RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Groningen parketnummer 18/997501-09 ter berechting gevoegde parketnummers 18/670030-13, 18/670037-13, 18/670038-13 vonnis van de meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, d.d. 13 juni 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1952 te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats] , [straatnaam] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 oktober 2016, 27 oktober 2016, 9 november 2016, 22 november 2016, 7 maart 2017, 8 maart 2017, 14 maart 2017, 15 maart 2017, 16 maart 2017, 17 maart 2017, 27 maart 2017, 28 maart 2017 en 30 mei 2017. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.G. Geertsma, advocaat te Amsterdam. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. W.H. Frank. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. [verdachte organisatie] , [mede verdachte organisatie 1] , [mede verdachte organisatie 2] en/of één of meer anderen, in of omstreeks de periode van 12 juli 2007 tot en met 31 december 2009, althans in 2007 (vanaf 12 juli) en/of 2008 en/of 2009, te Roosendaal en/of Lelystad, althans in Nederland, althans op het grondgebied van Europa, samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, opzettelijk, - in totaal - 45 maal, althans een aantal malen (zaak A), te weten - 9 maal, althans een aantal malen, in de periode van 25 juli 2007 tot en met 29 december 2007 en/of - 20 maal, althans een aantal malen in de periode van 7 februari 2008 tot en met 12 december 2008 en/of - 16 maal, althans een aantal malen in de periode van 21 december 2008 tot en met 2 september 2009 en/of - in totaal - 15 maal, althans een aantal malen (zaak B), te weten - 10 maal, althans een aantal malen in de periode 6 mei 2008 tot en met 19 januari 2009 en/of - 5 maal, althans een aantal malen in de periode van 5 mei 2009 tot en met 9 september 2009 (telkens) (een) handeling(
- en)heeft verricht als bedoeld in artikel 2, onder 35, sub a en/of b, van de "EG-verordening overbrenging van afvalstoffen", immers heeft/hebben [verdachte organisatie] en/of haar mededader(
- s)(telkens) afvalstoffen, te weten afgewerkte olie en/of smeerolie en/of één of meer andere afvalstoffen, overgebracht van Roosendaal en/of Lelystad naar Dollbergen en/of Duisburg, in elk geval naar Duitsland, terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan alle betrokken bevoegde autoriteiten, overeenkomstig deze verordening en/of zonder (schriftelijke) toestemming van de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening, zulks terwijl verdachte, samen en in vereniging met (een) ander(en), dan wel alleen, tot vorenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging feitelijke leiding heeft gegeven; 2. [verdachte organisatie] , [mede verdachte organisatie 1] , [mede verdachte organisatie 2] en/of één of meer anderen, in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 11 juli 2007, althans in 2006 en/of 2007 (tot en met 11 juli) te Roosendaal en/of Lelystad, althans in Nederland, althans op het grondgebied van Europa, samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, opzettelijk, - in totaal - 12 maal, althans een aantal malen, te weten - 7 maal, althans een aantal malen, in de periode 2 augustus 2006 tot en met 11 december 2006 en/of - 5 maal, althans een aantal malen, in de periode van 7 januari 2007 tot en met 29 juni 2007 (telkens) (een) handeling(
- en)heeft verricht als bedoeld in artikel 26, lid 1, aanhef, onder a en/of b, van de "EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen", immers heeft/hebben [verdachte organisatie] en/of haar mededader(
- s)(telkens) afvalstoffen, te weten afgewerkte olie en/of smeerolie en/of één of meer andere afvalstoffen, overgebracht van Roosendaal en/of Lelystad naar Dollbergen, in elk geval naar Duitsland, terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan alle betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig voornoemde Verordening en/of zonder toestemming van de betrokken bevoegde autoriteiten, overeenkomstig voornoemde Verordening, zulks terwijl verdachte, samen en in vereniging met (een) ander(en), dan wel alleen, tot vorenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging feitelijke leiding heeft gegeven; 3. [verdachte organisatie] , [mede verdachte organisatie 1] , [mede verdachte organisatie 2] en/of één of meer anderen, te Farmsum , gemeente Delfzijl, althans in Nederland, samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, in het jaar 2006 en/of 2007, - in totaal - 21 maal, althans een aantal malen, (telkens) één of meer EVOA-documenten genaamd "Grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen" en/of in het jaar 2008 en/of 2009, - in totaal - 52 maal, althans een aantal malen (telkens) één of meer EVOA-documenten genaamd "Vervoersdocument voor grensoverschrijdende afvaloverbrenging" en/of in of omstreeks de periode van 2 januari 2009 tot en met 2 september 2009, - in totaal - 15-maal, althans een aantal malen, (telkens) één of meer Tankleichter Messberichten en/of in het jaar 2008 en/of 2009, - in totaal - 27 maal, althans een aantal malen (telkens) één of meer begeleidingsbrieven - ( elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft/hebben [verdachte organisatie] en/of haar mededader(
- s)(telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid, op de in 2006 en/of 2007 gebruikte EVOA-documenten, in vak 13 (benaming en chemische samenstelling van de stoffen) Fluxolie vermeld, en/of op de in 2008 en/of 2009 gebruikte EVOA-documenten in vak 9 (als locatie waarop, en proces waarbij, de afvalstoffen zijn ontstaan), - respectievelijk - (zakelijk weergegeven) Farmsum en destillatie en/of - op een deel van bedoelde documenten - in vak 12 (benaming van de afvalstoffen) Fluxolie vermeld, en/of op de Tankleichter Messberichten in het vak genaamd Schiffabfertigungszeiten, tijden vermeld bij de daar genoemde handelingen, terwijl deze handelingen, althans een deel daarvan, op die tijden niet had(den) plaatsgevonden, en/of op de begeleidingsbrieven als ontvanger [verdachte organisatie] vermeld, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(
- en)als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, zulks terwijl verdachte, samen en in vereniging met (een) ander(en), dan wel alleen, tot vorenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging feitelijke leiding heeft gegeven; 4. [verdachte organisatie] in of omstreeks de periode van 27 januari 2010 tot en met 29 oktober 2010 te Farmsum , gemeente Delfzijl, althans in Nederland, althans op het grondgebied van Europa, samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, opzettelijk - in totaal- 42-maal, althans een aantal malen (telkens) (een) handeling(
- en)heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35 sub d van de "EG-Verordening 1013/2006 overbrenging van afvalstoffen" zijnde het vanuit België en/of Duitsland overbrengen van (een) afvalstof(fen), te weten - drijflaag koolwaterstoffen (kennisgeving BE001001626), en/of - genaftalineerde olie (kennisgeving BE0003000459), en/of - een mengsel van koolwaterstoffen (kennisgeving BE001001383 en kennisgeving BE001001629), en/of - vloeibare koolwaterstoffen (kennisgeving BE001001554 en kennisgeving BE001001555 en kennisgeving DE1350/168511), en/of - zij- en residustromen van destillatieproces (kennisgeving BE001001624), en/of -vloeibare olie/koolwaterstoffen (kennisgeving BE001001664), en/of - brandstoffen (kennisgeving DE1350/171872) naar haar verwerkingslocatie te Farmsum in Nederland, welke overbrenging(
- en)van die afvalstof(fen) feitelijk niet met voornoemde kennisgeving(
- en)en/of de bijbehorende vervoersdocumenten voor grensoverschrijdende afvaloverbrengingen/afvaltransporten overeenstemde(n), immers heeft voornoemde N.V. (telkens) in of omstreeks de periode van 27 januari 2010 tot en met 4 mei 2010, 9 maal, althans een aantal malen, een afvalstof, te weten vloeibare koolwaterstoffen na ontvangst op haar verwerkingslocatie in Farmsum niet verwerkt zoals aangegeven op de daarbij behorende kennisgeving(en), en/of in of omstreeks de periode van 2 augustus 2010 tot en met 31 augustus 2010, 16 maal, althans een aantal malen, (een) afvalstof(fen), te weten drijflaag koolwaterstoffen en/of genaftalineerde olie en/of een mengsel van koolwaterstoffen en/of vloeibare koolwaterstoffen en/of vloeibare olie/koolwaterstoffen en/of brandstoffen, na ontvangst op haar verwerkingslocatie in Farmsum niet verwerkt zoals aangegeven op de bij die afvalstof(fen) behorende kennisgeving(en), en/of in of omstreeks de periode van 4 oktober 2010 tot en met 29 oktober 2010 17 maal, althans een aantal malen, (een) afvalstof(fen), te weten drijflaag koolwaterstoffen en/of genaftalineerde olie en/of vloeibare koolwaterstoffen en/of zij- en residustromen van destillatieproces en/of een mengsel van koolwaterstoffen en/of vloeibare olie/koolwaterstoffen, na ontvangst op haar verwerkingslocatie in Farmsum niet verwerkt zoals aangegeven op de bij die afvalstof(fen) behorende kennisgeving(en), immers was/waren voornoemde afvalstof(fen) (telkens), voor verwerking afgevoerd naar [organisatie 1] in Rotterdam, en/of was op de bij die kennisgeving(
- en)behorende vervoersdocument(
- en)voor grensoverschrijdende afvaloverbrengingen/afvaltransporten (telkens) ingevuld en/of ondertekend dat voornoemde afvalstoffen was/waren ontvangen en verwerkt op voornoemde verwerkingslocatie, zulks terwijl verdachte, samen en in vereniging met (een) ander(en), dan wel alleen, tot vorenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven; 5. [verdachte organisatie] te Farmsum , gemeente Delfzijl, althans in Nederland, samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, in of omstreeks de periode van 27 januari 2010 tot en met 29 oktober 2010 - in totaal - 42- maal, althans een aantal malen (telkens) één of meer vervoersdocument(
- en)voor grensoverschrijdende afvaloverbrengingen/afvaltransporten, behorende bij (een) afvalstof(fen), te weten - drijflaag koolwaterstoffen (kennisgeving BE001001626), en/of - genaftalineerde olie (kennisgeving BE0003000459), en/of - een mengsel van koolwaterstoffen (kennisgeving BE001001383 en kennisgeving BE001001629), en/of - vloeibare koolwaterstoffen (kennisgeving BE001001554 en kennisgeving BE001001555 en kennisgeving DE1350/168511), en/of - zij- en residustromen van destillatieproces (kennisgeving BE001001624), en/of - vloeibare olie/koolwaterstoffen (kennisgeving BE001001664), en/of - brandstoffen (kennisgeving DE1350/171872) - ( elk) zijnde (een) geschrift(
- en)dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft voornoemde N.V. (telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid, - in of omstreeks de periode van 27 januari 2010 tot en met 4 mei 2010, op 9, althans één of meer, vervoersdocument(
- en)voor grensoverschrijdende afvaloverbrengingen / afvaltransporten behorende bij kennisgeving DE 1350/168511, vak 18 en/of 19 ingevuld en/of ondertekend en/of laten ondertekenen voor ontvangst en/of verwerking van die vloeibare koolwaterstoffen op haar verwerkingslocatie in Farmsum , en/of - in of omstreeks de periode van 2 augustus 2010 tot en met 31 augustus 2010, op 16, althans één of meer vervoersdocument(
- en)voor grensoverschrijdende afvaloverbrengingen / afvaltransporten behorende bij voornoemde kennisgeving(en), vak 18 en/of 19 ingevuld en/of ondertekend en/of laten ondertekenen voor ontvangst en/of verwerking van afvalstof(fen), te weten drijflaag koolwaterstoffen en/of genaftalineerde olie en/of een mengsel van koolwaterstoffen en/of vloeibare koolwaterstoffen en/of vloeibare olie/koolwaterstoffen en/of brandstoffen, op haar verwerkingslocatie in Farmsum , en/of - in of omstreeks de periode van 4 oktober 2010 tot en met 29 oktober 2010 op 17, althans één of meer vervoersdocument(
- en)voor grensoverschrijdende afvaloverbrengingen / afvaltransporten behorende bij voornoemde kennisgeving(en), vak 18 en/of 19 ingevuld en/of ondertekend en/of laten ondertekenen voor ontvangst en/of verwerking van afvalstof(fen), te weten drijflaag koolwaterstoffen en/of genaftalineerde olie en/of vloeibare koolwaterstoffen en/of zij- en residustromen van destillatieproces en/of een mengsel van koolwaterstoffen en/of vloeibare olie/koolwaterstoffen, op haar verwerkingslocatie in Farmsum , terwijl in werkelijkheid die afvalstof(fen), voor verwerking was/waren afgevoerd naar [organisatie 1] in Rotterdam, zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(
- en)als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, zulks terwijl verdachte, samen en in vereniging met (een) ander(en), dan wel alleen, tot vorenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven; 6. [verdachte organisatie] op of omstreeks 27 juni 2010 te Farmsum , gemeente Delfzijl, terwijl aan [verdachte organisatie] door Gedeputeerde Staten der provincie Groningen bij Besluit van 9 juni 2009, een vergunning op grond van de Wet milieubeheer was verleend voor de opslag en verwerking van afvalstoffen en/of producten, gelegen aan de [straatnaam] , kadastraal bekend gemeente Delfzijl, sectie O, nummer(
- s)335 en 451, zijnde een inrichting als bedoeld in categorie 5.1 en 28.1a en b en 28.4a sub 5 en sub 6 en 28.4b sub 2 en 28.4c sub 1 en sub 2 van Bijlage I van het Inrichtingen en vergunningenbesluit milieubeheer, in elk geval een inrichting als bedoeld in de Bijlage I en/of III van voornoemd Besluit, zich samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, opzettelijk heeft gedragen in strijd met voorschrift 5.7 verbonden aan voormelde vergunning, immers was een geur van teer en/of bleeklucht, althans een geur, waarneembaar op (ongeveer) 300 meter, althans op meer dan 100 meter van de grens van de inrichting van voornoemde N.V., welke geur afkomstig was van afvalstoffen van de inrichting van voornoemde N.V., te weten afgewerkte olie, althans (afval)olie, die werden overgepompt vanuit een schip (genaamd Heide), naar een opslagtank (nummer 311) gelegen op haar inrichting, en/of heeft voornoemde N.V. niet aan haar verplichting voldaan om in overleg met het bevoegd gezag doeltreffende geurmaatregelen te nemen, zulks terwijl verdachte, samen en in vereniging met (een) ander(en), dan wel alleen, tot vorenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven; 7. [verdachte organisatie] , in of omstreeks de periode van 25 maart 2010 tot en met 29 juni 2010 te Farmsum , gemeente Delfzijl, althans in Nederland, althans op het grondgebied van Europa, samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, opzettelijk - in totaal- 34- maal, althans een aantal malen (telkens) (een) handeling(
- en)heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35 sub d van de "EG-Verordening 1013/2006 overbrenging van afvalstoffen", zijnde het vanuit België overbrengen van een afvalstof, te weten genaftalineerde olie afkomstig van [organisatie 2] te Luik, naar haar verwerkingslocatie te Farmsum in Nederland met kennisgeving BE001001325 en/of de daarbij behorende vervoersdocumenten, welke overbrenging(
- en)van die afvalstof feitelijk niet overeenstemde(
- n)met die kennisgeving BE001001325 en/of de daarbij behorende vervoersdocumenten, immers was met die kennisgeving BE001001325 en/of de daarbij behorende vervoersdocumenten toestemming verleend voor de overbrenging naar haar verwerkingslocatie te Farmsum van de afvalstof koolwaterstof-watermengsel afkomstig van [organisatie 3] te Antwerpen, zulks terwijl verdachte, samen en in vereniging met (een) ander(
- en)dan wel alleen, tot vorenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging feitelijke leiding heeft gegeven, en/of in of omstreeks de periode van 14 april 2011 tot en met 11 juli 2011, te Farmsum , gemeente Delfzijl, althans in Nederland, althans op het grondgebied van Europa, samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, opzettelijk - in totaal 33 maal - althans een aantal malen (telkens) (een) handeling(
- en)heeft verricht als bedoeld in artikel 2, onder 35, sub d, van de "EG-Verordening 1013/2006 overbrenging van afvalstoffen", zijnde het vanuit België overbrengen van een afvalstof, te weten genaftalineerde olie afkomstig van [organisatie 2] te Luik, naar haar verwerkingslocatie te Farmsum in Nederland met kennisgeving BE001002066, terwijl die overbrenging(
- en)van die afvalstof feitelijk niet overeenstemde(
- n)met die kennisgeving BE001002066 en/of de daarbij behorende vervoersdocumenten, immers was met die kennisgeving BE001002066 en/of de daarbij bijhorende vervoersdocumenten toestemming verleend voor de overbrenging naar haar verwerkingslocatie te Farmsum van de afvalstof vloeibare olie/koolwaterstoffen afkomstig van [organisatie 4] te Antwerpen, zulks terwijl verdachte, samen en in vereniging met (een) ander(en), dan wel alleen, tot vorenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging feitelijke leiding heeft gegeven; althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat [verdachte organisatie] , in of omstreeks de periode van 25 maart 2010 tot en met 29 juni 2010 te Farmsum , gemeente Delfzijl, althans in Nederland, althans op het grondgebied van Europa, samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, opzettelijk - in totaal- 34 maal, althans een aantal malen, (telkens) (een) handeling(
- en)heeft verricht als bedoeld in artikel 2, onder 35, sub a en/of b, van de "EG-Verordening 1013/2006 overbrenging van afvalstoffen", immers heeft voornoemde N.V. (telkens) een afvalstof, te weten genaftalineerde olie afkomstig van [organisatie 2] te Luik, overgebracht vanuit België naar haar verwerkingslocatie te Farmsum in Nederland, terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan alle betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig genoemde Verordening en/of zonder (schriftelijke) toestemming van de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig genoemde Verordening, zulks terwijl verdachte, samen en in vereniging met (een) ander(en), dan wel alleen, tot vorenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging feitelijke leiding heeft gegeven, en/of in of omstreeks de periode van 14 april 2011 tot en met 11 juli 2011, te Farmsum , gemeente Delfzijl, althans in Nederland, althans op het grondgebied van de Europa, samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, opzettelijk - in totaal - 33 maal, althans een aantal malen (telkens) een handeling heeft verricht als bedoeld in artikel 2, onder 35, sub a en/of b, van de "EG-Verordening 1013/2006 overbrenging van afvalstoffen", immers heeft voornoemde N.V. (telkens) een afvalstof, te weten genaftalineerde olie afkomstig van [organisatie 2] te Luik, overgebracht vanuit België naar haar verwerkingslocatie te Farmsum in Nederland, terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan alle betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig genoemde Verordening, en/of zonder (schriftelijke) toestemming van de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig genoemde Verordening, zulks terwijl verdachte, samen en in vereniging met (een) ander(en), dan wel alleen, tot vorenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging feitelijke leiding heeft gegeven; 8. [verdachte organisatie] , in of omstreeks de periode van 25 maart 2010 tot en met 29 juni 2010, te Farmsum , gemeente Delfzijl, althans in Nederland, samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen - in totaal - 34 maal, althans een aantal malen (telkens) één of meer vervoersdocument(
- en)voor grensoverschrijdende afvaloverbrengingen/afvaltransporten behorende bij kennisgeving BE001001325 die was bestemd voor de overbrenging van de afvalstof koolwaterstof-watermengsel afkomstig van [organisatie 3] te Antwerpen naar zijn verdachtes verwerkingslocatie te Farmsum , -elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft voornoemde N.V. (telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid op dat/die vervoersdocument(
- en)voor grensoverschrijdende afvaloverbrengingen/afvaltransporten, vak 18 en/of 19 ingevuld en/of ondertekend en/of laten ondertekenen voor de ontvangst en/of verwerking op haar verwerkingslocatie van de afvalstof koolwaterstof - watermengsel afkomstig van [organisatie 3] te Antwerpen, terwijl in werkelijkheid de afvalstof genaftalineerde afvalolie afkomstig van [organisatie 2] te Luik op haar verwerkingslocatie te Farmsum was ontvangen en/of verwerkt, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(
- en)als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, zulks terwijl verdachte, samen en in vereniging met (een) ander(en), dan wel alleen, tot vorenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging feitelijke leiding heeft gegeven, en/of in of omstreeks de periode van 14 april 2011 tot en met 11 juli 2011, te Farmsum , gemeente Delfzijl, althans in Nederland, samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, - in totaal - 33 maal, althans een aantal malen, (telkens) één of meer vervoersdocument(
- en)voor grensoverschrijdende afvaloverbrengingen/afvaltransporten behorende bij kennisgeving BE001002066, die was bestemd voor de overbrenging van de afvalstof vloeibare olie en koolwaterstoffen afkomstig van [organisatie 4] te Antwerpen naar haar verwerkingslocatie te Farmsum , - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft voornoemde N.V. (telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid op dat/die vervoersdocument(
- en)voor grensoverschrijdende afvaloverbrengingen/afvaltransporten vak 18 en/of 19 ingevuld en/of ondertekend en/of laten ondertekenen voor de ontvangst en/of verwerking op haar verwerkingslocatie van de afvalstof vloeibare olie/koolwaterstoffen afkomstig van [organisatie 4] te Antwerpen, terwijl in werkelijkheid de afvalstof genaftalineerde afvalolie afkomstig van [organisatie 2] te Luik op haar verwerkingslocatie te Farmsum was ontvangen en/of verwerkt, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(
- en)als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, zulks terwijl verdachte, samen en in vereniging met (een) ander(en), dan wel alleen, tot vorenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging feitelijke leiding heeft gegeven. 1Geldigheid van de dagvaarding Standpunt van de officier van justitie 1.1. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding geldig is. Standpunt van de verdediging 1.2. De verdediging heeft betoogd dat de dagvaarding partieel nietig moet worden verklaard ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde, omdat de dagvaarding niet voldoet aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Daartoe is aangevoerd dat uit de feitelijke omschrijving van feit 3. (met uitzondering van de ten laste gelegde valsheid in de Tankleichter Messberichten) niet blijkt waarom bepaalde invullingen van de documenten vals of vervalst zijn, waardoor geen sprake is van een deugdelijke invulling van het kwalificatieve gedeelte van de tenlastelegging. Oordeel van de rechtbank 1.3.1. Op grond van artikel 261, eerste en tweede lid, Sv moet de dagvaarding bevatten een opgave van het ten laste gelegde feit, alsmede de vermelding van de tijd, plaats en omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan. Bij de beoordeling van de vraag of in een concreet geval aan deze eisen is voldaan, dient te worden gekeken naar de functie van de dagvaarding en de daarin opgenomen tenlastelegging. In de eerste plaats dient de tenlastelegging een voldoende bepaald en omlijnd object van het door de rechter in te stellen onderzoek vast te leggen en in de tweede plaats dient de tenlastelegging de beschuldiging in voldoende precieze termen te formuleren zodat de verdachte daaruit kan begrijpen waarvoor hij zich moet verantwoorden. 1.3.2. Als feit 3. is - kort gezegd - ten laste gelegd dat verdachte tezamen en in vereniging met (een) ander(
- en)opdracht heeft gegeven tot of feitelijk leiding heeft gegeven aan valsheid in geschrifte. Volgens de tenlastelegging zou deze valsheid er - voor zover in het kader van dit verweer van belang - in hebben bestaan dat telkens valselijk en/of in strijd met de waarheid in de jaren 2006 en 2007 op 21 EVOA-documenten genaamd "Grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen" in vak 13 (benaming en chemische samenstelling van de stoffen) "fluxolie" is vermeld, in de jaren 2008 en 2009 op 52 EVOA-documenten genaamd "Vervoersdocument voor grensoverschrijdende afvaloverbrenging" in vak 9 (als locatie waarop, en proces waarbij, de afvalstoffen zijn ontstaan) - respectievelijk - (zakelijk weergegeven) " Farmsum " en "destillatie" en/of - op een deel van bedoelde documenten - in vak 12 (benaming van de afvalstoffen) "fluxolie" is vermeld en in de jaren 2008 en 2009 op 27 begeleidingsbrieven als ontvanger " [verdachte organisatie] " is vermeld. In de tenlastelegging is aangegeven op welke pagina's van het dossier deze documenten te vinden zijn, dan wel een overzicht daarvan te vinden is. 1.3.3. Naar het oordeel van de rechtbank is met deze feitelijke omschrijving een voldoende bepaald en omlijnd object van het door de rechtbank in te stellen onderzoek vastgelegd en is het voor verdachte voldoende duidelijk waarvoor hij zich moet verantwoorden. 2Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie Inleiding 2.1. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte omdat sprake is van een veelheid van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, die er ieder voor zichzelf, althans in onderling verband beschouwd, toe hebben geleid dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte tekort is gedaan aan zijn recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM), althans omdat sprake is van zeer fundamentele inbreuken op een eerlijk proces en de integriteit van het onderzoek, waardoor het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt. Daartoe heeft de verdediging meerdere gronden aangevoerd, welke de rechtbank hierna ieder afzonderlijk zal bespreken. De rechtbank zal daarbij tevens betrekken hetgeen is aangevoerd door de raadsman van de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ), nu de raadsman van verdachte hiernaar heeft verwezen en de door de beide raadslieden gevoerde verweren op elkaar aansluiten en/of elkaar aanvullen. 2.2. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging en dat de door de verdediging gevoerde ontvankelijkheidsverweren moeten worden verworpen. De rechtbank zal hierna bij de bespreking van de afzonderlijke verweren uitgebreider ingaan op de door de officier van justitie ingenomen standpunten. 2.3. Ten aanzien van de ontvankelijkheidsverweren in zijn algemeenheid stelt de rechtbank voorop dat volgens vaste rechtspraak niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging, afgezien van de in de wet geregelde gevallen, slechts in uitzonderlijke situaties in aanmerking komt. Als het gaat om een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv - dus een onherstelbaar vormverzuim dat is begaan in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde feit - is voor dat rechtsgevolg alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een goede procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Bij een inbreuk op de verdedigingsrechten van de verdachte die niet onder het bereik van artikel 359a Sv valt, komt de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging niet in aanmerking, behoudens in het uitzonderlijke geval dat die inbreuk van dien aard is en zodanig ernstig dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het EVRM. Daarbij verdient opmerking dat het in de eerste plaats moet gaan om een inbreuk die onherstelbaar is en die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is gecompenseerd. Bovendien moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen - in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) - dat "the proceedings as a whole were not fair" (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 13 september 2016; ECLI:NL:HR:2016:2059). Vertrouwensbeginsel 2.4.1. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat is gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. Daartoe heeft zij aangevoerd dat onder toeziend oog van het openbaar ministerie en ambtenaren die zich bezig hielden met toezicht op de Europese Verordening betreffende de overbrenging van afvalstoffen (hierna: EVOA) jarenlang feitelijk (stilzwijgend) werd toegestaan dat afgewerkte olie vanaf [verdachte organisatie] , handelend onder de naam [verdachte organisatie] (hierna: [verdachte organisatie] ), onbewerkt werd overgebracht naar Dollbergen in Duitsland, terwijl in de vervoersdocumenten stond dat deze stroom afkomstig was van destillatie bij [verdachte organisatie] . Handhavers belast met de EVOA-regelgeving hebben volgens de verdediging overtredingen geconstateerd en hun plicht tot handhaving niet uitgeoefend, terwijl het openbaar ministerie hiervan op de hoogte was. Er was geen sprake van heimelijk gedrag; het was voor het openbaar ministerie duidelijk wie de betrokkenen waren, wat de lading van de schepen was en via welke route de schepen voeren. Volgens de verdediging is sprake van een zeer bijzondere situatie die is gecreëerd door de betrokkenheid van [medewerker 1] , een medewerker van de unit Transport- en Milieucontroles van de dienst Waterpolitie (hierna: TMC-Water) van het Korps landelijke politiediensten (hierna: KLPD) (hierna: [medewerker 1] ), die niet alleen als EVOA-handhaver maar ook als opsporingsambtenaar bij de kwestie betrokken was. Volgens de verdediging woonde [medewerker 1] op een afstand van tien kilometer van [verdachte organisatie] , was hij bijna dagelijks met [verdachte organisatie] in gesprek en lijkt hij veel te persoonlijk betrokken te zijn geweest. [medewerker 1] wist vanaf het eerste begin dat ten aanzien van de onbewerkte afgewerkte oliestromen in de kennisgevingen stond dat deze stromen afkomstig waren van destillatie, maar dat dit in voorkomende gevallen niet plaatsvond. [medewerker 1] vond dit echter niet erg omdat de stromen hoogwaardig werden bewerkt in Dollbergen. De verdediging veronderstelt dat [medewerker 1] een en ander diverse malen heeft besproken met de met handhaving belaste instantie, het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: VROM), en dat deze kwestie ook besproken moet zijn met het openbaar ministerie. Doordat desondanks niet handhavend is opgetreden, is bij verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat hij niet zou worden vervolgd. 2.4.2. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat uit geen enkele uitlating of gedraging van het openbaar ministerie kon blijken dat [verdachte organisatie] niet zou worden vervolgd en dat het uitblijven van handhavend optreden niet op één lijn kan worden gesteld met een door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen, uitlating. 2.4.3.1. De rechtbank stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, Sv aan het openbaar ministerie het vervolgingsmonopolie is toegekend en dat het openbaar ministerie daarmee de bevoegdheid heeft om geheel zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek al dan niet strafvervolging zal plaatsvinden. Dit wordt ook wel aangeduid als het opportuniteitsbeginsel. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing en wel in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. 2.4.3.2. Zo'n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd. Aan uitlatingen of gedragingen van functionarissen aan wie geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend, kan zulk gerechtvaardigd vertrouwen dat (verdere) vervolging achterwege zal blijven evenwel in de regel niet worden ontleend. Het uitblijven van handhavend optreden kan niet op één lijn worden gesteld met een door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen, uitlating of gedraging (vgl. de arresten van de Hoge Raad van 2 juli 2013; ECLI:NL:HR:2013:7, en 19 januari 2016; ECLI:NL:HR:2016:23). 2.4.3.3. Mede gelet op deze rechtspraak van de Hoge Raad is de rechtbank van oordeel dat aan het enkele feit dat gedurende een langere periode niet wordt opgetreden tegen een bepaalde normovertreding, ook indien ervan kan worden uitgegaan dat het plaatselijk gezag daarmee bekend is, niet het gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend dat deze normovertreding niet zal worden vervolgd. Dit is slechts anders indien er op grond van door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen, uitlatingen of daarmee gelijk te stellen gedragingen in redelijkheid niet aan kan worden getwijfeld dat het openbaar ministerie de intentie heeft de normovertreding niet te vervolgen. 2.4.3.4. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in dit geval geen sprake. Uit hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, kan niet worden afgeleid dat het openbaar ministerie er welbewust voor heeft gekozen bekende normovertredingen niet te vervolgen omdat zij deze op beleidsmatige gronden toelaatbaar achtte. Uit het dossier kan worden afgeleid dat niet eerder is overgegaan tot de vervolging van [verdachte organisatie] omdat de aanwijzingen die er waren onvoldoende werden beoordeeld om daarop het redelijk vermoeden te kunnen baseren dat [verdachte organisatie] (nog steeds) handelde in strijd met haar milieuvergunning en/of de door haar gedane kennisgevingen voor grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen en dat er onvoldoende capaciteit was voor het opstarten van een groot (opsporings)onderzoek. Ook indien de reden erin was gelegen dat er weliswaar reeds een redelijk vermoeden van schuld bestond maar men eerst meer informatie wilde verzamelen om later een groot onderzoek tegen [verdachte organisatie] te kunnen starten, zoals de verdediging heeft gesteld, kan daaruit geenszins worden afgeleid dat het openbaar ministerie de intentie had de normovertreding niet te vervolgen. 2.4.3.5. De omstandigheden dat [medewerker 1] nauw betrokken was bij [verdachte organisatie] , hij ermee bekend was dat afgewerkte olie zonder voorafgaande bewerking werd overgebracht naar Dollbergen, hij daar (blijkens zijn verklaring bij de rechter-commissaris) blij mee was, omdat hetgeen men in Dollbergen met de olie deed volgens hem zeer correct was, en hij dit mogelijk ook kenbaar heeft gemaakt aan [verdachte organisatie] , leiden niet tot een andere conclusie. Voor zover [medewerker 1] zijn standpunt al expliciet kenbaar heeft gemaakt aan [verdachte organisatie] , kan dit niet worden aangemerkt als een door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen, uitlating of daarmee gelijk te stellen gedraging, reeds omdat aan [medewerker 1] geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend. 2.4.3.6. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat niet is gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel en dat er daarom geen aanleiding bestaat om het openbaar ministerie op die grond niet-ontvankelijk te verklaren. Redelijke en billijke belangenafweging 2.5.1. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het heeft gehandeld in strijd met het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging, nu met de vervolging van de feiten 1. en 2. geen enkel belang is gediend. Daartoe heeft zij betoogd dat de overheid vier jaar lang heeft toegezien hoe de desbetreffende olieafvalstromen zonder bewerking te ondergaan in Farmsum naar een andere bestemming werden afgevoerd. De papieren werkelijkheid lag weliswaar anders, omdat in de meeste kennisgevingen stond dat [verdachte organisatie] de stromen eerst zelf ook zou destilleren, dan wel omdat op de vervoersdocumenten was aangegeven dat [verdachte organisatie] de producent van de stromen was na destillatie te Farmsum , maar iedereen wist vier jaar lang dat deze handelwijze geen negatieve gevolgen had voor het milieu. Bovendien heeft de overheid volledig zicht op de stromen kunnen houden en heeft zij dit zicht ook feitelijk gehouden. Daarom is de verdediging van mening dat voor deze feiten de vervolging is ingesteld en voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn en de vervolgingsbeslissing apert onevenredig is. 2.5.2. De officier van justitie is van mening dat de stelling van de verdediging dat bewust illegale stromen zijn doorgelaten, onjuist is en dat de omstandigheid dat niet eerder een onderzoek tegen [verdachte organisatie] is opgestart, geen reden is om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. Daartoe heeft hij aangevoerd dat indien [medewerker 1] ook maar een enkele concrete aanwijzing had gehad dat er strafbare feiten werden gepleegd, hij daarvan proces-verbaal zou hebben opgemaakt en in ieder geval verdere naspeuringen zou hebben gedaan. [medewerker 1] kreeg dat, ondanks vele bezoeken aan [verdachte organisatie] , echter niet rond. Voorts heeft de officier van justitie aangevoerd dat het openbaar ministerie, ook in het geval dat vast zou staan dat op basis van waarnemingen kon worden vermoed, geconstateerd of vastgesteld dat door [verdachte organisatie] strafbare feiten werden gepleegd, niet verplicht was om een onderzoek tegen [verdachte organisatie] op te starten. Volgens de officier van justitie kan een uitgebreider onderzoek pas worden opgestart na het opmaken van een preweegdocument, waarin onder andere de (mate van) verdenking van bepaalde strafbare feiten is aangegeven. Bovendien dient er opsporingscapaciteit beschikbaar te zijn en dient dat onderzoek in verhouding met andere onderzoeken de hoogste prioriteit te krijgen. In andere gevallen wordt per constatering een proces-verbaal opgemaakt. 2.5.3.1. De rechtbank wijst ook in dit kader op het in overweging 2.4.3.1. omschreven opportuniteitsbeginsel en de omstandigheid dat de beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan zich slechts in zeer beperkte mate leent voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing. 2.5.3.2. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie de arresten genoemd in overweging 2.4.3.2.) doet een uitzonderlijk geval als bedoeld in overweging 2.4.3.1. zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur (dat in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging). 2.5.3.3. In casu is geen sprake van een dergelijk uitzonderlijk geval. De rechtbank is van oordeel dat de beslissing om verdachte te vervolgen voor de feiten 1. en 2. past binnen de ruimte die het openbaar ministerie heeft op grond van het opportuniteitsbeginsel. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. 2.5.3.4. Blijkens de consideransen bij de Verordening (EEG) nr . 259/93 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (hierna: Verordening (EEG) nr . 259/93) en de Verordening (EG) nr . 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (hierna: Verordening (EG) nr . 1013/2006) (hierna tezamen: de EVOA-verordeningen) is voor de overbrenging van afvalstoffen een voorafgaande kennisgeving aan (en voorafgaande schriftelijke toestemming van) de bevoegde autoriteiten voorgeschreven, zodat deze naar behoren op de hoogte zijn van in het bijzonder de soort, de overbrenging en de verwijdering of de nuttige toepassing van de afvalstoffen en aldus alle maatregelen kunnen treffen die nodig zijn voor de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu, waaronder de mogelijkheid gemotiveerde bezwaren tegen de overbrenging te maken. 2.5.3.5. Indien bewezen wordt geacht dat afvalstoffen zonder kennisgeving aan en/of (schriftelijke) toestemming van alle betrokken bevoegde autoriteiten zijn overgebracht van Roosendaal en/of Lelystad naar Duitsland, is dit niet in overeenstemming met de doelstelling van deze beide verordeningen. In dat geval zijn deze autoriteiten onjuist dan wel onvolledig voorgelicht en is aan hen voorafgaand aan en tijdens de overbrengingen niet alle informatie verschaft die nodig is om een juiste beoordeling van de kennisgeving en een goede controle van de overbrengingen mogelijk te maken. Anders dan de verdediging heeft gesteld, heeft de overheid hierdoor in dat geval geen volledig zicht gehouden op de stromen. Uit de EVOA-documenten blijkt dan immers niet dat de afvalstoffen afkomstig zijn van inzameling te Roosendaal en Lelystad. 2.5.3.6. Indien bewezen wordt geacht dat de afvalstoffen niet in alle gevallen door [verdachte organisatie] zijn gedestilleerd, is dit niet in overeenstemming met de EVOA-documenten omdat daaruit het beeld naar voren komt dat de afvalstoffen in alle gevallen door [verdachte organisatie] te Farmsum zouden worden gedestilleerd alvorens zij werden overgebracht naar Duitsland en dat [verdachte organisatie] (daardoor) kon worden aangemerkt als (nieuwe) producent van de afvalstoffen. Dit is onder meer van belang voor de beantwoording van de vraag wie de kennisgeving voor deze grensoverschrijdende overbrengingen van afvalstoffen diende te doen aan de bevoegde autoriteiten. Ook in dat geval zijn deze autoriteiten onjuist dan wel onvolledig voorgelicht en is aan hen voorafgaand aan en tijdens de overbrengingen niet alle informatie verschaft die nodig is om een juiste beoordeling van de kennisgeving en een goede controle van de overbrengingen mogelijk te maken. Ook in dat geval heeft de overheid hierdoor geen volledig zicht gehouden op de stromen. 2.5.3.7. Dat de overheid bijvoorbeeld door middel van het controleren van binnenlandse transportdocumenten in combinatie met grensoverschrijdende transportdocumenten en het volgen en observeren van transporten kon achterhalen wat de feitelijke gang van zaken was en daaruit kon concluderen dat de afgewerkte olie in de gecontroleerde gevallen van Roosendaal en Lelystad werd overgebracht naar Duitsland, zonder bij [verdachte organisatie] te zijn gedestilleerd, betekent niet dat de overheid volledig zicht heeft kunnen houden op de stromen. 2.5.3.8. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat overtredingen van artikel 10.60 van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) misdrijven zijn en daarop straffen van een aanzienlijke zwaarte (maximaal zes jaar gevangenisstraf) kunnen volgen, hetgeen betekent dat de wetgever importantie hecht aan de bestraffing van deze feiten, indien bewezen. Dit is ook in overeenstemming met artikel 50, eerste lid, van Verordening (EG) nr . 1013/2006, dat bepaalt dat de sancties die de lidstaten op inbreuken van deze verordening toepassen, doeltreffend en afschrikkend moeten zijn. 2.5.3.9. Voor het antwoord op de vraag of er een redelijk belang is bij vervolging van deze feiten is niet van belang of de gevolgde handelwijze al dan niet negatieve gevolgen heeft gehad voor het milieu, nu dit geen allesbepalende factor is voor de strafbaarheid van het handelen op grond van de tenlastegelegde wetsartikelen. Bij een vervolgingsbeslissing kunnen ook andere belangen worden meegewogen. 2.5.3.10. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat geen aanleiding bestaat om te oordelen dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kon zijn, noch dat de vervolgingsbeslissing apert onevenredig is. Tijdsverloop en redelijke termijn 2.6.1. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de redelijke termijn en als gevolg daarvan artikel 6 van het EVRM ernstig zijn geschonden. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat zij evident en onherstelbaar in haar rechten van een effectieve verdediging en fair trial is geschaad doordat het openbaar ministerie een in haar ogen strafbare situatie vier jaren heeft laten voortduren en vervolgens een langdurig onderzoek heeft gestart waarbij de aandacht is uitgegaan naar allerlei andere stromen die uiteindelijk niet zijn vervolgd. Het is voor de verdediging niet mogelijk te achterhalen wat zich twaalf jaren geleden heeft afgespeeld met betrekking tot de oliestromen naar Dollbergen. Ook is het door het tijdsverloop nauwelijks mogelijk nog serieus onderzoek te doen naar de daadwerkelijk start van de verdenkingen en de wetenschap die aanwezig was bij ambtenaren. De verdediging heeft eerst zes tot zeven jaar later de mogelijkheid gekregen om getuigen te ondervragen, waardoor veel getuigen geen antwoord meer konden geven op relevante vragen. Ook zijn door het tijdsverloop sommige stukken niet meer terug te vinden, aldus de verdediging. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat de officier van justitie tot tweemaal toe onrechtmatig heeft geweigerd stukken toe te voegen aan het dossier en/of de rechter-commissaris geen inzage heeft gegeven in de stukken waarover hij een beslissing diende te nemen. Dit heeft ertoe geleid dat het onderzoek van de verdediging serieus is vertraagd en dat de verdediging niet de mogelijkheid heeft gehad getuigen met bepaalde stukken te confronteren, terwijl het openbaar ministerie en de opsporingsdiensten wel over deze stukken beschikten. 2.6.2. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tijdsverloop geen reden is om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren en dat hier, zo nodig, rekening mee kan worden gehouden bij het bepalen van de strafmaat. Voorts heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het weigeren om stukken aan de verdediging te verstrekken en in plaats daarvan de rechter-commissaris een machtiging te vragen, niet kan worden aangemerkt als onrechtmatig (overheids)handelen, omdat in artikel 34, vierde lid, Sv een regeling is opgenomen die het weigeren van stukken mogelijk maakt. 2.6.3.1. De rechtbank stelt in het kader van dit verweer voorop dat het voorschrift van artikel 6, eerste lid, van het EVRM inzake de behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn beoogt te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging zou moeten leven. In zijn arrest van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578) heeft de Hoge Raad uitgangspunten en regels geformuleerd over de inbreuk op dit voorschrift en het rechtsgevolg dat daaraan dient te worden verbonden. In dat arrest heeft de Hoge Raad beslist dat overschrijding van de redelijke termijn nimmer kan leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging of de ontnemingsvordering. 2.6.3.2. In het voormelde arrest van 17 juni 2008 heeft de Hoge Raad er voorts op gewezen dat ook andere factoren nopen tot een voortvarende afhandeling van strafzaken, zoals de ongunstige invloed van het tijdsverloop op de beoordeling van de feiten als gevolg van de verbleking van de herinnering van - bijvoorbeeld - getuigen. Genoemd voorschrift van artikel 6, eerste lid, EVRM inzake de behandeling binnen een redelijke termijn heeft evenwel niet het oog op deze factoren en strekt in het bijzonder niet ertoe de verdedigingsrechten van een verdachte te waarborgen, zoals het recht getuigen te ondervragen. De in het arrest geformuleerde uitgangspunten en regels houden alleen verband met het recht op behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn en gelden dus niet voor de beoordeling van inbreuken op de verdedigingsrechten. 2.6.3.3. In een arrest van 23 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BI2277) heeft de Hoge Raad overwogen dat de opvatting dat de enkele aangevoerde omstandigheid "dat het - ten gevolge van een niet voortvarende afhandeling van het opsporingsonderzoek - zeer lange tijdsverloop na het beweerde strafbare feit een dusdanig verblekende werking heeft gehad op het herinneringsvermogen van de verdachte en van getuigen dat niet meer kan worden gekomen tot een juiste vaststelling van de feiten" grond oplevert voor de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging onjuist is. 2.6.3.4. Voor zover de door de verdediging gestelde aantasting van haar rechten op een effectieve verdediging het gevolg is van het laten voortduren van de illegale situatie alvorens een opsporingsonderzoek te beginnen, is geen sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv, aangezien op dat moment het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van de aan hem tenlastegelegde feiten nog niet was aangevangen. Naar het oordeel van de rechtbank kan hetgeen de verdediging in dat kader heeft aangevoerd niet tot de conclusie leiden dat sprake is van een zodanige inbreuk op de verdedigingsrechten dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het EVRM. 2.6.3.5. Daartoe overweegt de rechtbank dat de rechter-commissaris op verzoek van de verdediging een groot aantal getuigen heeft gehoord over de start van het onderzoek en dat op verzoek van de verdediging een groot aantal stukken betreffende de periode voorafgaande aan de formele start van het onderzoek in maart 2009 aan het dossier is toegevoegd. Deze getuigenverhoren en stukken hebben onder meer betrekking op het moment waarop de verdenkingen zijn ontstaan en de wetenschap die ambtenaren in de periode voorafgaand aan de formele start van het opsporingsonderzoek hadden. Tijdens de regiezitting van 9 november 2016 heeft de rechtbank in het kader van de beoordeling van de nadere onderzoekswensen van de verdediging geoordeeld dat door deze getuigenverhoren en deze stukken in samenhang met het start- en overdrachtsproces-verbaal van de zaak [naam onderzoek] (hierna: het startproces-verbaal), een voldoende compleet beeld is ontstaan, op grond waarvan zij kan oordelen over de feiten en omstandigheden in de aan het opsporingsonderzoek voorafgaande fasen. De rechtbank verwijst in dit kader naar de overwegingen 1.5.1. tot en met 1.5.4. en 2.1. in het proces-verbaal van deze regiezitting. De rechtbank ziet geen aanleiding om daar nu anders over te oordelen. Zij voegt hier nog aan toe dat het beeld van de aan het opsporingsonderzoek voorafgaande fasen nog verder wordt gecompleteerd door hetgeen de rechter-commissaris in zijn beslissingen ingevolge artikel 34, vierde lid, Sv van 18 maart 2016 en 18 oktober 2016 heeft opgemerkt over de inhoud van de door hem bestudeerde stukken betreffende deze fasen. De rechtbank kan zich dan ook niet vinden in de stelling van de verdediging dat het door het tijdsverloop nauwelijks mogelijk is nog serieus onderzoek te doen naar de daadwerkelijk start van de verdenkingen en de wetenschap die aanwezig was bij ambtenaren. Dat de getuigen (mede) door het tijdsverloop niet alle vragen van de verdediging hebben kunnen beantwoorden en dat niet alle door de verdediging gevraagde stukken boven water zijn gekomen, doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af en is geen reden om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. 2.6.3.6. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen aanwijzingen dat de opsporingsinstanties of het openbaar ministerie doelbewust langer hebben gewacht met het opstarten van een (voorbereidend) opsporingsonderzoek dan noodzakelijk was. Voor zover al zou moeten worden geoordeeld dat er (ruim) vóór de formele start van het voorbereidend onderzoek in augustus 2008 en/of de formele start van het opsporingsonderzoek in maart 2009 bij de opsporingsdiensten en het openbaar ministerie al voldoende informatie beschikbaar was om een opsporingsonderzoek te rechtvaardigen, zijn naar het oordeel van de rechtbank in het dossier meerdere factoren aan te wijzen die kunnen verklaren en rechtvaardigen waarom dit niet is gebeurd. In de eerste plaats blijkt uit het dossier, waaronder met name de verklaringen van [medewerker 2] (hierna: [medewerker 2] ) en [medewerker 1] , dat [verdachte organisatie] weliswaar in 2005 tijdens het onderzoek [naam onderzoek] I als onderzoekssubject en mogelijke verdachte in beeld was, maar dat dit onderzoek medio 2006 stil is komen te liggen in verband met het onderzoek in de zaak betreffende het schip de [naam schip] en dat het onderzoek [naam onderzoek] (II) zich na het voorzetten daarvan niet langer tegen [verdachte organisatie] richtte. Bovendien heeft de rechter-commissaris in zijn beslissing ingevolge artikel 34, vierde lid, Sv van 18 oktober 2016, na bestudering van stukken betreffende het onderzoek [naam onderzoek] I, geconcludeerd dat hij in het startproces-verbaal van deze zaak d.d. 28 juli 2005 niet leest dat de verdenking "dossier afgewerkte olie" reeds bestond in 2005. Volgens de rechter-commissaris zijn weliswaar bevindingen en aanwijzingen beschreven, maar zijn die uiterst behoedzaam geformuleerd en maakt het proces-verbaal duidelijk dat veel nader onderzoek nodig is, voordat een onderbouwde verdenking kan worden geformuleerd. Voorts geldt dat verschillende overheden en opsporingsdiensten zich vanuit verschillende invalshoeken met [verdachte organisatie] bezighielden, dat bij [verdachte organisatie] sprake was van een groot aantal verschillende afvalstromen, dat (overtreding van) de afvalstoffenwetgeving een relatief ingewikkelde materie betreft en dat het van verschillende factoren afhankelijk is of bepaald bij een controle geconstateerd handelen al dan niet is toegestaan. Bovendien kan doorgaans pas na controle van onderliggende vergunningen, kennisgevingen en dergelijke documenten worden vastgesteld of mogelijk sprake is van een overtreding en bestond er in sommige gevallen verschil van mening tussen verschillende overheidsinstanties over de vraag of al dan niet sprake was van een overtreding. Daarbij komt dat voor elke specifieke afvalstroom en voor elk jaar een andere kennisgeving gold en dat de in het kader van die kennisgevingen verstrekte en in de beschikkingen op die kennisgevingen opgenomen informatie over de desbetreffende afvalstromen niet steeds gelijk was. Ook is van belang dat het beleid van [verdachte organisatie] ten aanzien van het al dan niet zelf bewerken van de stromen afgewerkte olie door de jaren heen is gewijzigd in verband met veranderende marktomstandigheden. De twee laatstgenoemde factoren brengen met zich mee dat de kennis die de overheid had over een specifieke overbrenging binnen een bepaalde stroom afgewerkte olie op een bepaalde datum, niet zonder meer gold voor een andere specifieke overbrenging binnen diezelfde stroom op een andere datum, laat staan voor een overbrenging binnen een andere stroom afgewerkte olie. Daaruit volgt dat, indien op enig moment in het verleden (bijvoorbeeld ten tijde van het rechtshulpverzoek van 2002 of het onderzoek [naam onderzoek] I) al het redelijk vermoeden bestond dat [verdachte organisatie] ten aanzien van één of meer overbrengingen van afvalstoffen niet handelde conform de milieuvergunning, de begeleidingsformulieren voor binnenlands afvaltransport of de gedane kennisgeving van (en/of verleende toestemming voor) grensoverschrijdende overbrenging van die afvalstoffen door die afvalstoffen niet te bewerken, dit niet betekent dat dit vermoeden ook geldt voor overbrengingen van afvalstoffen die jaren later plaatsvinden binnen dezelfde afvalstroom, laat staan binnen een andere (al dan niet vergelijkbare) afvalstroom. 2.6.3.7. Voor zover de door de verdediging gestelde aantasting van haar rechten op een effectieve verdediging het gevolg is van het de lange duur van het opsporingsonderzoek, zou mogelijk sprake kunnen zijn van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. De rechtbank is echter van oordeel dat hetgeen de verdediging in dit kader heeft aangevoerd niet tot de conclusie kan leiden dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een goede procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen aanwijzingen dat de opsporingsinstanties of het openbaar ministerie het voorbereidend onderzoek doelbewust langer hebben laten duren dan noodzakelijk was. Gelet op de omstandigheid dat het een groot en gecompliceerd onderzoek betrof en tijdens het onderzoek steeds nieuwe vermoedens van andere strafbare feiten ontstonden, is het niet onbegrijpelijk dat dit onderzoek lange tijd in beslag heeft genomen. Dat een groot deel van de verdenkingen uiteindelijk niet tot een vervolging heeft geleid, doet daar niet aan af. Voor zover al sprake is van een niet voortvarende afhandeling van het opsporingsonderzoek, geldt ook in dit kader dat de enkele omstandigheid dat mogelijk sprake is van een zeer lang tijdsverloop na het beweerde strafbare feit en dit een dusdanig verblekende werking heeft gehad op het herinneringsvermogen van getuigen dat niet meer kan worden gekomen tot een juiste vaststelling van feiten onvoldoende reden is om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. Hierbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat de verjaringstermijn van de ten laste gelegde feiten twaalf jaren bedraagt en deze termijn nog niet is verstreken. 2.6.3.8. Voor zover de door de verdediging gestelde aantasting van haar rechten op een effectieve verdediging het gevolg is van de weigering van de officier van justitie om stukken te verstrekken, is geen sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv omdat dit gestelde verzuim niet heeft plaatsgevonden in het kader van het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte maar in het kader van het onderzoek door de verdediging. 2.6.3.9. De rechtbank constateert dat de officier van justitie in een aantal gevallen heeft geweigerd stukken, waar de verdediging om heeft gevraagd, aan het dossier toe te voegen zonder dat hij daarvoor eerst een machtiging van de rechter-commissaris heeft gevorderd. Voorts constateert de rechtbank dat de officier van justitie in eerste instantie niet alle stukken waarvoor hij een machtiging heeft gevorderd aan de rechter-commissaris heeft verstrekt teneinde hem in de gelegenheid te stellen op basis daarvan een beslissing te nemen op de vordering(en). Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de officier van justitie heeft gehandeld in strijd met artikel 34, vierde lid, Sv. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze verzuimen inmiddels hersteld, doordat de officier van justitie ten aanzien van deze stukken later alsnog een machtiging heeft gevorderd en hij uiteindelijk alle stukken aan de rechter-commissaris heeft verstrekt. Het enkele feit dat deze verzuimen hebben geleid tot een vertraging van het onderzoek van de verdediging kan naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie leiden dat sprake is van een zodanige inbreuk op de verdedigingsrechten dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het EVRM. Hetzelfde geldt voor de door de verdediging gestelde omstandigheid dat zij hierdoor getuigen niet heeft kunnen confronteren met bepaalde stukken. Indien de verdediging dit van essentieel belang achtte voor haar onderzoek had zij de rechter-commissaris en/of de rechtbank kunnen verzoeken de desbetreffende getuigen (nogmaals) te horen over de desbetreffende stukken dan wel hen schriftelijk op de stukken te laten reageren. 2.6.3.10. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat hetgeen de verdediging in het kader van dit verweer heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie. Goede procesorde 2.7.1. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het heeft gehandeld in strijd met de goede procesorde door geen duidelijkheid te verschaffen over het onderzoek dat heeft plaatsgevonden in de periode van september 2007 tot en met juli 2008 en door het voor de verdediging niet mogelijk te maken dit onderzoek helder te krijgen. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat nog steeds niet duidelijk is wat [naam onderzoek] precies heeft ingehouden, waar het precies op zag, wie er opdracht voor heeft gegeven en welke stukken in dat kader zijn opgemaakt. In het startproces-verbaal staat helemaal niets over [naam onderzoek] en alle documenten die daarbij als bijlage zijn gevoegd, zouden zijn opgesteld in de periode van augustus 2008 tot en met februari 2009. Uit de verklaringen die [medewerker 2] heeft afgelegd bij de rechter-commissaris is naar voren gekomen dat [naam onderzoek] liep in de periode van oktober 2007 tot en met juli 2008, dat het zag op verdenkingen uit controles van de waterpolitie, dat het openbaar ministerie erbij betrokken was, dat er veel overleg heeft plaatsgevonden met de KLPD, [medewerker 1] en [medewerker 3] (hierna: [medewerker 3] ) en dat er in die periode opdrachtgerichte controles zijn uitgevoerd en gericht is gecontroleerd op stromen. Het is niet bekend waar de documenten die [medewerker 2] in het kader van [naam onderzoek] heeft opgesteld, zijn gebleven. Hierdoor kan de verdediging geen onderzoek doen naar de start van het onderzoek. Voorts heeft de verdediging de rechtbank, indien zij zich toch ook onvoldoende voorgelicht acht over essentiële periodes van het onderzoek, voorwaardelijk verzocht de mappen [naam onderzoek] en het bijgehouden journaal aan het dossier toe te voegen. Daartoe is aangevoerd dat de verdediging zelf wil beoordelen of deze documenten relevante informatie bevatten en met name op welke data bepaalde processen-verbaal van ambtshandelingen (AMB'
- s)zijn opgemaakt, aangezien deze processen-verbaal, indien deze zijn opgemaakt in het kader van [naam onderzoek] , geen data na 1 augustus 2008 kunnen bevatten. 2.7.2. De officier van justitie heeft in dit kader aangevoerd dat in het onderzoek [naam onderzoek] een zeer uitgebreid startproces-verbaal aanwezig is met betrekking tot de voorfase van het onderzoek. Uit dit proces-verbaal blijkt dat in de periode van augustus 2008 tot en met 1 maart 2009 de voorbereidende fase van het onderzoek [naam onderzoek] heeft plaatsgevonden, dat onder meer informatie is verzameld uit diverse (transport)controles, dat hieruit het vermoeden ontstond dat [verdachte organisatie] betrokken was bij de onjuiste verwerking van afvalolie en dat van deze controles processen-verbaal zijn opgemaakt, welke bij het startproces-verbaal zijn gevoegd. In deze processen-verbaal staat duidelijk beschreven hoe de controles hebben plaatsgevonden en door welke instantie. Volgens de officier van justitie heeft de verkregen informatie ertoe geleid dat voldoende grond voor een verdenking tegen [verdachte organisatie] aanwezig was, waardoor het starten van een strafrechtelijk onderzoek tegen [verdachte organisatie] gerechtvaardigd was. Volgens de officier van justitie kan uit het startproces-verbaal en de verklaringen van [medewerker 2] en [medewerker 1] worden afgeleid dat er bij het onderzoek [naam onderzoek] in relatie tot het onderzoek [naam onderzoek] niets bijzonders aan de hand is. De officier van justitie wijst erop dat het onderzoek [naam onderzoek] I werd gedaan/zou worden gedaan door het Interregionaal Milieuteam (hierna: IMT) van de politie Amsterdam/Amstelland en het daarbij met name ging om de bedrijven [organisatie 5] en [organisatie 6] (hierna: [organisatie 6] ) / [organisatie 7] (hierna: [organisatie 7] ). Doordat bij de controles ook fouten en/of strafbare feiten bij transporten naar/van [verdachte organisatie] waren ontdekt, werd ook [verdachte organisatie] genoemd. Het onderzoek [naam onderzoek] is vanaf augustus 2006 ruim een jaar stilgelegd omdat het IMT van de politie Amsterdam/Amstelland naar aanleiding van de giframp in Ivoorkust opdracht kreeg onderzoek te doen naar hetgeen in Nederland had plaatsgevonden rond het schip de [naam schip] . Toen het onderzoek [naam onderzoek] later werd voortgezet, richtte het zich niet meer op [verdachte organisatie] . Men heeft toen besloten het onderzoek naar [verdachte organisatie] later op te pakken en dat is in 2008 gebeurd. Indien de verhouding tussen deze beide onderzoeken al niet helemaal helder is geworden, is dat volgens de officier van justitie geen reden om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. Volgens de officier van justitie is hierdoor geen schade toegebracht aan de verdedigingsrechten van verdachte en is de waarheidsvinding daardoor niet haast onmogelijk gemaakt. En als daarvan al sprake zou zijn, is dit door de politie en het openbaar ministerie bovendien niet doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte gedaan. Voorts heeft de officier van justitie aangevoerd dat uit de AMB's en de andere processen-verbaal van [medewerker 2] en de verklaringen van [medewerker 2] blijkt dat [naam onderzoek] een intern preweegdocument signaalfase betreft, waarin de dienst Waterpolitie een aantal transportcontroles heeft beschreven als onderdeel van de ketencontrole op afvalstoffen. Voorts blijkt daaruit volgens de officier van justitie dat naar aanleiding van deze opsomming door de dienstleiding van de Dienst IPOL is besloten dat [medewerker 2] een preweegdocument zou gaan opstellen met de naam [naam onderzoek] . Tijdens de uitwerking van dit preweegdocument werd besloten dat ten aanzien van [verdachte organisatie] een strafrechtelijk onderzoek zou worden uitgevoerd door het IMT van de Bovenregionale Recherche Noord- en Oost Nederland (hierna: BRNON). Het preweegdocument [naam onderzoek] is nooit voltooid, omdat de verdenkingen werden uitgewerkt in het projectvoorstel [naam onderzoek] . Volgens de officier van justitie is [naam onderzoek] een informatieonderzoek geweest en geen voorbereidend onderzoek van [naam onderzoek] . 2.7.3.1. Zoals de rechtbank hiervoor onder 2.6.3.5. heeft overwogen, is zij van oordeel dat door de getuigenverhoren bij de rechter-commissaris en de op verzoek van de verdediging aan het dossier toegevoegde stukken, in samenhang met het startproces-verbaal, een voldoende compleet beeld is ontstaan over de feiten en omstandigheden in de aan het opsporingsonderzoek voorafgaande fasen, welk beeld nog verder is gecompleteerd door hetgeen de rechter-commissaris in zijn beslissingen van 18 maart 2016 en 18 oktober 2016 heeft opgemerkt over de inhoud van de door hem bestudeerde stukken betreffende deze fasen. Hieruit volgt dat de rechtbank zich voldoende voorgelicht acht over de aan de formele start van het opsporingsonderzoek voorafgaande fasen. Het voorwaardelijke verzoek van de verdediging tot het toevoegen aan het dossier van de mappen [naam onderzoek] en het bijgehouden journaal wijst zij daarom af. 2.7.3.2. Uit de in overweging 2.7.3.1. bedoelde documenten en getuigenverklaringen, waaronder met name de verklaringen van [medewerker 2] , en hetgeen de rechter-commissaris in zijn beslissingen van 18 maart 2016 en 18 oktober 2016 heeft opgemerkt over de inhoud van de door hem bestudeerde stukken betreffende deze fasen, leidt de rechtbank de volgende gang van zaken af. 2.7.3.3. Medewerkers van TMC-Water hebben drie signaal-preweegdocumenten opgesteld, welke de namen [naam onderzoek] 1, 2 en 3 hebben gekregen. In deze signaal-preweegdocumenten is door TMC-Water bij transportcontroles verzamelde informatie neergelegd over verschillende onderwerpen die betrekking hebben op mogelijk door [verdachte organisatie] gepleegde strafbare feiten. De in [naam onderzoek] 3 vermelde onderwerpen hebben geen betrekking op de strafbare feiten die thans ten laste zijn gelegd. De in [naam onderzoek] 1 en 2 vermelde onderwerpen zijn uiteindelijk meegenomen in het startproces-verbaal. Eind 2007 of begin 2008 zijn de drie signaal-preweegdocumenten in handen gesteld van [medewerker 4] (hierna: [medewerker 4] ) en [medewerker 5] (hierna: [medewerker 5] ). Zij waren op dat moment werkzaam bij de Dienst Nationale Recherche Informatie (hierna: DNRI) van de KLPD en het was de bedoeling dat zij op basis van de informatie in deze documenten zouden beoordelen of er voldoende aanwijzingen en/of een redelijk vermoeden van schuld bestonden, of er aanleiding was om een onderzoek te starten en of er ruimte en capaciteit voor zo'n onderzoek was. [medewerker 4] en [medewerker 5] hebben de informatie uit de drie signaal-preweegdocumenten verenigd in één document. [medewerker 4] heeft overleg gehad met het IMT van de BRNON om te kijken of er ruimte en capaciteit voor een onderzoek was. Daarnaast heeft [medewerker 4] toestemming gevraagd om (rest)informatie uit het onderzoek [naam onderzoek] te gebruiken voor verdere onderzoeken. Deze toestemming heeft hij op 28 februari 2008 gekregen en in dat kader zijn 31 pagina's met uitwerkingen van tapgesprekken uit het onderzoek [naam onderzoek] overgedragen. Uit het dossier blijkt niet dat [medewerker 4] en [medewerker 5] andere handelingen hebben verricht die relevant waren voor het latere onderzoek [naam onderzoek] , laat staan dat zij in dit kader opsporingshandelingen hebben verricht. In februari of maart 2008 hebben [medewerker 4] en [medewerker 5] de drie signaal-preweegdocumenten overgedragen aan [medewerker 2] . [medewerker 2] was op dat moment eveneens werkzaam bij de DNRI (welke op april 2008 is opgegaan in de Dienst IPOL). Vanaf dat moment heeft [medewerker 2] het onderzoek van [medewerker 4] en [medewerker 5] overgenomen en droeg dit onderzoek de naam [naam onderzoek] . [medewerker 2] deed dit onderzoek alleen. Hij heeft in het kader van het onderzoek [naam onderzoek] de database van de KLPD (genaamd Tracopol), de database van de politie (genaamd Blueview), de database van het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen (genaamd Amice), de EVOA-beschikkingen van [verdachte organisatie] en het handelsregister van de Kamer van Koophandel bevraagd en de daaruit verkregen stukken bestudeerd en geanalyseerd. Daarnaast heeft hij luchtfoto's van het terrein van [verdachte organisatie] aangevraagd. Oorspronkelijk was het de bedoeling dat [medewerker 2] op basis van de informatie uit de drie signaal-preweegdocumenten zou komen tot een preweegdocument [naam onderzoek] . Dit preweegdocument is echter nooit formeel afgesloten en de preweegfase is op een gegeven moment ingeschoven in de projectvoorbereiding. Daartoe is het onderzoek in augustus 2008 door de Dienst IPOL overgedragen aan BRNON. Vanaf dat moment is het voorbereidend onderzoek gestart en is de naam [naam onderzoek] vervangen door de naam [naam onderzoek] . [medewerker 2] maakte onderdeel uit van het projectteam dat zich bezighield met het voorbereidend onderzoek [naam onderzoek] . Van de ambtshandelingen die [medewerker 2] heeft verricht in het kader van het onderzoek [naam onderzoek] zijn de processen-verbaal AMB001.000, AMB002.000, AMB003.000, AMB005.000 en AMB006.000 opgemaakt, welke pas later - in de periode van het onderzoek [naam onderzoek] - (definitief) zijn vastgesteld en ondertekend. In deze processen-verbaal zijn ook (ambts)handelingen en gebeurtenissen vermeld die eerst hebben plaatsgevonden, nadat het onderzoek [naam onderzoek] al was overgegaan in het voorbereidend onderzoek [naam onderzoek] . Dit geldt onder meer voor het verzoek dat [medewerker 2] op 1 september 2008 heeft gedaan aan de Dienst Luchtvaartpolitie van de KLPD om gedetailleerde luchtfoto's te maken van de terreinen van [verdachte organisatie] en [mede verdachte organisatie 2] te Lelystad (hierna: [mede verdachte organisatie 2] ) en de luchtfoto's die naar aanleiding daarvan zijn gemaakt. Van de analyses die [medewerker 2] heeft gemaakt in het kader van [naam onderzoek] is geen afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. In het kader van het voorbereidend onderzoek [naam onderzoek] is (opnieuw) informatie uit het onderzoek [naam onderzoek] overgedragen aan het IMT Noord-Oost Nederland. Dit betreft de uitwerking van één getapt telefoongesprek. Ook heeft in het kader van het voorbereidend onderzoek [naam onderzoek] een bevraging van de database van de Douane (genaamd Sagitta) plaatsgevonden. Dit is neergelegd in het proces-verbaal AMB007.000 d.d. 25 februari 2009 van [medewerker 2] . 2.7.3.4. Uit de hiervoor weergegeven gang van zaken leidt de rechtbank af dat het onderzoek [naam onderzoek] niet kan worden aangemerkt als een voorbereidend strafrechtelijk onderzoek of een opsporingsonderzoek tegen [verdachte organisatie] . Naar het oordeel van de rechtbank was enkel sprake van het verzamelen van informatie met het oog op het eventueel later starten van een voorbereidend strafrechtelijk onderzoek of opsporingsonderzoek. Uit het dossier blijkt niet dat in het kader van het onderzoek [naam onderzoek] opsporingshandelingen zijn verricht. 2.7.3.5. Voor de helderheid van de verslaglegging van de te onderscheiden fasen van het onderzoek zou het naar het oordeel van de rechtbank beter zijn geweest wanneer [medewerker 2] in de processen-verbaal AMB001.000 en volgende enkel ambtshandelingen had beschreven die hij heeft verricht in het kader van het informatieonderzoek [naam onderzoek] . De omstandigheid dat in deze processen-verbaal ook (ambts)handelingen en gebeurtenissen zijn beschreven die hebben plaatsgevonden nadat het onderzoek [naam onderzoek] al was overgegaan in het voorbereidend onderzoek [naam onderzoek] , geeft naar het oordeel van de rechtbank echter geen aanleiding om te twijfelen aan hetgeen [medewerker 2] heeft verklaard over zijn werkzaamheden gedurende het onderzoek [naam onderzoek] noch aan de aard van dat onderzoek. Daarbij neemt zij mede in aanmerking dat het begrijpelijk is dat bepaalde bevragingen vanwege het tijdsverloop opnieuw dienden te gebeuren, aangezien de mogelijkheid bestond dat er in de tussentijd nieuwe informatie in de databases was opgenomen, zoals [medewerker 2] ook heeft verklaard ten aanzien van Tracopol. 2.7.3.6. Voorts overweegt de rechtbank dat de stelling van de verdediging dat [medewerker 2] heeft verklaard dat er in die periode (de rechtbank begrijpt: tijdens het onderzoek [naam onderzoek] ) opdrachtgerichte controles zijn uitgevoerd en gericht is gecontroleerd op stromen, niet juist is. [medewerker 2] heeft - zakelijk weergegeven - verklaard dat het gebruikelijk was dat hij in het kader van de voorbereiding van een zaak collega's vroeg een bepaalde controle uit te voeren. Hij heeft echter ook verklaard dat hij niet weet of dat in dit geval ook is gebeurd en heeft ontkend dat in dit geval controleopdrachten zijn gegeven in zijn beheer. Ook overigens kan uit het dossier niet worden afgeleid dat gedurende het onderzoek [naam onderzoek] sprake is geweest van (het geven van opdrachten tot) gerichte controles op afvalstromen naar [verdachte organisatie] . De rechtbank merkt hierbij op dat er naar haar oordeel in beginsel ook niets op tegen is om gerichte controles uit te voeren en dat dit niet hoeft te betekenen dat reeds sprake is van een opsporingsonderzoek en/of een redelijk vermoeden van schuld. 2.7.3.7. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat hetgeen de verdediging in het kader van dit verweer heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie. Verbaliseringsplicht 2.8.1. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat sprake is van een fundamentele schending van de verbaliseringsplicht, waardoor de verdediging de mogelijkheid van controle op het (voorbereidend) strafrechtelijk onderzoek is ontnomen. De verdediging heeft in dit kader verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BL5629). Daartoe heeft de verdediging in de eerste plaats aangevoerd dat in de periode van [naam onderzoek] geen verslaglegging heeft plaatsgevonden. Dit betreft een periode van een jaar en over die periode is geen enkel document beschikbaar. In deze periode werd volgens de verdediging in ieder geval voorbereidend onderzoek gedaan en dit onderzoek is in die periode mogelijk overgegaan in een opsporingsonderzoek. Ook indien het enkel een voorbereidend onderzoek betrof, kon verslaglegging niet achterwege blijven en diende bij gebrek aan verslaglegging een reconstructie plaats te vinden zodat de rechter en de verdediging de rechtmatigheid kunnen toetsen. Dit is volgens de verdediging met name noodzakelijk in een geval als dit waarbij sprake is van sfeercumulatie en controle- en opsporingsbevoegdheden door elkaar hebben gelopen. In de tweede plaats heeft de verdediging aangevoerd dat de verslaglegging van de controles van 20 mei 2008 en 2 oktober 2008 dermate gebrekkig, onvolledig en laat heeft plaatsgevonden dat de verbaliseringsplicht en als gevolg daarvan de rechten van de verdediging en de beginselen van een goede procesorde zijn geschonden. Van de controle van 20 mei 2008 is eerst op 13 december 2008 proces-verbaal opgemaakt en daarin is niet vermeld dat er al voorbereidingen voor een strafrechtelijk onderzoek liepen en dat de reden voor de controle was vast te stellen dat de vervoerde olie niet werd bewerkt. Van de controle van 2 oktober 2008 is eerst op 27 februari 2009 proces-verbaal opgemaakt, waarin evenmin is vermeld dat sprake was van een voorbereidend onderzoek. De verdediging vermoedt dat bewust is weggelaten dat de Unit TMC van de KLPD ten tijde van de controles van 20 mei 2008 en 2 oktober 2008 al strafrechtelijk onderzoek deed. Volgens de verdediging was al veel eerder duidelijk dat men moest acteren maar wilde men nog langer voorbereiden omdat men meer informatie wilde verzamelen. 2.8.2. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet noodzakelijk is om elke (in Nederland werkzame) verbalisant te bevragen en elk denkbaar systeem te raadplegen omtrent eerder door [verdachte organisatie] gepleegde strafbare feiten en de resultaten daarvan op te nemen in het startproces-verbaal. Volgens de officier van justitie is slechts vereist dat het startproces-verbaal voldoende materiaal bevat om een onderzoek te kunnen rechtvaardigen en een doorzoeking of het aanbrengen van telefoontaps te kunnen onderbouwen. Daaraan werd in dit geval voldaan. Ook indien al eerder opdracht is gegeven tot het opstellen van een preweegdocument, behoeft dit niet per se in het startproces-verbaal te worden vermeld. Voorts heeft de officier van justitie aangevoerd dat het startproces-verbaal door zijn omvang (drie ordners) uitzonderlijk is en dat de omstandigheid dat daar niet alles in staat wat er volgens de verdediging in had moeten staan, geen reden is om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. 2.8.3.1. De rechtbank stelt ten aanzien van dit verweer voorop dat artikel 152 Sv voorschrijft dat de in die bepaling genoemde opsporingsambtenaren ten spoedigste proces-verbaal opmaken van het door hen opgespoorde strafbare feit of van hetgeen door hen tot opsporing, zoals thans gedefinieerd in artikel 132a Sv, is verricht of bevonden. In artikel 132a Sv is opsporing gedefinieerd als het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen. De Hoge Raad heeft in het door de verdediging aangehaalde arrest van 5 oktober 2010 overwogen dat redelijke uitleg van die bepaling in het licht van de aan een eerlijk proces te stellen eisen het volgende meebrengt. Het staat de in die bepaling genoemde opsporingsambtenaren slechts dan vrij het opmaken van een proces-verbaal achterwege te laten ingeval hetgeen door hen is verricht of bevonden naar hun, aan toetsing door de officier van justitie onderworpen, oordeel redelijkerwijs niet van belang kan zijn voor enige door de rechter in het eindonderzoek te nemen beslissing. Ingeval het opmaken van een proces-verbaal achterwege blijft, zal evenwel dienen te worden voorzien in een zodanige verslaglegging van de desbetreffende verrichtingen en bevindingen, dat doeltreffend kan worden gereageerd op een verzoek van de rechter in het eindonderzoek tot nadere verantwoording omtrent dat onderdeel van het opsporingsonderzoek. Belangen van derden en/of van het opsporingsonderzoek vormen op zichzelf onvoldoende grond om het opmaken van een proces-verbaal achterwege te laten. Aan die belangen kan immers door de wijze waarop de desbetreffende verrichtingen en bevindingen in dat proces-verbaal worden gerelateerd, voldoende worden tegemoetgekomen. Artikel 152 Sv ziet slechts op het door het Wetboek van Strafvordering bestreken opsporingsonderzoek, zodat die bepaling niet van toepassing is in een daaraan voorafgaande fase van het onderzoek. Hoewel een wettelijke voorziening omtrent verslaglegging van de verrichtingen en bevindingen van opsporingsambtenaren in die onderzoeksfase ontbreekt, zal al naar gelang de aard en de omvang van het in die fase verrichte onderzoek verslaglegging in enigerlei vorm nochtans niet achterwege mogen blijven. Ingeval een opsporingsonderzoek volgt, zal bij het opmaken van processen-verbaal op de voet van artikel 152 Sv immers zo nodig moeten kunnen worden teruggegrepen op hetgeen voorafgaand aan het opsporingsonderzoek is verricht en bevonden. Voorts geldt ook hier dat, indien de rechter in het eindonderzoek - al dan niet naar aanleiding van een gevoerd verweer - nadere opheldering verzoekt omtrent bepaalde feiten en omstandigheden, op een zodanig verzoek doeltreffend moet kunnen worden gereageerd. De wet verbindt geen rechtsgevolgen aan de niet-naleving van artikel 152 Sv. Het staat derhalve ter beoordeling van de rechter of en zo ja in hoeverre aan de omstandigheid dat het opmaken van proces-verbaal achterwege is gebleven dan wel niet ten spoedigste is geschied, enig rechtsgevolg dient te worden verbonden. 2.8.3.2. Ten aanzien van de gestelde schending van de verbaliseringsplicht betreffende de periode [naam onderzoek] overweegt de rechtbank daarnaast het volgende. Voor zover aanvankelijk is verzuimd aan het dossier van de strafzaak tegen de verdachte een toereikende verslaglegging toe te voegen van hetgeen in deze periode door de opsporingsambtenaren is verricht en bevonden, is dat verzuim hersteld doordat de rechtbank de feitelijke gang van zaken tijdens de periode van [naam onderzoek] heeft kunnen vaststellen aan de hand van het startproces-verbaal, de uitgebreide verklaringen die de getuigen, onder wie [medewerker 2] , later over de preweegfase en het voorbereidend onderzoek hebben afgelegd, de stukken die op verzoek van de verdediging aan het dossier zijn toegevoegd en hetgeen de rechter-commissaris in dit kader heeft overwogen in zijn beslissingen van 18 maart 2016 en 18 oktober 2016. 2.8.3.3. Ten aanzien van de gestelde schending van de verbaliseringsplicht betreffende de controles van 20 mei 2008 en 2 oktober 2008 overweegt de rechtbank in aanvulling op hetgeen zij onder 2.6.3.5. heeft overwogen het volgende. Voor zover aanvankelijk is verzuimd tijdig proces-verbaal op te maken van deze controles dan wel aan het dossier van de strafzaak tegen de verdachte tijdig een toereikende verslaglegging van deze controles toe te voegen, is dat eventuele verzuim hersteld doordat van deze controles later alsnog processen-verbaal zijn opgemaakt. Voor zover deze processen-verbaal gebrekkig of onvolledig zouden zijn, is dat verzuim hersteld doordat de mutaties betreffende de controles aan het dossier zijn toegevoegd en [medewerker 2] , [medewerker 1] , [medewerker 3] en [medewerker 6] , destijds werkzaam als inspectiemedewerker bij het ministerie van VROM (hierna: [medewerker 6] ), over deze controles zijn gehoord en de rechtbank aan de hand van deze stukken en verklaringen, in samenhang met de processen-verbaal, de feitelijke gang van zaken rondom deze controles voldoende heeft kunnen vaststellen. 2.8.3.4. Van het vermoeden van de verdediging, dat in de processen-verbaal van de controles van 20 mei 2008 en 2 oktober 2008 bewust is weggelaten dat de Unit TMC van de KLPD (voorbereidend) strafrechtelijk onderzoek deed, wordt geen bevestiging gevonden in het dossier. Ook overigens acht de rechtbank niet aannemelijk dat door het niet (tijdig) opmaken van proces-verbaal of andere verslaglegging van de periode [naam onderzoek] en de controles van 20 mei 2008 en 2 oktober 2008 doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekort is gedaan aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. Misbruik van bevoegdheden 2.9.1. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat zeer aannemelijk is dat sprake is geweest van misbruik van bevoegdheden. Daartoe is aangevoerd dat verbalisanten van de KLPD, onderdeel uitmakende van een team dat (voorbereidend) strafrechtelijk onderzoek deed, in deze periode van onderzoek hun controlebevoegdheden louter hebben ingezet voor strafvorderlijke doeleinden. Volgens de verdediging zijn zij bij de zogenaamde controles ook veel verder gegaan dan de controlebevoegdheden reiken. De verbalisanten hebben bij de controles van 20 mei 2008 en 2 oktober 2008 de vrachtauto gevolgd, observaties gedaan, stukken opgevraagd en werknemers van [verdachte organisatie] bevraagd. Politieambtenaren en ambtenaren van de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van het ministerie van VROM (hierna: VROM IOD), die eveneens onder gezag van de officier van justitie staan, hebben bewust doorgelaten door niet, of niet toetsbaar, te acteren binnen de kaders van strafvordering met het doel om een groot onderzoek te doen tegen [verdachte organisatie] . 2.9.2. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen misbruik is gemaakt van bevoegdheden. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hem niet is gebleken dat voor de start van het onderzoek [naam onderzoek] bewust onderzoek is verricht ten aanzien van [verdachte organisatie] en dat dit ook niet is gebleken uit alle informatie die later aan het dossier is toegevoegd. Voorts heeft de officier van justitie hieromtrent verklaard dat hij vanaf 2001 milieuofficier van justitie in het arrondissement Groningen was, dat hij uit dien hoofde in het tweemaandelijks overleg met het Regionale Milieuteam Groningen van de politie regelmatig heeft gevraagd naar de handhaving van inrichtingen, dat in dat kader ook wel eens is gesproken over [verdachte organisatie] en dat werd gezegd dat daar het nodige mis zou zijn, maar dat er nooit voldoende informatie binnenkwam op basis waarvan een onderzoek zou kunnen worden opgestart. Verder heeft hij aangevoerd dat hij door de vragen van de verdediging tijdens de verhoren bij de rechter-commissaris voor het eerst heeft gehoord van het onderzoek [naam onderzoek] I
(2005), waarin ook [verdachte organisatie] voorkwam, dat de KLPD en de zaaksofficier van justitie van dat onderzoek hem daar nooit over hebben geïnformeerd en dat hij rond de zomer van 2008 voor het eerst hoorde van een onderzoek met betrekking tot [verdachte organisatie] . Verder heeft de officier van justitie aangevoerd dat je voor een onderzoek toegewezen capaciteit nodig hebt. De afvaltransportcontroles die in de loop der jaren zijn uitgevoerd waren niet gericht op [verdachte organisatie] en daarbij is niet, al dan niet structureel, bewust gezocht naar overtredingen van [verdachte organisatie] . Ten aanzien van de uitgevoerde scheepscontroles heeft de officier van justitie aangevoerd dat het logisch is dat een schip waarvan blijkt dat er iets mis is met de lading of de papieren, later nog eens, al dan niet gericht, wordt gecontroleerd en dat opsporingsambtenaren daarover met elkaar communiceren. Als blijkt dat er met schepen van of naar [verdachte organisatie] vaak iets aan de hand is, is het logisch dat die schepen vaker en misschien wel intensiever worden gecontroleerd. Dat betekent nog niet dat transporten bewust worden gecontroleerd ter voorbereiding van een later op te starten onderzoek. Volgens de officier van justitie behoort het maken van luchtfoto's bij het verzamelen van materiaal ten behoeve van het onderzoek en wordt daarmee nog geen onderzoek gestart, ook niet als daarbij enige detaillering wordt gevraagd. Voorts heeft de officier van justitie aangevoerd dat het bestaan van een verdenking niet in de weg staat aan het uitoefenen van controlebevoegdheden, mits daarbij de aan de verdachte als zodanig toekomende waarborgen in acht worden genomen. 2.9.3.
- De rechtbank stelt voorop dat het bestaan van een redelijk vermoeden van schuld van een strafbaar feit niet in de weg staat aan het uitoefenen van toezichtbevoegdheden, mits bij aanwending van die bevoegdheden tegen de verdachte de aan deze als zodanig toekomende waarborgen in acht worden genomen. De rechtbank verwijst in dit kader naar het arrest van de Hoge Raad van 21 januari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:135). Dit is slechts anders indien de toezichtbevoegdheden uitsluitend zijn gebruikt voor een ander doel - te weten: voor het verrichten van opsporingshandelingen - dan waarvoor deze zijn verleend. De rechtbank verwijst in dit kader bijvoorbeeld naar een arrest van de Hoge Raad van 1 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2454). 2.9.3.
- Het verweer van de verdediging richt zich concreet op de transportcontroles van 20 mei 2008 en 2 oktober
- Voor zover de verdediging heeft bedoeld haar verweer ook te richten op andere (transport)controles of handelingen van opsporingsambtenaren, heeft zij dit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende geconcretiseerd en zal de rechtbank daar niet op ingaan. 2.9.3.
- Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [medewerker 7] (hierna: [medewerker 7] ) en [medewerker 8] (hierna: [medewerker 8] ), beiden brigadier van het Regionaal Milieuteam van politie Fryslân, blijkt ten aanzien van de controle van 20 mei 2008 het volgende. [medewerker 7] en [medewerker 8] namen deel aan een grootscheepse, interregionale milieu- en transportcontrole op de A7 binnen de gemeente Scheemda. Zij zagen dat een vrachtauto met het Duitse kenteken [kentekennummer] naar de controleplaats werd geleid. Zij zagen dat uit de begeleidende documenten bleek dat de vrachtauto beladen was met afgewerkte olie afkomstig van [mede verdachte organisatie 2] . De chauffeur van de vrachtauto verklaarde dat hij met het transport onderweg was naar Duisburg, dat hij via Farmsum reed om bij [verdachte organisatie] nieuwe papieren op te halen om zijn weg naar Duisburg te vervolgen en dat hij in Farmsum niet hoefde te lossen. De chauffeur toonde hen een nationale begeleidingsbrief waarop stond dat [mede verdachte organisatie 2] de ontdoener en [verdachte organisatie] de ontvanger was. Verder stond daarop de verwerkingsmethode D01 (chemisch/fysisch scheiden). Volgens [medewerker 7] en [medewerker 8] kwam de informatie op de begeleidingsbrief niet overeen met de verklaring van de chauffeur. Daarom hebben zij [medewerker 6] en [medewerker 1] van de KLPD gewaarschuwd, waarop deze ter plaatse kwamen. Vervolgens is na overleg besloten dat [medewerker 6] en [medewerker 1] met dit transport zouden meerijden naar Farmsum teneinde het verhaal van de chauffeur te verifiëren. Voorts blijkt uit dit proces-verbaal dat ten tijde van deze controle nog een transport van afgewerkte olie werd binnengebracht van hetzelfde transportbedrijf, dat dit ook afgewerkte olie afkomstig van [mede verdachte organisatie 2] betrof die op weg was naar [verdachte organisatie] , dat bij dit transport eveneens een nationale begeleidingsbrief aanwezig was waarop als verwerkingswijze D01 was vermeld en dat dit transport tegelijkertijd met het eerder beschreven transport is vertrokken naar Farmsum . 2.9.3.
- Uit het proces-verbaal van ambtshandeling van [medewerker 1] en [medewerker 6] blijkt ten aanzien van de controle van 20 mei 2008 het volgende. [medewerker 1] en [medewerker 6] waren op 20 mei 2008 betrokken bij een grootscheepse interregionale milieu- en transportcontrole aan de A7 binnen de gemeente Scheemda. Hen was gevraagd om een transport van afgewerkte olie met de Duitse tankauto, voorzien van het Duitse kenteken [kentekennummer] , nader te beoordelen en zij kregen inzage in de bij het transport aanwezige documenten. Zij besloten het transport te volgen teneinde de verklaring van de chauffeur te verifiëren. Ze zagen dat de tankauto het terrein van [verdachte organisatie] opreed en dat de chauffeur naar het kantoor liep. Daarop liepen [medewerker 1] en [medewerker 6] ook het kantoor binnen en zagen zij dat de chauffeur daar documenten werden verstrekt. De chauffeur toonde hen de documenten en zij zagen dat het ging om EVOA-documenten, te weten een "kennisgevingsdocument voor grensoverschrijdende afvaloverbrenging" en een "vervoersdocument voor grensoverschrijdende afvaloverbrenging", beide voorzien van kennisgevingsnummer NL
- Aan [medewerker 1] en [medewerker 6] werd een kopie van deze documenten verstrekt. Vervolgens zagen zij dat de chauffeur in de eerder genoemde tankwagen stapte en het terrein van [verdachte organisatie] verliet, zonder dat hij bij [verdachte organisatie] had gelost of geladen. De receptie verwees hen door naar [medewerker 9] (hierna: [medewerker 9] ). Daarop kregen zij inzage in de kennisgeving NL 201325 en overhandigde [medewerker 9] hen een kopie daarvan. [medewerker 9] vertelde hen dat er die dag vier van deze transporten reden, dat er al 60 van de 750 transporten op deze wijze hadden plaatsgevonden en dat dit een gebruikelijke werkwijze was voor transporten die plaatsvonden op deze kennisgeving. Verder blijkt uit dit proces-verbaal dat [medewerker 1] het transport vervolgens aan een nader onderzoek onderwierp, waartoe hij het meldsysteem Amice raadpleegde. [medewerker 1] constateerde dat op het kennisgevingsdocument in vak 9 onder "producent(en) van de afvalstoffen" en onder "locatie waarop en proces waarbij de afvalstoffen zijn ontstaan" was vermeld: " Farmsum (NL)" en "Destillation". 2.9.3.
- Uit het proces-verbaal van bevindingen van [medewerker 3] , destijds werkzaam als brigadier van de Dienst TMC-Water van het KLPD, blijkt ten aanzien van de controle van 2 oktober 2008 het volgende. [medewerker 3] was die dag belast met een integrale milieu- en transportcontrole aan de A7 binnen de gemeente Opsterland. Hij zag dat een tankwagen, voorzien van het kenteken [kentekennummer] , ter controle werd binnengebracht. Hij sprak de bestuurder aan en deze voldeed aan zijn vordering om het bij dit transport behorende vervoersdocument ter inzage af te geven. [medewerker 3] zag op de begeleidingsbrief dat de lading was aangeduid als afgewerkte olie, dat de ontdoener [organisatie 6] was, dat de ontvanger [verdachte organisatie] was en dat de verwerkingsmethode D.01 (chemisch fysisch scheiden) vermeld was. De bestuurder verklaarde desgevraagd dat hij de afgewerkte olie had geladen bij [organisatie 6] , dat hij deze partij moest lossen bij [verdachte organisatie] , dat hij vervolgens bij hetzelfde bedrijf een soortgelijke partij olie moest laden en dat deze olie moest worden vervoerd naar een bedrijf in Duisburg. Na de controle vertrok de tankauto met de bestemming Delfzijl. Het was [medewerker 3] bekend dat in mei 2008 bij een soortgelijk transport geconstateerd was dat de afgewerkte olie bij [verdachte organisatie] niet uit de tankwagen was gepompt maar met een nieuw vervoersdocument verder was getransporteerd naar Duitsland. Daarom nam hij contact op met [medewerker 1] met het verzoek deze tankauto bij [verdachte organisatie] te controleren. Verder blijkt uit het proces-verbaal dat [medewerker 3] vervolgens uit de opgemaakte controleformulieren afleidde dat op dezelfde datum een tankauto, voorzien van kenteken [kentekennummer] , was gecontroleerd. Uit de begeleidingsbrief van het door deze tankauto verrichte transport bleek dat de lading was aangeduid als afgewerkte olie, dat als ontdoener [mede verdachte organisatie 2] , als ontvanger [verdachte organisatie] en als verwerkingsmethode D.01 (chemisch fysisch scheiden) was vermeld. Daarop nam [medewerker 3] opnieuw telefonisch contact op met [medewerker 1] met het verzoek deze tankauto te Delfzijl te controleren. 2.9.3.
- Uit de mutatie van [medewerker 3] betreffende de controle van 2 oktober 2008 blijkt - in aanvulling op hetgeen onder 2.9.3.
- is vermeld - dat hij later die dag is gebeld door [medewerker 1] en deze hem toen heeft verteld dat hij beide tankauto's had aangetroffen bij [verdachte organisatie] en dat hij had geconstateerd dat de afgewerkte olie van [organisatie 7] daadwerkelijk werd gelost in een waltank en de tankauto vervolgens uit dezelfde tankauto (de rechtbank begrijpt: waltank) weer was geladen om vervolgens door te gaan naar Duitsland. 2.9.3.
- De rechtbank is van oordeel dat uit de in de overwegingen 2.9.3.
- tot en met 2.9.3.
- vermelde processen-verbaal en mutaties blijkt dat [medewerker 7] , [medewerker 8] , [medewerker 3] , [medewerker 6] en [medewerker 1] hun toezichtbevoegdheden tijdens de controles van 20 mei 2008 en 2 oktober 2008 niet uitsluitend hebben gebruikt voor het verrichten van opsporingshandelingen. De rechtbank ziet geen aanleiding om eraan te twijfelen dat in beide gevallen sprake was van een reguliere milieu- en transportcontrole. In beide gevallen zijn de begeleidende documenten van de tankwagens gecontroleerd en is de chauffeur bevraagd. Vervolgens is er in beide gevallen - naar aanleiding van de verklaring van de chauffeur - voor gekozen om bij de ontvanger van het transport ( [verdachte organisatie] ) te controleren of werd gehandeld overeenkomstig de begeleidende documenten. In het ene geval is daartoe een tankwagen gevolgd naar [verdachte organisatie] en in het andere geval is een collega verzocht (de handelwijze ten aanzien van) de tankwagen bij [verdachte organisatie] te controleren. Vervolgens is bij [verdachte organisatie] geobserveerd wat er met de lading van de tankwagens werd gedaan, zijn de begeleidende documenten die bij [verdachte organisatie] aan de chauffeurs werden verstrekt bekeken en gekopieerd, zijn vragen gesteld aan medewerkers van [verdachte organisatie] en zijn de EVOA-documenten betreffende het transport opgevraagd. Naar het oordeel van de rechtbank past deze handelwijze binnen de toezichtbevoegdheden die aan de verbalisanten in het kader van de milieu- en transportcontrole zijn verleend en zijn deze bevoegdheden (in ieder geval mede) aangewend voor het doel waarvoor deze zijn gegeven. De rechtbank kan de verdediging dan ook niet volgen in haar stelling dat de verbalisanten veel verder zijn gegaan dan dat de controlebevoegdheden reiken en dat zij hun controlebevoegdheden louter hebben ingezet voor het nemen van strafvorderlijke beslissingen. Ook indien in de loop van deze controles een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit is ontstaan, staat dit niet in de weg aan (het voortgaan met) het uitoefenen van toezichtbevoegdheden, mits bij het aanwenden van die bevoegdheden tegen de verdachte de aan deze als zodanig toekomende waarborgen in acht worden genomen. De rechtbank zal hierna ingaan op de vraag of in het kader van (onder meer) deze controles is gehandeld in strijd met de cautieplicht. 2.9.3.
- Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat van misbruik van bevoegdheden geen sprake is. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om het openbaar ministerie op die grond niet-ontvankelijk te verklaren. Cautieplicht 2.10.
- De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de politie bewust, structureel en met medeweten van de officier van justitie gedurende een periode van tien jaar in strijd met artikel 29, tweede lid, Sv heeft verzuimd de cautie te geven voorafgaand aan verhoren van verdachten. Men was al in 2007 of 2008 (of misschien zelfs al in 2005 of 2006) bezig met opsporing jegens [verdachte organisatie] . Het netwerk van de provincie, TMC-Water en de inspectiediensten van het ministerie (de VROM-IOD en later de Inspectie Leefomgeving en Transport (hierna: ILT)), onder meer bestaande uit [medewerker 6] , [medewerker 2] en [medewerker 1] , zat al jaren dicht bovenop [verdachte organisatie] en had contacten met het openbaar ministerie. Men heeft medewerkers van [verdachte organisatie] vragen gesteld met informatie die men al lang had en heeft vervolgens gezegd dat het nieuwe informatie betrof. Men heeft nagelaten te zeggen dat men wel wist hoe het zat en heeft de medewerkers van [verdachte organisatie] , onder wie [medewerker 9] , [medewerker 10] en [medewerker 11] , geen cautie gegeven. Volgens de verdediging hebben de politie en het openbaar ministerie de betrokkenen, onder wie verdachte, hierdoor op sluwe wijze verklaringen ontfutseld die nu als bewijsmiddelen in het dossier zijn gevoegd. Zelfs als de lezing van de officier van justitie wordt gevolgd, is in augustus/september 2008 al opdracht gegeven voor een strafrechtelijk onderzoek. Uit de stukken blijkt volgens de verdediging voorts dat men er bewust voor heeft gekozen om de gebroeders [namen gebroeders] niet als verdachten maar als getuigen te horen. De reden daarvoor kan volgens de verdediging alleen zijn dat men per se wilde dat zij zouden gaan verklaren, zodat men hun verklaringen voor een ander doel zou kunnen gebruiken. De officier van justitie heeft het onrechtmatig handelen en nalaten van de opsporingsambtenaren niet gecorrigeerd maar geduld. De verdediging heeft voorts betoogd dat het zwijgrecht en de cautieplicht ook gelden indien de verdachte een rechtspersoon is en dat dit recht van een verdachte rechtspersoon pas effectief kan zijn indien werknemers van die rechtspersoon zich ook daadwerkelijk op het zwijgrecht kunnen beroepen. Of een medewerker getuige of verdachte is, hangt niet af van hetgeen de opsporingsambtenaar of officier van justitie op het moment van het verhoor bepaalt, maar van het antwoord op de vraag of achteraf, uitgaande van de toen bij de autoriteiten beschikbare informatie, sprake was van een redelijk vermoeden van schuld. [medewerker 9] , [medewerker 10] en [medewerker 11] zijn degenen die zich binnen [verdachte organisatie] bezighielden met de EVOA-documentatie en zij zijn er niet alleen over bevraagd hoe zij hier zelf mee omgingen maar ook - vanuit hun functie als medewerker van [verdachte organisatie] - hoe [verdachte organisatie] (als rechtspersoon) en verdachte (als feitelijk leidinggevende) hiermee omgingen. Bovendien zijn zij later zelf ook als verdachte aangemerkt. De verdediging heeft meer specifiek aangevoerd dat bij de controle van mei 2008 niet de cautie is gegeven aan [medewerker 9] , terwijl dit wel had gemoeten aangezien men al langer vermoedens had en sprake was van een gerichte opsporingsactie, dat ook bij eerdere en latere controles, zoals die van oktober 2008 en november 2008, geen cautie is gegeven en dat verdachte bij een telefonisch interview tijdens een controle van januari 2009 geen cautie is gegeven. In veel gevallen hebben de toezichthouders gewoon vragen gesteld, hebben zij ten onrechte niet aangegeven of zij de medewerkers van [verdachte organisatie] hoorden als getuigen of als vertegenwoordiger van de rechtspersoon en hebben zij geen verslagen opgemaakt van die verhoren. Voorts is aangevoerd dat [verdachte organisatie] en haar vertegenwoordigers niet zijn geïnformeerd over de verdenkingen die er bestonden. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de door [verdachte organisatie] en haar medewerkers afgelegde verklaring moeten worden uitgesloten van het bewijs voor zover daaraan geen cautie is vooraf gegaan. 2.10.
- De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de cautieplicht niet is geschonden. Daartoe heeft hij aangevoerd dat, indien sprake is van een opsporingsonderzoek en proces-verbaal wordt opgemaakt, enkel de cautie behoeft te worden gegeven aan personen die men wil gaan vervolgen. [medewerker 9] en de andere medewerkers van [verdachte organisatie] aan wie geen cautie is gegeven, worden niet vervolgd. Daardoor is geen sprake van het meewerken aan de eigen vervolging, noch van een schending van de cautieplicht. Indien een natuurlijke persoon wordt gehoord als medewerker van een rechtspersoon, behoeft hem geen cautie te worden gegeven, aangezien diegene in dat geval wordt gehoord als getuige. Dit is volgens de officier van justitie slechts anders indien eraan wordt gedacht hem naast de rechtspersoon te vervolgen. Indien de verdachte een rechtspersoon is, behoeft alleen de directeur of feitelijk leidinggevende onder cautie te worden gehoord. Verder heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte voorafgaand aan zijn telefonische verklaring tijdens de controle van januari 2009 geen cautie is gegeven en dat deze verklaring om die reden niet als bewijs mag worden meegenomen in het opsporingsonderzoek. Voorts heeft hij zich op het standpunt gesteld dat deze verklaring in de voorfase wel mag worden meegenomen ten behoeve van het vergaren van informatie over de mogelijk illegale handelwijze van [verdachte organisatie] . 2.10.3.
- Artikel 29, tweede lid, Sv beoogt de verdachte te behoeden tegen ongewilde medewerking aan zijn eigen veroordeling. Ingevolge die bepaling dient de verdachte voor zijn verhoor te worden meegedeeld, dat hij niet verplicht is tot antwoorden. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moeten als verhoor worden aangemerkt alle vragen aan een door een opsporingsambtenaar als verdachte aangemerkte persoon betreffende diens betrokkenheid bij een geconstateerd strafbaar feit. 2.10.3.
- In een arrest van 16 april 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY5706) heeft de Hoge Raad overwogen dat, indien zodanige mededeling achterwege is gebleven bij een verhoor in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde feit, sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat dan toepassing van bewijsuitsluiting van het door dit verzuim verkregen bewijsmateriaal in aanmerking komt omdat een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift in aanzienlijke mate is geschonden, mede in aanmerking genomen dat de mededeling aan de verdachte dat hij niet verplicht is tot antwoorden, noodzakelijk is ter verzekering van het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het EVRM. 2.10.3.
- Uit het voormelde arrest van de Hoge Raad van 16 april 2013 volgt dat het uitgangspunt is dat een schending van de cautieplicht moet leiden tot bewijsuitsluiting van het door dit verzuim verkregen bewijsmateriaal en niet tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. Dit is slechts anders indien blijkt dat de met opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een goede procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. 2.10.3.
- De rechtbank stelt vast dat de verdediging haar stelling dat de politie bewust, structureel en met medeweten van het openbaar ministerie gedurende een periode van tien jaar heeft verzuimd de cautie te geven voorafgaand aan de verhoren van verdachten, slechts in beperkte mate heeft geconcretiseerd. De verdediging heeft concreet enkel het verhoor van [medewerker 9] tijdens de controle van mei 2008 (de rechtbank begrijpt: 20 mei 2008) en het telefonische verhoor van verdachte tijdens de controle van januari 2009 (de rechtbank begrijpt: 13 en 16 januari 2009) genoemd. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat ook tijdens de controles van oktober 2008 en november 2008 ten onrechte geen cautie is gegeven. Gelet op het ontbreken van een nadere aanduiding door de verdediging en uitgaande van het startproces-verbaal, neemt de rechtbank aan dat de verdediging hiermee de controles van 2 oktober 2008, 9 oktober 2008, 22 (of 23) november 2008, 26 november 2008 en 27 november 2008 heeft bedoeld. Nu de verdediging geen andere specifieke verhoren heeft genoemd, zal de rechtbank haar oordeel beperken tot de verhoren die hebben plaatsgevonden tijdens de zeven voornoemde controles. 2.10.3.
- Ten aanzien van de controle van 20 mei 2008 verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hiervoor onder 2.9.3.
- en 2.9.3.
- heeft overwogen. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat op het moment dat [medewerker 9] werd ondervraagd door [medewerker 6] en [medewerker 1] nog geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld van een strafbaar feit. Daartoe overweegt de rechtbank dat eerst na het raadplegen van het kennisgevingsdocument NL 201325 en de naar aanleiding daarvan verleende kennisgevingsbeschikking kon worden vastgesteld of de geconstateerde handelwijze een overtreding van de EVOA-regelgeving opleverde. Uit het onder 2.9.3.
- vermelde proces-verbaal leidt de rechtbank af dat [medewerker 1] deze documenten eerst na het gesprek met [medewerker 9] heeft geraadpleegd en hij eerst op dat moment heeft vastgesteld dat op het kennisgevingsdocument stond dat de afvalstoffen waren ontstaan op de locatie Farmsum bij het proces destillatie, hetgeen in strijd was met de door hem en [medewerker 6] gedane waarnemingen. Daarom is het redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit naar het oordeel van de rechtbank eerst na het gesprek met [medewerker 9] ontstaan. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat [medewerker 1] en [medewerker 6] niet verplicht waren [medewerker 9] de cautie te geven, zodat het achterwege laten daarvan geen aanleiding kan geven om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren, noch om de verklaring van [medewerker 9] uit te sluiten van het bewijs. 2.10.3.
- Ten aanzien van de controle van 2 oktober 2008 verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hiervoor onder 2.9.3.
- en 2.9.3.
- heeft overwogen. Daarnaast blijkt uit het startproces-verbaal dat een werknemer van [verdachte organisatie] [medewerker 1] heeft verteld dat de lading uit de eerst tankauto werd gelost in tank 314, dat de lege oplegger weer vanuit tank 314 werd beladen met bestemming [organisatie 11] , dat de tweede tankauto werd gelost in tank 103 en dat deze weer werd geladen uit tank 311 met de bestemming [organisatie 8] te Moerdijk. Op grond van de (beperkte) beschikbare informatie betreffende het bezoek van [medewerker 1] aan [verdachte organisatie] kan de rechtbank niet vaststellen of sprake was van een verhoorsituatie. De rechtbank zal er in het voordeel van verdachte vanuit gaan dat dit wel het geval was. Daarbij neemt zij in aanmerking dat deze transporten dezelfde stroom afgewerkte olie betreffen als de hiervoor onder 2.10.3.
- besproken transporten van 20 mei 2008 en [medewerker 1] bij beide controles betrokken was. 2.10.3.
- De in het startproces-verbaal genoemde controle van 9 oktober 2008 betreft een controle van een vrachtauto door een toezichthouder van de provincie Flevoland. Uit de stukken betreffende deze controle blijkt dat men in eerste instantie van plan was om naar aanleiding van deze controle een bezoek te brengen aan [verdachte organisatie] , maar dat men uiteindelijk op verzoek van het IMT een proces-verbaal van bevindingen heeft opgemaakt "omdat er reeds voorbereidingen zijn voor een opsporingsonderzoek van het IMT naar deze afvalstromen". Uit de stukken blijkt niet dat in het kader van deze controle een of meer aan [verdachte organisatie] gerelateerde personen zijn gehoord. Daarom is niet aannemelijk geworden dat in het kader van deze controle sprake is van een schending van de cautieplicht. 2.10.3.
- De in het startproces-verbaal genoemde controle van 22 november 2008 betreft een controle van een schip door [medewerker 3] . Volgens het startproces-verbaal heeft [medewerker 3] in het kader van deze controle op 28 november 2008 gesproken met [medewerker 12] , laboratorium manager van [verdachte organisatie] (hierna: [medewerker 12] ), en verklaarde [medewerker 12] dat de lading alleen waar nodig werd gefiltreerd, dat er nagenoeg geen water in de lading zat en dat de lading werd doorgezet als fluxolie naar Duitsland. Uit de onderliggende stukken (waaronder het proces-verbaal van bevindingen van [medewerker 3] ) waarnaar in het startproces-verbaal wordt verwezen, blijkt dat het gaat om een controle op 23 november 2008 van het schip de [naam schip] en dat dit schip op 20 en 21 november 2008 verontreinigde stookolie heeft gelost bij [verdachte organisatie] , welke afkomstig was van [organisatie 9] . Verder blijkt uit die onderliggende stukken dat [medewerker 3] over deze controle op 26 november 2008 telefonisch heeft gesproken met [medewerker 12] , waarbij [medewerker 12] heeft verklaard dat er weinig water in de stookolie zat, de stookolie derhalve niet ontwaterd hoefde te worden, de stookolie alleen door een filter werd gevoerd en de stookolie vervolgens als "fluxolie" naar Duitsland ging. Voorts blijkt daaruit dat [medewerker 3] hier op 12 december 2008 met [medewerker 12] over heeft gesproken en dat deze toen onder meer heeft verklaard dat de stookolie een "soort" destillatiestap onderging voordat het als "fluxolie" naar Duitsland werd vervoerd, deze destillatiestap bestond uit het verwarmen van de olie van tank 102, door het verwarmen de benzine en het water uit de olie verdampte, op deze manier de olie van tank 102 aan de juiste specificaties van "fluxolie" voldeed en het eindproduct vervolgens naar Duitsland werd vervoerd. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat op de momenten dat [medewerker 12] werd bevraagd door [medewerker 3] nog geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld van een strafbaar feit. Daartoe overweegt de rechtbank dat eerst na het raadplegen van het kennisgevingsdocument en de naar aanleiding daarvan verleende kennisgevingsbeschikking kon worden vastgesteld of de geconstateerde handelwijze een overtreding van de EVOA-regelgeving opleverde. Uit de onderliggende documenten blijkt niet dat [medewerker 3] deze documenten voorafgaand aan de gesprekken met [medewerker 12] had geraadpleegd. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat het bij dit transport om een geheel andere afvalstroom gaat dan bij de hiervoor onder 2.10.3.
- tot en met 2.10.3.
- besproken transporten van 20 mei 2008, 2 oktober 2008 en 9 oktober
- Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat [medewerker 3] niet verplicht was [medewerker 12] de cautie te geven, zodat het achterwege laten daarvan geen aanleiding kan geven om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren, noch om de verklaring van [medewerker 12] - voor zover deze al relevant is voor de ten laste gelegde feiten - uit te sluiten van het bewijs. 2.10.3.
- De in het startproces-verbaal genoemde controle van 26 november 2008 betreft de controle van een vrachtauto door de Douane. Uit het proces-verbaal betreffende deze controle blijkt dat twee medewerkers van de Douane de bestuurder van de vrachtauto hebben gevorderd de bij de lading behorende vervoersdocumenten ter inzage te geven, dat deze daaraan heeft voldaan, dat in de afgegeven begeleidingsbrief als lading vermeld was afgewerkte olie, als ontdoener [organisatie 6] / [organisatie 7] en als ontvanger [verdachte organisatie] en dat de bestuurder heeft verklaard dat hij afvalolie vervoerde van [organisatie 7] te Amsterdam naar [verdachte organisatie] te Farmsum . Voorts blijkt uit dit proces-verbaal dat een collega van de verbalisanten het aansluitende dossier heeft opgevraagd bij [verdachte organisatie] , dat dit dossier onder meer bestond uit het vervoersdocument voor grensoverschrijdende afvaloverbrenging behorende bij kennisgeving NL 201325 en dat [medewerker 12] in het begeleidende faxbericht d.d. 5 december 2008 (door de Douane ontvangen op 10 december 2008) heeft verklaard: "Zoals telefonisch besproken komt de lading binnen, de vrachtwagen wordt aangekoppeld en water afgelaten, paar m³ verpompt ter controle en wordt weer terug geladen (fysische behandeling). De wagen wordt weer afgekoppeld en vertrekt weer." Verder hebben verbalisanten in het proces-verbaal gerelateerd dat hen uit de door [medewerker 12] toegezonden documenten is gebleken dat bij aanvang van het transport bij [organisatie 6] / [organisatie 7] de bestemming Duisburg al bekend was en het vervoersdocument daarom al bij aanvang van het transport in Amsterdam aanwezig had moeten zijn. 2.10.3.
- De in het startproces-verbaal genoemde controle van 27 november 2008 betreft eveneens de controle van een vrachtauto door de Douane. Uit het proces-verbaal betreffende deze controle blijkt dat twee medewerkers van de Douane de bestuurder van de vrachtauto hebben gevorderd de bij de lading behorende vervoersdocumenten ter inzage te geven, dat deze daaraan heeft voldaan, dat in de afgegeven begeleidingsbrief als lading vermeld was afgewerkte olie, als ontdoener [organisatie 6] / [organisatie 7] en als ontvanger [verdachte organisatie] en dat de bestuurder heeft verklaard dat hij afvalolie vervoerde van [organisatie 7] te Amsterdam naar [verdachte organisatie] te Farmsum . Voorts blijkt uit dit proces-verbaal dat verbalisanten het aansluitende dossier hebben opgevraagd bij [verdachte organisatie] , dat dit dossier onder meer bestond uit het vervoersdocument voor grensoverschrijdende afvaloverbrenging behorende bij kennisgeving NL 201325 en dat een collega van de verbalisanten de kennisgeving NL 201325 heeft opgevraagd bij SenterNovem. Verder wordt in dit proces-verbaal opnieuw gerefereer