RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Leeuwarden parketnummer 18/730440-16 ter terechtzitting gevoegde parketnummers 18/730093-17 en 18/730382-16 ter berechting gevoegd parketnummer 18/143087-16 vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 4 mei 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats] , thans verblijvende te P.I. Overijssel - HvB Zwolle. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 14 april 2017 en 21 april 2017. De inhoudelijke behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 14 april 2017. Op 21 april 2017 is het onderzoek ter terechtzitting gesloten. De verdachte is op 14 april 2017 verschenen, bijgestaan door mr. B.J.W. Tijkotte, advocaat te Koog aan de Zaan. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting van 14 april 2017 vertegenwoordigd door mr. E.R. Jepkema. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: in de zaak met parketnummer 18/730440-16, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, dat: hij op of omstreeks 14 oktober 2016 te [pleegplaats] , (althans) in de gemeente Smallingerland, in een woning (perceel [straatnaam] , aldaar) en/of op het besloten erf van die woning, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(
(1)van de jongens van mij afgetrokken, ik denk dat [slachtoffer2] dit deed. Ik kon vervolgens opstaan en bij de jongens wegkomen. Ik zag vervolgens dat [naam] en [medeverdachte] borden, bestek en pannen van tafel pakten en gooiden. Tegelijkertijd zag ik dat [naam] ook een stoel pakte en deze gooide. Door de vuistslagen die ik heb gekregen van [medeverdachte] en [naam] heb ik meerdere bulten boven mijn rechter oor op mijn hoofd. Ook heb ik rode zwelling onder mijn rechter oog en is mijn bovenlip opgezwollen en pijnlijk. Ook is door de klappen mijn linker voortand losgeraakt. 3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 23 augustus 2016, opgenomen op pagina 38 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer2] : Vandaag 23 augustus 2016 was ik in mijn woning aan [straatnaam] te Drachten. [naam] schiet langs mij en schiet als een dolle stier over de tafel heen naar [slachtoffer3] en begint op hem in te slaan. [slachtoffer3] deed helemaal niets. Terwijl [naam] [slachtoffer3] belaagde zag ik dat [medeverdachte] ook opsprong en [slachtoffer3] ook begon te slaan. Ik zag dat [slachtoffer3] probeerde weg te komen en dat hij ten val kwam. Hierdoor kwam hij in een hoek van de kamer terecht achter de tafel. [slachtoffer3] heeft zich niet kunnen verweren tegen [naam] en [medeverdachte] . Ze hebben met zijn tweeën op [slachtoffer3] zijn hoofd ingeslagen. Ik zag dat ze [slachtoffer3] zo vaak raakten. Ze hebben nog een van de tafelstoelen gepakt en gegooid. De tafelstoel is tegen een meubelkast gekomen die in de woonkamer stond. Deze is ook kapot. Ze hebben met borden, bestek, eten, alles lopen gooien in huis. 4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 24 augustus 2016, opgenomen op pagina 65 e.v. van het dossier met nummer 2016241542 d.d. 4 oktober 2016, inhoudende als verklaring van verdachte: V: Er is ook een flesje aangetroffen waar lenzenvloeistof heeft ingezeten. We hebben het vermoeden dat hier nu GHB in zit. A: Dit is van mij. Ik ga 1 keer in de twee maanden naar een feestje. Er zit GHB in het flesje. 5. Een schriftelijk stuk, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, opgenomen op pagina 2 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende: Inbeslagneming : [straatnaam] te Drachten. Omstandigheden : Het goed is aangetroffen op de slaapkamer van de verdachte. Beslagene : [verdachte] . Volgnummer : PL0100-2016241542-781196. Bijzonderheden : GHB verpakt in een Kruidvat lenzenvloeistof flesje. 6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verdovende middelen van Politie Noord-Nederland d.d. 10 oktober 2016, opgenomen op pagina 70 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten: Goednummer PL0100-2016241542-781196 Omschrijving een flesje van wit plastic met etiket 'Kruidvat opticare all-in-one vloeistof zachte lenzen' met daarin een kleurloze heldere stroperige vloeistof Bruto 79,25 gram Netto 44,51 gram Het bovenstaande goed werd getest met een Ferrichloride test: positief op GHB. In de zaak met parketnummer 18/730382-16 ten aanzien van het onder 5. ten laste gelegde De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring van het onder 5. ten laste gelegde, redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. 1. De door verdachte op de terechtzitting van 14 april 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende: Ik reed op 9 juli 2016 in de auto met mijn broer [naam] . Wij reden van Leeuwarden naar Drachten over de Rijksweg N31. Ik heb mijn auto op de autoweg tot stoppen gebracht. Mijn broer en ik zijn beiden uit onze auto gestapt en naar de andere auto toegelopen. Ik trok de deur van de andere auto open. Mijn broer stond toen ook bij de deur. Ik heb de bestuurder van de andere auto geslagen. 2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 9 juli 2016, opgenomen op pagina 26 e.v. van het dossier met nummer 2016197313 d.d. 18 augustus 2016, inhoudende als verklaring van [slachtoffer4] : Ik doe aangifte van mishandeling. Dit is vandaag 9 juli 2016 gebeurt omstreeks 16:05 uur op de N31 van Leeuwarden richting Drachten. Ik zag dat een bus voor mij ging rijden. Ik zag dat de bus steeds ging afremmen. Dit ging door totdat we stilstonden op de rechterstrook van de N31. Ik zag vervolgens aan beide kanten van de bus iemand uitstappen. Ik deed de deur open om vrijheid te krijgen om te bewegen. Ik zag dat de man van de bestuurderskant mijn deur met twee handen gespreid weer dicht sloeg op het glas. Ik zag dat diezelfde man de deur ook weer open trok. Ik zag dat de bestuurder als eerder uithaalde met zijn vlakke linkerhand. Ik voelde direct pijn bij de eerste klap. Ik zag dat mijn bril afviel in de bus. Ik voelde daarna nog een klap in mijn gezicht. Ik heb de klappen ook afgeweerd met mijn linkerhand en arm. Ik weet zeker dat ik beide personen heb zien slaan richting mijn gezicht. Ik weet niet of beiden mij geraakt hebben. Ik weet niet wie mij geschopt heeft. Ik voelde de schop op mijn linkerbeen. Dit was een schop met de voet in volledige voorwaartse beweging. Ik bedoel daarmee dat je schopt zoals je een deur dicht trapt met de zool volledig tegen deur aan. Ik heb twee trappen gevoeld. Ik voelde dat één trap goed aankwam en ik voelde hier pijn van. Dat zal wel een flinke blauwe plek opleveren. Ik heb op dit moment, 17:54 uur, pijn aan mijn neus en als ik loop aan mijn been. Dat been is hard en stijf. 3. Een geneeskundige verklaring, op 9 juli 2016 opgemaakt en ondertekend door J.A. Maring, huisarts Tolbert, opgenomen op pagina 34 van voornoemd dossier, voor zover inhoudende, als zijn/haar verklaring: Medische informatie betreffende [slachtoffer4] Datum waarop persoon werd onderzocht: 9 juli 2016. Uitwendig waargenomen letsel: rode plek/hematoom (= bloeduitstorting) rechter neusvleugel wat diffuus, oud geronnen bloed huid eromheen Is er vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel? Klein spierhematoom palpabel linker bovenbeen, pijnlijk (bloeduitstorting in linker bovenbeen) 4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 9 juli 2016, opgenomen op pagina 35 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [naam] : Ik reed vandaag, 9 juli 2016, over de N31 vanaf Leeuwarden naar Drachten met mijn man [slachtoffer4] . Ik zag dat de bestuurder en de bijrijder van de zwarte bus beiden uitstapten op de N31. Ik zag dat beide jongens naar mijn man liepen. Ik zag dat de bestuurder van de zwarte bus de deur van mijn man open trok. Ik zag dat mijn man nog probeerde zijn deur dicht te houden. Dit lukte hem niet. Ik zag dat mijn man meteen een klap in zijn gezicht kreeg. Ik zag dat de bril van mijn man ten gevolg van de klap af ging. Ik zag dat mijn man zijn deur weer dicht kon trekken. Dat was van korte duur want de deur werd meteen weer opengetrokken door volgens mij wederom de bestuurder. Ik weet dat niet zeker. Ik zag dat mijn man wederom een klap in zijn gezicht kreeg. Ik weet niet wie hem die klap gaf. Ik was druk op zoek naar mijn telefoon. Ik zag ook dat mijn man een trap tegen zijn linker bovenbeen kreeg. Ik denk dat de jongen die hem de tweede klap gaf hem ook de trap gaf. Dit ging bijna tegelijk, eerst de klap en daarna de trap. Ik zag dat de bril van mijn man, die hij na de eerste klap weer had opgezet, wederom door de tweede klap af ging. Ik zag dat de bijrijder van de zwarte bus nog enkele malen hard op de motorkap van de auto sloeg. Dit was aan mijn kant van de auto. 5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 13 juli 2106, opgenomen op pagina 42 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [naam] Op 9 juli 2016 was ik als bijrijder in de auto onderweg van Leeuwarden naar Groningen. Wij reden via de Wâldwei, de N31, en reden van Leeuwarden naar Drachten. Ik zag dat er twee busjes op de rechterrijbaan tot stilstand waren gekomen. Ik zag dat de inzittenden van de voorste bus bij het geopende bestuurdersportier van de achterste bus stonden. Ik zag dat er twee personen bij deze portier stonden. Ik zag dat één van deze jongemannen met kracht tegen de bestuurder in de achterste bus trapte en dat deze jongeman rake klappen uitdeelde aan de bestuurder van de achterste bus. Ik zag ook dat zijn armen met kracht tegen de bestuurder van de achterste bus kwamen. Ik zag dat de andere jongeman ook bij de geopende portier van het achterste busje stond. Overweging rechtbank Door de verdediging is betoogd dat de verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken van het openlijk in verenging gepleegd geweld, aangezien de medeverdachte enkel aanwezig is geweest bij de door verdachte gepleegde mishandeling van [slachtoffer4] en daaraan geen aandeel heeft gehad. De rechtbank stelt voorop dat van het "in vereniging" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is. De rechtbank stelt op grond van voornoemde bewijsmiddelen de navolgende feiten en omstandigheden vast. Beide verdachten bevonden zich in dezelfde auto op het moment dat verdachte de auto van aangever tot stoppen heeft gedwongen. De medeverdachte is gelijktijdig of kort na de verdachte uit de auto gestapt, beide verdachten zijn naar de auto van aangever gelopen en de medeverdachte stond bij de auto van aangever aan de bestuurderskant op het moment dat verdachte geweldshandelingen jegens de bestuurder uitvoerde. Ook heeft de medeverdachte tenminste slaande bewegingen richting aangever gemaakt en op de motorkap van de auto geslagen. Op grond hiervan staat voor de rechtbank vast dat de medeverdachte verdachte getalsmatig heeft versterkt en dat hij door te handelen als hiervoor vermeld, opzet heeft gehad op de ten laste gelegde geweldshandelingen en daaraan een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Daarmee is het verweer verworpen en komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder 5. primair ten laste gelegde. Bewezenverklaring De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18/730440-16 primair ten laste gelegde, het in de zaak met parketnummer 18/730093-17 onder 1. primair en 2. ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 18/730382-16 onder 2., 3. subsidiair, 5. en 6. ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat: in de zaak met parketnummer 18/730440-16 primair: hij op 14 oktober 2016 te [pleegplaats] , in de gemeente Smallingerland, in een woning (perceel [straatnaam] , aldaar) en op het besloten erf van die woning, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld, [slachtoffer1] heeft gedwongen tot de afgifte van een (baard)sleutel met een witte hanger met opschrift "ABC hekwerk" toebehorende aan [slachtoffer1] , welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte in vereniging met zijn mededader - met geweld de woning van die [slachtoffer1] is binnengegaan en - die [slachtoffer1] heeft toegeschreeuwd "we maken je kapot" en/of "op de grond" en/of "waar is de weed?" en - die [slachtoffer1] op haar knieën heeft gedwongen en - zichtbaar voor die [slachtoffer1] een (langwerpig, metalen) voorwerp op dreigende wijze heeft vast gehad en - die [slachtoffer1] hardhandig bij haar arm(
- en)en/of haar nek heeft vastgepakt en vastgehouden en/of haar nek/hoofd hardhandig naar beneden heeft gedrukt/geduwd en - schreeuwend tegen die [slachtoffer1] heeft gezegd dat ze de sleutel (van de schuur) moest pakken; in de zaak met parketnummer 18/730093-17 dat: 1. primair hij op 14 oktober 2016 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee Roskilde Balac bivakmutsen, toebehorende aan groothandel [bedrijfsnaam] , gevestigd aan de [straatnaam] , aldaar; 2. hij op 14 oktober 2016 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad in een woning, perceel [straatnaam] , aldaar, en in een bestelauto, merk Mercedes-Benz, type Vito, kenteken [nummer] , hoeveelheden van een materiaal bevattende 4-hydroxyboterzuur (GHB), zijnde 4-hydroxyboterzuur (GHB) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; in de zaak met parketnummer 18/730382-16, na wijziging van de tenlastelegging, dat: 2. hij op of omstreeks 23 augustus 2016 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en wederrechtelijk een hoeveelheid huisraad, te weten borden en een stoel, toebehorende aan [slachtoffer2] , heeft vernield en beschadigd; 3. subsidiair hij op 23 augustus 2016 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, tezamen en in vereniging met een ander [slachtoffer3] heeft mishandeld door die [slachtoffer3] met kracht, terwijl die [slachtoffer3] op de grond zat/lag tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestompt; 5. primair hij op 9 juli 2016 in Nederland, openlijk, te weten op of aan de openbare weg de Rijksweg N31, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer4] en diens voertuig, welk geweld bestond uit het - meermalen slaan en/of stompen tegen/in het gezicht, althans tegen het hoofd, van die [slachtoffer4] en - het schoppen of trappen tegen een been van die [slachtoffer4] en - slaan op de motorkap van het voertuig waarin die [slachtoffer4] reed; 6. hij op 23 augustus 2016 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 44,51 gram van een materiaal bevattende 4-gammahydroxyboterzuur (GHB), zijnde 4-gammahydroxyboterzuur (GHB) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: in de zaak met parketnummer 18/730440-16 primair: Afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen; in de zaak met parketnummer 18/730382-16 2. Medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en/of beschadigen. 3. subsidiair Medeplegen van mishandeling; 5. primair Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen; 6. Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod; in de zaak met parketnummer 18/730093-17 dat: 1. primair Diefstal, gepleegd door twee of meer verenigde personen; 2. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten. Strafbaarheid van verdachte De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. Strafmotivering Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 18/730440-16 primair ten laste gelegde, het in de zaak met parketnummer 18/730093-17 onder 1. primair en 2. ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 18/730382-16 onder 2., 3. subsidiair, 4., 5. en 6. ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met daaraan gekoppeld de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht, een ambulante behandelverplichting, het volgen van een agressieregulatietraining, een locatieverbod zoals voorgesteld door de reclassering en een locatiegebod op een door de reclassering te bepalen en goed te keuren adres. De officier van justitie heeft gemotiveerd aangegeven waarom er volgens hem geen aanleiding is het jeugdstrafrecht toe te passen. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft gemotiveerd verzocht om toepassing van het jeugdstrafrecht en om aan verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest op te leggen, alsmede een door de rechtbank te bepalen voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, de maximale taakstraf en een hele stevige voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Eventueel zou de rechtbank, net als in de zaak waarover de Hoge Raad bij arrest van 28 november 2006 heeft beslist (ECLI:NL:HR:2006:AY8324), vanwege samenloop nog een aanvullende taakstraf kunnen opleggen. Oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage van Tactus Verslavingszorg d.d. 22 maart 2016, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) doet de rechter ten aanzien van degene die ten tijde van het begaan van strafbare feiten de leeftijd van 18 jaar maar nog niet de leeftijd van 23 jaar heeft bereikt, indien hij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, recht overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg Sr. Uitgangspunt blijft dat op de groep van 18- tot 23-jarigen in beginsel het strafrecht voor volwassenen van toepassing is. Toepassing van het jeugdstrafrecht op deze groep blijft een uitzondering: een uitzondering voor die gevallen waarbij de rechter in de persoonlijkheid van de adolescent of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan daartoe grond vindt. De rechtbank stelt vast dat verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten 20 jaar was. Uit het rapport van de reclassering en de ter terechtzitting gegeven nadere toelichting door een vertegenwoordiger van de reclassering is het volgende omtrent de persoon van verdachte naar voren gekomen. Op diverse leefgebieden is sprake van stabiliteit: zo heeft verdachte een eigen stukadoorsbedrijf en heeft hij geen schulden. Er zijn echter ook zorgen. Binnen het gezin van herkomst spelen al jaren problemen, verdachte beschikt niet over eigen huisvesting en er is sprake van harddrugsgebruik bij verdachte. De reclassering heeft geconcludeerd dat zij een beïnvloedbare jongen zien die op beneden gemiddeld intelligentieniveau functioneert met een rigide manier van omgaan met problemen, waarbij hij meermalen agressief gedrag heeft vertoond. De reclassering heeft echter geconcludeerd dat in het kader van de afweging voor adolescentenstrafrecht er geen doorslaggevende redenen zijn om het jeugdstrafrecht toe te passen en heeft daarom geadviseerd om het volwassenenstrafrecht toe te passen. Gelet op het voorgaande en de indruk die verdachte zelf ter terechtzitting op de rechtbank heeft gemaakt, sluit de rechtbank zich aan bij het advies van de reclassering en ziet zij geen aanleiding om het jeugdsanctierecht toe te passen. Evenmin is daartoe aanleiding gevonden in de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers dat de rol van verdachte niet ondergeschikt was aan de rol van de medeverdachte, maar dat verdachte daarentegen bij de afpersing het grootste aandeel heeft gehad in de geuite bedreigingen en het gepleegde geweld, dat verdachte degene was die de bivakmutsen in zijn broekzak heeft gestoken en hiermee de winkel is uitgelopen – waarbij over het geheel genomen met name de berekenende wijze van optreden van verdachte opvalt – en dat verdachte degene is geweest die zijn auto op de autoweg tot stilstand heeft gebracht en de meeste geweldshandelingen heeft gepleegd jegens een bestuurder van een andere auto. Tot slot zijn er door de reclassering geen interventies geadviseerd uit het jeugdstrafrecht. De rechtbank zal verdachte derhalve berechten overeenkomstig het volwassenenstrafrecht en houdt rekening met de volgende omstandigheden. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een aantal verschillende strafbare feiten. Verdachte heeft zich onder meer samen met zijn broer schuldig gemaakt aan een zeer ernstig feit, te weten een afpersing van een vrouw op haar erf en in haar woning. Verdachte is samen met zijn broer naar het erf van de woning van het slachtoffer gegaan om daar weed te stelen. Op het moment dat zij werden overlopen door de bewoonster van de woning, zijn zij naar haar toegerend en hebben zij met geweld en onder bedreiging van geweld de vrouw gedwongen tot afgifte van een sleutel. De verdachten dachten met deze sleutel toegang te hebben tot de opslagplaats van weed. Dat de verdachten uiteindelijk zonder wegneming van weed zijn weggegaan, maakt het feit niet minder ernstig. De rechtbank betrekt voorts bij de strafoplegging dat verdachte en de medeverdachte ook nadat zij de sleutel van aangeefster hadden bemachtigd, nog enige tijd zijn doorgegaan met het toepassen van geweld tegen aangeefster om haar te dwingen tot de afgifte van weed of geld, waardoor aangeefster in doodsangst heeft verkeerd. Verdachte heeft door zijn handelen geen enkel respect getoond voor de lichamelijke integriteit en de eigendommen van het slachtoffer. Verdachte heeft zich laten leiden door zijn eigen geldelijke gewin en heeft daarbij een ernstige inbreuk gemaakt op het gevoel van veiligheid van het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke misdrijven hier nog lang lichamelijke en met name psychische klachten van ondervinden. Dat dit ook in dit geval zo is, is gebleken uit de schriftelijke slachtofferverklaring. Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan agressie in het verkeer door geweld te gebruiken tegen een medeweggebruiker, tot welk buitensporig gedrag hij kennelijk is overgegaan omdat het invoegen bij wegwerkzaamheden niet goed verliep. De verdachte heeft vervolgens midden op de autoweg de bestuurder van de andere auto tot stoppen gedwongen, is met zijn broer uit de auto gestapt en heeft het slachtoffer in aanwezigheid van diens vrouw en kinderen mishandeld. Door dit gedrag heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van het slachtoffer en hem als deelnemer in het verkeer gevoelens van schrik en onveiligheid bezorgd. De jonge kinderen van de bestuurder hebben met name langer last gehad van wat hen is overkomen, zo blijkt uit de toelichting op de vordering van deze bestuurder. Daarnaast wordt verdachte veroordeeld voor mishandeling van de partner van zijn moeder, vernieling van huisraad van zijn moeder en het bezit van GHB op verschillende momenten. De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet en een poging tot diefstal. De reclassering heeft in haar rapport een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf geadviseerd met daaraan gekoppeld de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandelverplichting bij een forensische polikliniek, deelname aan een Agressie Regulatie Training, een locatieverbod op het adres van het slachtoffer van de afpersing en een locatiegebod voor de woonplaats van verdachte. De reclassering heeft daarnaast geadviseerd om ter controle van het locatiegebod elektronische controle op te leggen. Ten aanzien van de gepleegde afpersing zoekt de rechtbank voor de strafoplegging aansluiting bij de oriëntatiepunten van het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht) voor een overval in een woning, omdat de afpersing op het erf en van het slachtoffer heeft plaatsgevonden en verdachte en de medeverdachte daarna nog in de woning van het slachtoffer geweest zijn in hun zoektocht naar weed of geld, waarom het hun uiteindelijk te doen was. Het uitgangspunt voor een overval in een woning met licht geweld en/of bedreiging is een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren. Van licht geweld is sprake bij een enkele ruk of duw, zonder noemenswaardig letsel. Daarnaast heeft verdachte, zoals hiervoor overwogen, zich schuldig gemaakt aan een aantal andere feiten, waaronder openlijke geweldpleging in het verkeer. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie in zijn eis voldoende rekening heeft gehouden met enerzijds de jeugdige leeftijd van verdachte en anderzijds de ernst van de strafbare feiten. De rechtbank acht de feiten te ernstig om conform het verzoek van de raadsman te volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest en daarnaast een onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen. De rechtbank acht de eis van de officier van justitie dan ook passend en geboden en zij zal dan ook een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 36 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Aan het voorwaardelijke deel van de straf zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden koppelen zoals de reclassering deze heeft geadviseerd, met uitzondering van het locatieverbod. De rechtbank ziet niet de noodzaak om een locatieverbod op te leggen, omdat de rechtbank niet is gebleken dat verdachte het slachtoffer tegen haar wil opnieuw zal benaderen. Benadeelde partij [slachtoffer4] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte in de zaak met parketnummer 18/730382-16 onder 5. ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft hoofdelijke toewijzing van een gedeelte van de vordering gevorderd, te weten tot een bedrag van € 300,00 immateriële schade met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van het resterende deel van de vordering heeft de officier van justitie aangegeven dat dit onvoldoende is onderbouwd en dat het een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert als het onderzoek ter terechtzitting wordt aangehouden om de benadeelde partij alsnog in de gelegenheid te stellen de schade nader te onderbouwen. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering niet ontvankelijk verklaard dient te worden, gelet op zijn pleidooi tot vrijspraak van het feit waardoor de schade zou zijn ontstaan. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de materiële schade onvoldoende is onderbouwd en ook om die reden niet ontvankelijk verklaard dient te worden. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman aangegeven dat verdachte wel schade wil vergoeden en hij zich ten aanzien van de hoogte refereert aan het oordeel van de rechtbank. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde materiële schade niet heeft voldaan aan zijn stelplicht. De rechtbank zal daarom dit deel van de vordering afwijzen. De rechtbank is van oordeel dat de gestelde immateriële schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht dit deel van de vordering, die niet dan wel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor hoofdelijke toewijzing vatbaar. De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 47, 57, 141, 311, 317, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde. DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT: Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte in de zaak met parketnummer 18/730382-16 onder 1., 3. primair en 4. is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart het in de zaak met parketnummer 18/730440-16 primair ten laste gelegde, het in de zaak met parketnummer 18/730093-17 onder 1. primair en 2. ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 18/730382-16 onder 2., 3. subsidiair, 5. en 6. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Veroordeelt verdachte tot: Een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden. Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 12 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd. Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht. Stelt als algemene voorwaarden: 1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; 2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; 3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen. Stelt als bijzondere voorwaarden: 1. dat de veroordeelde zich binnen 5 dagen volgend op zijn ontslagdatum uit detentie meldt bij Reclassering Nederland op het adres Zoutbranderij 1 in Leeuwarden en hierna zo frequent als de reclassering dit gedurende de proeftijd nodig acht; 2. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd een ambulante behandeling bij een forensische polikliniek zal ondergaan, zulks te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven; 3. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd zal deelnemen aan een gedragsinterventie, bestaande uit een Agressie Regulatie Training voor de duur van 18 sessies van elk 2 uur en een kwartier, aangeboden door Leger des Heils Reclassering, of een soortgelijke instelling, waarbij de veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens voornoemde instelling aan de veroordeelde zullen worden gegeven; 4. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd zich bevindt op een door de reclassering vastgesteld(
- e)en goedgekeurd(
- e)adres/instelling, en zich zal houden aan het mogelijke (dag-)programma dat op dit adres/instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Waarbij de veroordeelde zich gedurende de eerste zes maanden van de proeftijd onder elektronisch toezicht zal stellen ter nakoming van de hiervoor onder 4. genoemde bijzondere voorwaarde. Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis in de zaak met parketnummer 18/730382-16 met ingang van heden. Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer4] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 300,00 (zegge: driehonderd euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2016, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(
- s)van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer4] voor het overige wordt afgewezen. Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer4] te betalen een bedrag van € 300,00 (zegge: driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade. Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer4] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen. Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Vlietstra, voorzitter, mr. K. Bunk en mr. S.T. Kooistra, rechters, bijgestaan door mr. E. de Vries-Haitsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 mei 2017. Mr. Kooistra is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.