beslissing RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Meervoudige wrakingskamer Zittingsplaats Groningen zaaknummer / rekestnummer: C/18/175733 / PR RK 17-162 Beslissing van 3 mei 2017 op het verzoek van [naam] , wonende te [woonplaats], verzoeker. 1De procedure 1.
- Bij brief van 22 maart 2017 heeft de officier van justitie in de zaak met parketnummer 18-920067-14 aan verzoeker bericht dat op grond van artikel 6 Wetboek van Strafrecht voorwerpen in beslag zijn genomen waarop celmateriaal van verzoeker aanwezig was, waarbij op grond van artikel 6, lid 3 aan verzoeker is bericht dat voldoende celmateriaal in beslag is genomen en dat dit celmateriaal zal worden gebruikt om het DNA-profiel van verzoeker te bepalen. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bepalen en verwerken van dat DNA-profiel. 1.
- Het bezwaarschrift is door deze rechtbank behandeld op de raadkamerzitting van 24 april 2017 te 10.00 uur. Ter zitting heeft verzoeker de behandelend rechter mr. M.J.B. Holsink gewraakt. 1.
- Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Mr. Holsink heeft aangegeven niet te berusten in het wrakingsverzoek.Hierop is een wrakingskamer geformeerd. 2Het standpunt van verzoeker 2.
- Verzoeker stelt zich op het standpunt dat er ten aanzien van de behandelend rechter sprake is van een schijn van partijdigheid, nu zij bij de behandeling van het door verzoeker ingediende bezwaarschrift heeft beslist dat de door verzoeker gestelde gang van zaken rondom de wijze van DNA afname in onderhavige procedure niet aan de orde is. 3
- Beoordeling 3.
- Ingevolge artikel 512 Sv kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. 3.
- Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening worden gehouden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend. 3.
- Uit de wet (artikel 512 Sv en artikel 513 Sv) volgt dat een verzoeker concrete feiten en omstandigheden dient aan te voeren waaruit objectief afgeleid kan worden dat de rechter jegens een partij vooringenomen is, of dat de vrees van een partij dat er sprake is van een dergelijke vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. Alle feiten en omstandigheden moeten tegelijk - in het verzoek - worden voorgedragen. 3.
- De rechtbank overweegt dat aan het verzoek tot wraking van mr. Holsink voornoemd, geen concrete feiten en/of omstandigheden ten grondslag zijn gelegd waaruit vooringenomenheid van de rechter of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, kunnen worden afgeleid. Voor zover wel feiten zijn gesteld, valt hieruit geen enkele (schijn van) vooringenomenheid af te leiden, zodat er naar het oordeel van de rechtbank geen grond voor wraking is. Verzoeker zal dan ook aanstonds als kennelijk niet-ontvankelijk in zijn verzoek worden verklaard. Een mondelinge behandeling van het verzoek tot wraking kan daarom achterwege blijven. 3.
- Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt. 4
- De beslissing De rechtbank verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking; bepaalt dat de procedure in de hoofdzaak (met parketnummer 18-920067-14) wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking; beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker, mr. Holsink en de officier van justitie. Deze beslissing is gegeven door mr. R.B.M. Keurentjes, voorzitter, en mr. P.G. Wijtsma en mr. P.H.M. Tapper-Wessels, leden, en in het openbaar uitgesproken op 3 mei
- js