgens behandeld ben aan mijn verwondingen. De school is in het bezit van camerabeelden. Ik heb de beelden zelf op school terug mogen kijken en zag dat [verdachte] mij van achteren een arm om mijn hoofd heen sloeg en mij vervolgens naar de grond heen werkte. Toen ik op de grond lag, schopte hij mij twee keer met zijn voet tegen mijn rechteroog en rechterslaap. Hij droeg zwarte kisten, waardoor de trappen extra hard aankwamen. Door mijn verwondingen ben ik niet in staat om momenteel naar school te gaan. 3. Een geneeskundige verklaring van [slachtoffer], op 16 november 2016 opgemaakt en ondertekend door T. Trip, huisarts, opgenomen op pagina 42 van voornoemd dossier, voor zover inhoudende als zijn/haar verklaring: Welk(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.