RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Groningen parketnummer 18/997503-09 ter berechting gevoegde parketnummers 18/670030-13, 18/670037-13, 18/670038-13, vonnis van de meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 juni 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte organisatie] ., gevestigd te [vestigingsadres] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 maart 2016, 25 oktober 2016, 27 oktober 2016, 9 november 2016, 22 november 2016, 7 maart 2017, 8 maart 2017, 14 maart 2017, 15 maart 2017, 16 maart 2017, 17 maart 2017, 27 maart 2017, 28 maart 2017 en 30 mei 2017. Tegen de niet verschenen verdachte is verstek verleend. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. W.H. Frank. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. zij in of omstreeks de periode van 12 juli 2007 tot en met 31 december 2009, althans in 2007 (vanaf 12 juli) en/of 2008 en/of 2009 te Roosendaal en/of Lelystad, althans in Nederland, althans op het grondgebied van Europa, samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, opzettelijk, - in totaal - 45 maal, althans een aantal malen (zaak A), te weten, - 9 maal, althans een aantal malen, in de periode van 25 juli 2007 tot en met 29 december 2007 en/of - 20 maal, althans een aantal malen in de periode van 7 februari 2008 tot en met 12 december 2008 en/of - 16 maal, althans een aantal malen in de periode van 21 december 2008 tot en met 2 september 2009 en/of - in totaal - 15 maal, althans een aantal malen (zaak B), te weten - 10 maal, althans een aantal malen in de periode 6 mei 2008 tot en met 19 januari 2009 en/of - 5 maal, althans een aantal malen in de periode van 5 mei 2009 tot en met 9 september 2009 (telkens) (een) handeling(
- en)heeft verricht als bedoeld in artikel 2, onder 35, sub a en/of b, van de "EG-verordening overbrenging van afvalstoffen", immers heeft/hebben zij en/of haar mededader(
- s)(telkens) afvalstoffen, te weten afgewerkte olie en/of smeerolie en/of één of meer andere afvalstoffen, overgebracht van Roosendaal en/of Lelystad naar Dollbergen en/of Duisburg, in elk geval naar Duitsland, terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan alle betrokken bevoegde autoriteiten, overeenkomstig deze verordening en/of zonder (schriftelijke) toestemming van de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening; 2. zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 11 juli 2007, althans in 2006 en/of 2007 (tot en met 11 juli) te Roosendaal en/of Lelystad, althans in Nederland, althans op het grondgebied van Europa, samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, opzettelijk, - in totaal - 12 maal, althans een aantal malen, te weten, - 7 maal, althans een aantal malen, in de periode 2 augustus 2006 tot en met 11 december 2006 en/of - 5 maal, althans een aantal malen, in de periode van 7 januari 2007 tot en met 29 juni 2007, (telkens) (een) handeling(
- en)heeft verricht als bedoeld in artikel 26, lid 1, aanhef, onder a en/of b, van de "EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen", immers heeft/hebben zij en/of haar mededader(
- s)(telkens) afvalstoffen, te weten afgewerkte olie en/of smeerolie en/of één of meer andere afvalstoffen, overgebracht van Roosendaal en/of Lelystad naar Dollbergen, in elk geval naar Duitsland, terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan alle betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig voornoemde Verordening en/of zonder toestemming van de betrokken bevoegde autoriteiten, overeenkomstig voornoemde Verordening; 3. zij te Farmsum, gemeente Delfzijl, althans in Nederland, samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, - in het jaar 2006 en/of 2007 - in totaal - 21 maal, althans een aantal malen, (telkens) één of meer EVOA-documenten genaamd "Grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen" en/of - in het jaar 2008 en/of 2009, - in totaal - 52 maal, althans een aantal malen (telkens) één of meer EVOA-documenten genaamd "Vervoersdocument voor grensoverschrijdende afvaloverbrenging" en/of - in of omstreeks de periode van 2 januari 2009 tot en met 2 september 2009, - in totaal - 15 maal, althans een aantal malen, (telkens) één of meer Tankleichter Messberichten en/of - in het jaar 2008 en/of 2009, - in totaal - 27 maal, althans een aantal malen (telkens) één of meer begeleidingsbrieven - ( elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededader(
- s)(telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid: - op de in 2006 en/of 2007 gebruikte EVOA-documenten, in vak 13 (benaming en chemische samenstelling van de stoffen) Fluxolie vermeld, en/of - op de in 2008 en/of 2009 gebruikte EVOA-documenten in vak 9 (als locatie waarop, en proces waarbij, de afvalstoffen zijn ontstaan), - respectievelijk - (zakelijk weergegeven) Farmsum en destillatie en/of - op een deel van bedoelde documenten - in vak 12 (benaming van de afvalstoffen) Fluxolie vermeld, en/of - op de Tankleichter Messberichten in het vak genaamd Schiffabfertigungszeiten, tijden vermeld bij de daar genoemde handelingen, terwijl deze handelingen, althans een deel daarvan, op die tijden niet had(den) plaatsgevonden, en/of - op de begeleidingsbrieven als ontvanger [verdachte organisatie] vermeld, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(
- en)als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; 4. zij in of omstreeks de periode van 27 januari 2010 tot en met 29 oktober 2010 te Farmsum, gemeente Delfzijl, althans in Nederland, althans op het grondgebied van Europa, samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, opzettelijk - in totaal - 42 maal, althans een aantal malen (telkens) (een) handeling(
- en)heeft verricht als bedoeld in artikel 2, onder 35, sub d, van de "EG-Verordening 1013/2006 overbrenging van afvalstoffen", zijnde het vanuit België en/of Duitsland overbrengen van (een) afvalstof(fen) te weten, - drijflaag koolwaterstoffen (kennisgeving BE001001626), en/of - genaftalineerde olie (kennisgeving BE0003000459), en/of - een mengsel van koolwaterstoffen (kennisgeving BE001001383 en kennisgeving BE001001629), en/of - vloeibare koolwaterstoffen (kennisgeving BE001001554 en kennisgeving BE001001555 en kennisgeving DE1350/168511), en/of - zij- en residustromen van destillatieproces (kennisgeving BE001001624), en/of - vloeibare olie/koolwaterstoffen (kennisgeving BE001001664), en/of - brandstoffen (kennisgeving DE1350/171872) naar haar verdachtes verwerkingslocatie te Farmsum in Nederland, welke overbrenging(
- en)van die afvalstof(fen) feitelijk niet met voornoemde kennisgeving(
- en)en/of de bijbehorende vervoersdocument(
- en)voor grensoverschrijdende afvaloverbrengingen/afvaltransporten overeenstemde(n), immers heeft zij, verdachte en/of haar mededader(s), (telkens) in of omstreeks de periode van 27 januari 2010 tot en met 4 mei 2010, - 9 maal, althans een aantal malen, een afvalstof, te weten vloeibare koolwaterstoffen na ontvangst op haar verdachtes verwerkingslocatie in Farmsum niet verwerkt zoals aangeven op de daarbij behorende kennisgeving(en), en/of in of omstreeks de periode van 2 augustus 2010 tot en met 31 augustus 2010, - 16 maal, althans een aantal malen, (een) afvalstof(fen), te weten drijflaag koolwaterstoffen en/of genaftalineerde olie en/of een mengsel van koolwaterstoffen en/of vloeibare koolwaterstoffen en/of vloeibare olie/koolwaterstoffen en/of brandstoffen, na ontvangst op haar verdachtes verwerkingslocatie in Farmsum niet verwerkt zoals aangegeven op de bij die afvalstof(fen) behorende kennisgeving(en), en/of in of omstreeks de periode van 4 oktober 2010 tot en met 29 oktober 2010 - 17 maal, althans een aantal malen, (een) afvalstof(fen), te weten drijflaag koolwaterstoffen en/of genaftalineerde olie en/of vloeibare koolwaterstoffen en/of zij- en residustromen van destillatieproces en/of een mengsel van koolwaterstoffen en/of vloeibare olie/koolwaterstoffen, na ontvangst op haar verdachtes verwerkingslocatie in Farmsum niet verwerkt zoals aangegeven op de bij die afvalstof(fen) behorende kennisgeving(en), immers was/waren voornoemde afvalstof(fen) (telkens) voor verwerking afgevoerd naar [bedrijf 1] in Rotterdam, en/of was op de bij die kennisgeving(
- en)behorende vervoersdocument(
- en)voor grensoverschrijdende afvaloverbrengingen/afvaltransporten (telkens) ingevuld en/of ondertekend dat voornoemde afvalstoffen was/waren ontvangen en verwerkt op voornoemde verwerkingslocatie; 5. zij in of omstreeks de periode van 27 januari 2010 tot en met 29 oktober 2010 te Farmsum, gemeente Delfzijl, althans in Nederland, samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, - in totaal - 42 maal, althans een aantal malen (telkens) één of meer vervoersdocument(
- en)voor grensoverschrijdende afvaloverbrengingen/afvaltransporten, behorende bij (een) afvalstof(fen), te weten - drijflaag koolwaterstoffen (kennisgeving BE001001626), en/of - genaftalineerde olie (kennisgeving BE0003000459), en/of - een mengsel van koolwaterstoffen (kennisgeving BE001001383 en kennisgeving BE001001629), en/of - vloeibare koolwaterstoffen (kennisgeving BE001001554 en kennisgeving BE001001555 en kennisgeving DE1350/168511), en/of - zij- en residustromen van destillatieproces (kennisgeving BE001001624), en/of - vloeibare olie/koolwaterstoffen (kennisgeving BE001001664), en/of - brandstoffen (kennisgeving DE1350/171872) - ( elk) zijnde (een) geschrift(
- en)dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft/hebben zij en/of haar mededader(
- s)(telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid, - in of omstreeks de periode van 27 januari 2010 tot en met 4 mei 2010, op 9, althans één of meer, vervoersdocument(
- en)voor grensoverschrijdende afvaloverbrengingen/afvaltransporten behorende bij kennisgeving DE 1350/168511, vak 18 en/of 19 ingevuld en/of ondertekend en/of laten ondertekenen voor ontvangst en/of verwerking van die vloeibare koolwaterstoffen op haar verdachtes verwerkingslocatie in Farmsum, en/of - in of omstreeks de periode van 2 augustus 2010 tot en met 31 augustus 2010, op 16, althans één of meer vervoersdocumenten voor grensoverschrijdende afvaloverbrengingen/afvaltransporten behorende bij voornoemde kennisgeving(
- en)vak 18 en/of 19 ingevuld en/of ondertekend en/of laten ondertekenen voor ontvangst en/of verwerking van afvalstof(fen), te weten drijflaag koolwaterstoffen en/of genaftalineerde olie en/of een mengsel van koolwaterstoffen en/of vloeibare koolwaterstoffen en/of vloeibare olie/koolwaterstoffen en/of brandstoffen, op haar verdachtes verwerkingslocatie in Farmsum, en/of - op of omstreeks 4 oktober 2010 tot en met 29 oktober 2010 op 17, althans één of meer vervoersdocument(
- en)voor grensoverschrijdende afvaloverbrengingen/afvaltransporten behorende bij voornoemde kennisgeving(
- en)vak 18 en/of 19 ingevuld en/of ondertekend en/of laten ondertekenen voor ontvangst en/of verwerking van afvalstof(fen), te weten drijflaag koolwaterstoffen en/of genaftalineerde olie en/of vloeibare koolwaterstoffen en/of zij- en residustromen van destillatieproces en/of een mengsel van koolwaterstoffen en/of vloeibare olie/koolwaterstoffen, op haar verdachtes verwerkingslocatie in Farmsum, terwijl in werkelijkheid die afvalstof(fen) voor verwerking was/waren afgevoerd naar [bedrijf 1] in Rotterdam, zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(
- en)als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; 6. zij op of omstreeks 27 juni 2010 te Farmsum, gemeente Delfzijl, terwijl aan [verdachte organisatie] . door Gedeputeerde Staten der provincie Groningen bij Besluit van 9 juni 2009, een vergunning op grond van de Wet milieubeheer was verleend voor de opslag en verwerking van afvalstoffen en/of producten, gelegen aan [adres] , kadastraal bekend gemeente Delfzijl, sectie O, nummer(
- s)335 en 451, zijnde een inrichting als bedoeld in categorie 5.1 en 28.1a en b en 28.4a sub 5 en sub 6 en 28.4b sub 2 en 28.4c sub 1 en sub 2 van Bijlage I van het Inrichtingen en vergunningenbesluit milieubeheer, in elk geval een inrichting als bedoeld in de Bijlage I en/of III van voornoemd Besluit, zich samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, opzettelijk heeft gedragen in strijd met voorschrift 5.7 verbonden aan voormelde vergunning, immers was een geur van teer en/of bleeklucht, althans een geur, waarneembaar op (ongeveer) 300 meter, althans op meer dan 100 meter, van de grens van haar verdachtes inrichting, welke geur afkomstig was van afvalstoffen van haar verdachtes inrichting, te weten afgewerkte olie, althans (afval)olie, die werden overgepompt vanuit een schip ( [schip 2] ) naar een opslagtank ( [nummer] ) gelegen op haar verdachtes inrichting, en/of heeft zij verdachte en/of haar mededader(
- s)niet aan de verplichting voldaan om in overleg met het bevoegd gezag doeltreffende geurmaatregelen te nemen; 7. zij in of omstreeks de periode van 25 maart 2010 tot en met 29 juni 2010 te Farmsum, gemeente Delfzijl, althans in Nederland, althans op het grondgebied van Europa, samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, opzettelijk - in totaal - 34 maal, althans een aantal malen (telkens) (een) handeling(
- en)heeft verricht als bedoeld in artikel 2, onder 35, sub d, van de "EG-Verordening 1013/2006 overbrenging van afvalstoffen", zijnde het vanuit België overbrengen van een afvalstof, te weten genaftalineerde olie afkomstig van [organisatie 1] te Luik , naar haar verdachtes verwerkingslocatie te Farmsum in Nederland met kennisgeving BE001001325, welke overbrenging(
- en)van die afvalstof feitelijk niet overeenstemde(
- n)met die kennisgeving BE001001325 en/of de daarbij behorende vervoersdocumenten, immers was met die kennisgeving BE001001325 en/of de daarbij behorende vervoersdocumenten toestemming verleend voor de overbrenging naar haar verdachtes verwerkingslocatie te Farmsum, van de afvalstof koolwaterwaterstof-watermengsel afkomstig van [organisatie 2] te Antwerpen, en/of in of omstreeks de periode van 14 april 2011 tot en met 11 juli 2011, te Farmsum, gemeente Delfzijl, althans in Nederland, althans op het grondgebied van de Europa, samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, opzettelijk - in totaal 33 maal - althans een aantal malen (telkens) (een) handeling(
- en)heeft verricht als bedoeld in artikel 2, onder 35, sub d, van de "EG-Verordening 1013/2006 overbrenging van afvalstoffen", zijnde het vanuit België overbrengen van een afvalstof, te weten genaftalineerde olie afkomstig van [organisatie 1] te Luik , naar haar vedachtes verwerkingslocatie te Farmsum in Nederland met kennisgeving BE001002066, terwijl die overbrenging(
- en)van die afvalstof feitelijk niet overeenstemde(
- n)met die kennisgeving BE001002066 en/of de daarbij behorende vervoersdocumenten, immers was met die kennisgeving BE001002066 en/of de daarbij behorende vervoersdocumenten toestemming verleend voor de overbrenging naar haar verdachtes verwerkingslocatie te Farmsum, van de afvalstof vloeibare olie/koolwaterstoffen afkomstig van [organisatie 3] te Antwerpen; althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat zij in of omstreeks de periode van 25 maart 2010 tot en met 29 juni 2010 te Farmsum, gemeente Delfzijl, althans in Nederland, althans op het grondgebied van Europa, samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, opzettelijk - in totaal - 34 maal, althans een aantal malen, (telkens) (een) handeling(
- en)heeft verricht als bedoeld in artikel 2, onder 35, sub a en/of b, van de "EG-Verordening 1013/2006 overbrenging van afvalstoffen", immers heeft/hebben zij en/of haar mededader(
- s)(telkens) een afvalstof, te weten genaftalineerde olie afkomstig van [organisatie 1] te Luik, overgebracht vanuit België naar haar verdachtes verwerkingslocatie te Farmsum in Nederland, terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan alle betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening en/of zonder (schriftelijke) toestemming van de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening, en/of in of omstreeks de periode van 14 april 2011 tot en met 11 juli 2011, te Farmsum, gemeente Delfzijl, althans in Nederland, althans op het grondgebied van de Europa, samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, opzettelijk - in totaal 33 maal - althans een aantal malen (telkens) een handeling heeft verricht als bedoeld in artikel 2, onder 35, sub a en/of b, van de "EG-Verordening 1013/2006 overbrenging van afvalstoffen", immers heeft/hebben zij en/of haar mededader(
- s)(telkens) een afvalstof, te weten genaftalineerde olie afkomstig van [organisatie 1] te Luik, overgebracht vanuit België naar haar verdachtes verwerkingslocatie te Farmsum in Nederland, terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan alle betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening, en/of zonder (schriftelijke) toestemming van de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening; 8. zij in of omstreeks de periode van 25 maart 2010 tot en met 29 juni 2010, te Farmsum, gemeente Delfzijl, althans in Nederland, samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen - in totaal - 34 maal, althans een aantal malen (telkens) één of meer vervoersdocumenten voor grensoverschrijdende afvaloverbrengingen/afvaltransporten behorende bij kennisgeving BE001001325 die was bestemd voor de overbrenging van de afvalstof koolwaterstof-watermengsel afkomstig van [organisatie 2] . te Antwerpen naar haar verdachtes verwerkingslocatie te Farmsum, - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft zij en/of haar mededader(
- s)(telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid op dat/die vervoersdocument(
- en)voor grensoverschrijdende afvaloverbrengingen/afvaltransporten vak 18 en/of 19 ingevuld en/of ondertekend en/of laten ondertekenen voor de ontvangst en/of verwerking op haar verdachtes verwerkingslocatie van de afvalstof, koolwaterstof-watermengsel afkomstig [organisatie 2] . te Antwerpen, terwijl in werkelijkheid de afvalstof genaftalineerde olie afkomstig van [organisatie 1] te Luik op haar verdachtes verwerkingslocatie te Farmsum was ontvangen en/of verwerkt, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(
- en)als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, en/of in of omstreeks de periode van 14 april 2011 tot en met 06 juli 2011, te Farmsum, gemeente Delfzijl, althans in Nederland, samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, - in totaal - 33 maal, althans een aantal malen (telkens) één of meer vervoersdocument(
- en)voor grensoverschrijdende afvaloverbrengingen/afvaltransporten behorende bij kennisgeving BE001002066, die was bestemd voor de overbrenging van de afvalstof vloeibare olie en koolwaterstoffen afkomstig van [organisatie 3] . te Antwerpen naar haar verdachtes verwerkingslocatie te Farmsum, - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft/hebben zij en/of haar mededader(
- s)(telkens) valselijk en in strijd met de waarheid op die vervoersdocumenten vak 18 en/of vak 19 ingevuld en/of ondertekend en/of laten ondertekenen voor de ontvangst en/of verwerking op haar verdachtes verwerkingsinrichting van de afvalstof, vloeibare olie/koolwaterstoffen afkomstig van [organisatie 3] te Antwerpen, terwijl in werkelijkheid de afvalstof genaftalineerde olie afkomstig van [organisatie 1] te Luik op verdachtes verwerkingslocatie te Farmsum was ontvangen en/of verwerkt, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(
- en)als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken. 1Geldigheid van de dagvaarding Standpunt van de officier van justitie 1.1. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding geldig is. Standpunt van de verdediging 1.2. De verdediging heeft geen verweer gevoerd. Oordeel van de rechtbank 1.3. De rechtbank ziet geen aanleiding om de dagvaarding ambtshalve nietig te verklaren. 2Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie Standpunt van de officier van justitie 2.1. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is. Standpunt van de verdediging 2.2. De verdediging heeft geen verweer gevoerd. Oordeel van de rechtbank 2.3. De rechtbank ziet geen aanleiding om het openbaar ministerie ambtshalve niet-ontvankelijk te verklaren. 3. Beoordeling van het bewijs ten aanzien van het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde Standpunt van de officier van justitie ten aanzien van het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde 3.1. De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde kan worden bewezen. Standpunt van de verdediging ten aanzien van het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde 3.2. De verdediging heeft geen verweer gevoerd. Oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde Inleidende overwegingen 3.3.1. Onder 1. is - kort gezegd - ten laste gelegd dat verdachte in de periode van 12 juli 2007 tot en met 31 december 2009 in vereniging met anderen of een ander 60 maal een handeling heeft verricht als bedoeld in artikel 2, onder 35, sub a en/of b, van de "EG-verordening overbrenging van afvalstoffen", omdat zij en haar mededader(
- s)telkens afgewerkte olie en/of smeerolie en/of één of meer andere afvalstoffen hebben overgebracht van Roosendaal en/of Lelystad naar Dollbergen en/of Duisburg, terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan de betrokken bevoegde autoriteiten en/of zonder (schriftelijke) toestemming van de betrokken bevoegde autoriteiten, overeenkomstig genoemde verordening. 3.3.2. De 60 in de tenlastelegging onder 1. bedoelde grensoverschrijdende overbrengingen van afvalstoffen zijn onderverdeeld in 45 overbrengingen die zijn aangeduid als zaak A en vijftien overbrengingen die zijn aangeduid als zaak B. Zaak A ziet op overbrengingen per schip en zaak B op overbrengingen per tankwagen. De 45 overbrengingen per schip zijn onderverdeeld in negen scheepstransporten in de periode van 25 juli 2007 tot en met 29 december 2007, twintig scheepstransporten in de periode van 7 februari 2008 tot en met 12 december 2008 en zestien scheepstransporten in de periode van 21 december 2008 tot en met 2 september 2009. De 15 overbrengingen per tankwagen zijn onderverdeeld in tien tankwagentransporten in de periode van 6 mei 2008 tot en met 19 januari 2009 en vijf tankwagentransporten in de periode van 5 mei 2009 tot en met 9 september 2009. 3.3.3. Ten aanzien van de negen scheepstransporten in de periode van 25 juli 2007 tot en met 29 december 2007 is in de tenlastelegging verwezen naar het overzicht op de bladzijden 41 00847 (deels) en 41 00848 van het dossier. Uit dit overzicht en de documenten waarnaar wordt verwezen, kan worden afgeleid dat het hierbij in ieder geval gaat om de acht transporten die (uiteindelijk) zijn overgebracht naar [organisatie 4] onder de volgnummers 10, 11 en 13 tot en met 18 van de EVOA-kennisgeving NL 115510 (hierna respectievelijk: de transporten NL 115510/10, NL 115510/11 et cetera). De officier van justitie heeft in zijn requisitoir ter terechtzitting van 14 maart 2017 aangegeven dat met het negende transport dat in de tenlastelegging wordt bedoeld het op bladzijde 41 00848 genoemde transport betreft dat (uiteindelijk) is overgebracht naar [organisatie 4] onder volgnummer 1 van de EVOA-kennisgeving NL 115510 (hierna: het transport NL 115510/1). De officier van justitie heeft verklaard dat dit transport, dat volgens het overzicht heeft plaatsgevonden op 29 december 2007, in werkelijkheid heeft plaatsgevonden in januari 2007. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit transport daarom moet komen te vervallen, waardoor in deze periode acht transporten resteren. De rechtbank zal verdachte (partieel) vrijspreken van het onder 1. ten laste gelegde voor zover dit het transport NL 115510/1 betreft, omdat dit transport buiten de in de tenlastelegging genoemde periode valt. Daarom zal de rechtbank hierna niet meer op dit transport ingaan. Voorts staat in het overzicht dat transport NL 115510/11 afkomstig is van [bedrijf 2] . De officier van justitie heeft (onder meer) in zijn requisitoir ter terechtzitting van 14 maart 2017 aangegeven dat hij niet bedoeld heeft om voor de transporten afkomstig van [bedrijf 2] / [bedrijf 3] te vervolgen. De rechtbank zal verdachte (partieel) vrijspreken van het onder 1. ten laste gelegde voor zover dit het transport NL 115510/11 betreft, omdat niet kan worden bewezen dat dit transport is overgebracht vanuit Roosendaal en/of Lelystad, zoals ten laste is gelegd. Daarom zal de rechtbank hierna niet meer op dit transport ingaan. Dit betekent dat van de negen in de tenlastelegging bedoelde scheepstransporten in de periode van 25 juli 2007 tot en met 29 december 2007 nog zeven transporten resteren. 3.3.4. Ten aanzien van de twintig scheepstransporten in de periode van 7 februari 2008 tot en met 12 december 2008 is in de tenlastelegging verwezen naar het overzicht op de bladzijden 41 00845 en 41 00846 van het dossier. Uit dit overzicht en de documenten waarnaar wordt verwezen, kan worden afgeleid dat het hierbij gaat om de twintig transporten die (uiteindelijk) zijn overgebracht naar [organisatie 4] onder de volgnummers 1 tot en met 20 van de EVOA-kennisgeving NL 201324. In het overzicht staat dat het transport met volgnummer 16 afkomstig is van " [naam 2] " en dat dit het product "olie/water" betreft. Uit het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken blijkt niet dat het afvalstroomnummer 01FR89000065 betrekking heeft op het bedrijf van [medeverdachte organisatie 2] te Roosendaal. Voorts staat in het overzicht dat het transport met volgnummer 17 deels afkomstig is van " [medeverdachte organisatie 2] " en deels van " [bedrijf 2] ". Hierdoor is niet zonder meer duidelijk dat dit transport (volledig) afkomstig is uit Roosendaal. De rechtbank zal verdachte (partieel) vrijspreken van het onder 1. ten laste gelegde voor zover dit de transporten met de volgnummers 16 en 17 betreft, omdat niet kan worden bewezen dat deze transporten (volledig) zijn overgebracht vanuit Roosendaal en/of Lelystad, zoals ten laste is gelegd. Daarom zal de rechtbank hierna niet meer op deze transporten ingaan. Dit betekent dat van de twintig in de tenlastelegging bedoelde scheepstransporten in de periode van 7 februari 2008 tot en met 12 december 2008 nog achttien transporten resteren. 3.3.5. Ten aanzien van de zestien scheepstransporten in de periode van 21 december 2008 tot en met 2 september 2009 is in de tenlastelegging verwezen naar het overzicht op de bladzijden 41 00843 en 41 00844 van het dossier. Uit dit overzicht en de documenten waarnaar wordt verwezen, kan worden afgeleid dat het hierbij gaat om de zestien transporten die (uiteindelijk) zijn overgebracht naar [organisatie 4] onder de volgnummers 1 tot en met 16 van de EVOA-kennisgeving NL 201330. 3.3.6. Ten aanzien van de tien tankwagentransporten in de periode van 6 mei 2008 tot en met 19 januari 2009 is in de tenlastelegging verwezen naar het overzicht op bladzijde 41 00095 van het dossier. Uit dit overzicht en de documenten waarnaar wordt verwezen, kan worden afgeleid dat het hierbij gaat om de transporten die (uiteindelijk) zijn overgebracht naar [organisatie 5] te Duisburg onder de volgnummers 10, 11, 12, 26, 31, 230, 255, 302, 311, 355 en 470 van de EVOA-kennisgeving NL 201325. Dit zijn echter geen tien transporten, zoals ten laste is gelegd, maar elf. De officier van justitie heeft (onder meer) in zijn requisitoir ter terechtzitting van 14 maart 2017 meegedeeld dat het ten laste gelegde aantal van tien wel klopt, omdat de in het overzicht op bladzijde 41 00095 genoemde bijlage B5 niet is meegeteld omdat dit een andere verdachte betreft, te weten " [medeverdachte organisatie 1] Putten " in plaats van " [medeverdachte organisatie 1] Lelystad ". De door de officier van justitie bedoelde bijlage B5 heeft betrekking op het transport met het volgnummer 10. Blijkens het Excel-overzicht op bladzijde 41 01567 van het dossier is dit transport echter niet afkomstig van " [medeverdachte organisatie 1] Putten ", zoals de officier van justitie heeft aangegeven, maar van " [medeverdachte organisatie 2] Elst ", zoals de verbalisant ook heeft aangegeven in de tekst onder het overzicht. De rechtbank constateert dat blijkens het Excel-overzicht op bladzijde 41 01567 van het dossier hetzelfde geldt ten aanzien van het transport met het volgnummer 12. Gelet op deze vaststelling, gaat de rechtbank ervan uit dat de transporten met de volgnummers 10 en 12 afkomstig zijn uit Elst. Uit het Excel-overzicht op bladzijde 41 01572 van het dossier blijkt dat het transport met het volgnummer 355 afkomstig is van " [bedrijf 2] ". De officier van justitie heeft (onder meer) in zijn requisitoir ter terechtzitting van 14 maart 2017 meegedeeld dat hij niet beoogd heeft om voor de transporten afkomstig van [bedrijf 2] / [bedrijf 3] te vervolgen De rechtbank heeft op basis van het dossier (met name de Excel-overzichten op de bladzijden 41 01056 tot en met 41 01089 en de bladzijden 41 01566 tot en met 41 01581) en hetgeen ter terechtzitting is besproken niet kunnen vaststellen waar het transport met het volgnummer 230 vandaan komt. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte (partieel) vrijspreken van het onder 1. ten laste gelegde voor zover dit de transporten met de volgnummers 10, 12, 230 en 355 betreft, omdat niet kan worden bewezen dat deze transporten zijn overgebracht vanuit Roosendaal en/of Lelystad, zoals ten laste is gelegd. Daarom zal de rechtbank hierna niet meer op deze transporten ingaan. Dit betekent dat van de tien in de tenlastelegging bedoelde tankwagentransporten in de periode van 6 mei 2008 tot en met 19 januari 2009 zeven transporten resteren. 3.3.7. Ten aanzien van de vijf tankwagentransporten in de periode van 5 mei 2009 tot en met 9 september 2009 is in de tenlastelegging verwezen naar het overzicht op bladzijde 41 00099 van het dossier. Uit dit overzicht en de documenten waarnaar wordt verwezen, kan worden afgeleid dat het hierbij gaat om de vijf transporten die (uiteindelijk) zijn overgebracht naar [organisatie 5] te Duisburg onder de volgnummers 47, 90, 135, 191 en 225 van de EVOA-kennisgeving NL 201332. Uit het rapport Ontneming Afgewerkte Olie [naam dossier] [dossier] -1119 d.d. 25 september 2012 (hierna: de ontnemingsrapportage) (p. 51 0067) en de daarbij gevoegde bijlage 126 (p. 51 0886) blijkt dat het transport van 13 augustus 2009 (volgnummer 191) aan verdachte is gefactureerd door [organisatie 6] , gevestigd te Elst. Hierdoor is niet zonder meer duidelijk dat dit transport afkomstig is uit Roosendaal. Uit het Excel-overzicht op bladzijde 41 01581 van het dossier blijkt dat het transport met volgnummer 225 afkomstig is van [bedrijf 3] ". De officier van justitie heeft (onder meer) in zijn requisitoir ter terechtzitting van 14 maart 2017 meegedeeld dat hij niet heeft beoogd om voor de transporten afkomstig van [bedrijf 2] / [bedrijf 3] te vervolgen. De rechtbank zal verdachte (partieel) vrijspreken van het onder 1. ten laste gelegde voor zover dit de transporten met de volgnummers 191 en 225 betreft, omdat niet kan worden bewezen dat deze transporten zijn overgebracht vanuit Roosendaal en/of Lelystad, zoals ten laste is gelegd. Daarom zal de rechtbank hierna niet meer op deze transporten ingaan. Dit betekent dat van de vijf in de tenlastelegging bedoelde tankwagentransporten in de periode van 5 mei 2009 tot en met 9 september 2009 drie transporten resteren. 3.3.8. Onder 2. is - kort gezegd - ten laste gelegd dat verdachte in de periode van 1 januari 2006 tot en met 11 juli 2007 in vereniging met anderen of een ander twaalf maal een handeling heeft verricht als bedoeld in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a en/of b, van de "EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen", immers hebben zij en haar mededader(
- s)telkens afgewerkte olie en/of smeerolie en/of één of meer andere afvalstoffen overgebracht van Roosendaal en/of Lelystad naar Dollbergen, terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan alle betrokken bevoegde autoriteiten en/of zonder (schriftelijke) toestemming van de betrokken bevoegde autoriteiten, overeenkomstig genoemde verordening. 3.3.9. De twaalf in de tenlastelegging onder 2. bedoelde grensoverschrijdende overbrengingen van afvalstoffen zijn onderverdeeld in zeven scheepstransporten in de periode van 2 augustus 2006 tot en met 11 december 2006 en vijf scheepstransporten in de periode van 7 januari 2007 tot en met 29 juni 2007. 3.3.10. Ten aanzien van de zeven scheepstransporten in de periode van 2 augustus 2006 tot en met 11 december 2006 is in de tenlastelegging verwezen naar het overzicht op bladzijde 41 00848 van het dossier. Uit dit overzicht en de documenten waarnaar wordt verwezen, kan worden afgeleid dat het hierbij gaat om de zeven transporten die (uiteindelijk) zijn overgebracht naar [organisatie 4] onder de volgnummers 12 tot en met 17 en 19 van de EVOA-kennisgeving NL 115503. In het overzicht staat dat het transport met volgnummer 12 afkomstig is van [bedrijf 2] . De officier van justitie heeft (onder meer) in zijn requisitoir ter terechtzitting van 14 maart 2017 meegedeeld dat hij de transporten afkomstig van [bedrijf 2] / [bedrijf 3] niet zal meenemen. De rechtbank zal verdachte (partieel) vrijspreken van het onder 2. ten laste gelegde voor zover dit het transport met volgnummer 12 betreft, omdat niet kan worden bewezen dat dit transport is overgebracht vanuit Roosendaal en/of Lelystad, zoals ten laste is gelegd. Daarom zal de rechtbank hierna niet meer op dit transport ingaan. Dit betekent dat van de zeven in de tenlastelegging bedoelde scheepstransporten in de periode van 2 augustus 2006 tot en met 11 december 2006 zes transporten resteren. 3.3.11. Ten aanzien van de vijf scheepstransporten in de periode van 7 januari 2007 tot en met 29 juni 2007 is in de tenlastelegging verwezen naar het overzicht op bladzijde 41 00847 van het dossier. Uit dit overzicht en de documenten waarnaar wordt verwezen, kan worden afgeleid dat het hierbij gaat om de vijf transporten die (uiteindelijk) zijn overgebracht naar [organisatie 4] onder de volgnummers 2 tot en met 5 en 9 van de EVOA-kennisgeving NL 115510. Uit de ontnemingsrapportage (p. 51 0042 en 51 0043) en de daarbij gevoegde bijlage 55 (p. 51 0570) blijkt dat het transport van 4 februari 2007 deels afkomstig is van [bedrijf 5] en deels van [medeverdachte organisatie 1] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte organisatie 1] )). Hierdoor is niet zonder meer duidelijk dat dit transport (volledig) afkomstig is uit Lelystad. De rechtbank zal verdachte (partieel) vrijspreken van het onder 2. ten laste gelegde voor zover dit het transport van 4 februari 2007 betreft, omdat niet kan worden bewezen dat dit transport (volledig) is overgebracht vanuit Roosendaal en/of Lelystad, zoals ten laste is gelegd. Dit betekent dat van de vijf in de tenlastelegging bedoelde scheepstransporten in de periode van 7 januari 2007 tot en met 29 juni 2007 vier transporten resteren. Vrijspraak van het onder 3. ten laste gelegde voor zover dit het vermelden op de EVOA-documenten van de term "fluxolie" betreft 3.4.1. Onder 3. is (onder meer) ten laste gelegd - kort gezegd - dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen in de jaren 2006 en 2007 21 maal EVOA-documenten genaamd "Grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen" valselijk heeft opgemaakt of vervalst, door in vak 13 van die documenten telkens valselijk en/of in strijd met de waarheid "fluxolie" te vermelden. Tevens is haar onder 3. ten laste gelegd dat zij tezamen en in vereniging met een ander of anderen in de jaren 2008 en 2009 52 maal EVOA-documenten genaamd "Vervoersdocument voor grensoverschrijdende afvaloverbrenging" valselijk heeft opgemaakt of vervalst, door in vak 12 van (een deel van) die documenten valselijk en/of in strijd met de waarheid "fluxolie" te vermelden. 3.4.2. Het in de tenlastelegging genoemde EVOA-document "Grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen" betreft het begeleidende document, voorgeschreven in de artikelen 8 en 42 van de Verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (hierna: Verordening (EEG) nr. 259/93). In vak 13 van dit begeleidende document dient blijkens de tekst van dit document te worden ingevuld de "benaming en chemische samenstelling van de afvalstoffen". Noch in de Verordening (EEG) nr. 259/93, noch op (de achterzijde van) het begeleidende document zijn nadere voorschriften gegeven waaraan de in te vullen benaming dient te voldoen of zijn daarover instructies gegeven. 3.4.3. Het in de tenlastelegging genoemde EVOA-document "Vervoersdocument voor grensoverschrijdende afvaloverbrenging" betreft het vervoersdocument, voorgeschreven in artikel 4, gelezen in samenhang met bijlage I B, van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffen de overbrenging van afvalstoffen (hierna: Verordening (EG) nr. 1013/2006). In vak 12 van dit vervoersdocument dient blijkens de tekst van dit document te worden ingevuld de "benaming en chemische samenstelling van de afvalstoffen". In bijlage I C van Verordening (EG) nr. 1013/2006 zijn specifieke instructies neergelegd voor het invullen van het vervoersdocument. Blijkens deze instructies dient in vak 12 te worden vermeld de benaming of benamingen waaronder het materiaal algemeen bekend is of de handelsnaam. 3.4.4. De verdediging van de medeverdachten [verdachte 1] en [verdachte 2] heeft bepleit dat "fluxolie" de door verdachte gebruikte handelsnaam is voor de afvalstoffen die met gebruikmaking van de in de tenlastelegging bedoelde EVOA-documenten zijn overgebracht. Gelet op de verklaringen van enkele medewerkers van [verdachte organisatie] [medewerkers 3 en 4] ) en enkele afnemers van [verdachte organisatie] ( [afnemer 1] van [organisatie 4] en [afnemer 2] van [organisatie 5] ) acht de rechtbank aannemelijk dat dit inderdaad het geval is. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat er geen wettelijke definitie van de term "fluxolie" bestaat. 3.4.5. Gelet op het ontbreken van andersluidende voorschriften of instructies, gaat de rechtbank ervan uit dat het was toegestaan om ook in vak 13 van het begeleidende document, voorgeschreven in Verordening (EEG) nr. 259/93, de handelsnaam van de afvalstoffen te vermelden. 3.4.6. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat het vermelden van de term "fluxolie" op de in de tenlastelegging bedoelde EVOA-documenten valselijk of in strijd met de waarheid is gebeurd. Daarom zal de rechtbank verdachte in zoverre vrijspreken van het onder 3. ten laste gelegde. Bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde 3.5. De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen die de daartoe redengevende feiten en omstandigheden bevatten, het volgende vast. Bewijsmiddelen gang van zaken in Roosendaal bij [medeverdachte organisatie 2] en [onderdeel medeverdachte organisatie 2] 3.5.1.1. [medeverdachte organisatie 2] en [onderdeel medeverdachte organisatie 2] waren in de ten laste gelegde periode gevestigd in Roosendaal. [medeverdachte organisatie 2] zamelde in die periode afgewerkte olie in bij garagebedrijven en gaf deze vervolgens af aan [onderdeel medeverdachte organisatie 2] . Vervolgens verkocht [onderdeel medeverdachte organisatie 2] de afgewerkte olie aan verdachte. De medewerkers van [onderdeel medeverdachte organisatie 2] maakten de begeleidingsbrieven voor het binnenlandse transport. De medewerkers van [onderdeel medeverdachte organisatie 2] gaven de begeleidingsformulieren mee aan de vervoerder en stuurden de vracht naar verdachte. Verdachte regelde het transport en droeg de kosten daarvan. De afgewerkte olie werd deels per schip en deels per tankwagen getransporteerd van [onderdeel medeverdachte organisatie 2] te Roosendaal naar het bedrijf van verdachte te Farmsum. Verdachte werd eigenaar van de afgewerkte olie zodra de transporteur de olie overnam. Verdachte betaalde [onderdeel medeverdachte organisatie 2] voor de afgewerkte olie. [medeverdachte organisatie 2] en [onderdeel medeverdachte organisatie 2] hebben in de ten laste gelegde periode geen kennisgeving gedaan aan en/of toestemming gekregen van de betrokken bevoegde autoriteiten voor het overbrengen van afgewerkte (smeer-)olie, noch van andere afvalstoffen, van Roosendaal naar [organisatie 4] te Dollbergen en/of [organisatie 5] te Duisburg. 3.5.1.2. [verdachte 2] was in de ten laste gelegde periode enig directeur en enig aandeelhouder van Holding [medeverdachte organisatie 2] BV en Holding [medeverdachte organisatie 2] BV was in die periode enig aandeelhouder van [onderdeel medeverdachte organisatie 2] en [medeverdachte organisatie 2] . [verdachte 2] en Holding [medeverdachte organisatie 2] BV waren in de ten laste gelegde periode de enige directeuren van [onderdeel medeverdachte organisatie 2] en [medeverdachte organisatie 2] . De activiteiten van [onderdeel medeverdachte organisatie 2] waren in de ten laste gelegde periode aardolieverwerking (geen raffinage), groothandel in minerale olieproducten en vloeibare en gasvormige brandstoffen en het be- en verweken en bewaren van en handelen in olie en andere chemische producten. De activiteiten van [medeverdachte organisatie 2] waren in de ten laste gelegde periode onder meer het inzamelen, bewaren en handelen in olie. De activiteiten van [onderdeel medeverdachte organisatie 2] en [medeverdachte organisatie 2] zagen onder meer op afgewerkte olie. Voordat verdachte werd opgericht, werd ook al olie naar Dollbergen vervoerd vanaf de " [medeverdachte organisatie 2] -bedrijven". [verdachte 2] was in de ten laste gelegde periode twee dagen per week in Roosendaal bij de " [medeverdachte organisatie 2] -bedrijven". In de periode van 2006 tot en met 2009 zijn door [onderdeel medeverdachte organisatie 2] kennisgevingen gedaan van het overbrengen van afvalolie naar Duitsland. [verdachte 2] was eindverantwoordelijke bij [onderdeel medeverdachte organisatie 2] en [medeverdachte organisatie 2] . Hij zette de lijnen uit hoe één en ander verwerkt moest worden en was uiteindelijk degene die besliste. De bedrijfsleider van [onderdeel medeverdachte organisatie 2] had dagelijks contact met [verdachte 2] en wekelijks contact met [verdachte 1] . [verdachte 2] hield zich binnen [medeverdachte organisatie 2] bezig met de verkoop. Bewijsmiddelen gang van zaken bij [medeverdachte organisatie 1] in Lelystad 3.5.2.1. [medeverdachte organisatie 1] zamelde in de ten laste gelegde periode afgewerkte olie in bij onder meer garagebedrijven en industrie. [medeverdachte organisatie 1] bulkte de afgewerkte olie op in Lelystad en leverde het daarna aan verdachte. De afgewerkte olie werd deels per schip en deels per tankwagen getransporteerd van [medeverdachte organisatie 1] te Lelystad naar het bedrijf van verdachte te Farmsum. De depotmedewerker van [medeverdachte organisatie 1] maakte de begeleidingsbrieven op voor de transporten van de afgewerkte olie naar het bedrijf van verdachte te Farmsum. Verdachte regelde het transport van de afgewerkte olie en droeg de kosten daarvan. Verdachte werd eigenaar van de afgewerkte olie zodra de transporteur de olie overnam. Verdachte betaalde [medeverdachte organisatie 1] voor de afgewerkte olie. [medeverdachte organisatie 1] heeft op 8 juni 2005 een algemene kennisgeving gedaan aan en op 21 juni 2005 toestemming gekregen van de bevoegde betrokken autoriteiten voor de overbrenging van machine-, transmissie- en smeeroliën van Lelystad naar [organisatie 4] te Dollbergen per tankwagen in de periode van 1 juli 2005 tot en met 30 juni 2006. [medeverdachte organisatie 1] heeft op 21 juni 2006 een algemene kennisgeving gedaan aan en op 21 juli 2006 toestemming gekregen van de bevoegde betrokken autoriteiten voor de overbrenging van afgewerkte olie van Lelystad naar [organisatie 4] te Dollbergen per tankwagen in de periode van 1 juli 2006 tot en met 30 juni 2007. [medeverdachte organisatie 1] heeft in de ten laste gelegde periode geen andere kennisgevingen gedaan aan en/of toestemmingen gekregen van de betrokken bevoegde autoriteiten voor het overbrengen van afgewerkte (smeer-)olie, noch van andere afvalstoffen, van Lelystad naar [organisatie 4] te Dollbergen en/of [organisatie 5] te Duisburg. 3.5.2.2. [verdachte 1] en [medeverdachte BV organisatie 1] vormden in de ten laste gelegde periode de directie van [medeverdachte organisatie 1] . Beide directeuren waren gezamenlijk bevoegd en [verdachte 1] had een volledige volmacht. [medeverdachte BV organisatie 1] was in die periode de enige aandeelhouder van [medeverdachte organisatie 1] . [medeverdachte ] was in de ten laste gelegde periode de enig aandeelhouder en bestuurder van [medeverdachte BV organisatie 1] . De activiteiten van [medeverdachte organisatie 1] waren in de ten laste gelegde periode onder meer het inzamelen, vervoeren en op- en overslaan van en het handelen in afgewerkte oliën. [medeverdachte ] en [medeverdachte BV organisatie 1] bemoeiden zich in de ten laste gelegde periode niet met de dagelijkse werkzaamheden van [medeverdachte organisatie 1] . [medewerkster] (hierna: [medewerkster] ) was werkzaam bij [medeverdachte organisatie 1] , (onder meer) als bedrijfsleider. [medewerkster] kon sparren met [verdachte 1] en had wekelijks overleg met hem, waarbij de beleidsmatige zaken werden doorgenomen. [verdachte 1] kwam af en toe op het kantoor van [medeverdachte organisatie 1] in Putten. Als er problemen waren belde [medewerkster] [verdachte 1] en zij gebruikte hem soms als klankbord. [medewerkster] was verantwoording schuldig aan [verdachte 1] . [verdachte 1] legde verantwoordelijkheid af aan [medeverdachte ] en hij sprak op vrijdagavond vaak met hem ontwikkelingen door die moesten worden geregeld. [medeverdachte organisatie 1] heeft in de ten laste gelegde periode meerdere kennisgevingen op grond van de EVOA-regelgeving gedaan voor het overbrengen van afvalstoffen, waaronder afgewerkte olie, naar het buitenland. In de meeste gevallen zijn de beschikkingen op deze kennisgevingen aan [medeverdachte organisatie 1] verzonden ter attentie van [verdachte 1] . [verdachte 1] heeft in 2008 bezwaar gemaakt tegen de actieve openbaarmaking van de beschikkingen op twee van deze kennisgevingen en heeft in beide gevallen telefonisch contact gehad met SenterNovem . [verdachte 1] heeft op 16 april 2009 telefonisch contact gehad met [medewerkster] over vier transporten van afvalolie van [bedrijf 6] naar [medeverdachte organisatie 1] en hij heeft [medewerkster] opdracht gegeven deze vrachten op een bepaalde manier aan het LMA te melden. Tevens heeft hij haar opdracht gegeven een afvalstroomnummer te arrangeren voor het transport van brandstofrestanten van [bedrijf 6] naar [medeverdachte organisatie 1] . [verdachte 1] heeft [medewerkster] in de periode van mei tot oktober 2009 opdracht gegeven een scheepstransport van [bedrijf 1] naar [medeverdachte organisatie 1] op een bepaalde manier aan het LMA te melden. Bewijsmiddelen scheepstransporten algemeen 3.5.3.1. In de periode van 2006 tot en met eind 2009 voer het [schip] alleen voor verdachte en vervoerde zij hoofdzakelijk afgewerkte olie van (onder meer) [onderdeel medeverdachte organisatie 2] in Roosendaal en [medeverdachte organisatie 1] in Lelystad naar Delfzijl. [schip] duwde alleen de [tankduwbak 1] . Voor het transport binnen Nederland ontving [schip] documenten van [medeverdachte organisatie 2] of [medeverdachte organisatie 1] (de rechtbank begrijpt: [onderdeel medeverdachte organisatie 2] en [medeverdachte organisatie 1] ). Op de begeleidingsbrieven die [schip] meekreeg, stond dat verdachte de ontvanger was. De afgewerkte olie van [medeverdachte organisatie 2] en [medeverdachte organisatie 1] (de rechtbank begrijpt: [onderdeel medeverdachte organisatie 2] en [medeverdachte organisatie 1] ) werd in de periode van 2006 tot en met 2009 niet altijd bij het bedrijf van verdachte gelost en de partijen werden ook wel rechtstreeks naar Mehrum in Duitsland vervoerd. [verdachte 1] en [verdachte 2] bepaalden dat dit zo moest gaan en [medewerker 1] en [medewerker 2] maakten op hun verzoek en in hun opdracht de papieren klaar. Vaak regelde [verdachte 2] dat de schipper de papieren bij een sluis of op een andere plek kreeg. [verdachte 2] kreeg dan van de schipper de begeleidingsbrief van de inkomende partij en wisselde deze om met een door [medewerker 1] of [medewerker 2] opgemaakt vergunningsdocument. De verwisselde documenten betroffen onder meer de begeleidingsbrief en de formulieren betreffende de kennisgeving aan SenterNovem . Met de nieuwe papieren voer [schip] verder met de eerder geladen vracht naar de vestiging van [organisatie 4] te Mehrum. De schippers van [schip] kregen de opdrachten/instructies over het vervoer van stoffen van de ene locatie naar de andere en de laad- en losplaatsen telefonisch of per fax van verdachte. In een deel van de periode voer [schip] naar het bedrijf van verdachte, kreeg zij daar andere papieren en voer dan door. In de periode daarna moest [schip] wachten bij de sluis, kwam daar een controleur en kon [schip] gelijk verder varen. In Mehrum werd de lading in een opslagtank op het land gepompt, waarna het met vrachtwagens naar Dollbergen werd gebracht. Vanaf [medeverdachte organisatie 2] en [medeverdachte organisatie 1] (de rechtbank begrijpt: [onderdeel medeverdachte organisatie 2] en [medeverdachte organisatie 1] ) naar het bedrijf van verdachte was de benaming van de lading afgewerkte olie en vanaf Delfzijl naar Mehrum was de benaming fluxolie, terwijl de lading in de tussentijd niet was gelost. 3.5.3.2. Alle vervoer per schip werd bij verdachte geregeld door [verdachte 1] . [verdachte 1] bepaalde waar de ladingen heen moesten. De praktijk was dat [verdachte 1] en [verdachte 2] bepaalden of een afvalstof al dan niet werd bewerkt bij verdachte. Verdachte of [verdachte 1] regelde de hele reisplanning van [schip] . In het begin waren [verdachte 1] en [verdachte 2] de enige contactpersonen van de schipper van [schip] bij verdachte. [verdachte 1] belde de schipper op en gaf de komende reizen op. Later verliep dit via de secretaresses van verdachte, [medewerker 1] en [medewerker 2] . In Delfzijl kreeg de schipper van [schip] de documenten meestal overhandigd van de secretaresses van verdachte. De vervoersdocumenten werden klaargemaakt, gestempeld en getekend door de twee secretaresses van verdachte. [medewerker 1] en [medewerker 2] melden deze EVOA-documenten aan bij SenterNovem . Deze documenten werden gefaxt naar SenterNovem en de buitenlandse autoriteiten. Het wisselen van de papieren gebeurde altijd expliciet in opdracht van [verdachte 1] . De EVOA-documenten voor de transporten vanaf het bedrijf van verdachte werden ingevuld en aangemeld bij SenterNovem en de desbetreffende regering door [medewerker 1] en [medewerker 2] . [verdachte 1] gaf hen opdracht om bepaalde vrachten aan te melden en zij maakten daarvoor de formulieren op. 3.5.3.3. Van de ladingen die per schip bij verdachte werden aangevoerd, werden metingen gedaan en een rapport opgemaakt door de onafhankelijke surveyor [surveyor] . Ook werd door de surveyor gekeken of de ruimen van het schip leeg waren. Het rapport van [surveyor] werd ter beschikking gesteld aan de secretaresses [medewerker 1] en [medewerker 2] . Hierdoor kregen zij inzicht in de hoeveelheid lading. Deze rapporten werden meegegeven aan de schipper en tevens door [medewerker 1] en [medewerker 2] bij de documenten van de desbetreffende lading gevoegd en in een ordner bewaard. De medewerkers van [surveyor] kregen van verdachte de planning en kregen ook van [verdachte organisatie] te horen wanneer er een papierwissel was. Het kwam vaak voor dat [schip] voor de sluis in Delfzijl van medewerkers van [surveyor] andere documenten kreeg van de lading. De controleur van [surveyor] maakte de papieren zo op dat het leek dat [schip] bij het bedrijf van verdachte had gelost en weer geladen, terwijl dit in werkelijkheid niet zo was. De medewerkers van [surveyor] kregen van verdachte de begeleidingsbrief en (in de regel) van de schipper het laadbericht van het schip en zij namen daarvan de kilogrammen, de kuubs en de naam van de vracht over op de Tankleichter Messberichten (laad- en losrapporten). De medewerkers van [surveyor] tekenden de begeleidingsbrieven van het schip voor ontvangst. Deze Tankleichter Messberichten werden opgesteld als bewijs van het totaalgewicht van de lading. Verder vulden zij op de Tankleichter Messberichten fictieve tijdstippen in voor wat betreft aanmeren, aansluiten slang, pompbegin, pompeinde, verwijderen slang en afvaren van het schip, waardoor de onjuiste suggestie werd gewekt dat het schip werd geladen en gelost. Zij deden dit in opdracht van verdachte. Een medewerker van verdachte heeft een medewerker van [surveyor] meegedeeld dat verdachte ook in die gevallen van [surveyor] zowel een los- als een laadrapport verwachtte. De schippers van [schip] gaven aan wanneer zij wilden afvaren vanaf hun ligplaats in Farmsum, niet zijnde de steiger bij het bedrijf van verdachte, en de medewerkers van [surveyor] verrekenden de lostijd op het Tankleichter Messbericht, zodat het zou lijken dat de afvaart exact overeenkwam met het vertrek van [schip] , zoals dit door de schipper was opgegeven. Op grond van voorschrift 2.2.5. van de milieuvergunning d.d. 9 juni 2009 diende verdachte te allen tijde te handelen conform de AO/IC. In de AO/IC beschrijving van verdachte (versie 30 mei 2007) stond dat de administratieve medewerker bij aan- en afleveringen per schip de onafhankelijke surveyor inlichtte welke lading wanneer werd verwacht, dat de onafhankelijke surveyor per schip een voormeting verrichtte van de totale in het schip aanwezige hoeveelheid, dat de onafhankelijke surveyor na het lossen of laden van het schip een zogenaamde nameting verrichtte op de nieuwe voorraad van het schip, dat op deze wijze de geloste of geladen hoeveelheid werd bepaald en dat de onafhankelijk surveyor van deze voor- en nameting een rapport opstelde. Bewijsmiddelen scheepstransporten periode 2 augustus 2006 tot en met 11 december 2006 3.5.4.1. In het jaar 2006 heeft acht keer een omwisseling van documenten plaatsgevonden, waaronder op 21 september 2006. [schip] is die keren daadwerkelijk aangekomen in Farmsum, maar niet bij het bedrijf van verdachte aan [adres] . [schip] lag in de haven bij de sluis. De lading werd die keren niet gelost. 3.5.4.2. In de inbeslaggenomen digitale gegevens van verdachte is het volgende vermeld. [schip] is op 17 augustus 2006, 21 september 2006, 11 oktober 2006, 27 oktober 2006, 10 november 2006 en 11 december 2006 aangekomen met transporten die afkomstig waren van leverancier [medeverdachte organisatie 1] te Lelystad. De lading van deze zes transporten is telkens aangeduid als smeerolie. [schip] is telkens op dezelfde dag weer vertrokken naar [organisatie 4] , waarbij de lading telkens is aangeduid als fluxolie. Het gewicht van de afgevoerde hoeveelheid fluxolie was telkens exact gelijk aan het gewicht van de aangeleverde hoeveelheid smeerolie (vijf maal) of één kg meer dan het gewicht van de aangeleverde hoeveelheid smeerolie (eenmaal). Deze gegevens komen exact overeen met de gegevens die op de in de tenlastelegging genoemde bladzijde 41 00848 zijn vermeld bij de transporten die op die bladzijde zijn aangeduid als EVOA-tr. NL 115503/13 tot en met EVOA-tr. NL 115503/17 en EVOA-tr. NL 115503/19. 3.5.4.3. Voor de zes transporten die op 16 augustus 2006, 20 september 2006, 11 oktober 2006, 26 oktober 2006, 10 november 2006 en 9 december 2006 met [schip] onder de benaming fluxolie zijn overgebracht naar de ontvanger [organisatie 4] , zijn de EVOA-documenten "grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen" gebruikt, corresponderend met kennisgeving NL 115503, respectievelijk met de volgnummers 13 tot en met 17 en 19. Deze documenten zijn elk voorzien van een bedrijfsstempel van [verdachte organisatie] en een handtekening namens de kennisgever [verdachte organisatie] . De transporten zijn respectievelijk op 21 augustus 2006, 26 september 2006, 17 oktober 2006, 31 oktober 2006, 15 november 2006 en 14 december 2006 aangekomen bij [organisatie 4] . De algemene kennisgeving NL 115503 is gedaan door [verdachte organisatie] (als kennisgever) en betreft de overbrenging van "fluxolie, afkomstig van de destillatie van ingezamelde afgewerkte olie" van het bedrijf van verdachte te Farmsum naar [organisatie 4] te Dollbergen in Duitsland. Bewijsmiddelen scheepstransporten periode 7 januari 2007 tot en met 29 september 2007 3.5.5.1. In het jaar 2007 heeft zestien keer een omwisseling van documenten plaatsgevonden. [schip] is die keren daadwerkelijk aangekomen in Farmsum, maar niet bij het bedrijf van verdachte aan [adres] . [schip] lag in de haven bij de sluis. De lading werd die keren niet gelost. 3.5.5.2. In de inbeslaggenomen digitale gegevens van verdachte is het volgende vermeld. [schip] is op 1 maart 2007, 22 maart 2007, 14 of 15 april 2007, 29 juni 2007, 25 juli 2007, 23 oktober 2007, 18 november 2007, 1 december 2007, 13 december 2007 en 28 december 2007 aangekomen met transporten die afkomstig waren van leverancier [medeverdachte organisatie 1] te Lelystad en op 9 november 2007 met een transport dat afkomstig was van leverancier [medeverdachte organisatie 2] te Roosendaal. De lading van deze elf transporten is telkens aangeduid als smeerolie. [schip] is telkens op dezelfde dag, één dag later of (volgens de digitale gegevens van verdachte) zelfs één dag eerder weer vertrokken naar [organisatie 4] , waarbij de lading telkens is aangeduid als fluxolie. Het gewicht van de afgevoerde hoeveelheid fluxolie was telkens exact gelijk aan het gewicht van de aangeleverde hoeveelheid smeerolie (zeven maal) of één kg (tweemaal) dan wel 1.148 kg (0,12%) (eenmaal) meer dan het gewicht van de aangeleverde hoeveelheid smeerolie of twee kg minder (eenmaal) dan het gewicht van de aangeleverde hoeveelheid smeerolie. In het geval waarin het aangevoerde gewicht 1.148 kg lager was, was het aantal liters van de aangevoerde hoeveelheid smeerolie exact gelijk aan het aantal liters van de afgevoerde hoeveelheid smeerolie. Deze gegevens komen exact overeen met de gegevens die op de in de tenlastelegging genoemde bladzijde 41 00847 zijn vermeld bij de transporten die op die bladzijde zijn aangeduid als EVOA-tr. NL 115510/3 tot en met EVOA-tr. NL 115510/5, EVOA-tr. NL 115510/9, EVOA-tr. NL 115510/10 en EVOA-tr. NL 115510/13 tot en met EVOA-tr. NL 115510/18. 3.5.5.3. Voor de elf transporten die op 28 februari 2007, 21 maart 2007, 15 april 2007, 29 juni 2007, 25 juli 2007, 20 oktober 2007, 9 november 2007, 19 november 2007, 2 december 2007, 13 december 2007 en 31 december 2007 met [schip] onder de benaming fluxolie zijn overgebracht naar de ontvanger [organisatie 4] , zijn de EVOA-documenten "grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen" gebruikt, corresponderend met kennisgeving NL 115510, respectievelijk met de volgnummers 3 tot en met 5, 9, 10 en 13 tot en met 18. Deze documenten zijn elk voorzien van een bedrijfsstempel van verdachte en een handtekening namens de kennisgever [verdachte organisatie] . De transporten zijn respectievelijk op 5 maart 2007, 26 maart 2007, 18 april 2007, 2 juli 2007, 30 juli 2007, 29 oktober 2007, 13 november 2007, 22 november 2007, 7 december 2007, 17 december 2007 en 7 januari 2008 aangekomen bij [organisatie 4] . De algemene kennisgeving NL 115510 is gedaan door verdachte (als kennisgever) en betreft de overbrenging van "fluxolie, afkomstig van het destilleren van afgewerkte olie" van het bedrijf van verdachte te Farmsum naar [organisatie 4] te Dollbergen in Duitsland. Bewijsmiddelen scheepstransporten periode 7 februari 2008 tot en met 12 december 2008 3.5.6.1. In het jaar 2008 heeft twintig keer een omwisseling van documenten plaatsgevonden. [schip] is die keren daadwerkelijk aangekomen in Farmsum, maar niet bij het bedrijf van verdachte aan [adres] . [schip] lag in de haven bij de sluis. De lading werd die keren niet gelost. 3.5.6.2. In de inbeslaggenomen digitale gegevens van verdachte is het volgende vermeld. [schip] is op 7 februari 2008, 24 februari 2008, 4 maart 2008, 4 april 2008, 10 mei 2008, 5 juni 2008, 19 juni 2008, 1 juli 2008, 23 of 24 juli 2008, 14 augustus 2008, 29 augustus 2008, 17 september 2008 en 12 november 2008 aangekomen met transporten die afkomstig waren van leverancier [medeverdachte organisatie 1] te Lelystad en op 20 maart 2008, 27 april 2008, 1 oktober 2008, 27 november 2008 en 12 december 2008 met transporten die afkomstig waren van leverancier [medeverdachte organisatie 2] te Roosendaal. De lading van deze transporten is telkens aangeduid als afgewerkte olie of smeerolie. [schip] is telkens op dezelfde dag of één dag later weer vertrokken naar [organisatie 4] , waarbij de lading telkens is aangeduid als fluxolie. Het gewicht van de afgevoerde hoeveelheid fluxolie was telkens exact gelijk aan het gewicht van de aangeleverde hoeveelheid afgewerkte olie of smeerolie (twaalf maal) of één tot 4.000 kg meer dan het gewicht van de aangeleverde hoeveelheid afgewerkte olie of smeerolie (vijf maal) of 1.849 kg (0,20%) minder dan het gewicht van de aangeleverde hoeveelheid smeerolie (eenmaal). In het geval dat het gewicht 1.849 kg lager was, was het aantal afgevoerde liters fluxolie 275 meer dan het aantal aangevoerde liters smeerolie. Deze gegevens komen exact overeen met de gegevens die op de in de tenlastelegging genoemde bladzijden 41 00845 en 41 00846 zijn vermeld bij de transporten die op die bladzijden zijn aangeduid als EVOA-tr. NL 201324/1 tot en met EVOA-tr. NL 201324/15 en EVOA-tr. NL 201324/18 tot en met EVOA-tr. NL 201324/20. 3.5.6.3. Om het bedrijf van verdachte per schip te bereiken, vaart men vanaf het Eemskanaal naar de Oosterhornhaven. Bij de ingang van deze haven staat een bord, inhoudende de verplichting zich te melden op het aangegeven marifoonkanaal van het Haven Coördinatie Centrum in Delfzijl, onderdeel van Groningen Sea Ports te Delfzijl (hierna: het HCC). Vervolgens vaart men via het Oosterhornkanaal naar het bedrijf van verdachte. Een andere route om het bedrijf van verdachte per schip te bereiken is er niet. Bij een melding moet ook worden aangegeven waar een schip heen gaat. Deze meldingen worden gedaan per telefoon of marifoon en worden ingevoerd in het elektronisch systeem "monitor harbour for Delfzijl". Meldingen kunnen 24 uur per etmaal worden gedaan en er wordt ook 24 uur per etmaal geregistreerd. Door rond te rijden in de havens controleren medewerkers van het HCC of de schepen die in de haven zijn aangekomen zich hebben gemeld. Het HCC heeft ook camera's waarmee de schepen in de gaten worden gehouden. Indien schepen worden opgemerkt die zich niet hebben gemeld, worden deze alsnog geregistreerd. Een medewerker van de gemeente registreert handmatig de passage van schepen door de Weiwerderbrug en schrijft dit op de zogenaamde sluislijst, welke eenmaal per dag naar het HCC wordt gefaxt, zodat het HCC achteraf kan zien wie er door de bruggen ging. Een schip moet zich ook melden als het ligplaats inneemt. De kans dat gegevens niet doorkomen bij het HCC, bijvoorbeeld door een storing, is nagenoeg nihil, omdat er een back-up-systeem is dat via een generator direct weer stroom genereert voor het systeem. De geregistreerde gegevens worden bewaard. Op de data in de periode van 7 februari 2008 tot en met 12 december 2008 dat [schip] volgens de digitale gegevens van verdachte aankwam en weer vertrok, is in het systeem "monitor harbour for Delfzijl" niet geregistreerd dat (de bemanning van) [schip] heeft gemeld dat [schip] de Oosterhornhaven is binnengevaren dan wel ligplaats heeft ingenomen bij het bedrijf van verdachte, behalve op 11 november 2008 om 16:45 uur op de aanleglocatie " [verdachte organisatie] " (vertrek 12 november 2008 om 03:30 uur met bestemming Duisburg). 3.5.6.4. Op de begeleidingsbrieven betreffende de transporten van afgewerkte olie met [schip] vanaf de ontdoener [medeverdachte organisatie 1] aangevangen op 6 februari 2008, 22 februari 2008, 3 maart 2008, 9 mei 2008, 17 juni 2008, 30 juni 2008, 22 juli 2008, 11 augustus 2008, 28 augustus 2008, 16 september 2008 en 10 november 2008 is telkens als ontvanger " [verdachte organisatie] " vermeld. 3.5.6.5. Voor de achttien transporten die op 8 februari 2008, 23 februari 2008, 4 maart 2008, 20 maart 2008, 4 april 2008, 27 april 2008, 11 mei 2008, 3 juni 2008, 19 juni 2008, 2 juli 2008, 24 juli 2008, 13 augustus 2008, 30 augustus 2008, 17 september 2008, 2 oktober 2008, 12 november 2008, 27 november 2008 en 11 december 2008 met [schip] onder de benaming fluxolie zijn overgebracht naar de ontvanger [organisatie 4] , zijn de EVOA-documenten "vervoersdocument voor grensoverschrijdende afvaloverbrenging" gebruikt, corresponderend met kennisgeving NL 201324, respectievelijk met de volgnummers 1 tot en met 15 en 18 tot en met 20. Deze documenten zijn elk voorzien van een bedrijfsstempel van [verdachte organisatie] en een handtekening namens de kennisgever, zijnde verdachte. De transporten zijn respectievelijk op 11 februari 2008, 28 februari 2008, 8 maart 2008, 25 maart 2008, 8 april 2008, 1 mei 2008, 15 mei 2008, 9 juni 2008, 23 juni 2008, 5 juli 2008, 28 juli 2008, omstreeks 18 augustus 2008, 3 september 2008, 22 september 2008, 6 oktober 2008, 17 november 2008, 1 december 2008 en 15 december 2008 aangekomen bij [organisatie 4] . Op deze achttien EVOA-documenten is in vak 9 bij "Producent(
- en)van de afvalstoffen" telkens ingevuld " [verdachte organisatie] te "Farmsum" en is bij "Locatie waarop en proces waarbij de afvalstoffen zijn ontstaan" telkens ingevuld "idem / destillatie". De algemene kennisgeving NL 201324 is gedaan door verdachte (als kennisgever) en betreft de overbrenging van "fluxolie (…) afkomstig van het destilleren van ingezamelde afgewerkte olie" van het bedrijf van verdachte te Farmsum naar [organisatie 4] te Dollbergen in Duitsland. Bewijsmiddelen scheepstransporten periode 21 december 2008 tot en met 2 september 2009 3.5.7.1. In het jaar 2009 heeft zestien keer een omwisseling van documenten plaatsgevonden, waaronder op 2 september 2009. [schip] is die keren daadwerkelijk aangekomen in Farmsum, maar niet bij het bedrijf van verdachte aan [adres] . [schip] lag in de haven bij de sluis. De lading werd die keren niet gelost. 3.5.7.2. In 2009 zijn ten minste zestien transporten vanaf [medeverdachte organisatie 2] in Roosendaal of [medeverdachte organisatie 1] in Lelystad (de rechtbank begrijpt: [onderdeel medeverdachte organisatie 2] of [medeverdachte organisatie 1] ) naar Delfzijl nooit bij het bedrijf van verdachte gelost maar na een documentenwissel doorgezet naar Mehrum. De vervoersdocumenten voor grensoverschrijdende afvaloverbrenging, corresponderend met de kennisgeving NL 201330, met de volgnummer 1/45 tot en met 16/45 hebben betrekking op rechtstreekse vrachten van [medeverdachte organisatie 2] of [medeverdachte organisatie 1] (de rechtbank begrijpt: [onderdeel medeverdachte organisatie 2] of [medeverdachte organisatie 1] ) naar [organisatie 4] te Dollbergen in Duitsland. Met behulp van deze documenten is fluxolie vervoerd. De begeleidingsbrief van deze vrachten is omgewisseld voor een EVOA-document aan de kade bij het bedrijf van verdachte of voor de sluis in Farmsum. [schip] is in deze gevallen niet bij het bedrijf van verdachte gelost en opnieuw geladen. Een gedeelte van deze documenten is telkens ingevuld door [medewerker 1] en [medewerker 2] en deze documenten zijn door hen ondertekend. Zij hebben dit gedaan in opdracht van [verdachte 1] en [verdachte 2] . 3.5.7.3. In de inbeslaggenomen digitale gegevens van verdachte is het volgende vermeld. [schip] is op 2 januari 2009 aangekomen met een transport dat afkomstig was van leverancier [onderdeel medeverdachte organisatie 2] te Roosendaal en was aangeduid als afgewerkte olie. [schip] is op 28 januari 2009 vetrokken naar [organisatie 4] , waarbij de lading is aangeduid als fluxolie. [schip] is op 11 februari 2009, 12 maart 2009, 9 juni 2009, 28 juli 2009, 21 augustus 2009 en 2 september 2009 aangekomen met transporten die afkomstig waren van leverancier [onderdeel medeverdachte organisatie 2] te Roosendaal en op 25 maart 2009, 14 april 2009, 29 april 2009, 12 mei 2009, 27 mei 2009, 2 juli 2009, 14 juli 2009 en 9 augustus 2009 met transporten die afkomstig waren van leverancier [medeverdachte organisatie 1] te Lelystad. De lading van deze veertien transporten is telkens aangeduid als smeerolie. [schip] is in deze veertien gevallen telkens op dezelfde dag of één dag later weer vertrokken naar [organisatie 4] , waarbij de lading telkens is aangeduid als fluxolie. Het gewicht van de afgevoerde hoeveelheid fluxolie was telkens exact gelijk aan het gewicht van de aangeleverde hoeveelheid afgewerkte olie (negen maal) of één tot 1.831 kg meer dan het gewicht van de aangeleverde hoeveelheid smeerolie (drie maal) of 516 (0,05%) tot 1.485 kg (0,16%) minder dan het gewicht van de aangeleverde hoeveelheid smeerolie (tweemaal). Deze gegevens komen exact overeen met de gegevens die op de in de tenlastelegging genoemde bladzijden 41 00843 en 41 00844 zijn vermeld bij de transporten die op die bladzijde zijn aangeduid als EVOA-tr. NL 201330/1 tot en met EVOA-tr. NL 201330/16. 3.5.7.4. Op de data in de periode van 21 december 2008 tot en met 10 juni 2009 dat [schip] volgens de digitale gegevens van verdachte aankwam en weer vertrok, is in het systeem "monitor harbour for Delfzijl" niet geregistreerd dat (de bemanning van) [schip] heeft gemeld dat [schip] de Oosterhornhaven is binnengevaren dan wel ligplaats heeft ingenomen bij het bedrijf van verdachte, behalve op 10 juni 2009 om 15:58 uur op de aanleglocatie "DSBHH" (vertrek 10 juni 2009 om 20:45 uur met bestemming Mehrum). De aanleglocatie "DSBHH" betreft de "drijvende steiger binnenzijde handelshaven". Dit is een steiger in de handelshaven van Delfzijl en het bedrijf van verdachte is vanaf die locatie niet te bereiken. 3.5.7.5. Uit de analyses van de door [schip] op 2 januari 2009, 28 januari 2009, 11 februari 2009, 12 maart 2009, 25 maart 2009, 14 april 2009, 29 april 2009, 12 mei 2009, 27 mei 2009, 9 juni 2009, 2 juli 2009, 14 juli 2009, 28 juli 2009, 21 augustus 2009 en 2 september 2009 aangevoerde transporten afgewerkte olie blijkt dat de waterpercentages van de ladingen respectievelijk 6,5%, 6,3%, 5,8%, 5,4%, 6,6%, 6,5%, 9%, 5,2%, 5,2%, 7,5%, 6,4%, 5,7%, 4,9%, 4% en 5% waren. Uit de analyses van [organisatie 4] van de op 7 januari 2009, 2 februari 2009, 16 februari 2009, 16 maart 2009, 31 maart 2009, 17 april 2009, 4 mei 2009, 15 mei 2009, 2 juni 2009, 13 juni 2009, 6 juli 2009, 20 juli 2009, 31 juli 2009, 25 augustus 2009 en 7 september 2009 van verdachte ontvangen transporten blijkt dat de waterpercentages van de ladingen respectievelijk 6,6%, 5,6%, 6,3%, 6,0%, 5,7%, 4,8%, 6,3%, 5,7%, 4,5%, 6,0%, 5,4%, 4,5%, 8,1%, 3,9% en 6,9% waren. 3.5.7.6. [verdachte 1] heeft [collega 1] op 3 april 2009 telefonisch meegedeeld dat [schip] weer gaat laden in Lelystad en dan naar Mehrum gaat en hij heeft haar gevraagd de papieren alvast klaar te maken. [verdachte 1] heeft [verdachte 2] op 17 april 2009 telefonisch meegedeeld dat [schip] weer gaat laden in Lelystad en dan weer naar Duitsland gaat. [verdachte 1] heeft [collega 2] op 20 april 2009 telefonisch meegedeeld dat hij in Lelystad een volle bak voor Mehrum moet laden en hem voorgesteld om op 4 mei in Duitsland aan te komen. Op 12 mei 2009 heeft [collega 3] aan [verdachte 2] telefonisch meegedeeld dat [schip] die dag een papierwissel heeft en heeft zij hem gevraagd waar het schip heen gaat na het laden in Dollbergen en of dit de normale route is, waarop [verdachte 2] heeft geantwoord dat hij denkt van wel en heeft gezegd dat zij de papieren klaar moet maken. Op 18 mei 2009 heeft [verdachte 1] aan [verdachte 2] telefonisch meegedeeld dat [schip] kan laden te Lelystad en heeft [verdachte 2] geantwoord dat hij akkoord is met het laden in Lelystad voor de volgende. Op 20 mei 2009 heeft [verdachte 1] aan [verdachte 2] telefonisch meegedeeld dat [schip] naar Lelystad gaat en heeft [verdachte 2] daarop gereageerd dat het in Lelystad dan gelijk weer voor Duitsland is, hetgeen [verdachte 1] heeft beaamd. 3.5.7.7. Op de begeleidingsbrieven betreffende de transporten van afgewerkte olie met [schip] vanaf de ontdoener [onderdeel medeverdachte organisatie 2] aangevangen op 21 december 2009, 24 januari 2009, 8 februari 2009, 10 maart 2009, 7 juni 2009, 25 juli 2009, 19 augustus 2009 en 31 augustus 2009 is telkens als ontvanger " [verdachte organisatie] ." vermeld. Op de begeleidingsbrieven betreffende de transporten van afgewerkte olie met [schip] vanaf de ontdoener [medeverdachte organisatie 1] aangevangen op 23 maart 2009, 6 april 2009, 27 april 2009, 11 mei 2009, 25 mei 2009, 30 juni 2009, 13 juli 2009 en 8 augustus 2009 is telkens als ontvanger " [verdachte organisatie] " vermeld. 3.5.7.8. Op de Tankleichter Messberichten betreffende het lossen en/of laden van [tankduwbak 1] bij [verdachte organisatie] op 2 januari 2009, 28 januari 2009, 11 februari 2009, 13 maart 2009, 25 maart 2009, 14 april 2009, 29 april 2009, 12 mei 2009, 28 mei 2009, 10 juni 2009, 2 juli 2009, 14 juli 2009, 28 juli 2009, 21 augustus 2009 en 2 september 2009 zijn in het vak "Schiffabfertigungszeiten" telkens tijden vermeld bij de daaronder vermelde handelingen "Festgemacht", "Schläuche angeschlagen", "Ladetanks aufgemessen", "Pumpbegin", "Pumpende", "Schläuche abgeschlagen" en "Abgang". 3.5.7.9. Voor de zestien transporten die op 2 januari 2009, 28 januari 2009, 11 februari 2009, 11 maart 2009, 25 maart 2009, 14 april 2009, 29 april 2009, 12 mei 2009, 28 mei 2009, 10 juni 2009, 1 juli 2009, 14 juli 2009, 28 juli 2009, 10 augustus 2009, 21 augustus 2009 en 3 september 2009 met [schip] onder de benaming fluxolie zijn overgebracht naar de ontvanger [organisatie 4] , zijn de EVOA-documenten "vervoersdocument voor grensoverschrijdende afvaloverbrenging" gebruikt, corresponderend met kennisgeving NL 201330, respectievelijk met de volgnummers 1 tot en met 16. Deze documenten zijn elk voorzien van een bedrijfsstempel van verdachte en een handtekening namens de kennisgever, zijnde verdachte. De transporten zijn respectievelijk op 6 januari 2009, 2 februari 2009, omstreeks 16 februari 2009, 16 maart 2009, 31 maart 2009, 17 april 2009, 4 mei 2009, 15 mei 2009, 2 juni 2009, 13 juni 2009, 6 juli 2009, 20 juli 2009, 31 juli 2009, 13 augustus 2009, 25 augustus 2009 en 7 september 2009 aangekomen bij [organisatie 4] . De algemene kennisgeving NL 201330 is gedaan door verdachte (als kennisgever) en betreft de overbrenging van "fluxolie (…) afkomstig van het destilleren van ingezamelde afgewerkte olie" van het bedrijf van verdachte te Farmsum naar [organisatie 4] te Dollbergen in Duitsland. Op het kennisgevingsdocument voor grensoverschrijdende afvaloverbrenging betreffende kennisgeving NL 201330 en de zestien voormelde vervoersdocumenten is in vak 9 bij "Producent(
- en)van de afvalstoffen" telkens ingevuld " [verdachte organisatie] " te "Farmsum" en is bij "Locatie waarop en proces waarbij de afvalstoffen zijn ontstaan" telkens ingevuld "Farmsum, destillatie". Bewijsmiddelen tankwagentransporten algemeen 3.5.8.1. Het kwam vaker voor dat een tankwagen met afval afkomstig van [medeverdachte organisatie 1] na binnenkomst bij het bedrijf van verdachte niet werd gelost en verwerkt, maar na het omruilen van de begeleidingsbrief voor een EVOA-vervoersdocument, doorging naar [organisatie 5] . 3.5.8.2. Op 7 mei 2008 is in opdracht van onder meer [verdachte 1] binnen het bedrijf van verdachte een e-mailbericht verstuurd met als bijlage een instructie over de manier waarop moest worden omgegaan met de aanname en uitgifte van documenten (papierwissel) betreffende transporten naar [organisatie 5] die afkomstig waren van [medeverdachte organisatie 1] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte organisatie 1] ). Deze instructie hield onder meer in dat bij de weging van de vrachtwagens voorafgaand aan de uitgifte van de papieren voor het transport van verdachte naar [organisatie 5] op de weegbrief het ledig gewicht van de weegbon van [medeverdachte organisatie 1] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte organisatie 1] ) moest worden ingevuld. Daardoor leek het zo dat de vrachtwagens bij het bedrijf van verdachte opnieuw leeg gewogen waren, terwijl dit in werkelijkheid niet gebeurde. De vrachtwagens met afgewerkte olie afkomstig van [medeverdachte organisatie 1] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte organisatie 1] ) werden bij het bedrijf van verdachte niet gelost en opnieuw geladen. Dit gebeurde voor 7 mei 2008 ook al en was de standaard regeling bij het bedrijf van verdachte vanaf 2007 tot en met (in ieder geval) augustus 2009. 3.5.8.3. Op 20 mei 2008 reed een tankauto met afgewerkte olie afkomstig van [medeverdachte organisatie 1] het terrein van verdachte te Farmsum op en kreeg de chauffeur in het kantoor een kennisgevingsdocument voor grensoverschrijdende afvaloverbrenging, corresponderend met kennisgeving NL 201325, en een vervoersdocument voor grensoverschrijdende afvaloverbrenging, corresponderend met kennisgeving NL 201325, met volgnummer 57 van 750. Vervolgens stapte de chauffeur in de tankauto en verliet het terrein van verdachte, zonder dat de tankauto bij het bedrijf van verdachte was gelost of geladen. Dit was de gebruikelijke werkwijze voor de transporten die plaatsvonden op deze kennisgeving en op dat moment hadden er al 60 van de 750 transporten onder deze kennisgeving op deze wijze plaatsgevonden. 3.5.8.4. Vóór de controle van 20 mei 2008 kwam het vaak voor dat een binnenkomende tankwagen alleen werd gewogen, waarna de begeleidingsbrief werd omgewisseld voor een EVOA-vervoersdocument. Na de controle van 20 mei 2008 werd de tankwagen bij binnenkomst daadwerkelijk gekoppeld aan een tank, maar werd deze niet gelost. Vervolgens vond een papierwissel plaats, werd de tankwagen na ongeveer een half uur losgekoppeld en mocht de tankwagen weer verder rijden naar zijn bestemming in Duitsland. Het was het idee van [verdachte 1] om zo te werken. 3.5.8.5. De begeleidingsbrieven van de tankwagens die binnenkwamen bij het bedrijf van verdachte, werden voor ontvangst getekend door een medewerker van verdachte.[medewerker 1] en [medewerker 2] maakten de EVOA-vervoersdocumenten voor de transporten naar [organisatie 5] op. Zij deden dit in opdracht van [verdachte 1] . [verdachte 1] heeft [medewerker 1] en [medewerker 2] aanwijzingen gegeven over de manier waarop zij de EVOA-vervoersdocumenten moesten ondertekenen en opsturen. Deze EVOA-documenten werden door [medewerker 1] en [medewerker 2] aangemeld bij SenterNovem . Deze documenten werden gefaxt naar SenterNovem en de buitenlandse autoriteiten. [verdachte 1] was binnen het bedrijf van verdachte degene die bepaalde dat een tankauto niet bij het bedrijf van verdachte maar ergens anders werd gelost. [verdachte 1] en [verdachte 2] gaven de opdracht om het transport op een bepaalde manier uit te voeren. Bewijsmiddelen tankwagentransporten periode 6 mei 2008 tot en met 19 januari 2009 3.5.9.1. In de inbeslaggenomen digitale gegevens van verdachte is het volgende vermeld. Op 6 mei 2008, 7 mei 2008, 8 mei 2008, 25 september 2008 en 9 oktober 2008 is [transporteur 1] aangekomen met transporten die afkomstig waren van leverancier " [medeverdachte organisatie 1] " / [medeverdachte organisatie 1] )". Op 8 oktober 2008 is [transporteur 2] aangekomen met een transport dat afkomstig was van leverancier " [medeverdachte organisatie 1] ". Het afvalstroomnummer 01fr80200078 is afgegeven aan de ontdoener [medeverdachte organisatie 1] te Lelystad voor het afgeven van afgewerkte olie aan verdachte te Farmsum. Op 19 januari 2009 is [transporteur 3] aangekomen met een transport dat afkomstig was van [medeverdachte organisatie 1] . De lading van deze transporten is telkens aangeduid als smeerolie, afvalolie of afgewerkte olie. De voornoemde transporteurs [transporteur 1] , [transporteur 2] en [transporteur 3] zijn telkens op dezelfde dag of (in één geval) één dag later vertrokken naar [organisatie 5] , waarbij de lading telkens is aangeduid als fluxolie. Het gewicht van de afgevoerde hoeveelheid fluxolie was telkens exact gelijk aan (vijf maal) of twintig kg minder dan (tweemaal) het gewicht van de door die transporteur op diezelfde dag of de dag tevoren aangeleverde hoeveelheid smeerolie, afvalolie of afgewerkte olie. Bij de uitgaande transporten van [transporteur 1] zijn de nummers 11/750, 26/750, 31/750, 255/750 en 302 vermeld. Bij de uitgaande transporten van de transporteurs [transporteur 2] en [transporteur 3] zijn respectievelijk de nummers 311 en 470 vermeld. Deze nummers en de in de digitale gegevens van verdachte vermelde gewichten van de uitgaande transporten komen exact overeen met de nummers en gewichten die zijn vermeld op de tweede, vierde, vijfde, zevende, achtste, negende en elfde regel van de tabel die is opgenomen op de in de tenlastelegging genoemde bladzijde 41 00095. 3.5.9.2. Voor de transporten die op 7 mei 2008 (tweemaal), 8 mei 2008, 25 september 2008 en 8 oktober 2008 door [transporteur 1] , op 10 oktober 2008 door [transporteur 2] en op 19 januari 2009 door [transporteur 3] onder de benaming "altöl" zijn overgebracht naar de ontvanger [organisatie 5] , zijn de EVOA-documenten "vervoersdocument voor grensoverschrijdende afvaloverbrenging" gebruikt, corresponderend met kennisgeving NL 201325, respectievelijk met de volgnummers 11/750, 26/750, 31/750, 255/750, 302/750, 311/750 en 470/750. Deze documenten zijn elk voorzien van een bedrijfsstempel van verdachte en een handtekening namens de kennisgever, zijnde verdachte. De zes eerstgenoemde transporten zijn respectievelijk op (of omstreeks) 7 mei 2008 (tweemaal), 8 mei 2008, 25 september 2008, 8 oktober 2008 en 10 oktober 2008 aangekomen bij [organisatie 5] . Het vervoersdocument van het laatstgenoemde transport (met volgnummer 470/750) is op 19 januari 2009 door verdachte gefaxt aan SenterNovem en de " regering Baufel ". In het kennisgevingsdocument voor grensoverschrijdende afvaloverbrenging inzake kennisgeving NL 201325 is in vak 9 bij "Producent(
- en)van de afvalstoffen" ingevuld " [verdachte organisatie] " te "Farmsum" en is bij "Locatie waarop en proces waarbij de afvalstoffen zijn ontstaan" ingevuld "Farmsum (NL), Destillation". Op de zeven voormelde vervoersdocumenten is in vak 9 bij "Producent(
- en)van de afvalstoffen" telkens ingevuld " [verdachte organisatie] " te "Farmsum" en is bij "Locatie waarop en proces waarbij de afvalstoffen zijn ontstaan" telkens ingevuld "wie oben, Destillation". De algemene kennisgeving NL 201325 is gedaan door verdachte (als kennisgever) en betreft de overbrenging van "afgewerkte olie (…) afkomstig van inzameling bij garagebedrijven, werkplaatsen en diverse industrieën" van het bedrijf van verdachte te Farmsum naar [organisatie 5] te Duisburg in Duitsland. Bewijsmiddelen tankwagentransporten periode 5 mei 2009 tot en met 9 september 2009 3.5.10.1. In de inbeslaggenomen digitale gegevens van [verdachte organisatie] is het volgende vermeld. [transporteur 4] is op 5 mei 2009, 15 juni 2009 en 10 juli 2009 aangekomen met transporten die afkomstig waren van leverancier [medeverdachte organisatie 1] . De lading van deze transporten is telkens aangeduid als afgewerkte (smeer)olie. [transporteur 4] is op 5 mei 2009 en 10 juli 2009 vertrokken naar [organisatie 5] en [transporteur 3] is op 15 juni 2009 vertrokken naar [organisatie 5] , waarbij de lading telkens is aangeduid als fluxolie. Het gewicht van de afgevoerde hoeveelheid fluxolie was in deze drie gevallen telkens exact gelijk aan (eenmaal), twintig kg minder dan (eenmaal) of 40 kg minder dan (eenmaal) het gewicht van de door [transporteur 4] op diezelfde dag aangeleverde hoeveelheid afgewerkte (smeer)olie. Bij de uitgaande transporten zijn de nummers 47, 90 en 135 vermeld. Deze nummers komen overeen met de nummers die zijn vermeld op de eerste tot en met de derde regel van de eerste kolom van de tabel die is opgenomen op de in de tenlastelegging genoemde bladzijde 41 00099. 3.5.10.2. [verdachte 1] heeft op 3 april 2009 telefonisch met [persoon 1] afgesproken dat [persoon 1] rekeningen zal schrijven aan [transporteur 3] voor transporten van Lelystad naar Delfzijl en van Delfzijl naar Duisburg en dat [verdachte 1] dat zal verrekenen met [transporteur 3] . Daarnaast heeft [verdachte 1] met [persoon 1] afgesproken dat [verdachte 1] in Delfzijl plakletters met de tekst " [transporteur 3] " op het voertuig van [persoon 1] mag plakken om het voertuig te camoufleren tijdens de rit naar Duisburg. [verdachte 1] heeft verder tegen [persoon 1] gezegd dat hij verwacht dat hij nog weken blijft leveren aan Duisburg en dat de auto dan nog steeds kan worden ingezet. [verdachte 1] heeft op 3 april 2009 [persoon 2] opgedragen plakletters van [transporteur 3] op de auto van [transporteur 4] (de rechtbank begrijpt: [transporteur 4] ) te plakken. Op de factuur van verdachte aan [organisatie 5] d.d. 13 juli 2009 staat dat op 10 juli 2009 een hoeveelheid fluxolie uit Farmsum is afgeleverd in Duisburg door [transporteur 4] . Op het EVOA-document "vervoersdocument voor grensoverschrijdende afvaloverbrengingen", corresponderend met kennisgeving NL 201332, met volgnummer 135, is ingevuld dat de overbrenging van fluxolie op 10 juli 2009 is uitgevoerd door [transporteur 3] . 3.5.10.3. Voor de drie transporten die op 5 mei 2009, 15 juni 2009 en 10 juli 2009 door de transporteurs [transporteur 3] dan wel [transporteur 4] onder de benaming "altöl" zijn overgebracht naar de ontvanger [organisatie 5] , zijn de EVOA-documenten "vervoersdocument voor grensoverschrijdende afvaloverbrenging" gebruikt, corresponderend met kennisgeving NL 201332, respectievelijk met de volgnummers 47/750, 90/750 en 135/750. Deze documenten zijn elk voorzien van een bedrijfsstempel van verdachte en een handtekening namens de kennisgever, zijnde verdachte. De transporten met de volgnummers 47/750 en 90/750 zijn respectievelijk op 5 mei 2009 en 15 juni 2009 aangekomen bij [organisatie 5] . Het transport met volgnummer 135/750 is op 10 juli 2009 aangekomen bij [organisatie 5] . In het kennisgevingsdocument voor grensoverschrijdende afvaloverbrenging inzake kennisgeving NL 201332 is in vak 9 bij "Producent(
- en)van de afvalstoffen" ingevuld " [verdachte organisatie] te "Farmsum" en is bij "Locatie waarop en proces waarbij de afvalstoffen zijn ontstaan" ingevuld "Farmsum (NL), Distilatie". Op de drie voormelde vervoersdocumenten is in vak 9 bij "Producent(
- en)van de afvalstoffen" telkens ingevuld " [verdachte organisatie] " te "Farmsum" en is bij "Locatie waarop en proces waarbij de afvalstoffen zijn ontstaan" telkens ingevuld "Farmsum, Distilation". De algemene kennisgeving NL 201332 is gedaan door verdachte (als kennisgever) en betreft de overbrenging van "afgewerkte olie (…) afkomstig van destilleren van ingezamelde afgewerkte olie" van het bedrijf van verdachte te Farmsum naar [organisatie 5] te Duisburg in Duitsland. Bewijsmiddelen gang van zaken bij het bedrijf van verdachte 3.5.11.1. Vanaf de jaren 2002/2003 trok verdachte steeds grotere hoeveelheden overige oliehoudende afvalstoffen (niet zijnde afgewerkte olie) aan, waardoor de productiecapaciteit van verdachte in toenemende mate werd benut om deze overige oliehoudende afvalstoffen te bewerken tot fluxolie voor de Staalfabrieken te Salzgitter. Daarom moest nieuw beleid worden gemaakt voor de afgewerkte olie die bij het bedrijf van verdachte binnenkwam. Eén van de uitgangspunten van dit nieuwe beleid was dat verdachte de ontvangst van alle afgewerkte olie uit Nederland wenste te continueren. Verdachte heeft toen met [organisatie 4] , alsmede later met een andere regeneratiefabriek in Duitsland, afgesproken dat verdachte hen zowel fluxolie kon leveren die door verdachte was voorbehandeld door middel van voorontwatering en het afdestilleren van gebonden water en benzinefractie en daardoor minder dan 1% water bevatte, als fluxolie die geen voorbehandeling had ondergaan en daardoor circa 8% water bevatte. Beide soorten fluxolie moesten als afval onder een EVOA-exportvergunning worden overgebracht. Verdachte leverde aan de Duitse regeneratiefabrieken uitsluitend fluxolie geproduceerd uit afgewerkte olie. [organisatie 4] en [organisatie 5] betaalden verdachte voor de geleverde fluxolie. [verdachte 2] wist dat niet alle afgewerkte olie die verdachte ontving door verdachte werd bewerkt voordat deze verder werd getransporteerd naar Duitsland. Hij wist dat de olie die per schip naar Farmsum werd getransporteerd zonder bewerking met nieuwe papieren doorging naar [organisatie 4] in Dolbergen als er bij het bedrijf van verdachte niet voldoende capaciteit was om de olie te destilleren. Dat gebeurde in opdracht van de directie van verdachte en [verdachte 2] stond daar achter. [verdachte 2] wist ook dat er een papierwissel plaatsvond. [verdachte 1] droeg kennis van rechtstreekse transporten. [verdachte 1] heeft SenterNovem op 1 februari 2008 een faxbericht gestuurd in het kader van de kennisgeving NL 201325. In dit bericht heeft hij SenterNovem meegedeeld dat de kennisgeving afgewerkte minerale motor-, transmissie- en smeerolie betreft, welke wordt ingezameld door vergunde inzamelbedrijven, door deze inzamelbedrijven wordt geleverd aan verdachte, door verdachte middels destillatie wordt voorbewerkt en vervolgens door verdachte wordt doorgeleverd. 3.5.11.2. Het bedrijf van verdachte was in de ten laste gelegde periode gevestigd aan [adres] te Farmsum. [verdachte 2] en [verdachte 1] waren in de ten laste gelegde periode de enige directeuren van de [naam BV] en de [naam BV] was in die periode de enige directeur van verdachte. [verdachte 1] was in 2006 één à twee dagen per week bij verdachte en in de rest van de ten laste gelegde periode vijf dagen per week. [verdachte 2] was in de ten laste gelegde periode twee dagen per week bij verdachte. Hij deed ook werkzaamheden voor verdachte als hij in Roosendaal bij de " [medeverdachte organisatie 2] -bedrijven" was. [verdachte 2] en [verdachte 1] spraken elkaar als [verdachte 2] in Delfzijl was en anders spraken ze elkaar per telefoon of als ze samen bij een klant waren. Als directieteam vergaderden zij ook regelmatig. [verdachte 2] en [verdachte 1] hielden nagenoeg dagelijks toezicht op het bedrijf van verdachte. [verdachte 2] hield zich bij het bedrijf van verdachte bezig met de acquisitie. De medewerkster van verdachte, [medewerker 1] , had dagelijks contact met [verdachte 1] over afval- en productstromen van schepen en tankauto's. [verdachte 1] was dominant, wilde overal bij betrokken zijn en hield de touwtjes zelf in handen. Overwegingen ten aanzien van het rechtstreeks overbrengen van afgewerkte olie van Roosendaal en/of Lelystad naar Dollbergen en/of Duisburg 3.6.1.1. [schip] is blijkens de hiervoor onder 3.5.2.1., 3.5.3.1., 3.5.4.1. en 3.5.4.2. samengevat weergegeven bewijsmiddelen in de periode van 2 augustus 2006 tot en met 11 december 2006 zes maal op dezelfde datum dat zij met een transport smeerolie afkomstig van [medeverdachte organisatie 1] was aangekomen in Farmsum, weer vertrokken naar [organisatie 4] met een transport fluxolie met exact hetzelfde gewicht als, of een gewicht van één kilogram meer dan, de aangevoerde smeerolie. Mede gelet op de samengevat weergegeven verklaringen van de getuigen, leidt de rechtbank hieruit af dat de te Lelystad geladen smeerolie niet bij het bedrijf van verdachte is gelost en bewerkt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat een bewerking (of deze nu zou hebben bestaan uit ontwateren, filteren of destilleren) zou hebben geleid tot een significante gewichtsafname. 3.6.1.2. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de zes onder 3.5.4.3. vermelde EVOA-vervoersdocumenten betrekking hebben op deze zes transporten van Lelystad naar Dollbergen. Daarbij heeft de rechtbank gelet op de op deze documenten vermelde overbrengingsdata en de omstandigheid dat op deze documenten is vermeld dat de desbetreffende overbrengingen onder de benaming fluxolie zijn uitgevoerd door [schip] . Uit deze documenten volgt dat voor deze zes transporten gebruik is gemaakt van de door verdachte gedane kennisgeving NL 115503, welke betrekking heeft op de overbrenging van "fluxolie, afkomstig van de destillatie van ingezamelde afgewerkte olie" van het bedrijf van verdachte te Farmsum naar [organisatie 4] te Dollbergen, en dat deze transporten ook daadwerkelijk zijn aangekomen in Dollbergen. 3.6.1.3. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat uit de bewijsmiddelen volgt dat [schip] in de periode van 2 augustus 2006 tot en met 11 december 2006 zes maal afgewerkte olie en/of smeerolie heeft overgebracht van [medeverdachte organisatie 1] te Lelystad naar [organisatie 4] te Mehrum, waarna de olie telkens per tankwagen is overgebracht naar Dollbergen. 3.6.2.1. [schip] is blijkens de hiervoor onder 3.5.1.1., 3.5.2.1., 3.5.3.1., 3.5.5.1. en 3.5.5.2. samengevat weergegeven bewijsmiddelen in de periode van 7 januari 2007 tot en met 29 juni 2007 vier maal op dezelfde datum of één dag (na)dat zij met een transport smeerolie afkomstig van [medeverdachte organisatie 1] te Lelystad was aangekomen in Farmsum, weer vertrokken naar [organisatie 4] met een transport fluxolie met exact hetzelfde gewicht als of een gewicht van twee kg minder dan, de aangevoerde smeerolie. Daarnaast is [schip] blijkens deze bewijsmiddelen in de periode van 25 juli 2007 tot en met 29 december 2007 zes maal op dezelfde datum of één dag (na)dat zij met een transport smeerolie afkomstig van [medeverdachte organisatie 1] te Lelystad was aangekomen in Farmsum en eenmaal op dezelfde datum dat zij met een transport smeerolie afkomstig van [medeverdachte organisatie 2] te Roosendaal was aangekomen in Farmsum, weer vertrokken naar [organisatie 4] met een transport fluxolie met exact hetzelfde gewicht als (vier maal) of een gewicht van één kg (twee maal) of 1.148 kg (0,12%) (eenmaal) meer dan de aangevoerde smeerolie. In het geval dat het afgevoerde gewicht 1.148 kg minder was, was het aantal afgevoerde liters fluxolie exact gelijk aan het aantal aangevoerde liters smeerolie. Mede gelet op de samengevat weergegeven verklaringen van de getuigen, leidt de rechtbank hieruit af dat de te Lelystad en Roosendaal geladen smeerolie niet bij het bedrijf van verdachte is gelost en bewerkt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat een bewerking (of deze nu zou hebben bestaan uit ontwateren, filteren of destilleren) zou hebben geleid tot een significante gewichts- en volumeafname. 3.6.2.2. [schip] is op 12 december 2007 geregistreerd in het systeem van de HCC. Volgens die registratie is het schip van 12 december 2007 om 18:17 uur tot 13 december 2007 om 8:45 uur aanwezig geweest op de aanleglocatie " [ligplaats] " en is het daarna vertrokken met de bestemming Bonn. De rechtbank neemt (in het voordeel van verdachte) aan dat de aanleglocatie " [ligplaats] " een ligplaats bij het bedrijf van verdachte ( [verdachte organisatie] ) te Farmsum (F) in de Oosterhornhaven (OH) betreft. Daarom acht de rechtbank aannemelijk dat [schip] op 12 en 13 december 2007 bij het bedrijf van verdachte is geweest. Dit neemt echter niet weg dat de rechtbank op grond van hetgeen zij hiervoor heeft overwogen wettig en overtuigend bewezen acht dat de lading van [schip] op die data niet bij het bedrijf van verdachte is gelost en bewerkt. Daarbij heeft zij in het bijzonder in aanmerking genomen dat blijkens de inbeslaggenomen digitale gegevens van verdachte het gewicht van de lading [schip] op 13 december 2007 heeft aangevoerd exact gelijk was aan het gewicht dat [schip] diezelfde dag heeft afgevoerd. 3.6.2.3. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de elf onder 3.5.5.3. vermelde EVOA-documenten "grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen" betrekking hebben op deze elf transporten van Lelystad en Roosendaal naar Dollbergen. Daarbij heeft de rechtbank gelet op de op deze documenten vermelde overbrengingsdata en de omstandigheid dat op deze documenten is vermeld dat de desbetreffende overbrengingen onder de benaming fluxolie zijn uitgevoerd door [schip] . Uit deze documenten volgt dat voor deze elf transporten gebruik is gemaakt van de door verdachte gedane kennisgeving NL 115510, welke betrekking heeft op de overbrenging van "fluxolie, afkomstig van het destilleren van afgewerkte olie" van het bedrijf van verdachte te Farmsum naar [organisatie 4] te Dollbergen, en dat deze transporten ook daadwerkelijk zijn aangekomen in Dollbergen. 3.6.2.4. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat uit de bewijsmiddelen volgt dat [schip] in de periode van 7 januari 2007 tot en met 29 juni 2007 vier maal afgewerkte olie en/of smeerolie heeft overgebracht van [medeverdachte organisatie 1] te Lelystad naar [organisatie 4] te Mehrum en in de periode van 25 juli 2007 tot en met 29 december 2007 zes maal afgewerkte olie en/of smeerolie heeft overgebracht van [medeverdachte organisatie 1] te Lelystad naar [organisatie 4] te Mehrum en eenmaal afgewerkte olie en/of smeerolie heeft overgebracht van Roosendaal naar [organisatie 4] te Mehrum, waarna de olie telkens per tankwagen is overgebracht naar Dollbergen. 3.6.3.1. [schip] is blijkens de hiervoor onder 3.5.1.1., 3.5.2.1., 3.5.3.1., 3.5.6.1. tot en met 3.5.6.3. samengevat weergegeven bewijsmiddelen in de periode van 7 februari 2008 tot en met 12 december 2008 achttien maal op dezelfde datum of één dag (na)dat zij met een transport smeerolie en/of afgewerkte olie afkomstig van [medeverdachte organisatie 1] te Lelystad (dertien maal) of [medeverdachte organisatie 2] (vijf maal) was aangekomen in Farmsum, weer vertrokken naar [organisatie 4] met een transport fluxolie met exact hetzelfde gewicht als of een gewicht van één kg tot 4.000 kg meer of 1.849 kg (0,20%) minder dan, de aangevoerde smeerolie. In het geval dat het afgevoerde gewicht 1.849 kg minder was, was het aantal afgevoerde liters fluxolie 275 meer dan het aantal aangevoerde liters smeerolie. Mede gelet op de samengevat weergegeven verklaringen van de getuigen, leidt de rechtbank hieruit af dat de te Lelystad en Roosendaal geladen smeerolie en/of afgewerkte olie niet bij het bedrijf van verdachte is gelost en bewerkt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat een bewerking (of deze nu zou hebben bestaan uit ontwateren, filteren of destilleren) zou hebben geleid tot een significante gewichts- en volumeafname. 3.6.3.2. Daarbij geldt dat [schip] op de data in de periode van 7 februari 2008 tot en met 12 december 2008 dat het schip volgens de digitale gegevens van verdachte aankwam en weer vertrok, niet is geregistreerd in het systeem van het HCC, behalve op 11 november 2008 en 12 november 2008. Gelet op de onder 3.5.6.3. samengevat weergegeven bewijsmiddelen acht de rechtbank de kans zeer klein dat [schip] ligplaats heeft ingenomen en haar lading heeft gelost bij het bedrijf van verdachte zonder dat dit op enig moment door het HCC is opgemerkt en is geregistreerd in het systeem. Daarom ziet de rechtbank in het ontbreken van een dergelijke registratie een sterke aanwijzing dat dit niet is gebeurd. 3.6.3.3. Gelet op de registratie van 11 en 12 november 2008 acht de rechtbank aannemelijk dat [schip] op die data ligplaats heeft ingenomen bij het bedrijf van verdachte. Dit neemt echter niet weg dat de rechtbank op grond van hetgeen zij hiervoor heeft overwogen wettig en overtuigend bewezen acht dat de lading van [schip] op die data niet bij het bedrijf van verdachte is gelost en bewerkt. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder in aanmerking genomen dat blijkens de inbeslaggenomen digitale gegevens van verdachte het gewicht van de lading die [schip] op 12 november 2008 heeft aangevoerd exact gelijk was aan het gewicht dat [schip] diezelfde dag heeft afgevoerd. 3.6.3.4. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de achttien onder 3.5.6.5. vermelde EVOA-vervoersdocumenten betrekking hebben op deze achttien transporten van Lelystad en Roosendaal naar Dollbergen. Daarbij heeft de rechtbank gelet op de op deze documenten vermelde overbrengingsdata en de omstandigheid dat op deze documenten is vermeld dat de desbetreffende overbrengingen onder de benaming fluxolie zijn uitgevoerd door [schip] . Uit deze documenten volgt dat voor deze achttien transporten gebruik is gemaakt van de door verdachte gedane kennisgeving NL 201324, welke betrekking heeft op de overbrenging van "fluxolie (…) afkomstig van het destilleren van ingezamelde afgewerkte olie" van het bedrijf van verdachte te Farmsum naar [organisatie 4] te Dollbergen, en dat deze transporten ook daadwerkelijk zijn aangekomen in Dollbergen. 3.6.3.5. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat [schip] in de periode van 7 februari 2008 tot en met 12 december 2008 dertien maal afgewerkte olie en/of smeerolie heeft overgebracht van [medeverdachte organisatie 1] te Lelystad naar [organisatie 4] te Mehrum en vijf maal afgewerkte olie en/of smeerolie heeft overgebracht van Roosendaal naar [organisatie 4] te Mehrum, waarna de olie telkens per tankwagen is overgebracht naar Dollbergen. 3.6.4.1. [schip] is blijkens de hiervoor onder 3.5.1.1., 3.5.2.1., 3.5.3.1. en 3.5.7.1. tot en met 3.5.7.6. samengevat weergegeven bewijsmiddelen in de periode van 21 december 2008 tot en met 2 september 2009 veertien maal op dezelfde datum of één dag (na)dat zij met een transport afgewerkte olie afkomstig van [medeverdachte organisatie 1] te Lelystad (acht maal) of [onderdeel medeverdachte organisatie 2] te Roosendaal (zes maal) was aangekomen in Farmsum, weer vertrokken naar [organisatie 4] met een transport fluxolie met exact hetzelfde gewicht als of een gewicht van één kg tot 1.831 kg meer of 516 (0,05%) dan wel 1.485 kg (0,16%) minder dan de aangevoerde afgewerkte olie. Mede gelet op de samengevat weergegeven verklaringen van de getuigen, leidt de rechtbank hieruit af dat de te Lelystad en Roosendaal geladen afgewerkte olie niet bij het bedrijf van verdachte is gelost en bewerkt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat een bewerking (of deze nu zou hebben bestaan uit ontwateren, filteren of destilleren) zou hebben geleid tot een significante gewichtsafname. 3.6.4.2. Uit de overbrengingsdatum 2 januari 2009, vermeld op het eerste onder 3.5.7.9. samengevat weergegeven EVOA-vervoersdocument, in combinatie met de overige onder 3.6.4.1. genoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat het transport afgewerkte olie dat volgens de digitale gegevens van verdachte op 2 januari 2009 door [schip] is aangevoerd, op 2 januari 2009 door [schip] is overgebracht naar Dollbergen. Uit de transportdatum 24 januari 2009, vermeld op de tweede onder 3.5.7.7. samengevat weergegeven begeleidingsbrief, in combinatie met de overige onder 3.6.4.1. genoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat het transport fluxolie dat volgens de digitale gegevens van verdachte op 28 januari 2009 door [schip] is afgevoerd naar Dollbergen afkomstig was van [onderdeel medeverdachte organisatie 2] en dat dit transport met [schip] tussen 24 januari 2009 en 28 januari 2009 is aangekomen in Farmsum. 3.6.4.3. Daarbij geldt dat [schip] op de data in de periode van 21 december 2008 tot en met 10 juni 2009 dat het schip volgens de digitale gegevens van verdachte aankwam en weer vertrok, niet is geregistreerd in het systeem van het HCC, behalve op 10 juni 2009. Op 10 juni 2009 is [schip] weliswaar geregistreerd, maar de rechtbank leidt uit de hiervoor onder 3.5.7.4. samengevat weergegeven bewijsmiddelen af dat deze registratie betrekking heeft op het innemen van een ligplaats in de handelshaven van Delfzijl en niet op een ligplaats bij het bedrijf van verdachte. Gelet op de onder 3.5.6.3. samengevat weergegeven bewijsmiddelen acht de rechtbank de kans zeer klein dat [schip] ligplaats heeft ingenomen en haar lading heeft gelost bij het bedrijf van verdachte, in de gevallen dat niet in het systeem van het HCC is geregistreerd dat [schip] ligplaats heeft ingenomen bij het bedrijf van verdachte. Daarom ziet de rechtbank in het ontbreken van een dergelijke registratie een sterke aanwijzing dat dit niet is gebeurd. 3.6.4.4. Wanneer de in overweging 3.5.7.5. weergegeven data en waterpercentages van de door [schip] (na)bij het bedrijf van verdachte aangevoerde transporten afgewerkte olie en de door [organisatie 4] van verdachte ontvangen transporten in een schema naast elkaar worden gezet, levert dit het volgende resultaat op. transport analyse [verdachte organisatie] Waterper-centage [verdachte organisatie] analyse [organisatie 4] Waterper-centage [organisatie 4] verschil water-percentage 1. 02-01-2009 6,5% 07-01-2009 6,6% + 0,1% 2. 28-01-2009 6,3% 02-02-2009 5,6% - 0,7% 3. 11-02-2009 5,8% 16-02-2009 6,3% + 0,5% 4. 12-03-2009 5,4% 16-03-2009 6,0% + 0,6% 5. 25-03-2009 6,6% 31-03-2009 5,7% - 0,9% 6. 14-04-2009 6,5% 17-04-2009 4,8% - 1,7% 7. 29-04-2009 9,0% 04-05-2009 6,3% - 2,7% 8. 12-05-2009 5,2% 15-05-2009 5,7% + 0,5% 9. 27-05-2009 5,2% 02-06-2009 4,5% - 0,7% 10. 09-06-2009 7,5% 13-06-2009 6,0% - 1,5% 11. 02-07-2009 6,4% 06-07-2009 5,4% -1,0% 12. 14-07-2009 5,7% 20-07-2009 4,5% -1,2% 13. 28-07-2009 4,9% 31-07-2009 8,1% + 3,2% 14. - - - - - 15. 21-08-2009 4,0% 25-08-2009 3,9% - 0,1% 16. 02-09-2009 5,0% 07-09-2009 6,9% + 1,9% Gelet op de data van de analyses van de bij verdachte inkomende transporten, de data van de bij [organisatie 4] inkomende stromen en de onder 3.5.7.9. vermelde overbrengingsdata, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de in het schema op één regel weergegeven data en percentages bij dezelfde reis van [schip] horen. Uit het schema volgt dat in zes gevallen het waterpercentage van de lading op het moment dat deze door [organisatie 4] bij aankomst werd geanalyseerd hoger was dan op het moment dat deze door verdachte bij aankomst werd geanalyseerd en dat in negen gevallen het waterpercentage van de lading op het moment dat deze door [organisatie 4] bij aankomst werd geanalyseerd 0,1 tot 2,7% lager was dan op het moment dat deze door verdachte bij aankomst werd geanalyseerd. In één geval ontbreekt de analyse van verdachte, zodat geen verschil in waterpercentage kan worden vastgesteld. De rechtbank is van oordeel dat mag worden verwacht dat het waterpercentage van een transport afgewerkte olie aanzienlijk daalt indien deze door verdachte wordt bewerkt. Daarom ziet de rechtbank in de omstandigheid dat de door [organisatie 4] bij ontvangst gemeten waterpercentages slechts in geringe mate lager, dan wel zelfs hoger, zijn dan de door verdachte bij ontvangst gemeten waterpercentages een sterke aanwijzing dat deze transporten niet door verdachte zijn bewerkt. 3.6.4.5. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de zestien onder 3.5.7.9. vermelde EVOA-vervoersdocumenten betrekking hebben op deze zestien transporten van Lelystad en Roosendaal naar Dollbergen. Daarbij heeft de rechtbank gelet op de op deze documenten vermelde overbrengingsdata en de omstandigheid dat op deze documenten is vermeld dat de desbetreffende overbrengingen onder de benaming fluxolie zijn uitgevoerd door [schip] . Uit deze documenten volgt dat voor deze zestien transporten gebruik is gemaakt van de door [verdachte organisatie] gedane kennisgeving NL 201330, welke betrekking heeft op de overbrenging van "fluxolie (…) afkomstig van het destilleren van ingezamelde afgewerkte olie" van het bedrijf van verdachte te Farmsum naar [organisatie 4] te Dollbergen, en dat deze transporten ook daadwerkelijk zijn aangekomen in Dollbergen. 3.6.4.6. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat uit de bewijsmiddelen volgt dat [schip] in de periode van 21 december 2008 tot en met 2 september 2009 acht maal afgewerkte olie heeft overgebracht van [medeverdachte organisatie 1] te Lelystad naar [organisatie 4] te Mehrum en acht maal afgewerkte olie heeft overgebracht van Roosendaal naar [organisatie 4] te Mehrum, waarna de olie telkens per tankwagen is overgebracht naar Dollbergen. 3.6.5.1. Blijkens de hiervoor onder 3.5.2.1., 3.5.8.1. tot en met 3.5.8.4. en 3.5.9.1. samengevat weergegeven bewijsmiddelen is in de periode van 6 mei 2008 tot en met 19 januari 2009 zeven maal op dezelfde datum of één dag (na)dat een tankwagen met afgewerkte olie afkomstig van [medeverdachte organisatie 1] was aangekomen in Farmsum, een tankwagen van dezelfde transporteur vertrokken naar [organisatie 5] met exact hetzelfde gewicht aan fluxolie of 20 kg minder fluxolie dan is aangevoerd aan afgewerkte olie. Gelet op de gelijke dan wel direct aansluitende aankomst- en vertrekdata, de (bijna) exact gelijke bij het bedrijf van verdachte aan- en afgevoerde hoeveelheden olie en de overeenkomsten in de transporteurs, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het in deze zeven gevallen telkens om één transport van [medeverdachte organisatie 1] te Lelystad, via het bedrijf van verdachte te Farmsum naar [organisatie 5] te Duisburg ging. 3.6.5.2. Mede gelet op de samengevat weergegeven verklaringen van de getuigen, leidt de rechtbank uit de (bijna) exact gelijke bij het bedrijf van verdachte aan- en afgevoerde hoeveelheden olie af dat de te Lelystad geladen afgewerkte olie niet bij het bedrijf van verdachte is gelost en bewerkt, maar na een zogenaamde papierwissel (het omwisselen van (in ieder geval) de binnenlandse begeleidingsbrief voor een vervoersdocument voor grensoverschrijdende afvaloverbrenging) is doorgereden naar Duisburg. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat een bewerking van de lading van de tankwagen (of deze nu zou hebben bestaan uit ontwateren, filteren of destilleren) zou hebben geleid tot een significante gewichtsafname, welke meer zou hebben bedragen dan 20 kg. De rechtbank is van oordeel dat het gewichtsverschil van 20 kg wordt verklaard door verschillen in de inhoud van de brandstoftanks van de tankwagens. Ook indien telkens een kleine hoeveelheid water aan de lading is onttrokken, zoals de verdediging heeft gesteld, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van het be- of verwerken van de (gehele) lading van de tankwagen, omdat niet kan worden gezegd dat daardoor de aard of samenstelling van de gehele partij afvalstoffen is gewijzigd. 3.6.5.3. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de zeven onder 3.5.9.2. vermelde EVOA-vervoersdocumenten betrekking hebben op deze zeven transporten van Lelystad naar Duisburg. Daarbij heeft de rechtbank gelet op de op deze documenten vermelde overbrengingsdata en de vermelding van de volgnummers van deze EVOA-vervoersdocumenten bij de uitgaande transporten in de digitale gegevens van verdachte. Uit deze documenten volgt dat voor deze zeven transporten gebruik is gemaakt van de door verdachte gedane kennisgeving NL 201325, welke betrekking heeft op de overbrenging van "afgewerkte olie (…) afkomstig van inzameling bij garagebedrijven, werkplaatsen en diverse industrieën" van het bedrijf van verdachte te Farmsum naar [organisatie 5] te Duisburg, en dat de transporten met de volgnummers 11, 26, 31, 255, 302 en 311 ook daadwerkelijk zijn aangekomen in Duisburg. 3.6.5.4. Ten aanzien van het transport met volgnummer 470 van kennisgeving NL 201325 blijkt niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen dat het is aangekomen bij [organisatie 5] . Uit de bewijsmiddelen blijkt echter wel dat dit transport volgens de digitale gegevens van verdachte is afgevoerd naar [organisatie 5] en dat het vervoersdocument betreffende dit transport is gefaxt aan SenterNovem en de " [vermelding] ". De rechtbank neemt aan dat met de " [vermelding] " het bevoegd gezag voor [organisatie 5] op het gebied van de EVOA-regelgeving is bedoeld. Gelet op deze omstandigheden en het ontbreken van aanwijzingen voor het tegendeel, acht de rechtbank bewezen dat ook dit transport is overgebracht naar Duisburg. 3.6.5.5. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat in de periode van 6 mei 2008 tot en met 19 januari 2009 zeven maal per tankwagen afgewerkte olie is overgebracht van [medeverdachte organisatie 1] te Lelystad naar [organisatie 5] te Duisburg. 3.6.6.1. Uit de onder 3.5.10.2. samengevat weergegeven tapgesprekken, factuur en EVOA-document, in combinatie met de onder 3.5.10.1 en 3.5.10.3. samengevat weergegeven bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat [transporteur 4] in de periode vanaf 3 april 2009 meerdere transporten vanaf Delfzijl naar Duisburg heeft verricht in de plaats van [transporteur 3] en dat er plakletters met de tekst [transporteur 3] " op de vrachtwagen van [transporteur 4] zijn geplakt, teneinde het zo te laten lijken dat deze vrachtwagen van [transporteur 3] was. De rechtbank acht op grond van deze informatie in combinatie met de omstandigheid dat volgens de digitale gegevens van verdachte de hoeveelheid afgewerkte olie die [transporteur 4] heeft aangevoerd op 15 juni 2009 bijna exact gelijk is aan de hoeveelheid fluxolie die [transporteur 3] op diezelfde datum heeft afgevoerd, wettig en overtuigend bewezen dat de tankwagen na de aanvoer door [transporteur 4] niet is gelost en dat deze hoeveelheid fluxolie dus in werkelijkheid door [transporteur 4] is afgevoerd. 3.6.6.2. Blijkens de hiervoor onder 3.5.2.1., 3.5.8.1. tot en met 3.5.8.4., 3.5.10.1. en 3.5.10.2. samengevat weergegeven bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor onder 3.6.6.1. is overwogen, is in de periode van 5 mei 2009 tot en met 5 september 2009 drie maal op dezelfde datum dat een tankwagen met afgewerkte olie afkomstig van [medeverdachte organisatie 1] te Lelystad was aangekomen in Farmsum, een tankwagen van dezelfde transporteur vertrokken naar [organisatie 5] met exact hetzelfde gewicht aan fluxolie dan wel 20 of 40 kg minder fluxolie dan is aangevoerd aan afgewerkte olie. Gelet op de gelijke aankomst- en vertrekdata, de (bijna) exact gelijke bij het bedrijf van verdachte aan- en afgevoerde hoeveelheden olie en de overeenkomsten in de transporteurs, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het in al deze drie gevallen telkens om één transport van [medeverdachte organisatie 1] te Lelystad, via het bedrijf van verdachte te Farmsum naar [organisatie 5] te Duisburg ging. 3.6.6.3. Mede gelet op de samengevat weergegeven verklaringen van de getuigen, leidt de rechtbank uit de (bijna) exact gelijke bij het bedrijf van verdachte aan- en afgevoerde hoeveelheden olie af dat de te Lelystad geladen afgewerkte olie niet bij het bedrijf van verdachte is gelost en bewerkt, maar na een zogenaamde papierwissel is doorgereden naar Duisburg. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat een bewerking van de lading van de tankwagen (of deze nu zou hebben bestaan uit ontwateren, filteren of destilleren) zou hebben geleid tot een significante gewichtsafname, welke meer zou hebben bedragen dan 20 of 40 kg. De rechtbank is van oordeel dat het gewichtsverschil van 20 of 40 kg wordt verklaard door verschillen in de inhoud van de brandstoftanks van de tankwagens. Ook indien telkens een kleine hoeveelheid water aan de lading is onttrokken, zoals de verdediging heeft gesteld, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van het be- of verwerken van de (gehele) lading van de tankwagen, omdat niet kan worden gezegd dat daardoor de aard of samenstelling van de gehele partij afvalstoffen is gewijzigd. 3.6.6.4. De rechtbank acht voorts wettig en overtuigend bewezen dat de drie onder 3.5.10.3. vermelde EVOA-vervoersdocumenten betrekking hebben op deze drie transporten van Lelystad naar Duisburg. Daarbij heeft de rechtbank gelet op de op deze documenten vermelde overbrengingsdata, welke exact overeenkomen met de uitgaande transporten in de digitale gegevens van verdachte. Uit deze documenten volgt dat voor deze drie transporten gebruik is gemaakt van de door verdachte gedane kennisgeving NL 201332, welke betrekking heeft op de overbrenging van "afgewerkte olie (…) afkomstig van destilleren van ingezamelde afgewerkte olie" van het bedrijf van verdachte te Farmsum naar [organisatie 5] te Duisburg, en dat de transporten met de volgnummers 47 en 90 ook daadwerkelijk zijn aangekomen in Duisburg. Ten aanzien van transport met volgnummer 135 van kennisgeving NL 201332 leidt de rechtbank uit de factuur van [verdachte organisatie] aan [organisatie 5] af dat het transport is aangekomen in Duisburg. 3.6.6.5. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat de in de periode van 5 mei 2009 tot en met 5 september 2009 drie maal per tankwagen afgewerkte olie is overgebracht van [medeverdachte organisatie 1] te Lelystad naar [organisatie 5] te Duisburg en dat in deze periode geen afgewerkte olie per tankwagen is overgebracht van Roosendaal naar [organisatie 5] te Duisburg. Overwegingen ten aanzien van de wetenschap van het rechtstreeks overbrengen van afgewerkte olie van Roosendaal en/of Lelystad naar Dollbergen en/of Duisburg 3.7.1. Op grond van de samengevat weergegeven bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte 1] en [verdachte 2] wisten dat het in de ten laste gelegde periode regelmatig voorkwam dat de afgewerkte (smeer)olie die [schip] vanaf Lelystad en Roosendaal via Delfzijl/Farmsum naar Mehrum/Dollbergen transporteerde niet bij het bedrijf van verdachte werd gelost en bewerkt, dat zij daar achter stonden en dat dit ook in hun opdracht gebeurde. Dit blijkt met name uit hun eigen verklaringen ter terechtzitting en de memo van [verdachte 1] betreffende (de gang van zaken rond) de afgewerkte olie. Daarnaast kan het worden afgeleid uit (de samengevat weergegeven inhoud van) de verklaringen van de medewerkers van verdachte, (onder meer) inhoudende dat [verdachte 1] en [verdachte 2] hebben bepaald dat de olie in bepaalde gevallen rechtstreeks naar Duitsland moest worden vervoerd en dat [verdachte 1] en [verdachte 2] bepaalden of een afvalstof bij [verdachte organisatie] al dan niet werd bewerkt. Ook blijkt dit uit de onder 3.5.7.6. samengevat weergegeven telefoongesprekken waaraan [verdachte 1] en [verdachte 2] hebben deelgenomen. Bovendien leidt de rechtbank uit deze telefoongesprekken af dat [verdachte 1] en [verdachte 2] vóórdat het schip aankwam in Delfzijl/Farmsum al wisten dat het schip (direct) zou doorgaan naar Duitsland en de lading dus niet zou worden gelost bij en bewerkt door verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit ook worden afgeleid uit de ter terechtzitting door [verdachte 2] afgelegde verklaring en de memo van [verdachte 1] , aangezien daarin als reden voor het rechtstreeks doorvoeren van de afgewerkte olie naar Duitsland het capaciteitsgebrek van verdachte (dan wel het gebruik van de capaciteit van verdachte voor andere stromen) is genoemd en het naar het oordeel van de rechtbank niet anders kan dan dat doorgaans al vóórdat het schip in Delfzijl/Farmsum aankwam, bekend was dat