RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Leeuwarden parketnummer 18/730201-14 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 31 oktober 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats] , [straatnaam] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 3 oktober 2017 en 17 oktober 2017. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.E. Pennings, advocaat te Rotterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T.H. Pitstra. Tenlastelegging Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat: 1. zij in of omstreeks de periode van 1 april 2014 tot en met 15 mei 2014 en/of (elders) in het jaar 2014, te [pleegplaats] en/of (elders) in Nederland en/of te Portugal en/of te Brazilië, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, A) een ander, te weten [slachtoffer 1] , (telkens) door dwang, geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(
(141063613)en maken onlosmakelijk deel uit van de advertentie. Eerder onderzoek heeft reeds uitgewezen dat de vrouw op deze afbeeldingen te identificeren is als [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] hanteert als werknaam ' [slachtoffer 2] '. 5. De door verdachte op de terechtzitting van 3 oktober 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende: Ik heb in de woning in [pleegplaats] foto's van [slachtoffer 2] gemaakt. [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 2]) heeft haar met de auto naar deze woning gebracht. 6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 26 mei 2014, opgenomen op pagina 318 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van (de medeverdachte [medeverdachte 2] (in vraag- en antwoordstijl): (p. 321) A: Ik ben naar Brazilië gegaan. Een vriendin van onze familie wilde met mij mee terug naar Nederland. Deze vriendin heet [slachtoffer 2] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2] ). Toen [slachtoffer 2] bij mij in Den Haag was, heb ik uitgevonden dat haar echte naam [slachtoffer 2] is. V: Hoe noemt [slachtoffer 2] jou? A: [medeverdachte 2] . V: Welke namen gebruik je nog meer? A: [medeverdachte 2] voor het werken. V: Wanneer ben je naar die woning (de rechtbank begrijpt: de woning van verdachte) gegaan? A: Het was de eerste vrijdag nadat ik terug kwam op 5 mei. Dat moet dus op 9 mei zijn geweest. Wij (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2] en " [slachtoffer 2] ") zijn samen naar de woning van [verdachte] gegaan. (p. 322) A: Bij [verdachte] hebben heel veel vrouwen gewerkt in de prostitutie. 7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 27 mei 2014, opgenomen op pagina 324 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] : (p. 330) Volgens mij heb je een Spaans, nee Nederlands paspoort nodig om hier te werken. [slachtoffer 2] heeft een toeristenvisum. 8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 22 mei 2014, opgenomen op pagina 363 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte: Ik heb een huis gehuurd in [pleegplaats] , [straatnaam] . Ik bedoel, dat mijn man dit voor mij heeft gehuurd. (p. 364) Toen [slachtoffer 1] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1]) werd opgepakt in [pleegplaats] , was er nog een ander meisje. Het meisje is door [medeverdachte 2] / [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 2]) meegenomen vanuit Brazilië. Deze vrouw huilde toen en vertelde mij, dat zij 1000 Reias moest betalen aan [medeverdachte 2] , dit is ongeveer 350 Euro. Zij wilde toch gaan werken om [medeverdachte 2] te betalen. Ik heb die middag nog enkele foto's van haar gemaakt met het fototoestel van [medeverdachte 1] . Dit waren foto's in bikini en dergelijke. Deze foto's moesten dan op Kinky.nl om te adverteren voor haar. 9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 22 mei 2014, opgenomen op pagina 366 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte: (p. 367) Mijn werknaam was " [verdachte] ". (p. 368) Ook de vrouw die [medeverdachte 2] meegenomen had werkte in het huis te [pleegplaats] . Het zijn allemaal Braziliaanse meiden die er werkten. Met hun had ik de afspraak dat ze 30% of 50% betaalden van hun verdiensten. Mijn fout is dat ik foto's heb gemaakt van dat meisje dat [medeverdachte 2] meegenomen had. Het meisje huilde vanwege de omstandigheden dat ze werken moest. Het was me ook duidelijk dat zij iemand was die dit werk, de prostitutie, nog nooit gedaan had. Ik vroeg aan haar wat ze dan hier deed. Ze zei dat [medeverdachte 2] haar heel lang al kende en dat ze naar Nederland wou. Voor de ticket terug naar Brazilië moest ze nog en bedrag van 1000 Reais aan [medeverdachte 2] betalen en daarvoor moest ze aan het werk. Natuurlijk was ze slachtoffer. Ik hoor van u dat ze [slachtoffer 2] heet. Ze werkte onder de nam [slachtoffer 2] . 10. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 15 mei 2014, opgenomen op pagina 234 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] (in vraag en antwoord stijl): (p. 238) A: Ook [slachtoffer 2] is in contact met [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) gekomen en die heeft dat geregeld. A: Een vriendin, met de naam [medeverdachte 2] , heeft haar gebracht. (p. 240) V: [slachtoffer 2] , wat deed zij? A: Prostitutie. Op de dag dat ze is gekomen en de dag erna heeft ze een klant gehad. V: Hoe waren die klanten geregeld? A: Via [verdachte] , via Speurders.nl. Er staat een telefoonnummer bij en de klant belt dan een telefoonnummer en dan regelt [verdachte] de afspraak. V: Er zijn ook foto's gemaakt? A: Die heeft [verdachte] gemaakt. V: Wie heeft ze toen op de foto gezet? A: Alleen [slachtoffer 2] . V: Hoe was [slachtoffer 2] toen gekleed? A: In lingerie kleding. Dat heeft puur te maken voor de advertenties op internet. 11. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 17 mei 2014, opgenomen op pagina 242 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte [medeverdachte 1] : (p. 244) Zij werkten allemaal op fifty-fifty-basis. Als er een klant kwam, dan kreeg ik een sms'je van [verdachte] . Zij gaf dan door welk meisje gewenst was door de klant. De klanten betaalden de vrouwen. De helft van het geld werd dan aan mij afgedragen. Dat bewaarde ik dan voor [verdachte] . 12. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 19 mei 2014, opgenomen op pagina 254 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] (in vraag- en antwoordstijl): (p. 256) A: [verdachte] gebruikte mijn computer om de foto's te bewerken en in een advertentie te zetten. Ik heb haar wel eens geholpen om dit te doen. Zij deed dit meestal. Ik heb de advertenties wel eens omhoog geplaatst. Dit was gratis bij speurders.nl. V: We hebben ook een aantal papieren in de woning aangetroffen, hier stonden onder andere uren op met bedragen. Wie heeft dat opgeschreven? A: Dat heb ik gedaan. Ik deed dat om te communiceren met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Zij spreken geen Nederlands. Ik kreeg dan een sms'je met de afspraken voor klanten van [verdachte] en gaf dit zo door aan hen. 13. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 23 mei 2014, opgenomen op pagina 260 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte [medeverdachte 1] : (p. 261) [slachtoffer 2] heeft op de dag dat ze werd gebracht onmiddellijk een klant gehad. Er waren al bestaande advertenties op de sekssites geplaatst en toen er klanten belden naar een van die nummers vertelde [verdachte] hen dat [slachtoffer 2] er ook was en dan werd er overlegd met de klant welk meisje hij wilde. [verdachte] belt deze afspraak dan door aan mij en ik geef het door aan het betreffende meisje. Het geld dat [slachtoffer 2] verdiende dan kreeg zij dat van de mannen. [slachtoffer 2] droeg mij dan de helft af en dit deed ik in een geldkistje. Dit geld was voor [verdachte] . 14. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 15 mei 2014, opgenomen op pagina 177 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] : (p. 178) Ik ben bekend als [slachtoffer 1] . [slachtoffer 2] is gebracht door [medeverdachte 2] . (p. 179) Ik had de indruk dat [slachtoffer 2] dit werk niet wilde doen. [slachtoffer 2] heeft wel die foto's laten maken, want zij wilde vervroegd naar Brazilië terug keren. Hiervoor moest haar ticket worden gewijzigd en dit kost geld. [slachtoffer 2] heeft van mij een telefoon gekregen. Ik vond haar zielig omdat zij geen contact met haar familie kon hebben. 15. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 20 mei 2014, opgenomen op pagina 182 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] : (p. 184) V: En de naam [medeverdachte 2] . Wat zegt je dat? A: Dat is denk ik haar werknaam en die stond op de site. Zij was maar vier dagen in het huis. Zij is de dag voordat wij gearresteerd zijn vertrokken. Dus op de dinsdag. 16. Een proces-verbaal van getuigenverhoor bij de rechter-commissaris in deze rechtbank d.d. 18 april 2016, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] : [slachtoffer 2] heeft tegen mij gezegd dat zij als pedicure/manicure wilde werken, maar niet in de prostitutie. 17. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 25 juni 2014, opgenomen op pagina 205 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2] : (p. 206) [verdachte] had op een gegeven moment met die [medeverdachte 1] in Vledder een soort escort bedrijf. Later eenzelfde bedrijf in [pleegplaats] . Zij regelde volgens mij alles telefonisch. Hierna ging de opdracht door naar [medeverdachte 1] en die regelde dan alles. Met betrekking tot het onder 1 subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende. Kort gezegd is tenlastegelegd dat verdachte samen met een ander behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van wederrechtelijke toegang tot Nederland van [slachtoffer 1] (lid 1 van artikel 197a Sr., hierna: lid 1) en dat verdachte die [slachtoffer 1] samen met een ander uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het verschaffen van wederrechtelijk verblijf in Nederland (lid 2 van artikel 197a Sr., hierna: lid 2). De rechtbank stelt vast dat de toegang tot en het verblijf in Nederland voor [slachtoffer 1] wederrechtelijk waren, nu zij naar Nederland is gekomen met de bedoeling om in Nederland als prostituee te gaan werken en in Nederland werkzaam was als prostituee, terwijl zij daartoe als vreemdeling met Braziliaanse nationaliteit niet gerechtigd was. Ten aanzien van het bestanddeel winstbejag (lid 2) overweegt de rechtbank als volgt. Blijkens de wetsgeschiedenis is 'winst' iedere stoffelijke verrijking die zou kunnen intreden ten gevolge van het begaan van het verboden feit, daargelaten of deze verrijking om te zetten is in bepaalde valuta of economische eenheden. Bovendien gaat het bij winstbejag om een gerichtheid op verrijking. De verrijking behoeft niet daadwerkelijk te zijn ingetreden; voldoende is dat blijkt dat de dader op de hier bedoelde verrijking uit was. De rechtbank is van oordeel dat het feit (zowel lid 1 als lid 2) op grond van de opgenomen bewijsmiddelen kan worden bewezen als nader aangegeven en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank leidt uit de verklaring van [medeverdachte 1] af dat verdachte de komst van [slachtoffer 1] naar Nederland heeft geregeld en dat hij [slachtoffer 1] op verzoek van verdachte van Schiphol heeft afgehaald en naar de woning van verdachte in [pleegplaats] heeft gebracht. Volgens [medeverdachte 1] waren verdachte en haar echtgenoot [getuige 1] bij het afhalen van [slachtoffer 1] van Schiphol aanwezig en had verdachte toen een foto van [slachtoffer 1] bij zich ter herkenning. Verdachte heeft dit alles ter terechtzitting ontkend, echter de rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid van de verklaring van [medeverdachte 1] te twijfelen, nu deze onder meer wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 1] , inhoudende dat hij samen met verdachte een meisje van Schiphol heeft opgehaald dat vanuit Portugal kwam en dat door [medeverdachte 1] is meegenomen naar [pleegplaats] . In en vanuit de woning van verdachte in [pleegplaats] heeft [slachtoffer 1] vervolgens prostitutie- en escortwerkzaamheden verricht, waaraan verdachte en [medeverdachte 1] hebben meegewerkt als omschreven in de tenlastelegging. Verdachte wist daarbij dat de toegang tot en het verblijf in Nederland van [slachtoffer 1] wederrechtelijk waren, nu het van meet af aan de bedoeling was dat [slachtoffer 1] in Nederland als prostituee ging werken en zij in Nederland ook daadwerkelijk als prostituee werkzaam was, terwijl zij daartoe als vreemdeling met Braziliaanse nationaliteit niet gerechtigd was. Dat de toegang tot en het verblijf in Nederland onder de gegeven omstandigheden wederrechtelijk was wordt een ieder geacht te weten en dit geldt temeer voor verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] , die zich al lange tijd bezighielden met escort en prostitutie. Uit het feit dat verdachte heeft verklaard dat zij een ander, te weten [slachtoffer 2] , heeft verteld dat zij niet kon werken met een Braziliaans paspoort blijkt ook dat verdachte op de hoogte is van de desbetreffende regelgeving. Dit komt ook naar voren uit het verslag van een telefoongesprek dat verdachte heeft gevoerd en waarin zij zegt: “De ene heeft alleen documenten om in Portugal te werken.” Gelet op de omstandigheid dat [slachtoffer 1] een deel van haar verdiensten aan medeverdachte [medeverdachte 1] ten behoeve van verdachte moest afstaan acht de rechtbank tevens bewezen dat verdachte daarbij uit winstbejag heeft gehandeld. Medeplegen De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte het feit als bedoeld in lid 1 tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd, nu van enige betrokkenheid van [medeverdachte 1] bij dit onderdeel niet is gebleken. De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte het feit als bedoeld in lid 2 tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] heeft gepleegd. Verdachte en [medeverdachte 1] hebben samen gehandeld als hiervoor is overwogen. Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde leidt de rechtbank uit de gebezigde bewijsmiddelen af dat de aan verdachte ten laste gelegde sub-onderdelen 1, 3, 4, 6 en 9 van lid 1, art. 237f Sr bewezen kunnen worden, waarbij jegens [slachtoffer 2] de dwangmiddelen misleiding, misbruik van een uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie zijn toegepast. Misleiding Met betrekking tot het dwangmiddel misleiding overweegt de rechtbank dat medeverdachte [medeverdachte 2] [slachtoffer 2] in Brazilië heeft benaderd en haar heeft overgehaald naar Nederland te komen waar zij, zo had [medeverdachte 2] haar verteld, zou kunnen werken als manicure. Eenmaal in Nederland aangekomen heeft [medeverdachte 2] [slachtoffer 2] verteld dat het vanwege taalproblemen moeilijk voor haar werd om in Nederland als manicure aan de slag te gaan. [medeverdachte 2] heeft [slachtoffer 2] vervolgens naar de woning van verdachte in [pleegplaats] gebracht waar zij geld kon gaan verdienen met prostitutiewerkzaamheden. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat [medeverdachte 2] aldus [slachtoffer 2] heeft misleid door haar voor te houden dat zij in Nederland ander werk dan prostitutiewerk kon gaan doen. Immers, [medeverdachte 2] wist dat [slachtoffer 2] de Nederlandse taal niet machtig was. Daarnaast wist [medeverdachte 2] dat [slachtoffer 2] niet op legale wijze als manicure in Nederland kon gaan werken. [medeverdachte 2] heeft immers verklaard dat [slachtoffer 2] een toeristenvisum had en dat je (wat daar overigens ook van zij) om te mogen werken in Nederland een Nederlands paspoort nodig hebt. De verklaring van [slachtoffer 2] dat zij onder het voornoemde, door [medeverdachte 2] voorgehouden, valse voorwendsel naar Nederland is gekomen wordt ondersteund door de verklaring van [slachtoffer 1] bij de rechter-commissaris, inhoudende dat [slachtoffer 2] tegen haar heeft gezegd dat zij als pedicure/manicure wilde werken, maar niet in de prostitutie en overige hiervoor opgenomen verklaringen, waaronder die van verdachte, waaruit blijkt dat [slachtoffer 2] geen prostitutiewerkzaamheden wilde verrichten. Misbruik van een kwetsbare positie en misbruik van een uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht Met betrekking tot het dwangmiddel misbruik van een kwetsbare positie geldt dat dit begrip in lid 6 van artikel 237f Sr is gedefinieerd in die zin dat daaronder mede wordt begrepen “een situatie waarin een persoon geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan.” Met betrekking tot het dwangmiddel misbruik van uit feitelijk overwicht voorvloeiend overwicht geldt blijkens de wetsgeschiedenis dat, waar het de prostitutie betreft, dit misbruik kan worden verondersteld indien de prostitué(
- e)in een situatie verkeert of komt te verkeren die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostitué(
- e)in Nederland pleegt te verkeren. Volgens de Hoge Raad is voor het bewijs van door “misbruik" handelen toereikend dat de dader zich bewust moet zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkene waaruit het overwicht voortvloeit, dan wel verondersteld moet worden voort te vloeien, in die zin dat tenminste voorwaardelijk opzet ten aanzien van die omstandigheden bij hem aanwezig moet zijn. Datzelfde geldt voor gevallen waarin sprake is van een kwetsbare positie van het slachtoffer. De rechtbank overweegt dat [slachtoffer 2] op het moment dat zij met [medeverdachte 2] in Nederland aankwam niet over zelfstandige woonruimte beschikte en voor onderdak afhankelijk was van [medeverdachte 2] . Verder was [slachtoffer 2] de Nederlandse taal niet machtig, kende zij buiten [medeverdachte 2] niemand in Nederland en had zij niet de beschikking over een telefoon. [slachtoffer 2] beschikte niet over financiële middelen, maar had wel geld nodig voor haar terugreis naar Brazilië, zo was haar door [medeverdachte 2] te verstaan gegeven. Terwijl haar door [medeverdachte 2] was verteld dat zij niet als manicure kon werken, en het benodigde geld derhalve niet op die wijze kon verdienen, is zij door verdachte ondergebracht in de woning van verdachte, waarin en van waaruit prostitutiewerkzaamheden werden verricht. Om het benodigde geld bij elkaar te krijgen zag [slachtoffer 2] geen andere mogelijkheid dan zich te prostitueren. Verdachte heeft al op de dag van aankomst van [slachtoffer 2] in haar woning foto's van haar gemaakt ten behoeve van seksadvertenties op internet, terwijl zij zag dat [slachtoffer 2] huilde omdat ze geen prostitutiewerkzaamheden wilde verrichten. Van het geld dat [slachtoffer 2] verdiende heeft ze eenmaal de helft moeten afdragen aan [medeverdachte 1] wat bestemd was voor verdachte. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat uit deze feitelijke omstandigheden volgt dat [slachtoffer 2] zich ten opzichte van verdachte en [medeverdachte 2] in een afhankelijke positie bevond waarin zij geen andere reële keuze had dan in de prostitutie te gaan werken. De positie waarin zij verkeerde was totaal niet vergelijkbaar met de positie van een mondige prostituee in Nederland. [slachtoffer 2] verkeerde aldus in een uitbuitingssituatie en verdachte maakte daar misbruik van. Uitbuiting Uit de wettekst van sub-onderdelen 1 en 6 van lid 1, artikel 237f Sr volgt dat voor bewezenverklaring van deze sub-onderdelen is vereist dat sprake is van (het oogmerk van) uitbuiting. Uit de jurisprudentie volgt dat de in de overige sub-onderdelen omschreven gedragingen eveneens alleen strafbaar zijn indien zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld. Uitbuiting moet derhalve worden aangemerkt als een impliciet bestanddeel van deze sub-onderdelen. In lid 2 van artikel 237f Sr is bepaald dat onder uitbuiting in ieder geval uitbuiting in de prostitutie valt. Ten aanzien van het oogmerk van uitbuiting overweegt de rechtbank dat hiervoor is vereist dat het handelen van verdachte, naar zij moet hebben beseft, als noodzakelijk en dus door haar gewild gevolg meebracht dat de ander werd of zou kunnen worden uitgebuit. Nu naar het oordeel van de rechtbank vaststaat dat [slachtoffer 2] er met toepassing van voornoemde dwangmiddelen door verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] toe is gebracht om zich te prostitueren en verdachte hier financieel voordeel uit heeft gehaald, is de rechtbank van oordeel dat verdachte [slachtoffer 2] heeft uitgebuit. Dat verdachte daadwerkelijk handelde met het oogmerk van uitbuiting, vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort uit hetgeen reeds is overwogen ten aanzien van de dwangmiddelen misbruik van een kwetsbare positie en misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht. Het op deze wijze financieel voordeel behalen uit werkzaamheden die door een ander in de prostitutie worden verricht, terwijl er sprake is van dwang, zoals de rechtbank hiervoor reeds heeft overwogen, leidt tot uitbuiting als bedoeld in artikel 273f Sr. De rechtbank is derhalve, anders dan de raadsman, van oordeel dat sprake was van uitbuiting van [slachtoffer 2] door verdachte en dat verdachte daar ook het oogmerk op heeft gehad. Medeplegen De rechtbank is daarbij tevens van oordeel dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] heeft [slachtoffer 2] door misleiding uit Brazilië gehaald en ondergebracht in de woning van verdachte in [pleegplaats] waar zij is gehuisvest om zich te prostitueren. Verdachte heeft foto's van [slachtoffer 2] gemaakt ten behoeve van seksadvertenties, regelde de afspraken met klanten en streek de helft van het door [slachtoffer 2] verdiende geld op. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat sprake was van een dusdanig nauwe en bewuste samenwerking van verdachte met [medeverdachte 2] dat medeplegen bewezen kan worden. Nu niet is gebleken dat [slachtoffer 2] escortwerkzaamheden heeft verricht, uit de verklaringen blijkt niet dat zij klanten heeft gehad buiten de woning in [pleegplaats] , acht de rechtbank niet bewezen dat zij naar escortklanten is vervoerd. Verdachte zal daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Bewezenverklaring De rechtbank acht het onder 1 subsidiair en 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat: 1, subsidiair zij in de periode van 1 april 2014 tot en met 15 mei 2014 te Amsterdam en/of [pleegplaats] en/of elders in Nederland en/of te Portugal en/of te Brazilië, een ander, te weten [slachtoffer 1] , (lid 1) behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot Nederland en zij in de periode van 1 april 2014 tot en met 15 mei 2014 te [pleegplaats] , tezamen en in vereniging met een ander, een ander, te weten [slachtoffer 1] , (lid 2) uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat die toegang en het verblijf wederrechtelijk was, immers is/heeft zij, verdachte, en/of (met) haar mededader: - met voornoemde [slachtoffer 1] in contact gekomen en/of voornoemde [slachtoffer 1] benaderd en gevraagd/voorgesteld naar Nederland te komen om te werken, terwijl zij, verdachte, wist of moest vermoeden dat voornoemde [slachtoffer 1] niet in het bezit was van een verblijfsvergunning en/of een tewerkstellingsvergunning voor het verrichten van arbeid in Nederland en/of is/heeft zij, verdachte en/of (met) haar mededader: - voornoemde [slachtoffer 1] opgehaald vanaf Schiphol en/of - die [slachtoffer 1] ondergebracht en/of laten verblijven in een woning in Nederland en/of - ( een) advertentie(
- s)op de website www.kinky.nl en/of www.speurders.nl en/of (een) andere website(
- s)geplaatst, waarin die [slachtoffer 1] zich aanbood voor het verlenen van seksuele diensten tegen betaling en/of - de telefoon opgenomen voor die [slachtoffer 1] en/of (vervolgens) afspraken gemaakt voor die [slachtoffer 1] met (potentiële) klanten voor prostitutie en/of - die [slachtoffer 1] naar (escort)klanten vervoerd en/of - die [slachtoffer 1] als prostituee laten werken en/of (vervolgens) (een gedeelte van) het door die [slachtoffer 1] verdiende geld ingenomen en/of ontvangen; 2, primair zij in de periode van 5 mei 2014 tot en met 15 mei 2014 te [pleegplaats] en/of elders in Nederland en/of te Brazilië tezamen en in vereniging met een ander, A) een ander, te weten [slachtoffer 2] , telkens door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie - heeft geworven, vervoerd, gehuisvest, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 2] (sub 1°) en/of - heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten van seksuele aard (sub 4°) en/of - heeft bewogen verdachte en/of verdachtes mededader te bevoordelen uit de opbrengst van haar, [slachtoffer 2] , seksuele handelingen met en/of voor een derde (sub 9°) en/of B) een ander, te weten [slachtoffer 2] , heeft aangeworven en/of meegenomen met het oogmerk die [slachtoffer 2] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (sub 3) en/of C) telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van die/een ander of anderen, te weten [slachtoffer 2] , (sub 6°) immers heeft zij, verdachte, en/of haar mededader: - contact gelegd en/of gekregen met die [slachtoffer 2] (in Brazilië) en/of die [slachtoffer 2] verteld dat zij in Nederland wel kon werken als manicure en/of gezegd dat die [slachtoffer 2] naar Nederland kon komen en/of - die [slachtoffer 2] opgehaald vanaf Schiphol en/of (vervolgens) ondergebracht en/of laten verblijven in een woning en/of - tegen die [slachtoffer 2] gezegd dat zij gemaakte onkosten moest (terug)betalen en/of - foto's in bikini en/of lingerie van die [slachtoffer 2] gemaakt, welke foto's bestemd waren voor (een) advertentie(
- s)op www.kinky.nl en/of www.speurders.nl en/of (een) andere website(
- s)en/of - ( een) advertentie(
- s)op de website www.kinky.nl en/of www.speurders.nl en/of (een) andere website(
- s)geplaatst, waarin die [slachtoffer 2] zich aanbood voor het verlenen van seksuele diensten tegen betaling en/of - de telefoon opgenomen voor die [slachtoffer 2] en/of (vervolgens) afspraken gemaakt voor die [slachtoffer 2] met (potentiële) klanten voor prostitutie en/of - een gedeelte van het door die [slachtoffer 2] verdiende geld door die [slachtoffer 2] laten afstaan, terwijl die [slachtoffer 2] de Nederlandse taal niet of onvoldoende sprak/beheerste en onbekend was in Nederland en bijna niemand in Nederland kende en niet over eigen inkomsten en huisvesting in Nederland beschikte en aldus bewerkstelligd dat die [slachtoffer 2] van haar, verdachte, en/of haar mededader afhankelijk was. Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: 1, subsidiair Een ander behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van toegang tot Nederland, terwijl hij weet dat die toegang wederrechtelijk is, en Tezamen en in vereniging met één of meer anderen een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, of hem daartoe gelegenheid en middelen verschaft, terwijl hij weet dat dat verblijf wederrechtelijk is. 2, primair Mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten. Strafbaarheid van verdachte De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. Strafmotivering Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 primair ten laste gelegde tot het volgende wordt veroordeeld: - een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen, waarvan 172 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van 2 jaren; - een werkstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft betoogd dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, hetgeen tot strafvermindering moet leiden. Bij een eventuele strafoplegging dient gelet daarop te worden volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest. Oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting van 3 oktober 2017, de over haar opgemaakte rapportages en het haar betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensensmokkel en - samen met een ander - aan mensensmokkel uit winstbejag. Zij is daarbij een persoon behulpzaam geweest bij wederrechtelijk(
- e)inreis en verblijf in Nederland. Verdachte heeft daarmee het overheidsbeleid inzake bestrijding van illegaal verblijf in en illegale toegang tot Nederland doorkruist. Verder heeft verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan mensenhandel. Het slachtoffer, een Braziliaanse vrouw, is daarbij onder het valse voorwendsel dat zij in Nederland zou kunnen gaan werken als manicure, bewogen om naar Nederland te komen. In Nederland werd zij door verdachte en medeverdachte gehuisvest en werd haar verteld dat zij gelet op het feit dat de Nederlandse taal niet beheerste niet als manicure aan het werk kon. Hierdoor, en door het feit dat het slachtoffer zich in Nederland in een situatie bevond waarin zij om meerdere redenen afhankelijk was van verdachte en de medeverdachte, is zij ertoe gebracht werkzaamheden in de prostitutie te verrichten. Zij moest vervolgens een deel van haar verdiensten afstaan ten gunste van verdachte. Mensenhandel waarbij het slachtoffer in de prostitutie wordt gebracht, is een vergaande vorm van uitbuiting waarbij de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer ondergeschikt worden gemaakt aan de zucht naar geldelijk gewin van de uitbuiter. De psychische gevolgen van dergelijke uitbuiting kunnen voor een slachtoffer, zo is algemeen bekend, groot zijn. De rechtbank acht voor een combinatie van genoemde strafbare feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur in beginsel gerechtvaardigd. De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het haar betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, in Nederland niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Verder stelt de rechtbank vast dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank acht gelet daarop en op de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, het thans niet passend om aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan de duur van het voorarrest op te leggen en ziet gelet op het tijdsverloop geen aanleiding meer voor een voorwaardelijk strafdeel. De rechtbank zal daarnaast aan verdachte wel een werkstraf van na te noemen duur opleggen. Een strafafdoening als bepleit door de raadsman, doet naar het oordeel van rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van de feiten. Inbeslaggenomen goederen De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een mobiele telefoon: een witte Samsung GT-19505, moet worden teruggegeven aan verdachte nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 57, 197a en 273f van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde. Uitspraak De rechtbank Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Veroordeelt verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 98 dagen. Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht. een taakstraf voor de duur van 240 uren. Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast. Gelast de teruggave aan veroordeelde van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven mobiele telefoon: een witte Samsung GT-19505. Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. F.J. Agema en mr. M.B. de Wit, rechters, bijgestaan door W. Brandsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 oktober 2017. Zie onder bewijsmiddel 2. Zie onder bewijsmiddel 5. Proces-verbaal van bevindingen, p. 48 e.v. Zie onder bewijsmiddel 8. Zie onder bewijsmiddel 13. Proces-verbaal van bevindingen, p. 109 e.v. (" [medeverdachte 2] hanteert als werknaam ' [medeverdachte 2] "). Artikel 4.42, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:B 17099 (Chinese horeca). HR 24 november 2015. ECLI:NL:HR:2015:3309, HR 17 mei 2016, ECII:NL:HR2016:857.