← Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2017:3389

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Leeuwarden Bestuursrecht zaaknummer: LEE 17/714 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2017 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. K.E. Wielenga), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder (gemachtigde: P.J. Langius). Procesverloop Bij besluit van 22 juli 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd terug te komen op het besluit van 2 juli 2007, waarin de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong) is afgewezen. Bij besluit van 23 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, voorzien van producties. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni

  1. Eiser, vergezeld door zijn zus, [naam zus] , is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft bij brief van 24 juli 2017 de termijn om uitspraak te doen met zes weken verlengd. Overwegingen 1.
  2. Eiser, geboren op [geboortedatum] 1988, heeft op 4 oktober 2005 een uitkering op grond van de Wet Wajong aangevraagd. Bij besluit van 2 juli 2007 is deze aanvraag afgewezen, omdat eiser vanaf zijn 17e verjaardag niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest en dat hij in ieder geval vanaf zijn 18e verjaardag minder dan 25% arbeidsongeschikt is. Tegen dit besluit heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend. 1.
  3. Op 9 november 2010 heeft eiser opnieuw een Wet Wajong-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 20 december 2010 heeft verweerder eisers tweede aanvraag om een uitkering op grond van de Wet Wajong niet in behandeling genomen, omdat eiser geen nieuwe gegevens heeft opgestuurd. Eiser heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. 1.
  4. Op 20 maart 2014 heeft eiser opnieuw een Wet Wajong-uitkering aangevraagd. Daarbij heeft hij vermeld dat hij ADHD en spraakproblemen heeft en dat hij moeilijk dingen kan begrijpen. Verweerder heeft deze aanvraag opgevat als een verzoek om herziening van het besluit van 2 juli
  5. 1.
  6. In het kader van die aanvraag heeft de verzekeringsarts eiser onderzocht op het spreekuur van 23 juni 2014 en op basis van nieuwe medische informatie de actuele belastbaarheid van eiser vastgelegd in een kritische Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 23 juni
  7. De verzekeringsarts geeft in het rapport van 23 juni 2014 te kennen dat eiser in het verleden al bekend was met een verstandelijke beperking en ADHD. Hij komt tot de conclusie dat in het 17e en 18e levensjaar bij eiser sprake was van beperking van de belastbaarheid, dat niet gebleken is dat eiser binnen een jaar na de 18e verjaardag volledig hersteld was van de aandoening van waaruit hij op zijn 17e verjaardag beperkingen had. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen in het rapport van 3 juli 2014 geconcludeerd dat eiser voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt moet worden beschouwd. 1.
  8. Verweerder heeft bij primair besluit van 22 juli 2014 eiser met ingang van 24 maart 2013 in aanmerking gebracht voor een Wajong-uitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Verweerder heeft aan dit besluit de onder 1.4 genoemde rapporten van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige ten grondslag gelegd. 1.
  9. Bij brief van 3 september 2014 is namens eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 juli 2014, waarbij verweerder is verzocht om herziening van het eerdere besluit van 2 juli
  10. Aan dat verzoek is ten grondslag gelegd dat de medische situatie van eiser feitelijk gezien hetzelfde is als ten tijde van de eerdere besluitvorming van zijn aanvraag in
  11. Vervolgens heeft verweerder bij besluit op bezwaar van 22 september 2014 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, vanwege overschrijding van de bezwaartermijn. 1.
  12. Het tegen het besluit van 22 september 2014 ingestelde beroep heeft deze rechtbank, zittingsplaats Leeuwarden, bij uitspraak van 4 maart 2015 ongegrond verklaard (AWB 14/4839). De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft deze uitspraak op 7 oktober 2016 (15/2474) vernietigd en verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen. 1.
  13. Op 14 december 2016 heeft, in aanwezigheid van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, een hoorzitting plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 19 januari 2017 uiteengezet dat de medische grondslag in de beslissing van 2007 niet navolgbaar is, dat de medische toestand niet essentieel is gewijzigd en dat de combinatie van beperkte intellectuele capaciteit en gedragsproblemen ook al in 2007 bestonden, en dat op basis van de beschikbare gegevens in 2007 reeds een indicatie tot begeleiding had kunnen worden vastgesteld. Hij concludeert dat de belastbaarheid die is weergegeven in de FML van 23 juni 2014 ook bestond ten tijde van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling op 20 juni
  14. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder het onder ‘Procesverloop’ genoemde bestreden besluit genomen.
  15. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden op grond waarvan het besluit van 2 juli 2017 (lees: 2007) voor onjuist moet worden gehouden. De in de FML van 23 juni 2014 vastgelegde belastbaarheid van eiser bestond ook ten tijde van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling op 20 juni
  16. Om die reden heeft aanleiding bestaan eiser per datum ontvangst van zijn verzoek om terug te komen op het besluit van 22 juli 2014 (lees: 2 juli 2007), te weten per 24 maart 2014, in aanmerking te brengen voor een Wajong-uitkering. Nu eiser met ingang van 24 maart 2013 in aanmerking is gebracht voor een Wajong-uitkering, is hij hiermee niet tekort gedaan.
  17. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Op de gronden die eiser daartoe aanvoert, zal hierna worden ingegaan.
  18. In het verweerschrift wijst verweerder erop dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en dat het verzoek van eiser met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is afgewezen onder verwijzing naar het eerdere besluit van 2 juli
  19. Verweerder acht geen grond aanwezig om uit te gaan van een bijzonder geval en – voor zover er al een recht zou zijn gelet op inkomsten – alsnog een Wajong-uitkering na te betalen vanaf
  20. Gelet op het verhandelde ter zitting heeft eiser met zijn aanvraag van 20 maart 2014 uitsluitend willen bereiken dat verweerder terugkomt van zijn besluit van 2 juli
  21. In het licht van de uitspraak van de CRvB van 14 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1), waarin is overwogen dat een aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking moet worden beoordeeld, heeft verweerder zich terecht beperkt tot de vraag of er aanleiding is het besluit van 2 juli 2007 te herzien.
  22. De aanvraag van eiser van 20 maart 2014 is een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872), zoals herhaald bij uitspraak van 25 januari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:288), heeft de CRvB zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. In een geval als het voorliggende, waarin het bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, betekent dit dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.
  23. Gelet op wat onder 6 is opgenomen, ligt aan de rechtbank ter beoordeling voor of verweerder zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten opzichte van het eerdere besluit van 2 juli
  24. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.
  25. Nu het verzoek betrekking heeft op herziening van het besluit van 2 juli 2007, is eiser overeenkomstig artikel 4:6 van de Awb gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan te dragen. De rechtbank is van oordeel dat eiser bij zijn aanvraag van 20 maart 2014 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld in de zin van artikel 4:6 van de Awb. De bij de aanvraag aan verweerder verstrekte medische gegevens, waaronder een verslag psychologisch onderzoek van 3 maart 2014 en een brief van 22 april 2014 van psychiater M.R.A. Santana, zijn weliswaar pas na het besluit van 2 juli 2007 beschikbaar gekomen, maar geven -zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht heeft gesteld in zijn rapport van 19 januari 2017- geen essentieel ander beeld van de medische toestand van eiser. Hij heeft in dat verband terecht opgemerkt dat de combinatie van beperkte intellectueel capaciteit en gedragsproblemen ook in al 2007 bestond en dat de wederzijdse negatieve beïnvloeding van beperkte intelligentie en aan de persoonlijkheid gebonden problemen ook in 2007 reeds overwogen hadden kunnen worden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport geconcludeerd dat op basis van de beschikbare gegevens in 2007 reeds een indicatie tot begeleiding had kunnen worden vastgesteld. Die conclusie vindt -zoals verweerder in het verweerschrift terecht heeft uiteengezet- geen grondslag in een nieuw feit. De rechtbank acht de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in voornoemd rapport inzichtelijk en goed navolgbaar. De ter zitting naar voren gebrachte stelling dat wel sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden omdat de verzekeringsarts in 2007 een fout heeft gemaakt en dat eiser met de kennis van toen begeleiding had moeten krijgen, levert geen nieuw feit op.
  26. Ten aanzien van de uitkomst van het bij eiser afgenomen IQ-onderzoek, is de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 19 januari 2017 op overtuigende wijze heeft gemotiveerd dat in 2000 een andere IQ-test werd gebruikt dan in 2014, zodat de uitkomsten van die IQ-testen niet zonder meer met elkaar vergeleken kunnen worden en dat niet op basis van feiten gesteld kan worden dat eiser in intellectueel opzicht in 2014 in een andere (meer ongunstige) toestand verkeerde dan in
  27. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder in het rapport gemotiveerd uiteengezet dat aangenomen moet worden dat de toestand met betrekking tot de intelligentie in 2014 dezelfde was als in 2007 en op het niveau van (tenminste) laag begaafdheid of lichte zwakzinnigheid ligt. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de door deze arts ingenomen standpunten. De stelling dat de nieuwe feiten en omstandigheden zijn gelegen in de andere uitkomst van het bij eiser afgenomen IQ-onderzoek, leidt niet tot het door eiser gewenste resultaat.
  28. De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verweerder in redelijkheid tot de juiste ingangsdatum van de Wajong-uitkering, te weten 24 maart 2013, is gekomen.
  29. Eiser voert in dat verband aan dat sprake is van een bijzonder geval die een eerdere ingangsdatum dan 23 maart 2013 rechtvaardigt. Hiertoe stelt eiser dat hij redelijkerwijs geacht wordt niet in verzuim te zijn door geen rechtsmiddelen aan te wenden tegen de besluiten van 12 mei 2006 en 2 juli
  30. Uit de stukken komt genoegzaam naar voren dat eiser gezien zijn beperkingen niet in staat was om zonder deugdelijke begeleiding van zijn hulpverleners de administratieve procedure van verweerder te doorlopen. Ten tijde van het nemen van het besluit van 2 juli 2007 was er voor eiser geen begeleiding meer beschikbaar.
  31. Verweerder stelt zich hierover in het verweerschrift op het standpunt dat er geen grond is om uit te gaan van een bijzonder geval en daarmee een Wajong-uitkering na te betalen vanaf
  32. Ter zitting heeft verweerder het standpunt ingenomen dat niet wordt toegekomen aan de vraag of zich in het geval van eiser een bijzonder geval voordoet als bedoeld in artikel 3:29, tweede lid, van de Wet Wajong. Hiertoe wijst verweerder erop dat het in dit geval niet gaat om een nieuwe aanvraag, maar om een herhaalde aanvraag, die strekt tot herziening van het eerdere besluit van 2 juli
  33. Ingevolge artikel 3:29, eerste lid, van de Wet Wajong gaat de arbeidsongeschiktheidsuitkering in op de dag, met ingang waarvan de jonggehandicapte aan de vereisten voor het recht op toekenning van die uitkering voldoet. Ingevolge het tweede lid van artikel 3:29 kan de uitkering, in afwijking van het eerste lid, niet vroeger ingaan dan een jaar voor de dag, waarop de aanvraag om toekenning dan wel voortzetting van de uitkering werd ingediend, waarbij tevens is bepaald dat het Uwv voor bijzondere gevallen van de eerste zin kan afwijken.
  34. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn betoog dat artikel 3:29, tweede lid, van de Wet Wajong in het onderhavige geval in de weg staat aan het toekennen van een uitkering tot meer dan een jaar voor het verzoek om herziening van 20 maart
  35. Zij overweegt daartoe dat in gevallen als het onderhavige een onderscheid moet worden gemaakt tussen de situatie waarin er sprake is van een aanvraag tot toekenning van een uitkering dan wel de voortzetting van een uitkering, zoals bedoeld in artikel 3:29, tweede lid, van de Wet Wajong en de situatie waarin eerder is besloten over de uitkering en verzocht wordt om terug te komen op dat besluit. Artikel 3:29, tweede lid, van de Wet Wajong strekt ertoe verweerder te beschermen tegen de aanspraak op een uitkering die tot ver in het verleden terugwerkende kracht zou kunnen krijgen in de situaties waarin het de aanvrager vrij stond om eerder een aanvraag te doen maar hij dit om hem moverende redenen heeft nagelaten. Een dergelijke situatie doet zich in het onderhavige geval niet voor. Daarbij is van belang dat eiser een herhaalde aanvraag heeft ingediend, die is aangemerkt als een verzoek om herziening van het eerdere besluit van 2 juli 2007, waarbij eiser niet in aanmerking is gebracht voor een Wajong-uitkering. Een herhaalde aanvraag kan naar het oordeel van de rechtbank, anders dan verweerder betoogt, (ook) als “aanvraag” als bedoeld in het tweede lid van artikel 3:29 van de Wet Wajong worden beschouwd. Niet valt in te zien dat de term “aanvraag” in vorenbedoeld tweede lid uitsluitend is beperkt tot het indienen van een (nieuwe) aanvraag om een uitkering op grond van de Wet Wajong. Op de vraag of in het geval van eiser sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 3:29, tweede lid, van de Wet Wajong, zal de rechtbank in het onderstaande ingaan.
  36. In vaste rechtspraak van de CRvB (onder meer de uitspraak van 23 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2223) is tot uitdrukking gebracht dat een bijzonder geval aanwezig wordt geacht indien de betrokkene ter zake van de te late aanvraag redelijkerwijs geacht moet worden niet in verzuim te zijn geweest. Dit kan het geval zijn indien de vraag of bij betrokkene eerst op een later tijdstip een duidelijk inzicht is ontstaan op de ernst van de aandoeningen en de gevolgen daarvan voor de arbeidsongeschiktheid, bevestigend moet worden beantwoord. De rechtbank ziet geen aanleiding om deze vaste rechtspraak niet van overeenkomstige toepassing te achten op een herhaalde aanvraag.
  37. Naar het oordeel van de rechtbank is in het geval van eiser sprake van een bijzonder geval als bedoeld in het tweede lid van artikel 3:29 van de Wet Wajong. Daartoe acht de rechtbank van belang dat de verzekeringsartsen van verweerder hebben vastgesteld dat op basis van de beschikbare gegevens in 2007 reeds een indicatie tot begeleiding voor eiser had kunnen worden vastgesteld en dat de in de FML van 23 juni 2014 weergegeven belastbaarheid ook al bestond ten tijde van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling op 20 juni
  38. Aangezien bij de beoordeling in 2007 voor eiser in de FML achteraf gezien al een beperking had moeten worden gesteld op het item begeleiding en eiser vanwege zijn medische beperkingen zonder de beschikking te hebben over deugdelijke begeleiding niet in staat was de administratieve procedure van verweerder te doorlopen, kan hem niet worden verweten dat hij geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen het besluit van 2 juli
  39. Daar komt bij dat verweerder niet heeft weersproken dat eiser ten tijde van het nemen van het besluit van 2 juli 2007 geen begeleiding meer had.
  40. Uit wat onder 13 tot en met 16 is overwogen volgt dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser eerst met ingang van 23 maart 2013 voor een Wajong-uitkering in aanmerking komt.
  41. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:29 van de Wet Wajong. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, omdat het aan verweerder is om de ingangsdatum van de Wajong-uitkering te bepalen. Daarbij geeft de rechtbank verweerder in overweging dat voor de ingangsdatum aansluiting dient te worden gezocht bij de datum van het besluit van 2 juli 2007 dan wel zes weken daarna. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Verweerder zal daarom binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
  42. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 september
  43. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.